(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Tweemaandelijksch tijdschrift voor letteren, kunst, wetenschap en ..., Volume 5"

This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books disco verable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non- commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 

at http : //books . google . com/| 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



•f- 



Ve Jaargang. (T \ Deel II. 

TWEEMAANDELIJKSCH 

TIJDSCHRIFT 

VOOR LETTEREN, KUNST, 
WETENSCHAP en POLITIEK. 

HOOFDREDACTEUREN: L. VAN DEYSSEL 
EN ALBERT VERWEY. c8> <8> <8> <8> <8> <8> <» 



Medewerkers: Dr. A. ALETRINO, JOH. H. BEEN, H. P. BERLAGE 
Nzn., Dr. J. D. BIERENS DE HAAN, Dr. T. J. DE BOER, Prof. G. J. P. J. 
BOLLAND, G. BUSKEN HUÊT, CYRIEL BUYSSE, Mr. F. COENEN 
Jr., Dr. Ch. M VAN DEVENTER, Dr. A. DIEPENBROCK, Dr. F. 
VAN EEDEN, Mr. F. ERENS, M. EMANTS, GUIDO GEZELLE, 
AUG. GITTÉE, F. VAN DER GOES, Dr. H. GORTER, HENR. 
ROLAND HOLST- VAN DER SCHALK, C F. VAN DER HORST, 
Dr. D. G. JELGERSMA, Dr. G. JELGERSMA, ANDRÉ JOLLES, JAN 
KALFF. Dr. R. A. KOLLEWIJN, J. DE KOO, PROSPER VAN LAN- 
GENDONCK. HÉLÈNE LAPIDOTH-SWARTH, JAC. VAN LOOY, 
JOH. DE MEESTER, W. L. PENNING Jr., Mr. S. MULLER Fzn., 
F. NETSCHER, Dr. B. J. H. OVINK, ARY PRINS, GUST. VER- 
MEYLEN, JAN VETH, Prof. J. VAN DER VLIET, Dr. G. VAN 
VLOTEN, H. S. M VAN WICKEVOORT CROMMELIN, E. A. 




UITGEGEVEN TE AMSTERDAM DOOR SCHELTEMA 
EN HOLKEMA'S BOEKHANDEL * ♦ ♦ MDCCCXCIX. 



.v. 




^.*..^, ^<JJiT:**fl^r fl^l^ -Z^^^^ Digitized by 



/Google 






Digitized by 



Google 



INHOUD. 



(Juli '99, Mfl. 4.) 

BUdi. 

Driekoningen-Avond Cyriel Buysse i 

Hegenscheidt's Starkadd .... Albert Verwev 49 

Leven en Werken van Jonker Jan 

van der Noot fS/otJ AuG. Vermeylen .... 66 

Van de Armen Is. P. DE VooYS 93 

Het treurspel „Ghetto" . . . . L. VAN Deyssel 103 

Riddervrouwe en Poortersknaap . Albert Verwey 128 

Eenige Socialistische Ekonomie . F. van der Goes . . . .131 
Boekbeoordeeling : 

Kunst: Studiën zur Deutschen 
Kunstgeschichte. — Ho/lcin- 
dische Miniaturen des spdteren 
Mittelalters A. PiT 167 



(Sept '99, ML 5.) 

Ter Nagedachtenis van Jacob Maris 171 

Bezwaarlijke Liefde F. C. JR 173 

De Man en de Sirene .... Henri DE Regnier .... 209 

E^n Huishouden zonder geld . . Mr. S. Muller Fz 238 

Aus >Der Teppich des Lebens» . Stefan George 273 

Uit „Tom's Dagboek*' . . . . W. L. Penning Jr 284 

Een Koning Albert Verwey 297 

Reinaert de Vos in Griekenland . D. C. HessEUNG 301 



Digitized by 



Google 



(How. '99, MfL e.) 

BUd£. 

Groeikracht Stijn Streüvels 323 

De Heilige Tocht (Vervolg) . . Ary Prins 355 

Zeven Drievoudzangen .... F. vAN Eeden 360 

Aan den blinden Dichter W. L. 

Penning Jr Albert Verwey 364 

Verzen W. L. Penning Jr 367 

Interludus Karel VAN DE WoESTijNE . 377 

Boendale's Lekenspiegel . . . . J. KOOPMANS 380 

Hoogescholen en Geestelijke Be- 
wegingen Albert Verwey 410 

Bewustzijn, Onbewustheid en Sub- 

jekt Dr. P. Bierens de Haan. . 430 

De zaak Hogerhuis F. VAN DER GoES .... 463 

De stam van *t Volk Albert Verwey 484 



Digitized by 



Google 



DRIEKONINGENAVOND. 

Drama in drit bedrijven^ 

DOOR _ 

CYRIEL BUYSSE.. ^^1' - '-^---^ii; f; 



Cloet. 

Rosten Tjeef. 
Jan. 

JULKEN. 

De Pastoor. 
Eerste Gendarme, 

Tusschen eerste en 


PERSONEN. 

De Buurman. 
Vrouw Cloet. 
De Buurvrouw. 

ZULMA. 

Tweede Gendarme, Dorpelingen 
tweede bedrijf viff jaar tijdruimte. 



EERSTE BEDRIJF. 

Een laag vertrek, slecht verlicht, dienend voor woonkamer 
en keuken. Links de haard, In de achtergrond een deur; 
rechts een tweede deur. In de rechterhoek de zoldertrap, 
U^ks, tegen de achterwand, een oude Vlaamse he klok en 
een eetkast. Op de eetkast een Lieve- Vrouw-beeld tusschen 
vazen met artificiëele bloemen. In U midden een vierkante 
tafel met een brandende olielamp. Enkele stoelen. Alles ziet 
er somber en armoedig uit. 

Eerste Tooneel. 

Vrouw Cloef, de Buurvrouw. 

By het ophalen van 't gordijn komt vrouw Cloet met een 
dampende, rood-steenen papschotel van den haard, en plaatst 
die midden op de tafel. Dan gaat ze naar de kast en haalt 



Digitized by 



Google 



DRIEKONINGEN-AVOND. 



er twee gele biksteenen borden, een roggebrood, een mes en 
twee houten lepels vandaan, die zij insgelijks op de tafel 
komt schikken. Even blijft zif onbewegelijk staan, met een 
der lepels nog in de hand, het angstig-luisterend gezicht half 
omgekeerd naar de deur in den achtergro?td, waarachter men 
een dof geluid van voetstappen hoort naderen. 

De buurvrouw, [duwt de deur halfopen en steekt omzichtig 
7 hoofd naar binnen. Sneeuwvlokken bedekken haar hoofd en 
schouders. Met gedempte, geheimzinnige stem) : Es 't er gien 
belet? 

{Terwijl de deur half open blijft, hoort men de wind loeien, 
en in de verte een onduidelijk geluid van zang, door de tonen 
eener harmonica begeleid). 

Vrouw Cloet. [jnet een zucht van verlichting : Och, Hicre I 
't es gij die doar zijt I Och, Hiere, gij hét mij doen verschieten 1 1) 
[Drukt de eene hand op haar hart en houdt zich met de andere 
aan de tafel vast,) 't He mij aan mijn herte gepakt I . . . 
Maor kom binnen, . . . kom al gauwe binnen en zet ou wat 

De buurvrouw, [komt binnen en sluit de deur. Schudt de 
sneeuw van haar kleêren) : Pouah I wat *n weere I Hondeweere I 

Vrouw Cloet. Jong, jong, gij hêt mij doen verschieten I . . . 
Mijn bieneo die schudden en beven d'r vani [Hygt). 'K en 
kan dV hoast gien woord van spreken I . . . Moar zet ou 
toch, ... 't zal wel pesseeren, . . . 'k ben toch hiel kontent da' 
'kou zie. 

De buurvrouw. (Huivert). Brr . . . {Gaat zitten ; spreekt 
langzaam). Ge peisde ge zeker dat 't Cloet was, hèl 

Vrouw Cloet. Joa ik, . . . want ou 'n verwachtte ge 'k nie 
mier. 

De buurvrouw. Maar 't kosten toch euk ou Idnders zijn. 
Ge moest gij ou zeu schouw 2) nie moaken ier da' ge wist 
wa' dat 't was. 



I) Schrikken, l) Schaw, baog. 



Digitized by 



Google 



DRIEKONINGENAVOND. 



Vrouw Cloet. Nic, nic, . . , 'k wist ik da* hiel goed da *t 
mijn kinders me en woaren, en toch verwacht 'k ulder i) 
ieder eugenblik. 'K heur ik da sebiet 2) as ze 't zulder 3) zijn 
die komen ... 't Snieuwt nog altijd veurt, geleuf ik. 

De buurvrouw. (Schudt de laatste sneeuwvlokken van zich 
af). Joa 't, zulle I . . . de stroate ligt heul-de-gansch wit, en 
as 't nie en woare van 't lawijd van de wind en 't zijnge van 
de kinders, gVn zoedt gie' muizeke mier heure' piepen. D'r 
ligt al te minsten 'nen halve voet snieuwe. De kinders die 
nog veur de deuren stoan te zijngen zien d'r heul-de-gansch 
wit van, en ze stoan zeudoanig te dudderen4) da' z' er van 
blitten 5) lijk gietses 6). As 'k noar hier kwam hê'k de san- 
durms7) ontmoet, die op ulder nachtronde uitgingen: ze 
zagen d'r percies uit lijk speuken onder ulder lange mantels. 
(Geheimsinnig), Moar zeg : zoedt-e gij' peizen dat hij nog zal 
komen van den aovondi 

Vrouw Cloet. (Na een oogenbük gedrukt tobben). Och 
Hiere, 'k en wee' 'k da niet, e-woar? 't Es het altijd tusschen 
vieren en vijven da' ze de dieë losloaten dien ulderen tijd 
uitgedoan hén. Bijgevolg as ze zij Cloet euk losgeloaten hin 
en dat-ie hij direkt noar huis gekome woare, zoedt-ie hij hier 
al lang moete zijn. Moar hén z' hem losgeloaten?... dat es 
de kwestie, nie woar? As ie hij gien verminderijnge van 
strafle gekregen en hêt z' en zulle zij hem nie losgeloaten 
hén. Toe 8) rond de zessen hé 'k ik hem verwacht, al bevend 
en schuddende lijk 'n riet. Nou voel ik mij weer *n beetse 
geruster, en 'k en geleuve niet dat hij van doage nog zal 
komen. Moar, bij 't minste dat er gebeurt, begin 'k toch 
weere van schouwtep) te schudden en te beven. 'K en zal 
moar weere veur 'n weeke gerust zijn as die verdomde 
zoaterdag-oayend nog 'ne Ider veurbij es. 

De buurvrouw. (Schudt het hoofd). Ik hé toch al dikkels 10) 
op OU gepeisd die loaste doagen, en 'k hé mij toch al zeu 



1) Hen. 2) Dadelijk. 3) ZuUie. 4) HmrereD. 5) Blaten. 6) Geitjes. 
7) Gendannen. 8) Tot. 9) Angst. 10) Dikwijls. 



Digitized by 



Google 



DRIEKONINGEN-AVOND. 



dikkels afgevroagd wa da 'k ik in ou ploatse zoe doen ; . . . 
moar 'k moe ou zeggen da 'k 't nie en wete. 't Es schrik- 
kelijk, zulle 1 Ge zoedt verdome beter deud zijn 1 Moar woarom 
hê je da nou toch euk gedoani 

Vrouw Cloet. Ha joa, woaromme ? . . . Doar hê je gij 
scheun spreken over, omdatte gij gelukkig zijt en da' ge 
niets te kurt en hêtl Moar 'k zoe wel e kier wille weten 
wa da' e gij zoedt gedoan hen as ge gien stik breud in ou 
huis mier en hét, veur ou en veur ou kinders ? • . . Da es 
nou de vierde kier in drei joar tijd da Cloet in 't kot i) zit, 
telkens veur vechten of pensejaogen 2). 't Es van den aovend 
percies tien moanden dat er hij de loaste kier noartoe gegoan 
es, c-woar? {De buurvrouw knikt bevestigend met het hoofd) 
Ha wel, wcet-e gij wa da' 'k nog ha as hij wig was I (Ontken- 
nende hoofdschudding van de buurvrouw.) Nog twie zakken 
eirdappels, 'ne zak meel, vier stikken buikschotel 3), en dertien 
fran vijf en tzeventig in geld. (Kruist de armen op hcuir borst,) 
Begin gij doar 'ne kier mee ou dreien tien moanden van te 
leven I En anders van niemand iets krijgen I G' het doar ulder 
Bureel van Weldoadigheid, die d'r toch es om d'oarme 
meinschen t'helpen, ewoar? Zoe-e gij peizen da 'k doar oeit 
'ne eens van gekregen hêl Niet dktl (Knapt met de nagel 
van haar duim op haar voortanden). We'n stoan niet inge- 
schreven op ulder boeken, zeggen ze I . . . G' hêt doar al die 
rijke keirels: den burgemiester, den notoarus, de twie dok- 
teurs, miende gij dat er doar wa van te krijgen es?... 
Giene eens, gien stikske breud : »hadt ou beter gedregen g'n 
zoedt in d' armoe nie zijnl" durven die smeirlappen ou ant- 
woorden, percies lijk of da mijn schuld was da Cloet zuik 4) 
'ne vechter en 'ne pensejoager es I En de paster en es gien 
zierken beter: die poaait ou mee wa zoete woorden uit de 
catechissemus, moar doar en worde nie vet van, zulle l . . . 
Hawel ? wa moest ik anders doen I . . . Rosten Tjeef wilde mij 
helpen en 'k hê 't ik aangenomen. Moar natuurlijk en deed-ie 
hij da veur nie niet; en as ie hij gekomen es om d'rveuren 



I) GeTaDgenis. 2) wildstroopen. 3) Gerookt tpek. 4) Ztük. 



Digitized by 



Google 



DRIEKONINGENAVOND. 



te krijgen wa dat-ie hij wilde, en hê *t ik hem nie keune 
rifTezeeren. Al wa da 'k doen kon en wa da 'k euk gedoan 
hê, da was van hem scheune te spreken dat hij toch veur- 
zichtig zoe zijn . . • Moar doar zijt-e wa mee gekurt i), bij 
't mannevolk 1 Beloven zullen ze genoeg, om ulder goeste 2) 
te meugen doen. Moar 't es percies lijk of ge nie 'n sprak; 
't en es moar as de pap verbrand es da ze weten wa dan 
ze gedoan hên. En tons3) nog en kan 't ulder nie schelen. 

De buurvrouw. Joa, zwijg mij van 't mannevolk I Da zijn 
sloebers 1 4) 't Es ulder al percies gelijk, wa dat er gebeurt, 
as ze zij moar ulder goest en hênl Moar 't es nog 't irgste 
van al as da gebeurt woar dat er 'ne keirei es lijk ouë Cloet 
'K en wee ik niet we da-e gij doar moet mee doen. 

Vrouw Cloèt. 'K en weet-e 'k ik euk niet, en as-e'k ik 
doar begin op te peizen voel ik mijn heufd droaien percies 
lijk of 'k zot 5) zoe worden. *K weinsche da 'k deud woarel 
'K weinsche da'k in de Leie versmeurd6) lagl As de Leie 
doar veur mijn voeten lag, op 't eugenblik dat hij zal binne 
komen, 'k geleuve da 'k er in zoe sprijngenl 'K en weet ik 
nie wa da d'r zal gebeuren. 'K peize 'k ik dat hij mij deud 
zal schuppen, mee schuppen in den buik, of mij deudsteken mee 
'n mes. (Wijst naar het mes op de tafel) doar, mee ók mes da 
doar op toafel ligt, zie, lijk 'n virken 7) die ze de keel afteken I 

De buurvrouw. (Kijkt verschrikt naar het mes). Doe 't 
gij wig, jong, doe 't gij wig. 

Vrouw Cloet. Wa geeft dat? Hij zal wa anders pakken. 
Hij zal mij de kop insloan mee 'ne stok, mee 'ne stoel, mee 
'n koterijzer. 8) 

De buurvrouw. (Rili), Ha I . . . 't es wried I 't es wried I . . . 
2^dt-e gij peizen dat hij al van wa weet? 

Vrouw Cloet. 'K en kan ik doar nie van peizen, jong, 
moar 'k vrieze 'k ik wel van jao. Hij zal hij da toch wel 



I) Geholpen. 2) Zin. 3) Dan. 4) Schnrken. 5) Krtnkiinnig. 
6) Verdronken. 7) Varken. 8) Pook. 



Digitized by 



Google 



DRIEKONINGENAVOND. 



oardig i) gevonden hên da 'k ik hem al sedert verscheide 
weken gien iene kier in 't kot mier bezocht en hè. En as-ie 
hij toevallig in dien tusschentijd iemand anders van 'tdurp 
gezien hét, ge keun gij toch wel peizen da z' hem doar zulle 
van gesproken hên. 

De buurvrouw. (Geheimzinnig). In ouw ploatse zoe 'k 
toch geprobeerd hên van de kuïel 2) kwijt te geroaken, zulle. 

Vrouw Cloet. Ha I . . . ge zijt er wel mee as ge peist da 
'k 't nie geprobeerd en hè! 'K hê *k mee alles geprobeerd; 
mostoardtreksels» zaovelbeum op dzjenuiver, azijn en ziepleuge, 
bedevoarten» geloften en ofTranden, al wa da ge moar peizen 
en keunt, en alles vreuchteleus. Zij moar zeker da z' er wel 
komen, die keirels die d'r veel beter noeit en zoen zijnl 

De buurvrouw. 'K hê ik 'n wijf gekend die de kuiël kwijt 
geraokte mee heur de vijfde maond van de zoldertrap te 
loate rollen. 

Vrouw Cloet. Dat en hê 'k nie geprobeerd, moar 'k 
ben wel zeker dat *ttoch nie en zoe geholpen hên. Ne kier 
as da bij mij zeu ver es, die goat da toch veurt Zie ne 
kier wat al sloagen en oarmoe da 'k nie g'had en hein den 
tijd da 'k gruet-ging 3) van Zulmal Eiwel, z' es er zij toch 
gekomen, nie woar?... Nie nie, 't es gedoan mee mij. 'Kzit 
hier zeu goed as deud op mijne stoel. (Zy huilt). 

De buurvrouw. [Na een oogenblik stilzwifgen). En Rosten 
Tjeef ? . . . komt den dienen ou nog bezoeken ? 

Vrouw Cloet. Moar joa joa hij I Wa kan hem da schelen 
zeulang as hij d'r kan van profeteerenl Moar weette gij hoe 
slim dat hij es : van doage en hê 'k hem nie gezien. Hij 
weet da Cloet zou keunen thuiskomen en hij houdt 'em uit 
de goaten. 

[Terwijl de beide vrouwen met elkaar spreken hoort men 
buiten achter de deur in den achtergrond^ een vaag geluid 
van voetstappen^ en dan de klagende tonen eener harmonica^ 
die zingende kinderstemmen begeleiden). 



I) Vreemd, a) BoeL 3) Zwanger was. 



Digitized by 



Google 



DRIEKONINGENAVOND. 



^ 



J J ;| J J^ :^ 



i^ 



Het is van a • vond drie - ko • nin • gen - • a 



j j' JN 



^^ 



^ 



vond. £n 't is mor- gen Drie • ko - nin • gen-dag, Toen Ma 



TT-i' l ^ I" ^ 



^ 



^ 



ri- -a al met Mag -da • Ie 



na 



Al op het 



^^ 



^ 



hei - lig gra - ve - ke zat. Al op het hei - - - lig 



gra-ve - ke zat. 

Vrouw Cloet. (Staaf ongeduldig op). Alweere die zangers I ... 
Ze miene zij da 'k ik de baronesse van 't Kastiel ben» geleuf 
ik! [Tot de buurvrouw). Da es nou al de zesde bende in min 
dan 'n ure tijd en 'k hê al drei stuivers uitgedield I . . . Joa 



I) Driekoningen-aTond-Ued. 



Als zij al over het kerkhof kwamen 

Wat vond men daar geschreven staan 1 

't Was Heer Jesus al met Magdalena 

Al met heur ar-rems rond 't Kruisse gedaan {bis). 

Staat op Maria al met Magdalena 
En staat op van den bitteren dood 
Zijn der uw zondekens alle vergeven 
Ja en al waren zij nog zoo groot (Jfis\ 

Die der dit liedeken wilt hooren zingen 
Des Zondags vóór den hoogmis-tijd 
Ons Lieve- Vrouwken zal eene keers onsteken 
Totdat ge van de wereld scheidt {bis). 



Digitized by 



Google 



8 DRIEKONINGENAVOND. 

moar *tes gedoan, zulle I *K en geve niets mier I [Roept dwars 
door de deur^ tot de zangers). Goa moar veurtl 'K en geve 
nie mierl {Het lied^ even onderbroken, herneemt). 

Vrouw Cloet. {Komt met een nijdige spotlach weer in 
't midden van de keuken). OI wilde gulder nog *n beetse 
blijve zijngen 't es het mij euk goed! {Tot de buurvrouw , 
terwijl mm het lied, achter de deur, aldoor blijft hooren). 
Moar 'k en zalle 'k ik verdome zeu stom nie zijn van mijn 
loaste cenzen wig te geen aan vrendelijngen, binst i) da 'k 
mijn eigen kinders uit zende zijngen om te goan scheuïen. 2) 
Zijn da nou manieren van doen, mee oarme meinschen? 
Woarom en goan ze bij de rijke nie zijngen? Moar de rijke 
zijn te bieste-gierig, da zijn ze, en 't es altijd weer op den 
oarmen duvel zijne zak da ze kome kloppen. {Er wordt op 
de deur geklopt. Vrouw Cloet keert zich om). Joa, joa, klop 
moar, *k heur ulder well Moar *tes mij percies gelijk, zulle I 
al smiet-e heul den boel omverrei (Er wordt harder geklopt. 
Vrouw Cloet vliegt naar den haard en grijpt de pook). Moar 
'n kom verdome in huis niet of 'k sloa ulder de kop in! 
{Het lied houdt even op). 

De buurvrouw. Tut I tut tut, en moakt ou doar nie kwoad 
inl {Voelt in haar zak). Kijk, *k hê hier nog drei eens. 
Geef z* ulder en da z* ons gerust loaten. (Er wordt opnieuw 
aan de deur geklopt en het zingen herneemt). 

Vrouw Cloet. {Met een weigerend gebaar). Nien ik, 
verdomei *k en geve niets meer. As ge veurt blijft geven 
goan ze 't al aan mallekoar vertellen en g' en het giene 
menuut ruste mier. 

De buurvrouw. {Gaat naar de deur). Tut, tut, tuti {Opent 
de deur en steekt de hand naar buiten). Neem, doar zijn 
drei eens, en hoast ulder nou wig, zulle I {Het zingen houdt 
op midden in 7 refrein en men hoort een dof gemompel van 
dankende stemfnen). En zeg sitoe 3) aan d* andere dat er 



I) Terwijl 2) Bedelen. 3) Sartoat. 



Digitized by 



Google 



DRIEKONINGEN-AVOND. 



hier nie mier gegeven en wordt. (Opnieuw hoort men ver- 
dofd geluid van stemmen en de deur gaat dicht. Aftrekkend 
gezang en harmonica-spelen). 

Vrouw Cloet. G* het ongelijk, ze verdienen 't niet 

De buurvrouw. {Komt weer op haar plaats). Nou, . . , 
ze zijn doarmee toch wig en we keunen nog 'n beetse klap- 
pen. {Schudt enkele sneeuwvlokjes van haar mouw). God 
van den hemel es da toch 'n weere I Zeu, ge peis gij dat 
Rosten Tjeef van doage nie en durrevde komen, hèl Moar 
zeg 'ne kier: as Cloet nou thuis komt en dat hij ziet wa 
dat er gebeurd es, goat-e gij hem zeggen dat 't van Rosten 
Tjeef es I 

Vrouw Cloet. {Neerslachtig^. Och Hiere, jong, *k en 
wete 'k ik da nieti Ge meug gij mij woarachtig geleuven 
da 'k 't nie en wete. 'K en wete 'k ik nie mier wa da 'k 
ik zeggen zal, as da 'k ik en wete wa dat er zal gebeuren. 
Da zal allemoal van d' omstandigheden afhangen. Al wa 
da 'k ik wete es dat 't schrikkelijk zal zijn. As ik het nog 
duiken i) kon, dan zoe 'k ten minste den tijd hen om d'r 
nog over te peizen. {Staat op). Moar kijk 'ne kier: ès da 
nou nog meugelijk? Van as hij mij ziet weet hij alles. 

De buurvrouw. Nie, zulle, g' en keunt 't zeker nie mier 
duiken I 't Es wried I 't es wried I Hij zal ou deudsloan I . . . 
Ik zoe wigleupen I {Geluid van voetstappen achter de deur). 

Vrouw Cloet. {Keert zich angstig om). Och Hiere god- 
heid I . . . {Eensklaps gerustgesteld). Och God, nie, 't zijn de 
kinders I 'k herken ulder stappen I {De deur gaat open. Zulma 
komt binnen, de sneeuw van haar kleeren schuddend). 

Tweede Tooneel. 

De vorigen, Zulma. 

Vrouw Cloet. {Verbaasd, tot Zulma). Wa es di nou? 
Zij-e gij doar alliene dan? Woar es Jan? 



I) Verbergen. 



Digitized by 



Google 



lo DRIEKONINGEN-AVOND. 

ZULMA. {Met steunende stem), 't Es al wel te minsten 'n 
ure dat hij van mij wiggeleupen es, om mee andere zangers 
rond te goan. »Goa gij van ouwe kant zeid hij, 'k zal-e'k 
ik euk mijnen eigene wig goan; op die maniere zullen we 
mier krijgen dan as we zoen te goare blijven. 

Vrocjw Cloet. (Woedend). Hal die sloeber 1 Ha die kui- 
fell i) 'K hê hem wel tien kiers gezeid dat hij bij ou moest 
blijven 1 Moar woarom en zij-e gij zelve bij hem nie gebleven, 
gij dwoaze-kalle? 2) Hê de sloeber ou ten minste 't geld gegêen ? 

ZULMA. [Huilend). Nie nien hij. 'K hê 't ik 'em wel ge- 
vroagd, moar hij 'n hê 't nie wille geen; hij zei da 'k 'tzoe 
verliezen. 'K hê ik tons geprobeerd om 't uit zijne zak t' 
haolen, moar hij hê mij slaogen gegêen en 'k benne 'k ik 
wiggeleupen. 

Vrouw Cloet. Verdome I ... en ge kom zonder 'ne eens 
noar huis 1 [Zij vliegt op Zulma af en geeft haar slagen, 
Zulma vlucht schreeuwend in een hoek). 

De buurvrouw. Hal moar wa kan da kind da nou toch 
helpen I Dat en es toch heur schuld nietl Wa moe ze zij 
goan doen tegen azeu 'ne keirei lijk Jan ! 

Vrouw Cloet. Wa da ze moe doen?... Heur weiren, 
verdome I Bijten, scharten 3) en klauwen, as 't anders nie en 
goat. [Tot Zulma die ze heftig schudt). Zeu ge 'n hêt gij 
nou niets mee? Of ge steekt het meschien wigl Alal ijëlt 
e-kier sebiet4) ou zakken uiti 

Zulma. [Snikkend). 'K hê ik toch iets mee, moeder. [Maakt 
haar zakken leeg en geeft het geld aan vrouw Cloet, Geuit 
dafty steeds snikkend^ aan tafel vóór de papschotel zitten). 

Vrouw Cloet. Nou, . . . iets ... 't es wel de moeite weird. 
[Minachtend tellend). Dertig, twie en dertig, viertig, ... al 
te goare viertig eens, verdomei En hoeveel hêtte achterge- 
hauwen? Hoeveel hêtte gestolen?- 

ZuLKfA. Niets, moeder ; . . . giene eens, ge meug mij aftasten 
as ge mij nie 'n geleuft. 



i) Schdm. a) Domoor. 3) Krabben. 4) Dadelijk. 



Digitized by 



Google 



DRIEKONINGENAVOND. ii 

Vrouw Cloet. [Minachtend het geld aan de buurvrouw 
toonend). Vcrdome I Vcrdome I vicrtig eens 1 Da durven z* ou 
tegenwoordig meebrijngen I 't Es verdome om 'd'r van deud 
te vallen! As me wulder i) in onzen tijd op Dertienaovond 2) 
gijngen zijngen, die brachte we dikkels vijve, zesse, zeve fran 
mee noar huis. Ge zoedt er nondedzju toch van creveerent 
[Langzaam^ met nog snikkende keel^ bedient Zulma sich van 
papj en begint zg te eten). 

De buurvrouw. Joa datte ! ... de menschen zijn zeu bieste- 
gierig geworden. 

Zulma. Moeder I . . . 

Vrouw Cloet. (Ruw). Hawel wa es 't er? 

Zulma. Moeder 'k hê doar Rosten Tjeef gezien aan den 
hoek van de stroate en hij hê mij gevroagd of da voader al 
thuis was. 

Vrouw Cloet. Goat 't hem aan? 

ZULBIA. 'K en weet ik nie, moeder, moar hij hê mij 'ne 
stuiver gegeên en d*r mij nog ienen beloofd as ik hem kwam 
zeggen da voader nog nie thuis en was ... As voader wèl 
thuis was en moest ik niets zegden noch vroagen. Hij stoat 
doar te wachten achter 'thoekhuis. 

Vrouw Cloet. Hier zult-e blijven! En as Rosten Tjeef 
hier nie 'n durft komen zonder gewoarschouwd te zijn, dat 
hij noar al de gloeiende duuvels van d' helle leuptl 'K hê 
d'r verdome genoeg van, van altijd veur de zot g'hauên te 
worden 1 (Buiten^ achter de deur^ hoort men verdof d geluid van 
voetstappen f en dan harmonica-spel en zingende kinderstemmen): 

Het is van avond Driekoningen-avond 
En 't is morgen Driekoningen-dag. 
£nz. enz — 

Vrouw Cloet. {Opspringend). Alweerel (Schaterlacht). 
Verdome da is hier plezierig van den aovendi (Wifst naar 



I) Wq. 3) DridLoningen-ATond : dertien dagen n» Kerstdag. 



Digitized by 



Google 



12 DRIEKONINGENAVOND. 

Zulma). Hier gejank en . . . welverdiende kletsen op heur 
smoel 1 (Wyst naar de deur), Doar meziek en zangl Bravo I 
jongens 1 doe moar veurtl en geneert ulder nietl {Barst op- 
nieuw in een schaterlach uit en vliegt dan plotseling woedend 
naar de deur). Wacht 1 wacht 1 'Kzal ulder 'n beetsen helpen 1 
'K zal ulder cenzen goan geven, zie, mee heule peuten 1 
(Rukt de deur open^ strekt de hand uit inde duisternis y grijpt 
een der zangers vast en sleurt hem naar binnen^ de arm 
opgeheven om te slaan. Blijft eensklaps stom en roerloos staan^ 
in verwildering de knaap aanstarend). 

Derde Tooneel. 

De vorigen, Jan. 

Vrouw Cloet. Gij 1 gij I . . . Zij-e gij dat 1 (Stottert van woede). 
Zij . . . zij . . . zij-e gij dat die hier komt zijngen 1 . . . die . . . 
die . . . die hier komt scheuten veur ons eigen deure I Ge 
zendt OU zuster wig om hier te komen stelen, sloeber 1 (Zy 
slaat er op los en Jan huilt). Ge komt ou moeder bestelen 
in ploatse van heur t' helpen 1 (Nieuwe slagen en geschreeuw. 
De buurvrouw slaat van verbazing haar handen in elkaar^ 
en verschrikt houdt Zulma op met eten). Ge zij 't gij mee ou 
bende die hier heul den aovond aan de deure geweest hêtt 
(Schudt hem heftig). Zeg, sloeber, kuifel, hoe dikkels hêtte 
geweest? Hoeveel geld hêtte mij gestolen? 

De buurvrouw. Da goa nou toch te verrei 

Jan. (Huilend^ met vergeef sche pogingen om te ontsnappen). 
Loat mij los, gijl Loat mij losl 'K en doe ik ou euk gien 
kwoadl Aïel aïe, loat mij los, zeg ik ou! 

Vrouw Cloet. (Sleept Jan op de voorgrond). Ik ou los- 
loaten I Ik ou losloaten 1 . . . Ge zilt hier iest ou zakken uityëlen 1 
Ge zil mij hier iest al geen wa da g' het, tot de loaste eens. 
(Zy voelt in zyn zakken^ neemt er het geld uit^ en keert die 
om. Tast in de voering.) Ha I gij sloeber 1 Hier in de voerijnge 
zitten d'r euk nogi (Geeft hem een oorveeg. Voelt in de rug). 
En hier euk, verdome I Ala I ou vest uit 1 Ou vest uit, zeg ik I 



Digitized by 



Google 



DRIEKONINGENAVOND. 13 

(Rukt hem die uit met geweld. Voelt anderaan in de broeks' 
pifPen). En hier euk 1 (nieuwe oorvegen). Doar I doar 1 doar 1 . . . 
Doe OU kloefen i) uit, smierlapl 

Jan. (Doet huilend zgn klompen uit). Moar 'k en hê ik 
niets mier; kijk liever! 

Vrouw Cloet. Joa ge doet, 2) sloeber, 'tklijnktl 'tklijnktl 
D*r zitten d'r in ou keissen3), kuifell Doe z' uit! Doe z' uit, 
zeg ik oul (Heft dreigend de hand op). Wilde ze verdome 
uit doen! (Snikkend doet Jan zijn kousen uit en enkele centen 
rollen op de vloer. Zulma gaat ook weer aan 7 huilen). 

Vrouw Cloet. (Raapt het geld op). Ha I die leulijke sloeber! 
Es 't er nou al, dief? (Bevoelt hem weer). Moe 'k ou nou 
wurmnoakt stellen ? Wil ik ou vel omme kieren ? (Strekt ge- 
biedend de hand uit). Ala! hoast ou nou noar de zolder, 
zulle! zonder eten noch drijnkenl en morgen 't zelve spel! 

Jan. (Wanhopig huilend). 'K hê honger! 'k hê honger! . . . 
't Was om d'r mij e poar schoaverdeinen 4) mee te keupen ! . . . 
'K en hê sedert van den noene 5) gien beetse mier g'eten! 
Gee mij 'n beetse pap mee ne rogge-smeiterham. 

Vrouw Cloet. (Spotlachend). Schoaverdeinen! 'k zal ou 
lieren schoaverdeinen ! wacht en beetsen ! . . . Zij-e hoast wig, 
verdome ! 

Jan. (Vliegt naar de zoldertrap). *n Stikste breud, moeder ! 
'n stikste breud! 'K hê toch zuik 'nen honger! 

Vrouw Cloet. (Neemt een snee brood van de taf el en gooit 
z' hem na), Doar es e stik breud ! . . . en creveert er mee ! 
(Huilend raapt Jan het stuk brood op en verdwijnt langs 
de trap). 

Vrouw Cloet. [Met gevouwen armen, tot de buurvrouw). 
Hawel ! ... es da nou nie om d'r roazend van te worden ? . . . 
Verdome! {Neemt een stoel en slaat hem tegen de grond. Tot 
Zulma). En wa zit-e g^j doar nog in die pap te zieveren? 



I) Klompen, a) Je hebt zeker oog. 3) Konten. 4) Schetsen. 5) Twaalf unr. 



Digitized by 



Google 



14 DRIEKONINGEN-AVOND 

Alal uit mijn eugen, of 'k zoe ongelukken doenl [Zultna 
vliegt spoedig de zoldertrap op). 

De buurvrouw. {Staat op), 't Es woar; 'ne meisch zoe 
d'r wa van krijgen... Moar zeg ne kier, hoe loat es't al? 
[Kykt op de klok). Verdome 1 't es al over half negen I Wa 
vliegt dien tijd toch om as ge begint te klappen 1 'K leupe 
wigy zulle I As mijne man iest thuis es krijg ik op mijn smoel. 
{Zy loopt naar de deur. Op 7 oogenblik dat ze die wil openen 
verschijnt Rosten Tjeef op den drempel^ schuchter naar binnen 
kykend. Even schrikkend wykt de buurvrouw een stap op zg). 

Vierde Tooneel. 

Vrouw Cloet, De buurvrouw, Rosten Tjeef. 

Rosten Tjeef. ( Verlegen). Goên oavend 1 . . • goen oavend. 

De buurvrouw. Goên aovendl... da es e weer, hè? 
Nog altijd woaaien en snieuwen? 

Rosten Tjeef. (Komt aarzelend^ met schuwe blikken rechts 
en links, een weinig naar voreti). 

Nog altijd woaaien en snieuwen... (Tot vrouw Cloet). 
Goên aovend, goên aovend, . . . gien belet? 'K weinsch ulder 
'ne zoaligen Dertienaovend, zulle. Wille we te goar 'n dreu- 
pelke pakken ? (Haalt uit zijn binnenzak een jeneverjlesch te 
voorschifn). 

De BUURVROUW. (Komt weer in '/ midden van de keuken). 
Lijk dkttel i) e gloazeken én kan percies gien kwoad in zuik 
'n leulijk weere. 

Vrouw Cloet. (Tot Rosten Tjeef). Hawell... Kom moar 
binnen; ge moet nie schouw zijn. G' 'n moet doar aan die 
deure nie blijve stoan dudderen. (Bekykt Rosten Tjeef spot- 
tendruitdagend). Hè 1 ge ziet er woarachtig uit lijk of ge 
schouw woarti 

Rosten Tjeef. Bah ten doetl bah ten doetl 2) moar 't 



I) Nou. a) HeelemMÜ niet 



Digitized by 



Google 



DRIEKONINGENAVOND. iS 

es zeu kaud, o, 't es zeu kaudl En euk 'k peisde da 'k 
ulder meschien steurde. 'K ha aan Zulmatje gevroagd of 
ze mij wilde komen zeggen of 't er soms belet was, en 'k 
en wist nie wa peizen omdat ze nie en kwam. {TiltdiJUsch 
op). He je gloazekesl . . . kleine gloazekes? 

Vrouw Cloet. {paat naar de kasU neemt er glaasjes uit 
en brengt die op tafel). Kijk, doar zijn dV. (Spottend). Wil-e 
'k ik schijnken as ge te veele beeft? 

Rosten Tjeef. {Vult bevend de glaasjes). G' hêt ongelijk 
van de zot mee mij t' hauên. Woarom doe-e da nou toch? 
{Neemt een der glaasjes en klinkt aan met vrouw Cloet en 
de buurvrouw). Ala, op ulder gezondheid; wel bekome 't 
ulder. {K^'kt om naar de deur^ waarachter men de wind hoort 
loeien). Verdome da es toch 'n weere! 'K en peize niet da 
d'r nou nog veel meinschen langs de boane zijn. 'K hê doar 
twie sandurms tegen gekomen die op ulder nachtronde uit- 
gijngen: 't was al da ge ze nog kost herkennen, zeu wit as 
ze woaren. Al wa da ge nog ziet of heurt in de stroate zijn e 
poar kinders die bevend van de kauwe veur de deuren stoan 
te zijngen. 

Vrouw Cloet. Ge wil zeker zeggen da ge peist as da 
Cfoet mee da slecht weere van den aovond nie mier thuis 
en zal komen? {Rosten Tjeef maakt een gebaar van schrik). 
Es't g^e woar da ge da peist?... Joa moar ge zoedt er 
keunen aon bedrogen zijn, zulle t 't Kan gemakkelgk gebeuren 
da da slecht weer hem moar 'n beetse vertroagd en hêt 

Rosten Tjeef. Ha moar schie toch uit van azeu te bab- 
belen 1 {Wyst met schrik naar de buurvrouw, die haar bor- 
reüje leeg drinkt), 't Els zotteproat da ge vertelt I 't Es 
woarachtig zotteproat! 

Vrouw Cloet. 01 ge moet gij nie schouw zijn! Veur de 
buurvrouwe en moete wij ons nie geneeren. Peisde gij 
meschien da ze zij nie en weet wa dat gebeurd es? Peisde 
gij meschien da heel 'tdurp da nie en weet? 



Digitized by 



Google 



i6 DRIEKONINGEN-AVOND. 

Rosten Tjeef. [Hevig ontsteld), Moar ge wor gij heul-de 
gansch zot, geleuf ikl Keunde gij dan ouw eigen kwoad nie 
mier zwijgen? Vertelt-e gij dan aan heul de weireld al wa 
dat-e gij weet? 

Vrouw Cloet. (Barst in woede uit). Nou moar zeg 'ne 
kier, Tjeef, veur wie aanziet-e gij mij dan? Hal ge peis gij 
meschien da 'k ik aan Cloet niet zeggen en zal da ge gij den 
doader zijtl Ge peist da 'k mij zal loaten deudsloan zonder 
'n woord te zeggen, lafoard woar da ge stoatl 

De BUURVROUW. ChutI chutl Zwijgt 1... in Godsnoame 
zwijgt t 'n kijf niet I Moakt dat 't de geburen nie en beuren I 
Ik magge da wel weten, dat en geeft niet, ik kan zwijgen. 
Maor 'n moakt in Godsnoame tocb al da laweid nie veur de 
beule weireld. Ge keunt tocb wel peizen da de meinscben 
nie beter en vroagen of. . . . 

Vrouw Cloet. ( Valt haar in de rede), Joa moar boe vindt-e 
gij dat van die lafbertige smeirlap? 

Rosten Tjeef. Joa moar, joa moar. . • . 

De buurvrouw. Moar zwijg tocb, zeg ik ulderl 't Zal al 
slecbt genoeg zijn zonder dat-e 't gulder nog verirgert. Ala 
toe toe, tracbt mallekoar liever te verstoan. Ik moe wig. 
{Neemt haar glas). Geef mij nog *n dreupelken om deur da 
bondeweere te goan. (Rosten Tjeef vult bevend het glaasje^ 
waarvan zg de inhoud in één teug naar binnen slaat). Merci, 
merci, en elk 'ne goên aovond. 'K ben wig, zulle 1 'K ben 
verdomd scbouw da 'k op mijn smoel zal krijgen. (Loopt rechts 
naar een stoel). Wacb 'ne kieri wacb 'ne kier! 'Kboa'nen 
boaring meegebracbt; 't es veur mijne man. 'tZoe wa zijn 
as ik bem nie mee 'n boat 

(Plotseling vliegt de deur in den achtergrond open^ en vloekend 
holt de buurman binnen. Vrouw Cloet en Rosten Tjeef sprin- 
gen met een angstkreet op zif, terwijl de buurman, na een seconde 
aarzeling, zijn vrouw ontwarend^ razend naar haar toesnelt 
en haar by de keel grijpt^ 



Digitized by 



Google 



DRIEKONINGEN-AVOND. t^ 

Vijfde Toon cel. 

De vorigen, de buurman. 

De buurman. Alweer hier in da smeirig kot, bezig mee 
zuipen en mee babbelen, binst da de jongens thuis liggen te 
vechten en te schriemen i) en da heul den boel o verheup 
stoat ! (N^' schudt heftig xgn vrouw ^ die scherf gilt en huilt^ 
en duwt en trapt haar naar de deur). *K zal-e *k ik ou ver- 
dome wel lieren thuis blijven I (Beiden af. Achter de gesloten 
deur hoort men het gevloek^ gegil en gehuil trapsgewgs-af 
nemend zich venvgderen). 

Zesde Tooneel. 

Vrouw Cloet, Rosten Tjeef. 

Rosten Tjeef. {bevend van schrik) : O ! wa veur 'n bieste 1 
'kStoa d'r heul-de-gansch van te schudden en te beven I 
'k Miende dat . . . dat 't Qoet was I 'k Ben d'r schouw van 
geworden. 'kVrieze dat hij van den aovend toch nog zal 
thuis komen. 

Vrouw Cloet [met hikkende stem): 01 'khê toch euk 
zeu wried verschoten I (Legt haar hand op Rosten Tjeef s 
arm). Voel *ne Ider hoe da 'k beve 1 ... Ge moet wig goan, 
ge moet wig goan. De buurvrouw hê gelijk: we meugen 
gien laweid moaken, ... 't zal al irg genoeg zijn I Goa wig, 
goa wigi G'en meugt hier nie blijven! 'K en peize wel niet 
dat hij nou nog zal komen, maor ge moet toch wig goan, 
'k ben te schouw geworden I . . . 't Hê mij aon 't herte ge- 
pakt ... 'K en kan hoast nie meer spreken 1 . . . Mijn tong 
es zeu dreug as e stik leert 

Rosten Tjeef (hafluid): As ge de deur op 'tnachtslot 
deed?... 'K zoe zeu geim nog *n beetse blijven. 'K en hê 
ou van heul den dag nog nie gezien ... En doe de lucht 2) uit . . . 
Doe de lucht uit en loat ons dódr goan, (wijst naar rechts. 
Geheimzinnig, met fluisterstem) dóar, in de koamer. As hij 



I) Hnileo. 2) H«t licht. 



Digitized by 



Google 



i8 DRIEKONINGEN-AVOND. 

per ongeluk nog moest komen, zoe 'kal achter keune wig- 
sprijngen, binst dat-e gij al veuren de deur open doet. 

Vrouw Cloet. O, gij lafoard I gij lafoard I gij dreidobbele 
lafoardt Es da nou al wa da ge mij te zeggen hêt? 

Rosten Tjeef. fpastberaden): Nien 't, 'ten es nie al. En 
't es percies omda 'kou nog veul mier te zeggen hê, da 'k 
mee ou alliene wille zijn. Me moeten eindelijk 'n besluit 
nemen. As-e we niets en doen zullen w*alle twie lijk biesten 
deudgeslegen worden. Gij zegt da ge 't spel nie mier 'n 
keunt verduiken. As da woar es en blijft er ons moar iene 
moyen mier over. 

Vrouw Cloet. Wa veur 'ne moyen? 

Rosten Tjeef. Wigleupen. 

Vrouw Cloet. Ik alliene? 

Rosten Tjeef. Mee mij. 

Vrouw Cloet. Hol . . . en de kinders? 

Rosten Tjeef. De dicë moeten hier blijven. 

Vrouw Cloet Hol 

Rosten Tjeef. Doar en es nie anders mee te doen. Me 
zullen verre wig goan, noar 't Fransche, woar da'k mijn breud 
zal verdienen as tirresier i). Veur ons alle twieë en veur de 
kleinen die moe komen, kan ik 't verdienen. Moar mee 
d'ander 'n kan ik mij nie bezighaüen. 

Vrouw Cloet. Ha joa moar, wa moet er van geworden, 
van d'andere? 

Rosten Tjeef. Die moete moar bij Cloet blijven. Hij 
kan hij zurgen veur de zijne, lijk of-e 'k ik zal zurgen veur 
't mijne. 

Vrouw Cloet. Ho I 

Rosten TJeef. {Gaat naar de deur, rechts). Kom, . . . kom 
nou mee mee mij in de koamer, we zillen d'r doar op 



i) Temssier. 



Digitized by 



Google 



ORDEKONINGEN-AVOND. 19 

ons gemak over klappen. (Komt terug en neemt haar bij de 
hand. Fluistert), Kom» . . . sluit de deur en doe de lucht uit . . 
Wil 't e'k ik doen? Ala,... goa g^j moar in de koamer, 
'k komme seffens i) bij ou. 

Vrouw Cloet. [Keert zich half om en staart luisterend 
naar de deur in den achtergrond), Chut I . . . zwijg 'ne kier. 
*K miende da 'k doar iets beurde. 

Rosten Tjeef. [Luistert), Nie, . . . *t zijn kinders die nog 
in de verte zijngen . . . (Beiden een tijd roerloos luisterend). 
Of 't es de wind. [Men hoort het loeien van de wind) Joa, 't es 
zeker dat 't de wind es. [Fluisterend, terwijl hif haar den 
arm om het middel slaat en haar poogt mee te trekken), Ala, 
toe, kom, kom, 'k moe ou hên, 'k en kan zonder ou nie 
mier leven I 

Vrouw Cloet. [Gaat twee stappen rechts, in de richting 
der kamerdeur. Fluistert). Zeg, . . . pak da mes mee, da doar 
op toafel ligt; g' *n keunt somtijds nie weten I .. . En'nmoak 
sitoe gien laweid, te wille van Jan en van Zulma, doar boven. . • . 

Rosten Tjeef. [Neemt *het mes in de hand. Fluistert). Ta] 
moar gerust . . . ( Vrouw Cloet rechts af). 

Rosten Tjeef. [Roept haar met gedempte stem terug) 
Hm I . . . pstt I . . . zeg . . . loat ons iest nog 'n dreupelke 
pakken, da geeft kroaze 2). ( Vrouw Cloet komt glimlachend^ 
op de teenen^ in de keuken weer; Rosten Tjeef legt het mes 
even op de tafel neer en tilt de jlesch op. Op het oogenblik 
dat vrouw Cloet haar glaasje in de hand neemt^ geuit de 
deur in den achtergrond plotseling open^ en Cloet komt te 
voorschyn^ met een stok en een pakje in de hand). 

Zevende Tooneel. 

De vorigen, Cloet. 

Vrouw Cloet en Rosten Tjeef. [Te gelijk, met een gebaar 
van schrik) Hol . . . [Vrouw Cloet laat het glaasje vallen en 



I) Dadelgk. a) Coarage. 



Digitized by 



Google 



20 DRIEKONINGENAVOND 

Rosten Tjeef springt instinctmatig van naast haar weg. Dan 
blijven zij alle drie een oogenblik roerloos, als versteend, staan. 
Met een vervaarlijke uitdrukking van woede gaat Cloefs blik 
zich op zijn vrouw vestigen). 

Vrouw Cloet. [Met schorre, hikkende stem). Zij . . . zij . . . 
zij-e gfij doar 1 . . . Wij . . . wij . . . 'k en . . . 'k en hê je 'k ik 
OU van den aovend ... nie mier verwacht I ... Ge zij welge- 
komen, ... ge . . • zij welgekomen 1 . . . 

Rosten Tjeef. (Als boven). De . . . de buurvrauwe ... es 
doar sebiet wiggegoan ... Ze . . . ze was mee ou wijf 1 . . . 
Ik . . . ik was ulder 'ne zoaligen Dertienaovend kome wein- 
schen ... en . . . en ulder mee 'n dreupelken txekteeren. . . . 
Wil... wilt-e g^j euk 'n dreupelke pakken? 

Cloet. (Zonder Rosten Tjeef een antwoord te geven treedt 
hij drie stappen naar voren, de woedende blik halsstarrig 
op zijn vrouw gevestigd. Strekt plotseling de hand naar haar 
lichaam uit). Wie hêt er da gedoan? 

Vrouw Cloet. {Hevig ontsteldtj. Gedoan?... wie... wa 
gedoan ? 

Cloet. (Als boven. Knarsetandend.) Ddt doar. (Vrouw 
Cloet barst in tranen los zonder te antwoorden). 

Cloet. (Gooit stok en pak op zij, springt naar haar toe en 
grijpt haar bij de keel). Wilde mij nondedzju zeggen wie dat 
er da gedoan hêt, of *k wrijng ou de keele toe? 

(Vrouw Cloet slaakt een scherpe gil, terwijl Rosten Tjeef 
verwilderd naar de deur vliegt. Maar Cloet, die zijn beweging 
ziet, laat dadelyk zijn vrouw los en verspert hem de weg. 
H^ knakt de deur dicht en doet die op slot. Dan holt hij 
naar de tafel en neemt er het broodmes. Op dit oogenblik 
hoort men een dof geluid van voetstappen achter de deur, en 
kinderstemmen zingen, zonder begeleiding van harmonica). 

Het is van avond driekoningen-avond 
En *t is morgen driekoningen-dag. 

(De zang gaat door). 



Digitized by 



Google 



DRIEKONINGENAVOND. ai 

Cloet. (Holt weer naar zifn vrouw en grypt haar bij de 
keel, het mes in de hoogte). Joa of nie, wilde mij zeggen wie 
dat er da gedoan het? 

Vrouw Cloet. [In een worgkreety wijzend met de vinger 
naar Rosten Tjeef). Hij I 

(Cloet laat zyn vrouw los en holt Rosten Tjeef na, die 
door de keuken vlucht, stoelen omgooiend. Het liedje houdt 
plotseling op, midden in 't refrein). 

Rosten Tjeef. 't En es gie woart Ze liegt I ze liegt 1 

(Met een gebrul van woede grypt Cloet hem eindelyk vast 
en geeft hem een messteek in 7 lyf). 

Rosten TjeefI ( Valt achterovet). Meurd I . . . meurd I {Met 
reutelende stem). Meu . . . rrrd I 

(Scherp gillend holt vrouw Cloet heen en weer door de 
keuken. Huilend komen Jan en Zulma half aangekleed^ langs 
de zoldertrap ncuir beneden gesneld. Cloety stom en roerloos, 
het bebloede mes nog in de handy staart, cds versteend, zijn 
slachtoffer aan. Buiten hoort men wild lawaai van kreten. 
Hevige slagen bonzen op de deur, die wijkt en eindelijk open 
vliegt. Twee gendarmen hollen binnen, door een enkele dorpe- 
lingen gevolgd). 

Achtste Tooneel. 

De vorigen, Jan, Zulma, De gendarmen, De dorpelingen. 

Eerste Gendarme. Wa es dat hierl Wa gebeurt er hieri 
(Hy vliegt naar Cloet, vat hem bij de kraag, rukt hem *t 
mes uit de hand). 

Tweede Gendarbie. (Drijft de joelende dorpelingen achter- 
uit). Achteruit I Achteruit 1 in noame van de Wet 

(Een gedrang grijpt plaats en de dorpelingen komen 
weer naar de voorgrond. De tweede gendarme trekt zijn sabel 
en snelt zijn kameraad ter hulp. Midden in een verward ge- 
raas van kreten en gehuil duwen zij Cloet, die geen tegen- 
stand biedt, naar buiten, terwijl twee mannen Rosten Tjeef 
optillen, en hem rechts, in de slaapkamer, dragen). 

G o r d ij n. 



Digitized by 



Google 



aa DRIEKONINGENAVOND. 

TWEEDE BEDRIJF. 

[Zelfde tooneelschikking als in *t eerste bedr^,^ius een klein 
tafeltje naast de haard). 

Eerste Tooneel. 

Jan, Zulma. [By het ophalen van 'tgordyn zit Jan midden 
in de keuken neergehurkt^ bezig met een lange touw tusschen 
de reetjes van de vloer te verbergen. Zulma staat narist hem 
en ziet onbewegelijk toe). 

Jan. Hawely . . . haudt ou nou 'ne kier stille, en urkt i). 
Peere en Meere en mengen *t nie zien, da verstoa-e, of we 
zoen keune kletsen op ons smoel krijgen . . . Kijk : {Hij gaat 
zich verstoppen onder het tafeltje, naast den haard). Ikhauwe 
mij hier stille lijk 'n muizeken, binst datte gij op de zulle 2) 
stoat te wachten. As 't Peere of Meere zijn die g'iest zie 
komen, ge kiert ou omme en zegt >Peere" of >Meere" en 
ik hauwe mij koes. As 't den bastoard es, ge komt al gauwe 
weerom in de keuken, en leupt noar de greute toafel. En van 
as g* hem in 't deurgat ziet, roept-e: »Hè, Julken, kom ne 
kier hier, 't es hier wa te zienl Moar hoast ou, hoast ou, 
of anders es't wigl" Doarop komt den bastoard natuurlijk 
gevlogen, en, binst dat hij over die keurde leupt trek ik ze 
op. Paf l doar vliegt hij mee zijn smoel tegen de grond, 
en gij komt noar hem geleupen om hem zeugezeid t'helpen 
opstoan, binst da 'k ik de keurde wigtrekke en in mijne zak 
stoppe, percies lijk of ik van niet en wist. We zillen ver- 
domd veel leute 3) hênl Peisde 't euk niet? [Hij wrijft zich 
lachend de handen). 

Zulma. [Koel), Nou, ... 'k en weet 't niet • . . 

Jan. Ala I veuruit ! Begin gij moar mee op de zulle te goan 
stoan. Alle menuten kan 't ien of 't ander komen. 

Zulma. Ochl loat ons da liever niet doen. Da kind en 
hê ons toch nie misdoan. 



I) Luistert 3) Drempel. 3) Pret. 



Digitized by 



Google 



DRIEKONINGEN-AVOND. 23 

Jan. [Komt half van onder het tafelde uit). Ha, nondedzju I 
wa zij-e g^j 'n dwoaze-kalle ! Meuge we nou ne kier gien 
beetse leute hen? 

ZuLliiA. Bah toetl i) Moar woarom moet dat op die maniere 
goan? 

Jan. {Staat op. Boos). Hè? . . . wa zegde doar? {Geeft haar 
een dmv). Ziye hoast op de zulle? 

{Langzaam, in stilte huilend, gaat Zulma naar de deur en 
doet die half open. Jan kruipt weer onder V tafelde, de 
blik gevestigd op Zulma. Enkele oogenblikken stilte). 

ZULMA. {Met moedelooze stem). Hij es doar. 

Jan. Wie es *t er doar? 

Zulma. Hij . . . Julken. 

Jan. ( Woedend). Hawel, verdome 1 woarom en goa je noar 
toafel niet? {Zulma gehoorzaamt, snikkend). 

Jan. Wilt-e nondedzju 1 ophaüen mee kwijlen of 'k sloa ou 
de kop inl 

{jfulken verschijnt op den drempel. Bij *t gezicht van Zulma, 
die steeds huilt, blijft hy verschrikt stilstaan). 

Jan. {komt uit zijn schuilplaats gevlogen en geeft Zulma 
slagen): Hal gij verdomde lafhertige slonset 

{Zulma gilt en huilend vlucht Julken in de verste hoek 
der keuken. Binnen vrouw Clöet en de buurvrouw). 

Tweede Tooneel. 
De vorigen, Julken, vrouw Cloet, de buurvrouw. 

Vrouw Cloet. Wa es dat hier? Wa gebeurt er hier 
al weere? {Grgpt heftig Julken bij den arm en schudt hem) 
Wa stoa-e gij doar te tuiten? 2) {Tot Jan en Zulma) En gulder, 
doar 1 . . . Zwijgen, zulle 1 {Heft dreigend de hand op, als om 
te slaan). 



I) JaweL 2) BraUen. 



Digitized by 



Google 



a4 DRIEKONINGENAVOND. 

Jan (wijst naar Zulmd) : 't Es al 't schuld van die dwoaze- 
kalle, die veur mij noeit iets en wil doen. 

ZULMA. 't En es gie woar, moeder, hij liegt l Hij wilde 
mij Julken kwoad doen doen. 

Vrouw Cloet. Chut l . . . zwijgen, zeg ik. ( Wyst naar de 
deur in den achtergrond), Voader es doar. Den iesten die 
nog z'n muile roert krijgt 'n koaksmeete. {Gaat naar Julken 
en rukt hem ruw de handen van voor het gezicht). En schiedt 
er gij nou uit mee tjiepen, zulle, of anders goa je zonder 
eten noar ou bedde. 

De buurvrouw. Ik gao veurt noar huis; 'kzie da ge 
geried zijt om t'eten. 

Vrouw Cloet. [Gaai naar den haard, neemt er een ketel 
van 't vuur en giet de dampende kamemelkpap uit in twee 
schotels y een groote en een kleine, staande op de groote en de 
kleine tafel). Ha moar blijf nog liever *n beetsen. *K ben 
altijd blije as er 'ne vrendelijng in huis es. Anders ben ik 
altijd schouw, en die jongens zoen mij de deud aondoen mee 
ulder kijven en vechten. Ala toe toe, zet ou doar 'n beetsen, 
bij de toafel, ge zilt 'r op ou gemak zijn. 

De buurvrouw {gaat zitten) : Enfin, . . . om ou plezier te 
doen. Moar 'ken magge toch nie lange blijven, zulle. 'Kben 
altijd schouw, as ik te lange wigblijve, dat mijne keirei, ge 
weet wel .... 

(De buurvrouw maakt het gebaar met de hand of zij een 
oorveeg kreeg. Tegelijk gaat de deur in den achtergrond 
open, en Cloet stapt loom binnen, met een spade op de 
schouder. Zonder iemand aan te kijken noch een woord te 
spreken^ gaat hij zijn spade in een hoek zetten en komt naar 
het tafeltje bij den haard. Een zijner voeten raakt verward 
in het door Jan dwars over de keuken gespannen touw. Met 
een doffe vloek bukt hij zich, rukt het touw los, rolt het op 
en stopt het in zijn zak. Dan gaat hij zitten aan het tafelde 
naast den haard en begint te eten, driekwart met de rug 
naar de anderen gekeerd. Algemeene stilte. Men hoort het 
slurpen van Cloet s lippen in de houten lepel). 



Digitized by 



Google 



DRIEKONINGENAVOND. 25 

Derde Tooneel. 

De vorigen, Cloet. 

Vrouw Cloet (m de kinderen) \ Alal allemoal aan toafell 
{fot de buurvrouw): Eet-e mee? dV es genoeg, zulle. 

De buurvrouw. Nie, nie, merci, 'khê al geëten. 

Vrouw Cloet. Anders . . . 

De buurvrouw. Joa, joa, 'k weet 't wel . . . (Allen nemen 
plaats aan de groote tafel en de maaltijd begint^ in een vol- 
komen stilte. Men hoort alleen het slurpen der lippen in de lepels). 

Vrouw Cloet. [Tot de buurvrouw). Dat es toch 'n leulijk 
weer, hè, die loaste doagen? 

De buurvrouw, 't Es schrikkelijk. 'Ne meinsch leeft com- 
pleet in woater en in smeur i). Mijne veint zegt da den helft 
van ons eirdappeb noar den duvel zijn. 

Vrouw Cloet. Cloet es sedert moandag begost2) mee 
d'onze uit te doen, en ge zoedt toch schriemen en vloeken 
as ze dk ziet: van de tien struiken zijn d'r wel zesse vurt 3). 

[Op dit oogenbük gaat er een gekibbel op tusschen Jan en 
Julken, die naast elkeuir aan '/ uiteinde der tafel zitten). 

Vrouw Cloet, Wa es da doar? {Tot Julken). Ou stil 
hauèn, zulle I Anders ... ( Wijst naar de deur van de slaap- 
kamer). 

Julken. [Jankend). Moeder, 't es Jan die stanvastig irre- 
weten4) ïn inijn talleure 5) smijt. ^K en kan d'r nie mier van eten. 

Vrouw Cloet. Irreweten 1 . . • Verdome 1 • . . [Spotlachend). 
Ha, hal . . . den dienen bekloagt hem nou da z' irreweten in 
zijn talleure smijten! Wa zoeë dan willen hên, jongen? Ge- 
broadte kiekens? O gij verdomde snotneuze die kloagt omdat 
hij eten krijgt! Worde meschien zot, jongen? Wie hêt er dat 
oeit van z'n leven g'heurd: janken omda g'eten krijgt! 

Julken. Joa moar, moeder, 't es zeu hard ! 't Zijn dreug' 
irreweten. 



I) Mist. 3) begonnen. 3) RoL 4) Erwten. 5) Bord. 



Digitized by 



Google 



26 DRIEKONINGENAVOND. 

Vrouw Cloet. Watte?... ge durft tegenspreken 1 Kom 
hier, verdome I (Roerloos ^ zijn houten lepel in de hand, kijkt 
Julken met verschrikte oogen zijn moeder aan. Jan en Zulma 
staken insgelijks het eten. Alleen Cloet blijft door eten, met 
slurpende lippen). 

Vrouw Cloet. ( Tot yulken). Goa je komen, joa of m"e I 
Moe *k OU meschien bij 't vel van den nekke van ouwe stoel 
hoalen? (Julken maakt een beweging op zijn stoel en men 
hoort zijn klompjes op de vloer neerifallen. Hij komt, schuw- 
schoorvoetend, om de tafel heen bij vrouw Cloet). 

Vrouw Cloet. (Geeft hem een oorveeg). Doarl eet da, 
verdome ! . . . da zult-e meschien zochter vinden 1 (Snikkend 
vlucht Julken weg.) 

Vrouw Cloet. (Staat dreigend op). Wilde zwijgen, ezell . . . 
of ge krijg nog wati (Bang gaan Jan en Zulma weer aan 7 
eten. De buurvrouw schudt het hoofd. Zulma legt haar lepel 
neer en begint ook weer, in stilte, te huilen. Cloet, die zijn 
schotel geledigd heeft, blijft even roerloos-onverschillig zitten, 
als een bruut. Vrouw Cloet keert het hoofd naar hem om, 
staat op, schiet bereidwillig toe). Nog 'n beetse pap? (Zonder 
te antwoorden haalt Cloet zijn pijp uit en vult die met 
tabak). 

Vrouw Cloet. (Neemt de schotel weg, gaat er mee naar 
den haard, vult ze met pap, brengt ze weer op V tafeltje). 
Kijk . . . en d'r es er nog as g' er -wilt (Opnieuw geeft Cloet 
geen antwoord en de grootste stilte heerscht. Julken en Zulma 
smoren hun tranen. Vrouw Cloet komt weer op haar plaats 
en eet alleen voort. Eindelijk staat Cloet op, steekt zijn pijp 
aan en verlaat de keuken). 

Vrouw Cloet. (Driftig-opgewonden tot de buurvrouw). 
't Es om d'r zot van te worden 1 't Es om d'r roazend van 
te worden ! 'K en kkn 't nie langer mier uithaüen 1 {Met 
naar de deur in den achtergrond gebalde vuist.) Azeu *n 
bieste van *ne manl (Met de vuist naar de kinderen). Azeu 
sloebers van jongens 1 Alal naar ulder bedde, nondedjzul 
'K en kan ulder in mijn eugen nie meer zien. 



Digitized by 



Google 



DRIEKONINGENAVOND. 27 

(Angstig vliegen de kinderen op^ Jan en Zulma langs de 
zoldertrap; Julken naar de kamerdeur^ rechts). 

De buurvrouw. Es 't ie hij nou altijd azcu? 

Vrouw Cloet. Wie? 

De buurvrouw. Qoct 

Vrouw Cloet, Altijd. Da es nou weer al vier moanden 
dat hij uit 't kot gekomen es, woar dat hij, lijk as ge weet, 
vijf joar gezeten hêt veur de meurd van Rosten Tjeef, en 
nog en hêt hij zijn muile nie ope gedoan anders as om t' eten 
en te drijnken. 

De buurvrouw. Ala dan I ... En wa zeidhij as hij weere 
thuis kwam? Vertel mij da 'ne kier, ge 'n hêt mij doar nog 
nie van gezeid. 

Vrouw Cloet. Wa dat hij zei?... Gie woord. Ik, en de 
jongens, we zeiën wij >goen avond, ge zij welgekomen," moar 
da was percies of da we wij nie gesproken en hin . . . Zonder 
noar ons zelfs te kijken, leit-ie hij zijn paksken en zijne stok op 
'ne stoel, kwam noar de toafel, nam de paptiele wig en gijnk er 
mee bij 't vier i) zitten, mee zijne rugg^e noar ons gekierd, 
percies lijk of ge gij hem doar van den aovend hêt zien zitten. 

De buurvrouw. [Hoofdschuddend). Wel, wel, well 't En 
es hoast nie te geleuven 1 . . . Joa moar toch, as hij . , . as hij 
dan 't kind gezien hêt, ... de . . . de kleinen bastoard enfin, 
wa hêt hij tons gezeid! 

Vrouw Cloet. Niets, zeg ik ou, niets, absoluut niets! En 
H es percies doarvan da 'k zeu schrikkelijk schouw geworden 
ben. 'K hê je 'k ik gepeisd, ewoar? dat hij mij half deud 
zoe geslegen hên as ie weere thuis kwam, moar hij 'n doet 
of hij 'n zegt-ie hij niets, en da es al veel irger veur mij . . . 
As-e 'k ik hem doar azeu zie zitten, da es percies veur mij 
Igk of er doar 'n wilde bieste zat, die heur al mee 'ne Ider 
omme zal kieren en mij op 't lijf sprijngen. En da zal toch 



I) Vav. 



Digitized by 



Google 



28 DRIEKONINGEN-AVOND. 

den ienen of den anderen kier gebeuren ... Ge moet gij nie 
verwonderd zijn as ge gij ne kier op 'ne nuchtijnk i) heurt 
zeggen dat-ie hij mij vermeurd hêt. 

De buurvrouw. 01 'k en peist nieti 'K en peist nietl 
*K peize dat er hij *n reden van gemoakt hêt. Die loaste vijf 
joar in *t kot zullen *em wel 'n beetse getemd hên. Meschien 
'n loat zijn konsjense2) hem nie g'rust noar die meurd? 

Vrouw Cloet. 't Es doar prijkel af 1 3) Ge kent hem nie 
zulle! as ge da peist Ik die 'm moar al te goed 'n kenne 
voel d'r heul wat anders achter, We zillen 't meschien noeit 
weten wa dat er in zijne kop moalt, moar zij gij moar zeker 
dat *t zijn konsjense nie en es die *m kwelt. 

De buurvrouw. En hoe goat da anders? Sloapt-e gulder 
te goare? 

Vrouw Cloet. Wa zoen we 1 . . . 's Aovonds as hij thuis 
gekomen es» achter dat hij doar alliene, lijk 'n biest ha zitten 
eten, es hij opgestoan, en, in ploatse van noar de sloapkoa- 
mer, rechte noar de zoldertrap gegoan. D'r stoat doar boven, 
onder de pannen, nog 'n oud versleten bedde, nog van in 
den tijd as mijn scheunbroere bij ons inweunde. Hawel, van 
as-e 'k ik zag wa dat hij gijnk doen, die gijnge 'k ik achter 
hem, en 'kzeie: »Boas, 'ten es doar niet da we sloapen, 't 
es hier in de koamer." Moar 'k wil ha je da gezichte gezien I 
Hij bekeek mij mee 'npoar eugen lijk kogels en in ploatse 
van joa of nien 't antwoorden, gijnk hij den trap veuder op. 
'K stond er compleet deuzig4) van geslegen. >Verdome wa 
moe'k nou doen?" peisde 'k in m'n eigen. 'K wachtte tot dat 
hij boven was, en tons gijnk 'k euk boven. Moar 'k en was 
nog oan de deure van 't zolderkoamerke niet of hij kwam dV 
al weer uit. 

De buurvrouw. En wa zeid hij? 

Vrouw Cloet. Hieruit, schandoall zeid hij. 'K verscheut 
er van da'k hoast achterover van den trap vleug ... Da zijn 



I) Ochtend. 3) Conscience. 3) Daar is geen kwestie van. 4) Duizelig. 



Digitized by 



Google 



DRIEKONINGENAVOND. 29 

d'ienegste woorden die 'khem sedert vier moanden hê heuren 
zegden. 

De buurvrouw. Hal da es oardig, zulle 1 da verwonder 
mij toch ! Over 't algemien en zijn 't mannevolk ulder passie 
toch nie miester. Ze sloan ou iest half deud en 'ne menuut 
doamoar moên z' ou toch weer hen. Ge zoedt perdes zeggen 
da da ulder goeste doe krijgen as z*ons e kier firm afgeran- 
seld hen. Mee de mijnen toch es da altijd 't zelve spel. 

Vrouw Cloet. Mee de mijnen niet Hij 'n geêt hij om 
gie vrauwevolk. Hij sloat hij ou plat en 't es er meegedoan. 

De buurvrouw. Hij 'n kan nou pertan i) anders van 
OU nie kloagen. Ge bedient hem lijk 'n meissen» en hij 'n 
kan OU woarachtig nie verwijten da ge da kind van Rosten 
Tjeef te geiren ziet. 

Vrouw Cloet. 'Ken kin da kind nie geiren zien. Dat 
doe mij telkens weer oan zuiken schrikkelijke dijngen peizen. 
Alle kieren as 'k noar *em kijkke zie 'k weer die wriec meurd 
gebeuren. 

De buurvrouw. Da kind 'n kan da toch nie helpen, 't Es 
het toch euk 't ouwe, zeu wel as d'andere. 

Vrouw Cloet. 'K weet-e Tc ik da wel! moar 't en es doarom 
niet te min woar da dit d'eurzoak es woarom da 'k mee 
Qoet nie mier en kan overienkomen. Die jongen es mijn 
stra£ en mijn torment. Zeulang of dat hij ons in de wig stoat 
en zal 'ter gien ruste mier zijn. 

De buurvrouw. Zend 'm liever wig. 

Vrouw Cloet. Joa, joa, da es al gemakkelijk gezeid; 
moar woar noartoe? 

De buurvrouw, 't Es gelijk woarl lest en veural rust en 
vrede in huis. Oarme mdnschen lijk of wij zijn, 'n keunen 
ulder mee ulder jongens nie veele bezighiuen. Da es amoal 
goed as ge rijke zijt. 



I) Poartmot 



Digitized by 



Google 



30 DRIEKONINGEN-AVOND. 

Vrouw Cloet. Joa, joa, da es al wel gezeid, moar 't en 
helpt niet. 'K en hê je 'k ik gien geld genoeg om *em ieverst i) 
in de kost te zenden. 

De buurvrouw. Ha joa moar Idjk, ge moet doar *ne kier 
op peizen, ewoar? Gent en Brugge en zijn op ienen dag nie 
gemoakt. As Rosten Tjeef nog leefde, da zoe gemakkelijk 
zijn, ewoar? Ge liep mee hem wig en alles was zjuust 2). 
Moar nou, ha joa, 't es het moeielijk . . . 

Vrouw Cloet. Ochl... 'k en weet nie of'k mee hem 
zoe wiggeleupen zijn. 'K zag-e *k ik 'm wel geiren, da es zeker, 
moar 't en zat toch moar weinig kroaze in 'm. 

De buurvrouw. Woar zoe Cloet nou zijn? 

Vrouw Cloet. Joa, dkt'n wee'k ik nieti Doar ieverst in 
den donkeren buiten leupen, zeker, lijk 'n bieste. Wij zien 
wij 'em noeit anders of 't en zij as 't tijd es van t' eten of te 
goan sloapen. 

De buurvrouw. En zit hij doar azeu iederen dag alliene 
t* eten, aan da toafelken i 

Vrouw Cloet. lederen dag. Hij 'n wilt hij mee niemand 
van ons gien gemiens mier hen. 

De buurvrouw. Watte ! . . . zelfs mee zijn eigen kinders 
nietI De die 'n hên 'em toch nie misdoan. 

Vrouw Cloet. 'T es verloren I 3) Hij 'n spreekt hij nie 
mier mee ulder as mee ons. Hij hoat hij ons allemoal om 't 
miest. 't Es of hij 't huis zelve verdomde. 

De buurvrouw. Goat hij nog pensejoagen? 

Vrouw Cloet. Noeit mier. Hij beult hij en hij zwoegt hij 
lijk 'n bieste van den nuchtijnk toe den aovend op zijn land. 

De buurvrouw. As-e 'k ik in ou ploatse woare, 'k gijn- 
ge mij van den aovend in zijn bedde leggen, ier dat hij weere 
thuis es. Hij 'n zoe de kroaze nie hên om d'r ou uit te smijten. 



I) Ergens. 2) In orde. 8) Om 't even. 



Digitized by 



Google 



DRIEKONINGENAVOND. 31 

Vrouw Cloet. (Met een gebaar van schrik). O l dkt en 
zoe^k nie durven doenl Hij zoe mij deudsloani hij zoe mij 
noar beneen schuppen. 

De buurvrouw. T es gelijk; 'k zoe 't toch probeeren. Es 
da 'n leven, lijk of ge nou hêt? (Buiten^ achter de deuTy hoort 
men het geluid van naderende voetstappen). 

Vrouw Cloet. (Verschrikt, met doffe stem). Zwijgt 1 zwijgt 1 
Hij es doar weere 1 (De deur gaat open en Cloet komt binnen. 
V Gelaat somber, zonder naar iemand te kgken noch een woord 
te spreken, gaat hij naar de schoorsteenmantel, legt er zifn 
pgP op, neemt er een steenen blaker, steekt het licht aan, en 
klimt met zware tred langs de trap naar boven). 

De buurvrouw. (Stoot vrouw Cloet aan. Fluisterend). Ala 
toe, . . . reschiert i) ou. 

Vrouw Cloet. (Aarzelend opstaande; zelfde toon). *K en 
durve nieti ... 'k en durve nieti 

(Door de buurvrouw voortgeduwd, nadert zij evenwel de 
trap en is op U punt er op te stijgen, toen Cloet, omhoog ge- 
komen, met een schop het trapluik dichtslaat). 

Vrouw Cloet. (Verschrikt achteruitwgkend). Hol 

De buurvrouw. Wat cs't er? 

Vrouw Cloet. Hg hê gezien wa da *k wilde doen, en hij 
schupt de valle 2) toe om 't mij te beletten. As 'k nou moest 
durven boven komen zoedt hij mij deudsloan. {Een oogen- 
blik stilte). 

De buurvrouw. (De oogen naar de zoldering, waar men 
Cloet zwaar heen en weert hoort loopen). 'T es toch ne wrieë 
keirei zulle I Hij es nog irger as de mijnen I 't Es waarachtig 
perdes 'n wUde biestel 

Vrouw Cloet. (Heftig opgewonden, met naar de kamer- 
deur, rechts, gebalde vuist). Hk k k kl . . . dókr, zie! . . . dókr 
ligt d' eurzoake van alles I Dókr ligt de noagel van m'n 



I) Van het Frutch werkwoord: Ritqner. a) Tmplnik. 



Digitized by 



Google 



32 DRIEKONINGEN-AVOND. 

deudkistel {Komt naar de buurvrouw ^ sidderend, knarsetan- 
dend met gekruiste armen), Weet< gij wa da 'k weinsche ? . • . 
(Strekt weer de hand uit naar de kamerdeur). Dat hij cra- 
veeren zoe 1 (Strekt de hand uit naar de zolder). En hij euk 1 
(Strekt de hand uit naar de buurvrouw). En óüwe smeirlap 
cukl (Slaat op haar borst). En ik zelf euk, verdomei (Met 
een breeds cirkelvormig gebaar). En euk gij en al de hon- 
gerlijers van ons miseroabel rasl (Slaat herhaaldelijk en 
driftig op haar borst). Dk weinsch ik, verrr . . . domei 

G o r d ij n. 



DERDE BEDRIJF. 

(Zelfde tooneelschikking als in het tweede bedrijf . Buiten hoort 
men bij tusschenpoozen het loeien van de wind en het spatten 
van regen.) 

Eerste Tooneel. 

De pastoor, vrouw Cloet. 

De pastoor. (Zit neer; spreekt langzaam.) Enfin, ... da 
es toch *t gien da de meinschen zegden. D'r zijn d'r hier op 
'nen aovend twieë veurbijgekomen, dien 't kind heure schrie- 
men hen, en ze zijn overal in 't durp goan vertellen datte gij 
geprobeerd het om 't de keele toe te wurgen ... Ik en wete 
nie wa da 'k er van geleuve moe. Gij die haudt stoan dat 
't leugens zijn, en de bewijzen van ou schuld ontbreken. . . . 
Moar, onthand wel wa da 'k ou zegge: as ge gij woarlijk 
geprobeerd hét van die schrikkelijke misdoad te begoan, dan 
zal Grod, die alles ziet en alles weet, ou vroeg of loatestraifen, 
as ^t de meinschen nie en doen. As ge gezondigd hêt zult 
g'r veuren boeten. 

Vrouw Cloet (opgestaan; zeer ontsteld)', Moar, menier 
de paster, g'hêt gij 't kind doar nou gezien. G'hê je 't gij 
onderzocht en ondervroagd. Hêtte gij iets aon hem onder- 
vonden van mishandelijngen of van sloagen? Da kind es 



Digitized by 



Google 



DRIEKONINGENAVOND. 33 

fleiw i) en ziekelijk, moar kan-e 'k ik da helpen? *K doe-e *k 
ik mijn best om hem te genezen, ge meug^t da woar geleuven, 
menier de paster, moar we zijn wulder 2) oarme meinschen 
en *t en es het toch mijn schul niet as-e 'k ik hem nie iedere n 
dag bouillon en eiers 'n kan geven, lijk aon 'n rijke-meinschens- 
kind. 't Zijn leugens, menier de paster, 't zijn leulijke, greute 
leugens wa da ze van mij verteld hen. 

De pastoor. Ik hope veur ou da ge de woarheid zegt; 
en as 'tazeu es *n zillen euk de lasteroars aon de goddelijke 
wroake nie ontsnappen. Al wa dat er 'k ik van zeggen kan 
es 'tgiene da *k van de meinschen g*heurd hé. Liegen ze 
zulder3) 'k liege 'k ik. D*r wordt verteld dat-e gij 't kind 
lest ziek gemoakt hét deur hem nie genoeg t'eten te geven, 
en da ge tons 'ne kier op 'nen aovend geprobeerd het hem 
in zijn bed onder de soarzen 4) te versmachten 5). 

Vrouw Cloet. Menier de paster, da kind hê hier altijd, 
percies zeuwel as d'andere, zijn diel g'had in al wa da we 
zelf han. 'T es het woar: 'ten was het dikkels nie veele, 
moar as ge gij oarm zijt ge moet gij ou kontent hauên mee 
't gien da g'het. Aangoande van hem onder de soarzen te 
wille versmachten, da es alweer 'n schandoalige leugen, menier 
de paster. Al wa da er gebeurd es, es da 'khem ne kier 
op 'nen aovend onverwist6) 'n heufdkussen op zijn heufd 
gesmeten hê, omda 'k heul-de-gansch vergeten hd dat hij nog 
in zijn bedde lag te sloapen. Van as *t hij begost te schriemen 
ben 't 'k gewoare geworden en hê 'k 't heufdkussen wigge- 
nomen. 

De pastoor (kijkt haar een ruimen tijd met een doordrin- 
gende blik, die zij poogt te ontwijken, aati), 'Tesmeugelijk,... 
't es meugelijk, ... 'k en zal nie zeggen dat 't gie woar 'n es. 
Ik hope veur ou da ge de woarheid zegt. D'r nog bij liegen 
zoe OU misdoad nog veel irger moaken . . . Moar 'k moe ou 
toch weere doen opmirken, dat ou woorden nie overien 'n 
komen mee 't gien dat er in 't durp van verteld wordt. De 



I) Fbnw, zwmk. 3) Wij. 3) Zullie. 4) Dekens. 5) Doeo stikken. 6) 
der 't te weten. 



Zon- 



Digitized by 



Google 



34 DRIEKONINGENAVOND. 



meinschen beweiren da g'ou mee greut geweld op 't kind 
het loaten vallen, en da g'hem moar weere losgeloaten en 
het, as ge gevoeld het dat hij nog veel stirker was of da ge 
peisde ... Es hij nie seffens doarop uit zijn beddeke ge- 
sprongen en achter ou in de keuken gekomen, al schriemend 
en al scheune-sprekende i) da g'hem toch nie mier *n zoedt 
mishandelen ? 

Vrouw Cloet. Hij was hij schouw en ziek, menier de 
paster. Hij hê hij geschriemd zonder te weten woaromme. 
Da es amoal heul veel overdreven. 

De pastoor. Enfin, 't mag zijn lijk as 't wilt, ge zijten ge 
blijf gij toch in alle geval 'nleulijke zondoaresse, en 't es 
Gods rechtveirdegheid da ge de straffe van ou slecht gedrag 
moet droagen. Ge zijt de vrijwillig' eurzoake van de deud 
van de man die mee ou gezondigd ha; ge zijt de vrijwillig' 
eurzoake van de schande van ou ongelukkig huisgezin. {Een 
oogenblik stilte. Vrouw Cloet begint te huileti). Maar ach, . . . 
d'r es vergiffenesse veur alle zonden, het onz' Heer in zijn 
almachtige goedheid gezeid, .... en, . . . as ou berouw oprecht 
es, wil ik nog wel iets veur ou doen. 

Vrouw Cloet. (Snikkend). O, menier de paster, 't es zeu 
oprecht I 't Es toch zeu oprecht I 'Khê al zeu lank en zeu 
veele geleènl 'Kben zeu ongelukkig 1 

De pastoor. Eiwcl, 'tieste da ge moet doen es weere 
mee ouwe man overienkomen. 

Vrouw Cloet. 'Ken vroage 'k ik nie beter, menier de 
paster, moar 't es-ie hij die d'r nie en wil van weten. G' 'n 
keun gij da peizen, menier de paster, hoe kwoad dat hij op 
mij es. Hij is in stoat om mij deud te sloan bij 't ieste woord 
da 'ker zoe van spreken. 

De pastoor. Ge vergeet meschien da ge gij alliene de 
schuldige zijt en dat euk alles nou van ouwe kant alliene 
moe komen. 



I) Smeekende. 



Digitized by 



Google 



DRIEKONINGENAVOND. 35 

Vrouw Cloet, Bah 'k en doel i) menier de paster, *k en 
vergeet-e 'k ik da niet, *k wil-e 'kik alles doen dameugelijk 
es, as-ie hij moar 'n beetsen van zijne kant 'n wil meehelpen. 

De pastoor. Tes van den oavond dat hij weere thuis 
komt, ewoar? 

Vrouw Cloet. 'K peis-e 'k ik van joa, menier de paster, 
moar 'k en weet-e 'k ik toch nie zeker, 't Es het nou omtrent 
vijf moanden dat-ie hij ginder wirkt oan 't sas 2) van Lauwe- 
gem, en van al dien tijd en hê 'k ik hem nie mier gezien 
noch van 'em nie mier g' heurd. Al wa da 'k ik wete da 
es da 't wirk doar nou gedoan es, en da 't ander wirkvolk 
van 't durp van den oavond noar huis komt. 'K peis-e 'k ik 
toch wel dat-ie hij mee zal komen. 

De pastoor. Jao hij, ... hij zal meekomen. Van den oavond 
ziilt 'm zien. 

Vrouw Cloet. Hoe weet-e gij da, menier de paster? 

De pastoor. Omda 'k mee hem gesproken hê. 

Vrouw Cloet. Van doage? 

De pastoor. Nie, . . . passeerde 3) weeke, op 'nen achter- 
noene da 'k 'ne kier noar die wirken ben goan kijken. 'K 
wilde 'm absoluut ne kier spreken. Zeuwel veur ulder eigen 
geluk as veur d' eere en de goeje reputoatie van mijn paro- 
chie, moet die vijandschap tusschen ou en ouwe man ein- 
digen. Nie langer as van den oavond moet-e weere goeje 
vrienden worden. 

Vrouw Cloet. (Ontsteld). En hê je gij woarlijk mee hem 
gesproken, menier de paster? En wa hêt hij g' antwoord? 

De pastoor. Niets, . . . hij hê mij aanheurd zonder e woord 
te spreken en zonder z'n wirk te stoaken . . . Moar 'k en hê 
hem euk niets gevroagd. 'K en hê hem moar est 4) gezeid 
wa da zijn plicht was, en euk wa dat ouw plicht was. 

Vrouw Cloet. En hij 'n hêt hem nie kwoad gemoakt? . . . 



I) In 't geheel niet a) Sluis. 3) Verleden. 4) EnkeU 



Digitized by 



Google 



36 DRIEKONINGEN-AVOND. 

Hij 'n es nie beginne vloeken ? Hij 'n hê nle gezeid, . . . 
absoluut niets? 

De pastoor. Gie woord. Moar *k hê gevoeld da m'n 
woorden indruk op hem moakten. Veur de rest hangt alles 
nou van ou af. 

Vrouw Cloet. Wa moe 'k doen, menier de paster? Zeg 
mij wa da 'k moe doen en 'k zal blindelijngen g'heurzoamen. 
'K wil alles doen, kllesl 

De pastoor. Nederig zult ge hem wellekom hieten, as 't 
hij binne komt. 

Vrouw Cloet. Da zal 'k doen, menier de paster, moar 
't en zal d'r nie mee helpen. Hij 'n zal nie antwoorden, 
hij 'n zal noar mij nie kijken. 

De pastoor. 'T es gelijk, ge moe 't toch doen . . . Doar- 
noar zilt 'em zijn eten geven. 

Vrouw Cloet. ( Wifst naar de haard), 'T stoat al geried, 
menier de paster, alhoewel da *k hem nie zeker 'n verwachtte. 
'K hê mijn loaste dertig stuivers uitgegêen om hem iets g'ried 
te moaken dat hij heul geiren eet: 'n stikske van den buik- 
schotel mee saveuïen en eirdappels. 'K hè euk bier. 

De pastoor. Heul goed, . . . heul goed I . . . Zeu veel as 
hij d'r van wil zilt g'hem van dat alles bedienen. 

Vrouw Cloet. Da zal ik, menier de paster. 

De pastoor. En binst dat hij eet zilt g'hem zeggen da 'k 
hier geweest hê. 

Vrouw Cloet. Da zal ik, menier de paster. 

De pastoor. Moar g' 'n meugt hem nog nie seffens van 
overienkomste beginne spreken. Ge moet hem iest zeggen 
da 'k hier gekomen ben om hem te^ vroagen of 't hij in 't 
veurjaar 'n poar moanden in mijnen hof i) zoe wille kome 
wirken. 'K kan hem doar 'n aongenoam, gemakkelijk, wel 
betaald wirk verschaffen. 



1) Tuin. 



Digitized by 



Google 



DRIEKONINGEN-AVOND. 37 

Vrouw Cloet. 01 wa zij-e gij toch broavc, meneer de 
paster, en wa ben ik ou dankboar I Ge redt ons uit d' oarmoè. 

De pastoor. 'K probeere sitoe om ou ziele te redden ; die 
het 't heugst neudig. Doarom hoop ik euk da die schrikke- 
lijke lesse veur ou nie verloren en zal zijn. 

Vrouw Cloet. Ho 1. . . menier de paster 1 

De pastoor. Enfin, da zille we wel zien . . , Doarnoar dan, 
achter dat hij zal geëten hên, 'n zal ou moeielijkste wirk nog 
moar beginnen . . . Woar sloapt hij ? 

Vrouw Cloet. {IV^'st naar de deur rechts). Ha, menier 
de paster, in den tijd sliept-ie hij doar, mee mij, in de koamer. 
Moar sedert dat-ie hij uit 't kot gekomen es en dat-ie hij 
van mij nie mier weten en wilt {^jst naar de zolder) sloapt-ie 
hij allien op de zolder. 

De pastoor. En de kinders?... Jan en Zulma, wil'k zeggen ? 

Vrouw Cloet. Ha euk . . . 

De pastoor. Op de zolder? 

Vrouw Cloet. Joa, menier de paster. 

De pastoor. Zijn z' al thuis? 

Vrouw Cloet. Nog niet, menier de paster, maar 'k ver- 
wacht z' alle menuten. Lijk ieder joar zijn ze zij Dertien-oavend 
goan zijngen. 

De pastoor. Hawel, ge zilt ze van den nacht doar in de koamer 
doen sloapen, en ge zilt zelve bij Cloet goan, op de zolder. 

Vrouw Cloet. (Met schrik). Hol menier de pastor, wa 
peist-el Da 'n es nie meugelijkl Hij zoe mij noar beneen 
schuppenl Hij zoe mij deudsloanl 

De pastoor. Het moet wel meugelijk zijn. Anders 'n kèünde 
mee mallekoar nie overeenkomen. 

Vrouw Cloet. Ho!... 

De pastoor. Ge zilt hem op de zolder volgen, al zond hij 
OU wig, al gaf hij ou zelfs sloagen. Ge zilt er hem volgen 
lijk of ge zijn sloave woart, en lijk 'n sloave zilt g* er hem 



Digitized by 



Google 



38 DRIEKONINGENAVOND. 

om vergiifenesse vroagen, mee gevauwen handen, op ou 
bleute kniens. 

Vrouw Cloet. Hol menier de pastori [Buiten hoort men 
^t loeien van de wind en V kletteren van de regen.) 

De pastoor, (Opstaande). Da' zulde doen ; da moet-e doen. 
En as hij, niettegenstoande dktte, van gien overienkomst 'n 
wil weten^ komt 't mij dan morgen nuchtijnk zeggen. Dan 
zal-e 'k ik 'ne kier heul serieus mee hem spreken. 

Vrouw Cloet. Hol 

De pastoor. Adzju I . . , Da God ou bijstoa en vergiifenesse 
schenke. (Af). 

Tweede Tooneel. 

Vrouw Gloet. (Alleen). Hij zal mij deudsloan : *k ken hem 1 
Noeit en zal 't hij mij 't gepasseerde vergeven (wijst naar de 
deur rechts) zeulank of da den dienen ons in de wig stoat. 
(Zij luistertt met gespannen aandacht naar een klagend geluid, 
dat uit de kamer komt). Wa es dktte ? . . . *k geleuve dat hij 
ligt te koarmen, ... of dat hij dreumt. ... 't Was 'n gerucht 
om d'r schouw van te worden 1... 't Was lijk iemand die 
zoe stirven 1 . . . ( Twijfelachtig). O, 't en es meschien nie anders 
as de wind die in de schauwe bloast ... 't Woaait zeu hard 
van den oavond . . . (Opnieuw klagend geluid in de kamer. 
Vrouw Cloet hevig schrikkend). Och Hier, och God, wa es 
da toch! 'k worde schouw 1... Es-ie hij dat? Of es 't iemand 
anders? ... Es . . . es da meschien de giest van Rosten Tjeef 
die weere komt 1 . . . Dat 'n gelijkt op zijn stemme nie mier 1 

(Vrouw Cloet maakt twee passen in de richting van de 
kamerdeur. Dan blijft ze stilstaan, angstige aarzelend. En op 
hetzelfde oogenblik hoort men een verdof d geluid van voeten- 
getrappel achter de deur in den achtergrond; en gedempt, met 
een nuance van melancholie^ weerklinkt het spelen der har- 
monica en het gezang der kinderstemmen ;) 

Het is vanavond Driekoningen-avond 
En tis morgen Driekoningen-dag. 
Enz. enz 



Digitized by 



Google 



DRIEKONINGENAVOND. 39 

Vrouw Cloet. [Half omgekeerd; met stille stem). Tes 
woar, ... *t es vandoage^Dertienoavend I ... 'k ha 't al hoast 
vergeten. (Luistert.) Wa zijnge ze zachte, van den oavend . . . 
(In gedachten). Dertienoavend ! . . . 't es percies vijf joar geleên, 
as van den oavend, ... dat hij Rosten Tjeef vermeurd en 
mijzelf hoast deud geslegen het. 

(Plotseling houdt 't liedje op en men hoort verward geraas 
van stemmen). 

Vrouw Cloet. (Komt weer in ^t midden van de keuken; 
verschrikt). Wat es datte ? . . . 2^dt hij doar al zijn ? . . . Of 
zijn 't de Idnders? 

(De deur gaat open en de buurvrouw treedt op). 

Derde Tooneel. 

Vrouw Cloet, de buurvrouw. 

De buurvrouw. 'K hê ze wiggejoagd. 'K hê uider gevroagd 
of da ze nie beschoamd en woaren van te kome zijngen aan 
de deure van oarme meinschen, woar dat er e kind op stirven 
ligt (Geheimzinnig. Hoe goat 't mee hem? 

Vrouw Cloet. Nie goed, geleuf ik. 'K miene da 'k hem 
doar straks heure koarmen hê. 'K wierd er schouw van. 'T 
klonk zeu oardig, zeu wried 1 . . . 'T es best da ge die jongens 
wi^^ezonden hét Zet ou 'n beetsen. 

De buurvrouw. ( Vertrouwelijk). Zie, ... 't es meschien 
leulgk da 'ne mensch da zegt, moar 't zoe toch wel 'n 
greut gemak veur ou zijn as ge doarvan {;wijst naar de 
kamerdeur rechts) verlost woart. 

Vrouw Cloet. Joa 't, . . . en toch ben-e 'k ik alliene de 
schuld van al wa dat er gebeurd es. O, jong, 'k hê doar zeu 
schouw geweest I 'K stoa d'r nog van te beven 1 (Met een 
angstblik naar de deur rechts.) 'K geleuve da 'k zoe wigge- 
loopen zijn as ge gij nie gekomen 'n woart. Moar zet ou dan 
toch, zet OU 'n beetsen. 

De buurvrouw. (Neemt een stoel). G' het 't bezoek g'had 
van de paster? 'K hê hem zien wiggoan. 



Digitized by 



Google 



40 DRIEKONINGENAVOND. 

Vrouw Cloet. (Gaat insgelijks zitten), Joa ik, . . . en peist 
e kier: hij wil mij absoluut weeretmee Cloet doen overien- 
komen I 

De buurvrouw. Hij hê gelijk. Es da 'n leven lijk of ge 
nou het? 

Vrouw Cloet. Joa moar, peist e kier: hij wil da 'k van 
den nacht bij Cloet goa sloapen, al was 't mee geweld, 't Es 
m'n deud, hij zal mij deudsloanl 

De buurvrouw. Tut, tut, tut, en zij ne kier zeu dwoas 
niet. 't Moest al lank gedoan zijn. 't Zal amoal al veel beter 
goan of da g'n peist. 

Vrouw Cloei\ Ho, jong, 'k ben dV zeu schouw vanl 'K 
ben d'r toch zeu schouw van. 

(Een korte stilte. Eensklaps hoort men weer het klagend 
geluid^ in de kamer ^ rechts. Vrouw Cloet staat verschrikt op). 

De buurvrouw. Wa es dktte? es da de kleinen? Es hij 
zèü ziek? 

Vrouw Cloet. (Met schorre stem), Joa 't, joa 't', 't es hem I 
't Es weer da zelve geruchte I (Gaat aarzelend naar de kamer- 
deur). Wacht, . . . wacht, . . . 'k moe toch ne kier goan zien ; . . . 
•k en hê gien ruste mier. (Zij verdwijnt in de kamer. Op het 
zelfde oogenblik komen Jan en Zulma, nat van de regen^ 
langs de middendeur binnen^ 

Vierde Tooneel. 
De vorigen, Jan, Zulma. 

De buurvrouw. Hal dat es broave, da g'azeu te goare 
thuis komtl en zeu goed op ulderen tijdl Moeder zal kon- 
tent zijn. 

Jan. Joa maor, wil-e *k ou wa zeggen... 'ten was de 
moeite nie weird om langer uit te blijven, zulle 1 't Weer es 
te slecht om d'r nen hond deure te joagen, en g'n krijgt toch 
hoast niets. (Keert zich om naar den haard.) Hm! wa riekt 
er hier zeu goed? Wa es er doar in? Woar es moeder? 



Digitized by 



Google 



DRIEKONINGEN-AVOND. 41 

De buurvrouw (wijst naar de kamerdeur)', Doar binnen, 
bij Julken. (Tot Zulma, die bibberend haar voetjes warmt 
aan het haardvuur)'. Hê je zeu kaud dan, mijn kind? 

ZULMA. Jao ik, buurvrauwe. O, 't es zeu kaud en mijn 
voeten zijn zeu nat ! [Buigt voorover) Hm ! joa 't, da riekt 
hier goed. Hm I . . . 't woater komt er van in mijne mond. 
Hoc goat 't mee Julken, buurvrauwe ? Es 't hij nic 'n beetsen 
beter? 

De BUURVROUW, Bah nien hij, geleuf ik. [Tot vrouw Cloet, 
die weer binnen komt)', Newoar? ... 't en goat er het nic al 
te best mee? 

Vrouw Cloet. Hij ligt hij nou stille, ... 'k en heurc 'k 
hem toch nie mier koarmen. 'K hê 'k hem woarkes i) inge- 
dekt en 't Idjnkeetsen 2) 'n beetsen ingedroaid. 'K geleuf ik 
dat-ie hij nou sloapt. [Tot de kinderen): Hawel, hoeveel 
hêtte mee? 

ZüLMA [gaat in haar sak en geeft geld aan vrouw Cloet) : 
Drei fran en twie en twintig eens, moeder. 

[^an gaat, een deunde Jluitend, naar de haard). 

Vrouw Cloet. Es 'tal? Hêtte nie achterg'haüen ? (Zulma 
schudt het hoofd. Tot Jan, met nadruk) : Gij euk nie, Jan ? (Jan 
schudt fluitend zijn hoofd. Tot de buurvrouw) : 'K en be- 
trauwe de keirei nie veele, moet-e weten. (Tot Jan): Ala, 
schiedt er nou uit mee schuifelen 3), hê, en komt eten. En 
van den oavend sloapt-e doar in de koamer, zulle I (Gaat 
naar de haard, neemt er een paar schotels, en brengt die 
op tafel). En omda ge nogal broaf hêt geweest, zal ek ulder 
ne kier wa geen da goed es: 'n stikske van den buikschotel 
mee eirdappels en saveuien. 

Jan en Zulma. (Te gelijk; verrukt). Hml . . . 

Jan. T es dat da hier zeu goe riekt! 

(Zij beginnen te eten^ Jan gulzig, Zulma bedaarder). 



I) Warmpjes. 2) Quinquet. 3) Fluiten. 



Digitized by 



Google 



42 DRIEKONINGENAVOND. 

De buurvrouw. (Lachend). Dk es keunen eten, ewoar? 
T CS plezierig om te zien ! 

Vrouw Cloet. [Loopt heen en weer in de keuken^ een en 
ander schikkend). 'T zoe nog al veel plezieriger zijn as 't 
zcuvele nie en kostte. 

Jan. [De mond vol; wijst met zijn vork naar de kamerdeur). 
Moeder, . . . moeder, . . . woarom moên we doar sloapen van 
den nacht? 

Vrouw Cloet. Omda, . . . omda ulder bedden op de zolder 
moên gekuischt i) worden. 

ZULMA. En woar goat-e gij tons sloapen, moeder? 

Vrouw Cloet. G* 'n moet gij ou doar nie mee bekom- 
meren; 'k zal ik wel 'n ploatse vinden. 

]as. (Tot Zu/ma). Ha!... woar zoe ze sloapen?... In 
voaders leeg bedde, natuurlijk. 

De Buurvrouw. Hum 1 hum 1 

Vrouw Cloet. Chut! . . . Zwijgen en veurt eten. 'T wordt 
al loate. Ge moet gauwe noar ulder bedde. 

Jan. (Met volle mond). 'T es het mij percies gelijk woar 
da 'k ik sloape as den bastoard mij moar nie en embeteert 
mee zijn ronken. 2) Hij kan ronken, die keirei I 

ZULMA. En gij niet, zeker I As 'ter ienen es die 's nachts 
laweid moakt ge zij 't gij well 

Jan. (Minachtend). Verdome 1 . . . en gij dan 1 Ze ligt al- 
mets 3) te roepen lijk of ze vermeurd wierd 1 

Vrouw Cloet. Wilde gulder ne kier beginne zwijgen en 
gedoan moaken mee etenl Den iesten die nög zijn smoel 
roert krijgt 'n koaksmeete. 

(Eenige oogenblikken stilte. Dan hoort men in de slaapka- 
mer een geluid als '/ kraken van een deur of raam. Allen 
wenden het hoofd om). 



I) Schoongemaakt. 2) Snarken. 3) Somtijds. 



Digitized by 



Google 



DRIEKONINGENAVOND. 43 

De buurvrouw. Wa was dat doar in de koamer? 't Was 
lijk of er iemand door 'n veister inbrak of wigliep. 

Vrouw Cloet. [Angstig luisterend). T en es niets, ... 't 
es de kleinen die hem in zijn bed onmiekiert. 

* De buurvrouw. 'K en geleuft niet,... 't was heul-de- 
gansch anders. 

Vrouw Cloet. T es meschien de regen, ... of de wind . . . 
[Men hoort het loeien van de wind) urk 'ne kier wat 'n 
leulijk weere. 

De buurvrouw. 'T en es tóch da niet, ... 't en es tóch 
da niet, — 't was heul anders. 

{Op dit oogenblik hoort men buiten het luguber huilend- 
blaffen van een hond), 

ZULKA. [Houdt op met eten). Moeder, 'k ben schouw . . . 
d'r es doar iemand in de koamer. 

De BUURVROUW. 'K geleuve 't euk, . . . 'k word euk schouw. 

Vrouw Cloet. (Hevig ontsteld en boos). Ha, ge wor gulder 
zot, geleuve 'k ik 1 'T es 't zieke kind, zeg ik uldert 'Kwee 
ik toch wel wa da 'k zegge I 

Jan. 'K en ben-e 'k ik gfien beetse schouw, ikke I Ge meug 
gulder mij in 't midden van de nacht alliene loaten, ^tesmij 
percies gelijk woar of wanniere. 

[Een oogenblik stilte. Allen blijven onbewegelijk en kijken 
luisterend elkander aan. Dan klinkt het eensklaps^ buiten vóór 
de deur^ melancholisch-slepend^ zonder begeleiding van harmo- 
nica^ en zonder dat men eenig voorloopig geluid van voeten- 
getrappel heeft vernomen). 

Het is van avond Driekoningen-avond 
En 't is morgen Driekoningen-dag . . . 

ZULMA. [In traTien losbarstend). Moeder, . . . 'k ben schouwt 
'k ben wrie schouw I 'K en durve 'k ik in die koamer nie 
sloapen. 

Vrouw Cloet. [Woedend). Wktte g' 'n durf gij nieti 



Digitized by 



Google 



44 DRIEKONINGENAVOND. 

Watte 1 . . . ge wil gij ons hier allemoal schouw moaken I We 
zillen *ne kier zien wie dat er hier miester es. 

{ Vrouw Cloet tracht Zulma vast te grijpen. Scherp-gillend 
vlucht het meisje door de keuken. Jan lacht haar uit. Aan 
de deur houdt het gezang plotseling op). 

De buurvrouw {fot vrouw Cloet): Tut, tut, tut,... loat 
heur g'rust. Wa es er doar aon te doen as ze schouw es. 
Loat ze van den nacht bij ons kome slaopen, dV es ploatse. 

Zulma. O, joa, moeder, as 't ou belieft loat mij meegoan ? 
'K ben toch zeu schouw ! 'K ben toch zeu schouw I 

Vrouw Cloet. Hawel 1 . . . moakt ou uit de voeten as 't 
azeu es, en 'n komt in m'n eugen nie mieri 

De buurvrouw. Goa gij moar, Zulmatje, . . . 'k komme 
seffens achter. 

Zulma. Mag 'k alliene goan, buurvrauwe? Kan 'k alliene 
binnen ? 

De buurvrouw, Joa, jao, g . . . en zegt aan mijne man, 
da'k seffens achter kome. 

Zulma (weggaande): Sloap wel, moeder 1 Slaop wel, Janl 

Vrouw Cloet. Sloap wel, ... en hoast ou moar wig ; ge 
moest er al zijn. (Zulma af). 

Jan (opstaande): Slaop wel, allemoal. (Geuit, zich uitklee- 
dende, naar de kamerdeur). Ge zult 'ne kier zien of da'k 
ik euk zeu schouw ben. Binnen vijf menuten lig ik te ronken 
lijk *ne poater. (4/".) 

Vrouw Cloet. Ha I 'k miende dat-e gij nie 'n ronkte 1 

De buurvrouw (lachend): Dat es 'ne keirel, die Janl 
Den dienen zal zijne wig wel moaken in de weireld. (Kijkt 
naar de klok en staat op). Joa moar, verdome, 'k moe-e 'k 
ik euk wig, zulle ; 't es al over half acht en Cloet kan alle 
menuten komen. Alal slaop wel, en veul leute. 

Vrouw Cloet. Ha moar toe, blijf nog 'n beetsen. *K en 
ben weeromme gien beetsen op mijn gemak deur da spel 
doar mee Zulma. Ala toe toe, zet ou nog watte, nog 'n 



Digitized by 



Google 



DRIEKONINGENAVOND. 45 

poar menuutsesy 't en zal doar nie op aankomen; we ziilen 
te goare *n dreupelke pakken. (Haalt jeneverflesch en glaasjes 
uit de kast). 

De buurvrouw [gaat weer zitten) : Joa moar, 'k ben-e 'k ik 
euk schouw, zulle I Mijne keirei die sloat t'hard as 't hij begint. 

Vrouw Cloet. {Schenkt de glaasjes vol). Ala, toe, toe, 
hij 'n zal hij nog nie thuis zijn. 

De buurvrouw. {Klinkt aan). Alal op ouw gezondheid. 

Vrouw Cloet. Op d' ouwe. . . . Nog 'n beetsen? 

De buurvrouw. 'N klein beetsen, , . . nie nie, ... nie vul, 
'k zoe zat i) zijn. 

Vrouw Cloet. Wa geeft datte I . . . ge goat sloapen. 

De buurvrouw. {Ondeugend). En gij danl . .. Sapristil... 
Hoe lank es 't euk gelêen? 

Vrouw Cloet. Watte? 

De buurvrouw. Ala toe toe, ... 'n geboart ou nie on- 
neuzel ! . . . Vijf joar, hè ? 

Vrouw Cloet. {Emsti£). Nou, ... as ge gij peist da 'k 
doarom . . . 'K wil dat 't al lank veurbij woare. . . . 

De buurvrouw. 'T es het wel woar ; . . . 'ne meinsch lacht 

er mee moar 't es het veur ons 'n heul affairen Ver- 

domel . . . achter vijf joar I . . . 't es het firm gevoarlijk 1 . . . 
{Slurpt haar glaasje leeg). Ala I nou ben ik wig, zulle I 

Vrouw Cloet. {Slurpt ook haar glaasje leeg). Wacht 'n 
menuutsen. 'K goa nog 'n kier kijken in de koamer, en 'k 
goa tons toe aan den hoek van de stroate mee ou mee. 

{Zij gaat in de kamer. Terwijl zij er is hoort men weer in 
de verte het luguber huilend-blaffen van de hond. Een 
regenbui barst los; de wind doet deuren en vensters schudden 
en kraken). 

De buurvrouw. BrI . . . wat 'n weere I 



1) Dronken. 



Digitized by 



Google 



46 DRIEKONINGEN-AVOND. 

Vrouw Cloet. (Komt weer in de keuken gehold^ bleek, 
verwilderd, met schorre stem). Buurvrauwe I buurvrauwe ! Och 
Hier, och God kom toch zien 1 T es wried 1 't es wried I Hij 
es snieuwwit en kaudl Hij es deudl 

De buurvrouw. {Schrikt verwilderd op). Wat es 't er? 
Wa zegde? Wie es 'ter deud? 

Vrouw Cloet. Hij 1 . . . hij I . . . de kleinen I 

De buurvrouw. De kleinen 1... Julken? 

Vrouw Cloet. Joal 

De buurvrouw. Hol 

Vrouw Cloet. O I kom toch 1 . . . Kom toch kijken 1 
(Beiden loopen naar de kamer. Op 't zelfde oogenblik komt 
Cloet langs de deur in den achtergrond binnen, een pakje in 
de hand, een spcule dwars over de schouder. Even blijft hij 
onbewegelijk staan, als verbaasd daar niemand aan te treffen. 
Dan zet hij zyn spade in een hoek, legt zijn pakje op een 
stoel, aarzelt weer even, gaat naar de tafel, dan naar de 
haard, dan weer naar de tafel, als om zichzelf van eten te 
bedienen. Vrouw Cloet en de buurvrouw komen weer in de 
keuken. Bij 't zicht van haar man blijft vrouw Cloet plotseling 
stilstaan. 

Vijfde Tooneel. 

De vorigen, Cloet. 

Vrouw Cloet, ( Tot Cloet, met schorre stem). Hij es deud I . . . 
hij es doar pas gestorven ! . . . Moar *t es woar, . . . g* 'n keun 
gij da nie weten, . . . g' *n wis gij niet dat hij ziek was 1 . . . 
Ge zij welgekomen, ... zet ou . . . Moar hij es deud I zulle I . . . 
Hij es doar pas gestorven. 

Cloet. (K^'kt haar sirak aan, met harde, barsche blik. 
Een oogenblik volkomen stilte). Wie ? . . . wie es't er deud ? 

Vrouw Cloet. ( Wifst naar de kamerdeur). Hij I . . . hij 1 . . . 
de kleinen! . . . Julken! . . . 

(Roerloos, met gefronste, lage wenkbrauwen, blijft Cloet een 



Digitized by 



Google 



DRIEKONINGEN. AVOND. 4 7 

oogenblik in V midden van de keuken staan. Angstig wachtend 
op een antwoord staart zijn vrouw hem aan. Hij geeft geen 
antwoord. Schuins gaat zijn blik naar de haard. Eindelijk 
neemt hij een bord van tafel en gaat er mee naar de haard). 

Vrouw Cloet. {Toeschietelijk), Nie, nie, loat mij dat doen, 
en goa gij zitten. Ge zij gij moe. 'K zal-e *k ik wel zurgen 
da ge gij niet te kiirt en hét [Zij bedient hem). Kijk, doar 
es e scheun stik van den buikschotel mee eirdappels en 
saveuïen ... En hier hêtte breud en koantjesseisse i). 

(Sprakeloos gaat Cloet aan tafel zitten en begint te eten). 

De buurvrouw. [HcUfluid, tot vrouw Cloet). Ik moe wig, 
zulle. 'K goa noar huis, nK>ar as ge mij neudig hêt om hem 
t^ helpen afleggen, en moetene moar komen. 

Vrouw CXoet (als boven)\ Merci. Slaop wel. 'Kzal ou 
meschien wel neudig hén. 

De buurvrouw {^vertrekkend) : Hawel, ge moet moar komen. 
{Tot Cloet): Sloap wel, Cloet. 

{Zonder het eten te staken^ knikt Cloet nauw merkbaar met 
het hoofd, en bromt iets cUs een doffe groet. De buurvrouw 
af Een oogenblik stilte). 

Vrouw Cloet {gaat om de hoek der tafel zitten, 't ge- 
zicht naar de deur der kamer, waar het doode kind Ugt. 
Met schorre, hortende stem): Menier de paster hê hier ge- 
weest . . . {Een oogenblik stilte. Cloet eet aldoor voort; haar 
angstige oogen staren op de kamerdeur) : Hij hê hier van den 
oavend geweest en hij hê gezeid... dat hij ou... in 'tveur- 
joar . . . wirk kan geen ... in zijnen hof. . . as ge doar 
veuren zijt. 

{Onduidelijk gebrom van Cloet, die cUdoor eet, zonder het 
hoofd op te richten. Geluid van wind en regen buiten. Ver- 
wi/'derd gehuil van de hond). 

Vrouw Cloet. Zeg, . . . nou dat hij deud es, . . . zille w'hem 
toch moeten aflegden, newoar?... 't Spijt mij da'k de buur- 
vrauwe loate wiggoan hê . . . Wil ik ze weere goan hoalen? 



I) KMntjessatis. 



Digitized by 



Google 



48 DRIEKONINGENAVOND. 

(Cloetj de oogen op zijn bord, eet somber voort zonder te 
antwoorden. Dan klinkt opeens achter de deur^ het lied^ nu 
door ién enkele, zwakke kinderstem, en zonder begeleiding 
van harmonica gezongen). 

Het is van avond Driekoningen-avend 
En 't morgen Driekoningen-dag. 
Enz. enz 

(Beiden Cloet en zijn vrouw blijven even roerloos en sprake- 
loos. Maar Cloet, die gedaan heeft met eten, kijkt somber 
rechts en links over de tafel, als of hij iets zocht). 

Vrouw Cloet. (Voorkomend). Wa zoekt-e? wa wilde?... 
Nog 'n beetsen van den buikschotel? Nog 'n beetsen eird- 
appels en saveuïen? 

Cloei\ (Met holle, doffe stem). He je nie wa te drijnken? 

Vrouw Cloet. (Snelt naar de eetkast). Och, Hierel 'K ha 
't vergeten! 'K hê zuik 'n goe gloas bierl (Neemt een kruik 
van de eetkast en schenkt er een glas bier uit). Kijk, . . . 
proef *n kier van da bierl 

(In één lange teug drinkt Cloet het glas leeg. Dan stacU 
hij op en gaat sprakeloos naar de zoldertrap. Vrouw Cloet, 
eerst roerloos van verbazing, volgt hem). 

Vrouw Cloet. (Met een snik). Ho 1 . . . zeg, . . . moete w* 
hem nou toch nie afleggen? 

Cloet. (Reeds op de onderste treden, keert zich om). *T es 
mij gelijk, . . . doe d*r mee wa da ge wilt. 

Vrouw Cloet. (Met een gebaar van schrik), Ho 1 . . . 

(Zif werpt een laatste angstblik op de kamerdeur. Dan 
komt zij vastberaden naar de zoldertrap en begint er op te stijgen). 

Cloet. (Houdt stil en keert zich om). Wa goa je doen dan? 

Vrouw Cloet. ( Vastberaden). Ou volgen, ... de paster 
het 't mij g'hieten. 

(Met strakke oogen staart Cloet haar even aan. Dan haalt 
hij krachtig adem en stijgt verder op. Vrouw Cloet barst 
plotseling in hevig snikken los, en volgt hem langs de trap.) 

G o r d ij n. 



Digitized by 



Google 



HEGENSCHEIDT S STARKADD 



ALBERT VERWEY. 



I. 

Zooals een huis somtijds zijn lichte vensters over het donkere 
land toont, en daardoor alleen de gastvrijheid van zijn vrien- 
delijke vertrekken vermoeden doet, — zoo maakt een gedicht 
ons soms door hier en daar een schoon vers of door een 
enkele bekoorlijke bladzij de innerlijke deugden kenbaar die 
we zonder hen niet hadden gegist 

Het gedicht waarvan ik hier spreken wil — Starkadd door 
Alfred Hegenscheidt — is zeer zeker niet zonder zulke 
deugden. Ook is het waar dat wij, in Noord-Nederland, ze 
niet anders zullen naderen dan aangelokt door dat licht 
als uit een enkel venster, dan geleid door dien lichtstraal 
als uit een sleutelgat. 

In Noord-Nederland zeg ik, omdat het in Zuid-Nederland 
niet zoo was. Daar, waar men de persoonlijkheid van den 
dichter voelde vóór men deze zijn uiting zag; daar, waar 
men de gevoelssfeer waarin hij leefde, de lijnen waarnaar 
hij bouwde, de gestalten die hij verwerklijkte, kende vóór 
het kunstwerk gewrocht werd dat hen alle vereende, daar 
kon men het binnengaan vanuit die verwantschap van leven 
en in zijn geheelen bouw, in-eens begrepen, de buiten hen 
gestelde verwezenlijking bewonderen van een in hen sints 
lang broeienden geest. 

Voor enkele vlaamsche jonge mannen en vrouwen was de 
landstreek om Verrewinkel dat geen uur buiten Brussel ligt, 

4 



Digitized by 



Google 



( 



50 HEGENSCHEIDT^S STARKADD. 

in den zomer van 1896 het kader geworden waarin zij hun 
levens voelden opbloeien en in emstigen scherts een akademie 
oprichtten wier stevigste statuut wel hun jeugdige levensliefde 
was. Een van hen heeft in een fijne en sierlijke bladzij die 
in hun tijdschrift Van Nu en Straks gestaan heeft een beeld 
gegeven van zulk een Verrewinkelschen zomerdag, en daarin 
het portret, — breeder en vlaamscher, zou ik zeggen, dan 
al het andere — dat ik hier overneem. 

>In 't midden der groep pronkte genoegelijk de zotste 
en de wijste onder hen, de oudste en de jongste, hij dien 
iedereen, jongens en meisjes, gemoedelijk imenonkel" noem- 
den, hij die allen die vreugd had ingeboezemd welke door 
hen jubelde. Dik en vet als een pater, maar gezonder, 
breeder, fleuriger, scheen hij zijn vertrouwen en zijn geluk 
te hebben doen deelen aan al die jeugd thans meegevoerd 
op den maatgang van zijn wezen. Hij lachte goedig en gul 
zijn neven en nichten toe, hij lachte hen toe met zijn wijd- 
open mond, met zijn heldere oneindig doorschijnende oogen, 
hij lachte hen toe met den frisschen lach van een kind." 

Dit was Hegenscheidt. 

Jonge mannen en vrouwen dus, in een zomerlandschap, 
gelegerd rondom hun dichter. Die zomer mocht voorbijgaan 
als alle andere, de vrienden mochten uiteengaan en zich ver- 
spreiden naar alle windstreken, — zij hebben een levensseizoen 
gemeen gehad dat hen levenslang verbinden zal, en waarvan 
de geur en de adem overal door hen zullen worden verstaan. 
Eenmaal zagen zij hun droom van Dichter in een vriend 
verwerkelijkt: al wat die dichter voortaan schrijven zal, zal 
als geschreven zijn uit hun gemeenschappelijke ziel. 

Dit is de reden waarom Aug. Vermeylen, nu hij den 
Starkadd te bespreken kreeg, zich niet ophield bij van dit 
werk het uiterlijk voorkomen. Nauwelijks zelfs hield hij zich 
bij zijn schrijver op. Hij ontwikkelde eenvoudig uit zichzelf 
het onaantastbare en aan geen uiting gebonden beeld van 
den algemeenen Dichter. Hij voor zich had zijn dichter-beeld 



Digitized by 



Google 



HEGENSCHEIDT'S STARKADD. 51 

gezien in Hegenscheidt ; — nu Hegenscheidt een groot werk 
schreef was het natuurlijk dat hij dat dichterbeeld weer uit 
zich te voorschijn riep en zei: ziedaar Hegenscheidt, ziedaar 
Starkadd. 

Ik wijs in de eerste plaats op van dü feit de belangrijkheid. 
Ook als die jonge menschen in hun bewondering alleen 
blijven; ook als kan worden aangetoond dat Vermeylens 
dichter een andere is dan Hegenscheidt, en Hegenscheidt 
niet vereenzelvigd mag worden met Starkadd; — ook dan 
is het feit dat deze jongelieden, die toch in elk geval van 
hun ras in onzen tijd niet de minsten zijn, hun dichterdroom 
verwerkeUjkt en hun voorstelling van een goed gedicht ver- 
wezenlijkt gevonden hebben, van de grootste belangrijkheid. 
Bij monde van zijn jongste woordvoerders biedt het vlaamsche 
ras ons aan wat het, op dit oogenblik, meent te mogen 
houden voor een volwichtige uiting van zijn Dichterschap. 

II. 

Als Saemund, de listige vijand van Starkadd, nadat hij 
prins Ingel tot den moord op zijn vader Koning Froth heeft 
aangezet, nu ook om Helga, Ingels zuster en de bruid van 
Starkadd werft, zegt die gewezen goudsmid, thans kamerheer, 
tot haar het volgende: 

Zie, zooals ik mijn woorden sierlijk kies 
Om u met aangenaam geluid te omvangen, 
Zoo maak ik ook met de eigen hand sieraad 
Dat uwe weeke schoonheid licht verhoogt; 
Met ingetogen blik tracht ik te vatten 
De rondheid van uw arm, het effen voorhoofd, 
Hoe licht uw boezem 't blanke linnen vult; 
Ik kies het puurste goud en de êelste steenen, 
'kRoep uw gestalte voor mijn geest en graag 
Doomt zij voor mij, met al haar zoete vormen 1 
'k Aanbid en werk en ^k pas den gouden band 
Om uwen arm, op hoofd, op borst, op hals, 



Digitized by 



Google 



52 HEGENSCHEIDT'S STARKADD. 

En 'k smeed en buig en 'k werp hem spijtig weg 
Wijl 't hard metaal den lieven plooi niet neemt. 

Dit is het lichtste van de vensters waarvan ik gesproken heb. 
Nog andere lichte plaatsen zijn er, en terwijl wij door hen te ver- 
eenigen de vormen van hét donkere gebouw zullen gewaarworden, 
kunnen we in hun helderheid misschien ook het inwendige zien. 

Even te voren gaf Saemund de volgende karakteristiek 
van zijn weerpartij: 

hij is zoo stuur 
En wild, en weet van fijner zeden niets. 
Hij kan slechts slaan en wilde liedren zingen. 
Want in zijn land in 't noorden drongen niet 
De zeden uit het zuiden die verzachten. 
Sprak hij tot u met woorden fijn gekozen? 
Tracht hij voor vrouwenoor zijn spraak te sieren? 
Neen, ruig en recht zegt hij zijn ruw gevoelen 
En woest zou hij zijn wild gevoel ook uiten I 

Lees deze twee plaatsen en u daagt al de tegenstelling. 
Die tusschen den fijnen kunstvoUen goudsmid-hoveling Saemund 
en den ruigen held en wilden liederenzanger Starkadd. 

Later, als deze dooder van tweeduizend Friezen is terug- 
gekeerd en Froth wreken zal, nadat aan den laatsten nood- 
lottigen maaltijd een in fluweel gekleed minnezanger zijn 
liedje gekweeld heeft, en voordat hij, Starkadd, met een 
harpslag op zijn kop Saemund neer zal slaan, breekt hij uit 
in een zang die het best zijn karakter uitdrukt, en het schoonst 
is in de volgende strofen. 

Zie, 't feesten aan tafel is 't felle gewroet 
Der jichtige jeugd die eens zeeën doorjoeg 
Met u, o frissche Froth, 
Ze plengen den wijn moedwillig ter aard, 
Den wijn die eens weten en willen gebaard 
Heeft bij u, o edele Froth. 



Digiti^ed by 



Google 



HEGENSCHEIDTS STARKADD. 53 

Zij luist'ren naar ^t lied dat verlammend lekt 
Aan de zwijmende zenuw die vettig zwicht 
In 't luie lijf dat zich rekt, 
Ik hoor reeds den horen uit 'svijands hand 
Hoe hij luchtig lacht om het lokkende land 
En om uw veste, o verre Froth. 

Merk wel op dat ook déze zang zeer kunstig is. Merk 
wel op dat de woorden waar Saemund den in fluweel ge- 
doschten zanger mee prees: 

't Is veeleer honig, veeleer zoete melk 

Die wij inslurpen, zonder 't minste toedoen — 

dat in dien lof een zeer fijne spot genoten wordt, en dat 
ook in zijn minachten van Starkadd altijd bedoeling ligt En 
maak u dan duidelijk dat hier twee aan elkaar gewaagde 
beginselen, twee gelijkelijk-onverwoestbare levensmachten 
tegenover elkaar staan, elkaar vernietigende op grond van 
hun, menschelijke, onvolkomenheid. 

Het drama, schreef Vermeylen, is wat omgaat in de ziel 
van Starkadd. Neen, dat is geen drama. Het drama is de 
strijd die klaarblijkelijk gestreden wordt Het drama is 
Saemund-Ingel, het verbond van kunstenaars-wijsheid met 
menschelijke zwakheid, tegen Starkadd-Froth, het verbond 
van dichterlijken hartstocht met menschelijke goedheid. Neem 
aan de eene zijde de zwakheid, aan de andere de goedheid 
w^ en ge houdt Saemund en Starkadd over als twee natuur- 
krachten die zonder elkaar niet bestaan kunnen, die zonder 
elkaar zich niet uiten kunnen, maar die aan zichzelven over- 
gelaten het lot lijden van de menschelijke neigingen waaraan 
zij verbonden zijn. 

Saemund, de goudsmid, de kunstenaar, is een dichter: alleen 
waar hij zóó spreekt als tot Helga is hij een levend wezen, 
en waar vindt ge in de woorden van Starkadd inniger en 
fijner gevoel van die levens-schoonheid die men alleen kent 



Digitized by 



Google 



HEGENSCHEIDT'S STARKADD. 



door haar lieftehebben? Starkadd, de held en skald, de begees- 
terde, is een kunstenaar : waar vindt ge in Saemunds woorden 
een zang als zijn tafel-zang, een zóó kunstige? 

Beide deze gestalten staan als gelijk-gerechtigde machten 
over elkander, en hun lot is afhankelijk van hun menschelijk 
optreden. Ingel, zwak in zijn nijd, Froth, zwak in zijn goed- 
heid bepalen hen, en overeenkomstig met de neigingen van 
die menschen zijn hun eigen zwakheden. 



III. 



Nu wij, afgaande op zijn enkele lichten, de omtrekken van 
dat gebouw — dat ons dan een drama bleek — in hoofd- 
zaak konden vaststellen, wil ik, voor ik het u in bizonder- 
heden kennen leer, iets schrijven over zijn algemeene 
beteekenis. 

De tegenstelling Starkadd-Saemund hebt ge nu in haar 
grootste algemeenheid al doorgrond. Ze is die van het 
Onbewuste Leven en de Menschelijke Rede, wel de aller- 
algemeenste tegenstelling die in ons aanwezig is, en die altijd 
vatbaar wordt zoodra Innerlijke Drang en Regelende Geest 
zich niet kunnen verstaan. Ze is dezelfde die door Nietzsche 
in zijn gaafste jeugdjaren achter de Grieksche Tragedie gesteld 
is: in haar tweeheid maakt zij den Geest der Muziek uit: 
de Dyonisische Drang en Onbewustheid, de Apollinische 
Rede en Regeling: uit deze, zegt hij, is de Geboorte der 
Tragedie. 

Ziet ge hoe de draden van de europeesche gedachten zich 
verslingeren? Algemeen menschelijk is de tegenstelling in 
haar eersten aanleg; maar waar zij tragisch wordt vinden wij 
haar terug als modern-europeesche gestalte, geschetst door 
Nietzsche, — bij Hegenscheidt de, ja Dionysische Starkadd, 
en de, welzeker, Apollinische Saemund. 

Uit den geest der Muziek de Tragedie. „Dit drama" — 
schrijft Vermeylen over het werk van Hegenscheidt — „is muzi- 
kaal. Niet omdat de verzen welluidend zijn, neen, ik bedoel 



Digitized by 



Google 



HEGENSCHEIDT'S STARKADD. 55 

dat het geheele onstond uit eene eenheid, uit een brandpunt 
dat zich in den innerlijken mensch ontwikkelde, in die „tweede 
wereld" der liefde dat het natuurlijke midden der muziek is." 
„Uit die eenheid" — gaat hij voort — „werden logisch — dit 
is, met de eigen spontane logiek van het kunstwerk — alle 
onderdeden afgeleid. Vandaar dat gelijke gedragenzijn van 
het geheel, die mildheid, die kuische macht die er door vloeit 
overal; — — alles hier ongedwongen, breed, op zichzelf 
levend, maar met vaste betrekking tot een middenpunt van 
leven." Dit is, men merkt het wel, en Vermeylen merkte 
het ook, niet anders dan men van ieder goed werk zeggen 
kan; maar toch is er een reden waarom men zich geneigd 
voelt het, evenals bij andere werken van onzen tijd, vooral 
te zeggen bij dit werk. Nietzsche (en Wagner) is niet voor 
niets erin. Menigerlei zijn de gevoels- en geestes-elementen 
waaruit kunstenaars werken samenstellen : het gevoel vóór de 
gedachte, het gevoel in muziek zijn onbewuste wezen open- 
barend, is een ervan. Geen kunstwerk dat er niet doorleeft, 
geen kunstwerk dat, al het overige afgerekend, daar niet uit 
bestaat. Maar — de gedachte dat dit zoo is herkent men 
niet in ieder kunstwerk. Dat is een bij uitstek moderne 
gedachte. Dat is de gedachte van een geslacht dat alle 
gedachten-vormen hebbend afgestroopt is komen te leven 
in een tweede, een niet oorspronkelijke, maar historisch-ge- 
wordene, zeer verfijnde, onbewustheid. Van een geslacht, dat 
in de kunst de primitieven zoekt, in de wijsbegeerte Die 
Philosophie des Unbewussten heeft doorgemaakt, in de moraal 
van Nietzsche geleerd en van Wagners muziek niet alleen 
het bloed der aandoening gedronken, maar ook den ouwel 
gegeten heeft van zijn alleen-zaligmakende leer. 

Deze gedachte in proeve van dramatische belichaming is 
de Starkadd van Hegenscheidt. 

Geen symbolen, zegt Vermeylen, zoeke men. Maar wat zijn 
symbolen anders dan teekenen van gedachte. Het geheele 
drama, als niet alleen, wat elk kunstwerk is, gevoels-belichaming, 
maar als belichaming van de gedachte van dezen gevoels- 
oorsprong, zal ik u oplossen in symbolen. 



Digitized by 



Google 



56 HEGENSCHEIDT'S STARKADD. 

Volk en Zee, symbolen van Onbewust Leven, omspoelen 
de handeling. Starkadd, de Held van dat Leven gaat er den 
strijd aan met Saemund, zijn natuurlijke weerpartij: de Rede 
die voor zichzelf bestaat. Zinnelijk teeken, symbool van de 
heerlijkheid waar beiden om strijden is de Kroon, die door 
het heele werk aanwezig is. Zelf het uitgesproken doel van 
Saemund die, op grond van zijn aard zelf, in het Teeken het 
Wezen ziet, maar toch koninklijk genoeg voelt om den 
Koning te bewonderen die door Ingel vermoord den dolk 
in de hand neemt om den schijn van dien moord te ontnemen 
aan het Koningschap, — Kroon, die Saemund zelf smeedde 
en begrifte met tooverteekens om ze aan hem te binden, — 
die hij na Froths dood in de hand weeg^ en op zijn hoofd 
zet al is het maar voor een oogenblik; — Kroon die als 
Wolf, Starkadds dienaar, Ingel doorstoken heeft, van diens 
hoofd gerold, door den neergeslagen duizelenden Saemund 
half waanzinnig haast gegrepen wordt ; — Kroon die Starkadd 
niet opzet, al smeekt er hem Helga om, maar die hij in 
stukken breekt, waardeloos teeken voor hem die het levende 
symbool van het koningschap in Froth bemind heeft — zijn 
eenige, zijn vage liefde: — zelf het opperst symbool van 
gemeenschappelijke Strijd en Streving blijft op het tooneel ze 
gebroken achter, symbool ten laatsten male nu van gebroken 
levens. 

Kroon èn sieraden. Sieraden die Saemund smeedt 
voor Helga, die Helga verwacht van Starkadd, die geroofd 
worden, die bemind worden, die het teeken en zinnebeeld 
zijn van Geluk en Liefde voor het Kind dat tusschen 
beiden staat, in beiden gelooft, door beiden omworven 
en vertreden wordt: Helga, zelf zinnebeeld van het niet 
begrijpende (zooals Hilde, Ingels vrouw, van het begrijpende) 
Aardekind. 

Zei ik teveel, dat dit een drama van symbolen is? 
Van een Gedachte en haar Teekens? Mij dunkt, als het 
geheimschrift en zijn sleutel staan hier de symbolen en 
hun gedachte voor ons van dezen modernen germaanschen 
mensch. 



Digitized by 



Google 



HEGENSCHEIDT'S STARKADD. 57 

IV. 

De tegenstelling hierboven omschreven, heeft nog een ander 
beeld, ontleend aan de nieuwere europeesche geschiedenis. 
Het is dat van het Noorden en het Zuiden, van Germanen 
en Romanen. Dit is het beeld waar Stefan George zoo 
graag van spreekt, die de noordelijke duitsche geesten in 
voortdurenden pelgrimstocht naar het kunstvoller zuiden ziet 
en zijn eenheid zoekt in het Heilige Roomsche Rijk der 
Duitsche Natie. Ook dit beeld is in Hegenscheidts voorstelling 
opgenomen : Starkadd is — zelfs in den vorm van zijn lied, — 
de skald uit het noorden, waarheen, naar Saemund zegt, 
de verzachtende zeden uit het zuiden nog niet doordrongen. 

Heeft men dezen trek aan het drama opgemerkt, dan ziet 
men het, in de eerste plaats, in zijn menschelijke algemeen- 
heid, in de tweede plaats in zijn europeesche negentiende- 
eeuwschheid, en, ten derde, in zijn verwantschap met den 
germaanschen stam. 

Niets belet ons dan ook nu wij het geheel zoo overzien 
hebben, nategaan hoe het in bizonderheden is uitgevoerd. 

Gedeeltelijk deden wij dat al. Juist van de allerbeste verzen 
heb ik er aangehaald, en terwijl wij in het gevlei van Saemund 
het fijne gevoel voor de dingen-schoonheid bewonderden, 
genoten we in het lied van Starkadd het weerbarstige zee-zilt 
in den klank, en de beweging van golven in den maatslag: 
en zoo werden ons niet enkel door de dingen die zij zeiden 
maar ook door de geluiden die zij slaakten hun karakters 
openbaar. 

Door de lichte vensters waarop wij zijn aangegaan hebben 
wij het geheimenis van het huis erkend, en nu kunnen wij 
zien of wat de vrienden van werk en dichter hadden meege- 
voeld overeenstemt met onze erkentenis. De schrijver van den 
Verrewinkelschen zomerdag, merken wij dan, heeft voor die 
dingenliefde oog gehad, Vermeylen daarentegen in zijn be- 
oordeeling van den Starkadd meer voor het zee-gevoel. Zijn 
„eeuwige beminde" schrijft hij daar, „wier stem door het 
geheele werk bruischt en zingt*'. 



Digitized by 



Google 



58 HEGENSCHEIDTS STARKADD. 

Wij mogen tevreden zijn met die saamstemming. Door deze 
twee eerste, de muzikale uitingen van zijn gevoels-wezen, 
erkennen wij nu werkelijk dezen dichter in zijn oorspong en 
grenzen, en hem, zoo erkend, hebben wij niet minder dan zijn 
vrienden lief. 

Deze Hegenscheidt, die niet alleen door Starkadd maar ook 
door Saemund wordt uitgesproken, en niet enkel door Starkadd 
en Saemund maar door al de hen omgevende personen en 
machten — want wij zouden hem onrecht doen door te meenen 
dat hij niet al zijn gestalten met gelijke liefde en om huns- 
zelfs wil had voortgebracht — : — deze Hegenscheidt als de 
dichter die in éen grenzenlooze levensliefde èn éen teederheid 
voor al het bizondere zijn wezen verdeeld voelde en in muzikale 
stemmen en gestalten dat in zich verdeelde wezen deed uit- 
wellen ; — deze Hegenscheidt, zeker zoo te zijn, en strevende 
zoo te doen, is de mensch en kunstenaar dien wij in Starkadd 
te erkennen kwamen en zijn werk zal beter zijn naarmate hij 
er meer als een werkelijkheid in wordt erkend. 

Door de gedachte al verwant aan het geloof in een gevoel 
door muziek zijn onbewustheid ontraadselend, is het geen 
wonder dat dit gedicht allereerst als klank geschreven is. In 
de beste plaatsen, zagen wij al, is die klank volkomen per- 
soonlijke uitdrukking : ik zeg onmiddelijk dat er in het gedicht 
van zulke zeer goede plaatsen zeer weinig zijn. Toch zijn er 
goede, verscheidene, en die als men ze bij elkander stelt 
sommige hoofdzaken van het drama al vrij goed doen uitkomen. 
Zoo, in de eerste plaats, de alleenspraak van Saemund, nadat 
hij Ingel heeft trachten te belezen dat Froth sterven moet. 
Ingel hoe langer hoe meer te verwarren was zijn voorloopig 
doel geweest, en in vertwijfeling had die uitgeroepen : 

Wat windt, o Saemund, uwe koude taal 
Mijn arme, radelooze hersens opl 
Ik kan die groote dingen niet meer denken, 
Zij zijn te groot, en mijn gedachte woelt 
In hen en kan hun grenzen niet bereiken. 



Digitized by 



Google 



HEGENSCHEIDTS STARKADD. 5Q 



Als hij weg is, zegt Saemund: 



I 



het was bijna te veel 
Voor u» nu gaat uw arm brein weer doorpeinzen 
Wat kwaad en goed b in die slechte daad. 
Een slechte daad, — waarom een slechte daad? 
Wat kan wel slecht zijn als 't een krone geldt? 
En de arme, hij wil koning zijn, en hij 
Heeft een geweten, en 't spreekt hem niet vrij 
Van goed en kwaad, — 'tb een armzalig ding 
2^ een geweten voor wie koning zijn wil. 
En toch zal dat gedacht van hem niet wijken, 
Uit zwakheid zal hij 't kwade doen en 't weten 
En 't zal hem neerslaan en voor steeds vernielen. 
En de' afgetobden heb ik in mijn hand. 
Waarom is zij voor hem dan slecht, die daad. 
Waarom moet hij daardoor ten ondergaan? 
Het moet toch zoo; zoo heb ik 't ook voorzien. 
Wijl 't mij als eene deugd verheffen zal, 
Tot haar, mijn doel, die gouden koningskroon. 

Dit is goed, dit is zuiver; toch voelt men al dat het niet 
sterk is: dat er onder deze rustige deining een zwakheid 
loert In zekeren zin is het waar wat Vermeylen zegt van 
die mildheid, die kuische macht die overal door het werk 
heen-vloeit : het is een werk vrijwel zonder gedwongenheid — 
kleine onbeholpenheden door onervarenheid daargelaten — , 
eens in den toon blijft zijn taal lenig en hoe laag ook nooit 
machteloos. Toch voelt men waar de zwakheid is: ze ligt 
niet in gevoelsdroogte die schraal en hard zou maken: ze 
ligt niet, bedoel ik, in afwezigheid van dichterlijke aandoening ; 
maar ze ligt in een zekere kleinheid, een zekere onbeduidend- 
heid van het gevoels- en voorstellingsleven dat zich onder 
die dichterlijke aandoening beweegt. Die dichterlijke aan- 
doening kon de atmosfeer om een sterke, stralende wereld 
zijn: de aandoening van den dichter is werkelijk de sfeer 
die aan kracht en gloed wint door de hitte en sterkte van 



Digitized by 



Google 



6o HEGENSCHEIDTS STARKADD. 

het verbeeldingsleven waar zij de uitstrooming van is; maar 
ietwat mat en flauw beweegt ze zich over een weinig rijk 
en onuitgegroeid bestaan. Deze armoede, deze innerlijke 
geringheid, moet een eerlijk oordeel, juist waar het al het 
goede en schoone van dit werk erkend heeft, nu opsporen. 
Het is billijk, ook tegenover den Maker. 

Wat is, afgezien van den geheelen bouw dien wij ons in 
volle grootheid voorhielden, de steen waarop hij rusten zal? 
Wat is van het geheele drama — nu de gevoels-tegenstelling 
in menschelijke gestalten belichaamd is — de innerlijke be- 
weegreden? 

Het is, in één trek gegrepen, de liefde die Starkadd aan 
Froth verbindt. Daardoor zijn die twee saamgebracht. Daar- 
door zullen beiden door Saemund gehaat worden. Daardoor 
zal de nijd van Ingel worden opgewekt Daardoor de moord. 
Daardoor de wraak van Starkadd. Daardoor en daardoor alleen 
het bestaan, de gang en de ontwikkeling van het heele drama. 

Zien we, hoe die aandoening verhaald en gemotiveerd 
wordt, hoe ze zich voordoet, hoe ze werkt op hen die haar 
voelen, hoe ze daadrijke levende schepsels maakt van hen, 
die door haar bezield, de tragedie durven dragen die het 
Onbewuste Leven heenvoert over Menschelijke Berekening. 

Starkadd vertelt ervan. Voor hij naar Friesland gaat ter 
bestrijding van Froth's vijanden, onder den indruk van Froths 
dankbaarheid, op het oogenblik dat al de betrokkenen op 
elkander staan vol afwachting en angst om den schok te 
ontvangen die het noodlot van elk zal zijn, zegt hij het 
volgende : 

'k Stond op een zachten avond aan den steven 
Verzonken in die zelfde mijmeringen 
Waarin *k zoo hopeloos verloren ging ; 
Mijn mannen wisten dat zij ongestoord 
Mij moesten laten in die oogenblikken, 
Want, of het nog zoo pijnlijk was, ik minde 
Dat wroeten in mijn eigen leege borst. 



Digitized by 



Google 



HEGENSCHEIDT'S STARKADD. 6i 

Ik staarde in de opgewoelde zee en voelde 
Mij half wellustig op en neer gaan met 
De kiel die stijgrend door de baren boorde, 
'k Was weggezonken in een stomp niet-denken ; 
Als uit de verte kwam tot mij de stem 
Eens deenschen zangers dien wij gastvrijheid 
Aan boord geschonken hadden en wiens zang 
Mijn volk vermaakte door zijn vreemde wijs. 
En ik verstond zijn lied: van koning Froth 
Ging hoog zijn zang en zijn begeestering. 
Hij zong hoe na den roem der jeugdge daden 
Ge uw volk te binden zocht door 't milde hart, 
Hoe in uw daden en uw deugden, steeds 
Het milde hart het eerste en laatste woord sprak; 
O koningslied, hoe hadt ge een heldren klank I 
En toen 'k vernam hoe *t noodlot u vervolgde» 
Hoe ramp na ramp u dreigde te verdelgen, 
Toen brieschte de oude moed weer in mijn borst. 
Terstond wendde ik den steven naar dit strand, 
Want eenen vriend, een vader moest ik redden. 
Ik vond u en het lied had waargezegd: 
Een vriend, een vader heb ik mij gered. 
Nu viel het woord, mijn koning, wees genadig. 

Ik glimlach, o vrienden die het symbolische van dit drama 
niet aanvaarden woudt, nu ik zie waar onze studie ons heen- 
voert. De Wiking en Skald, de Zee-zoon, niet voldaan door 
een leven vol daden en roemruchtigheid, krijgt van een Dichter 
zijn bevrediging. Het werkelijke leven is daar om de waar- 
heid van het Lied te bevestigen. Door de opgewoelde zee 
richt de held die het Ideaal van den zanger ontvangen heeft 
den steven naar de Burcht waar de Koning woont, de fiere 
en milde, die hem Vader en Vriend zal zijn. Een schoon 
symbool is dit dat geheel de wonderbare vaart uitdrukt van 
den jongeling op zoek naar het leven. Maar is deze dich- 
terUjke verzinnebeelding, van zoo trcffend-deioratiti/f werking, 
het motief waarop men een drama bouwt? — WaarUjk, ik 



Digitized by 



Google 



62 HEGENSCHEIDTS STARKADD. 

geloof dat dit drama dl te symbolisch is. Want niet anders 
dan de tnededeeling dat Starkadd in Froth een vriend en 
vader gevonden heeft blijft hier over ab de réeele beweeg- 
reden. De mededeeling van een zeer fijn, zeer dichterlijk, 
maar zeer-weinig-algemeen-menschelijk gevoel. Men versta 
wat ik bedoel, want op het wel begrijpen van deze bewering 
komt het verstand van de zwakheid van dit drama aan. Wel 
als symbool, als symbool van die aanvaart van het jonge 
onbewuste leven is het gevoel van dezen Starkadd algemeen- 
menschelijk. Maar dat een jeugdige Wiking, door een lied 
begeesterd, met een goeden en wijzen ouden koning zoozeer 
dweept dat hij hem te hulp snelt en verlost van zijn vijanden : 
algemeen-menschelijk is dat niet als feit. 

De fout — en ziehier ons afgedaald in het onbarmhartige 
hart van ons oordeel — de fout is dat een symbool van 
al te uitsluitend dekoratieve schoonheid hier is komen dienst 
te doen als een werkelijk dramatisch motief. Als zoodanig is 
het zwak, is het machteloos. Onder de dichterlijke aandoening 
die zich uit in symbolen als deze, beweegt een gevoels- en 
voorstellings-leven dat vaag en onbeduidend is. 

Want een holheid van werkelijk leven is het die zoó dit 
symbool in de lucht doet hangen boven alleen maar de aan- 
wijzing van een haast niet grijpbare menschelijke verhouding. 
En wanneer dit van het hoofdmotief van dit drama gezegd 
mag worden dan is het haast overbodig de overeenkomstige 
zwakheid aan andere deelen ervan te doen zien. 

Toch zou ik ze kunnen aantoonen ook aan Starkadd's 
verhouding tot Helga. Als Ingel het afscheid bederven 
kwam door Starkadd te beschimpen en Froth hem onmid- 
delijk daarop ter vergoeding Helga tot bruid geeft, dan treedt 
ook deze verhouding in het volle licht, — maar noch geeft 
Starkadd, al gebruikt hij de liefste en dichterlijkste beelden, 
ons den indruk een werkelijk minnaar te wezen, noch doet 
Helga, al stelt zij zich zoo kinderlijk aan als denkbaar is, ons 
gelooven dat zij een kind is uit Gods vrije natuur. Beiden 
blijven dekoratieve, beiden blijven als werkelijke wezens 
onuitgegp-oeide gestalten. 



Digitized by 



Google 



HEGENSCHEIDTS STARKADD. 63 

Onmogelijk ook om een waardige werkelijkheid aan de 
dichterlijke grootheid van Froth onder te schuiven, was het 
Hegenscheidt, toen hij dien koning moest voorstellen aan den 
avond van dien dag in gesprek met Helga en Hilde. Er is 
in de natuurlijkheid waarmee die grijsaard ervoor uitkomt dat 
het gedrag van Ingel hem geschokt heeft, in zijn verbazing 
wat Ingel wel tot zulk een taal verleiden kon, en in de 
openhartige verklaring dat hij hem dien middag niet meer 
herkende, iets dat meer aan een goedigen predikant, vader 
van een ondeugenden student, dan aan een koning zich uitlatend 
over den troon-opvolger denken doet. 

Waarlijk, de dichter van dit drama moet mij toestaan de 
maat van mijn wreedheid vol te meten met de verklaring dat 
er dichterlijke naïveteiten zijn die bedenkelijk veel van werke- 
lijke onnoozelheden weg hebben. 

De beste figuur, juist als werkelijk, lijkt mij Saemund. 
Komt het doordat hij zich van nature beweegt in een 
werkelijke wereld? Van hem voelt men tenminste doorgaans 
dat hij er op zijn plaats is, dat hij dus in een drama op zijn 
plaats is. En, hoewel niet over-oorspronkelijk, en hoewel 
ook hij geen groote ruimte van werkelijke verhoudingen om 
zich te scheppen weet, is er fijnheid in zijn spreken tot Ingel 
zoowel als tot Helga, en wordt hij zelfs groot als hij wenscht 
te sterven ials Froth. 

Mooie trekken zijn er overigens in dit werk. Zoo van Ingel, 
als hij niet door Froth's baard heen durft steken; zoo het 
heele tooneel als Froth aan de deur van zijn kamer komt, 
Ingel herkent als den moordenaar, zich neerzet en met zijn 
laatste kracht zichzelf den dolk in de wond tracht te stooten 
om den nieuwen koning te redden voor de schuld van den 
moord. Schoons is er zoo ook in het laatste banket, waar 
Starkadd zingt en de katastrofe volgt. 

Zonder onrechtvaardigheid kan men dit drama niet ver- 
oordeelen, al is ons oordeel nu ook, en volkomen terecht, 
geloof ik, hard geweest 

Volkomen terecht ook was het dat wij het uitspraken. 

Niets is duidelijker dan dat nu, langzamerhand, in Zuid- 



Digitized by 



Google 



64 HEGENSCHEIDTS STARKADD. 

Nederland uitingen ontstaan van dat gevoels-leven, dat geheel 
Europa, dat ook Noord-Nederland heeft verjongd. Duidelijk 
is, dat die niet ontstonden zonder invloeden uit Noord-Neder- 
land. Duidelijk, dat hier de gelegenheid is, waarnaar wij 
jaren hebben uitgezien, tot gemeenschappelijke krachtsaan- 
wending door twee stammen van een zelfde ras. Wij voor 
ons zijn daartoe van harte bereid. Maar fataal zou het zijn 
indien de Vlamingen, alleen uiting gevend aan hun bewon- 
dering, hun arbeid zagen buiten verband met het oordeel van 
Noord-Nederland. Indien zij zich vastzettend in hun over- 
tuiging dat de Vlaming een guller^ een van gemoed dieper 
wezen is dan de Hollander, smaalden op onze geestes-iijnheid 
en onze kunst Wij weten wel, niet voor niet zijn wij de 
erfgenamen van de zeventiende-eeuwsche beschaving, en zeer 
zeker zullen wij geen afstand doen van het recht dat onze 
voorouders ons overgeleverd hebben, in kunst en geest de 
gelijken van Europa te zijn ; maar zoozeer hebben de bescha- 
vingen van de laatste eeuwen geen verwantschappen kunnen 
dooden, dat ook nu de gemeenschappelijke natuur ons niet 
liever zou zijn dan de alleenzame leer. 

Bovendien is geen grens meer wat ze vroeger was. Er 
is geen reden niet een in de kunst te zijn al zijn wij twee 
in het staatkundige. Er is geen reden niet ook europeesch 
te zijn, hetzij men Vlaming heet of Hollander. Wij zagen 
het ook aan Hegenscheidt : de europeesche gedachten dringen 
door alle poriën van het gemeenschappelijk bestaan. In deze 
omstandigheden zijn de schuwheid van het zuiden en de 
hooghartigheid van het noorden gelijkelijk verouderd. Kinder- 
lijke provincialismen zijn ze die we zullen afzweren in onze 
gedachten, zooals we er ook wegwerpen uit onze taal. Indien 
zij goeds hadden ter bewaring van het eigene, dan zal hun 
werking op ons karakter nablijven; maar niet ter scheiding 
of bestrijding, maar ter verceniging en versterking van het 
verwante zal hun kracht worden aangewend. 

Ik verzoek u, mijn vlaamschc vrienden, zooals gij uit uw 
taal niet alle gewestelijke woorden zult verwijderen, maar de 
goede en krachtige houden opdat die uw werk oorspronkelijk 



Digitized by 



Google 



HEGENSCHEIDTS STARKADD. 65 

en deugdzaam makea, — behoudt zoo van uw schuwheid 
tegen het noorden alleen zooveel als noodig is ter bewaring 
van uw persoonlijkheid, — maar, voor het overige, sluit u 
erbij aan, maakt u eraan gelijk. 

Behalve dat gij dien goeden ouden dichter Guido Gezelle 
hebt zijn er nu onder u verscheidene jongeren die gebroken 
hebben met de vlaamsch-retorische opgewondenheid en die 
door verzen en proza hun verwantschap met ons hebben 
getoond. Eerste daad van oprechtheid en gastvrijheid jegens 
hen leek mij nevens de uiting van mijn genegenheid de 
onomwondenheid van dit Oordeel; — en zoo hoop ik dat 
gij het zult verstaan. — 



Digitized by 



Google 



LEVEN EN WERKEN VAN JONKER 
JAN VAN DER NOOT. 

DOOR 

AUG. VERMEYLEN. 



VIL Kunst en invloed van Jan Van der Noot. 

Jan Van der Noot, na de onpersoonlijke Rederijkers, is een 
individu. Heel bepaald zien wij zijne trekken, vatten zijn eigen 
geestesleven. Er is in hem de bijzondere gevoeligheid van 
een modem mensch. Uitdeeler der onsterfelijkheid, grootsch- 
fatsoenlijke >Patridus van Antwerpen", acht hij zich afge- 
zonderd van de gemeenschap rond zich, veracht het volk, 
waarop hij zoo ongelukkiglijk rekende, kijkt laag neer op die 
arme menschen, die maar altijd als hanen in een korf vechten, 

... te wyl* dat onverdroten. 
De cock, d'een voor, d'een nae, uytgrypt en strax gaat kelen. 

Maar den dichter blijft de vertrouwde natuur over: 

Erghens by eenen poel, beexken, oft stillen colck, 
Verde van *tghirigh, sot, en achter-clappigh volck, 
Gaen ick u schoonheydt groot soo levendigh af-beelden 
In myn sile, schoon Lief, die deur u wesen soet, 
In-wendighlyck soo wel ver-heugdt wordt en ghevoedt. 
Dat ick heb* rechten smaeck van der hemelscher weelden. 

Ontvankelijker voor vreugde, en door smart lichtgeraakt, lust 
het hem, zichzelf met zijn stadige liefde terug te vinden in de 
eenzaamheid der natuur, waar hij met zijne schoone en stil-geluk- 
kige ziel spreken mag. Zoo voelt hij niet meer zijne betrekking 
tot de menschen, maar zoekt in zichzelf zijnen troost en steun. 



Digitized by 



Google 



LEVEN EN WERKEN ENZ. 67 

Doch die individualiteit van een modern mensch — en dit 
bemerkt men al eenigszins bij Petrarca — draagt nog niet in 
zich al hare voorwaarden van evenwicht. Afgezien van het 
overdreven glorieus zelfgevoel waarin hij zich hult, en 
die wat ziekelijke ongerustheid om vervolgingen waarover hij 
gedurig klaagt, zal Van der Noot altijd iets missen, om een 
volledige persoonlijkheid uit te maken. Er is in hem een 
zonderling mengsel van distinctie en onbeschaamdheid, dat 
we dikwijls in de Renaissance aantreffen. De trotsche en 
eigen schoonheid van vele zijner zangen, hoe brengen wij 
die overeen met zooveel onzelfstandigs in zgn karakter? Die 
stem van harmonie stijgt uit een leven dat eigenlijk toch 
niet schoon was. Op sommige oogenblikken had Van der 
Noot een mooie ziel, maar een werkelijk groote, zichzelf 
steeds geUjke ziel bezat hij nooit Begrippen, woorden en 
daden vloeien bij hem niet uit ééne bron. 

Wat hij droomt kan hij niet willen, wat hij doet is wat 
anders dan wat hij zegt Hij bazuint zijn hooge opvatting 
der dichtkunst uit, en verkoopt al bedelend zijn werk aan 
den eerste den beste. Hij stelt den poëet als goddelijk 
boven de menige, en schijnt zelf af hankelijk van de geringste 
uiterlijke omstandigheden. Hij prijst de deugd en is een type 
van karakterloosheid. Hij herinnert* aan Filelfo die in een- 
zelfde satire (DC, 9) de armoede prijst, en om geld bidt. Er 
is in hem gebrek aan eenheid. 

Een geheel van leven tot schoonheid geworden kon zijne poëzie 
dus niet zijn. Bij zijn zuiverste gedichten staan er, die eigen- 
Ujk tot de kunst niet behooren, en veel van zijn oorspronkelijk 
en goed werk beweegt zich niet in een zeer breeden gevoels- 
kring. De machtige noodzakelijkheid der g^roote kunst gaat 
er niet door. Wat is 't dan, dat hem in die 16^ eeuweene 
zoo buitengewoon uitstekende plaats verzekert? Eenvoudig, 
dat hij, hoewel een tweederangsdichter, toch een dichter is, 
in den reinsten zin van 't woord, wat in die eeuw iets heel 
nieuws was: een dichter die alleen van aandoening en schoon- 
heid leeft. Hij is zelfs onze eerste » moderne" dichter. Proef 
maar die spontane en frissche waarneming, onmiddellijk uit- 



Digitized by 



Google 



68 LEVEN EN WERKEN VAN 

gedrukt, dat gevoel der mooie vormen, die poëtische zinne- 
lijkheid die de lieve beelden schept, dien zin voor deining 
van zachte sierlijkheid: al is zijne kunst niet eene, die alle 
betrekkingen herknoopt en samenvat, niet eene die ons een 
wereld brengt, toch is er een gratie van hooger in, en toch 
is Van der Noot de eerste nederlandsche zanger, die per- 
soonlijk lyrisme in persoonlijken r}^hmus uit, een rythmus 
waarin zijn eigen stem klinkt. 

Het geschiedde zeker wel eens — grootendeels een gevolg 
der kunstopvattingen van de Renaissance — dat zijn vorm 
maar een overgenomen conventie was, gewichtiger dan de 
willekeurige inhoud die er werd in gegoten. Maar dikwijls 
ook is het de aandoening, krachtig en lenig en zuiver, die 
haren vorm schept, afwisselend en zingend als de aandoening 
zelve. Er is misschien geen nederlandsch dichter die zooveel 
levende r}rthmen, zooveel oorspronkelijke strofensneden door 
onze poëzie heeft laten ruischen. 

> ... Il est devenu en sa langue, par ses perfections, graces, 
et vertus, poëte tant bon, tant garand et tant perfaict, en toutes 
sortes de vers et d'oeuvres poëtiques, luy tout seul, comme 
entre les Latins Virgile Test seulement es vers heroiques, 
Horace es vers liriques,* Ovide es elegies, Tibulle es epigram- 
mes, et autres en autres sortes de vers." Het staat in zijn 
werk te lezen, en hijzelf geloofde het. Wij glimlachen; maar 
welk vertrouwen in de nieuwe schoonheid veronderstelt die 
kinderlijke eigendunk nietl 't Is of Van der Noot zich een 
Colombus voelde. 

Voor de eerste maal treedt het literair bewustzijn zoo vast- 
beraden ten onzent op. Zeker kan hij zijn ideaal nog niet 
bepaald omschrijven; maar zeer beslist wil hij met de over- 
levering afbreken, wil eene heel andere kunst invoeren, naar 
uitheemsche voorbeelden opgebouwd. Hij verdedigt theorieën 
en kenmerkt eene > school." Wat er vóór hem was bestaat 
niet meer: hij is de eerste brabantsche poëet. 

Nu is die bewustheid, gelukkig genoeg, nogal betrekkelijk, 
en men mag zeker door haar heel het werk van Jan Van 



Digitized by 



Google 



JONKER JAN VAN DER NOOT. 69 

der Noot niet gaan uitlegden. Ik gewaagde daareven van 
een kunst naar uitheemsche voorbeelden opgebouwd, en 
wij weten hoe gerechtvaardigd de navolging van dichters 
scheen. Maar niemand kan plots het verleden in zich afschaffen, 
en bij Van der Noot bleef er, buiten zijn weten, veel van dat 
verleden voortwerken. Renaissance-idealen heeft hij verwezen- 
lijkt inzoover zij met zijn vlaamschen natuuraanleg over- 
eenstemden, en zelfs waar hij navolgt is hij dikwijls zeer 
oorspronkelijk. Daarbij bestond er, vergeten we 't niet, een 
echte verwantschap tusschen zijn voelswijze en die zijner 
meesters ; veel was reeds in hem ontloken, dat hij bij Ronsard 
in fijneren vorm uitgedrukt vond. Over 't algemeen mag 
alleen beweerd worden, dat het lezen der italiaansche en 
firansche dichters zijnen zin voor schoonheid ontwikkelde, 
zijn kunstopvatting bepaalde, en een invloed had op zijn 
uitdrukkingsmiddelen. 

Vooral de Pléiade komt hier in aanmerking, met eenige 
poëten die in hare loopbaan wentelden, als Tahureau en 
Olivier de Magny; in tweeden rang Petrarca, en wellicht de 
Spanjaard Boscan, die in de Poeticsche Werken dikwijls ge- 
noemd wordt, al kan ik op geene rechtstreeksche navolging 
wijzen, en van wien er verscheidene uitgaven in Antwerpen 
uitkwamen. Van de Oudheid heeft Van der Noot niet veel 
meer dan wat klassieke beelden en mythologische herinne- 
ringen: haar onmidddelUjke invloed bleef zeer gering, en zeer 
uiterlijk. Naar 't gebruik van den tijd haalt hij vele gezag- 
volle namen van latijnsche schrijvers aan, bewerkt een» het 
Exegi ntonuntentufn of het Impavidum ferient ruinae. Maar 
in de Poeticsche Werken van 1592 — 94 citeert hij nog Hora- 
tius uit van Ghistel's onbeholpen vertaling der Satiren (Antw. 
1569). De geest zelf der Oudheid is van weinig of geen be- 
teekenis voor den algemeenen bouw zijner werken, en de 
vorming zijner kunstbeschouwing. 

Van Petrarca en vooral van de Pléiade heeft Van der 
Noot zijn hooge opvatting der poëzie, als steeds hernieuwde 
openbaring van boven, — een opvatting die hij zelf, de hoog- 
moedige zanger der ode aan Marcus van Wonsel, diepgevoeld 



Digitized by 



Google 



70 LEVEN EN WERKEN VAN 

heeft. Koning, door Gods gena, van 't rijk der gedachte, 
tvates" en tprofeet", is de dichter eene stem van 't Eeuwige. 
Est Deus in nobis, agitante calescimus illo. Ronsard had die 
gemeenplaats dikwijls genoeg hernomen, b. v. in zijn ode k 
Calliope (Blanch. Il 134): 

Dieu est en nous, et par nous fait miracles, 
Si qu'un poëte et ses vers furieux, 
Ce sont des dieux les plus secrets oracles, 
Que par sa bouche ils montrent k nos yeux. 

En waar Van der Noot aan Torrentius, den bisschop van 
Antwerpen, uitlegt wat een dichter is (P. W. 1588), vergeet 
hij natuurlijk dat motief niet : 

Godt is, en leeft in ons, hy gaet ons opwaert dryven, 
Hij (en niet wij) doet ons schoone veerschen beschryven. 

In zijne »ApoIogie" noemt Ackermans de dichters kinderen 
Gods, >ende eertsche oft sterflyke Goden**, en prijst Van der 
Noot wel eens zichzelf, zoo volgt hij »de beste Poëten'*, die 
het altijd »veur een maniere ghehadt hebben heur selven, oft 
(om beter te seggen) Godt die in heur woont ende werct, 
te prysen" . . . 

Wil de lezer nu den diepen zin vatten van wat diehemel- 
sche zwanen zingen, dan hoeft hij ook goed, zuiver en god- 
begeerig te zijn. Het hoogste doel der kunst is dus de wijs- 
heid, eene theorie, welke dien trek naar het nuttige, die den 
Vlaming eigen is, wel bevredigde. Geen schrijver der i6<ï« eeuw 
kon zich een schoonheid denken, die afgescheiden van de 
deugd zou bestaan: die traditie gaat eigenlijk door onze 
geheele letterkunde. De fabel en de beelden zijn het hulsel, 
dat de edele geesten breken om de kern van wijsheid en 
waarheid te proeven. De dichters handelen zooals de artsen, 
zegt Grenerus in zijn »Apodixe", die, als zij »den kindem 
wormkraut geben wollen, dasselbig mit honich und zucker 
bestreichen, also durch die süssigheit des zuckers mit ge- 
nüchten die gesuntmachung in bekommen'\ 



Digitized by 



Google 



JONKER JAN VAN DER NOOT. 71 

Tengevolge zal de allegorie een overgroote rol spelen, wat 
weer heel goed overeenstemt met de vlaamsche overlevering. 
Grenenis schijnt hier wel de denkbeelden van Jan Van der 
Noot zelf weer te geven: »Die Nature begert fïir den unver- 
stendigen verborgen zu sein. Und der Götter wesen imd 
gestalt lest nit zu mit blossen worten in den unsauberen 
jrdischen menschen ohren zu gehen. Derwegen haben sie 
es gethan, umb der groben und prophanen verstandt, vor 
der würdigkeit solcher hoher und schoner meysterien (durch 
misztröstung solches zu begreiffen) hinder sich und abzutrei- 
ben. Und darwider, die guten und Göttlichen geister, durch 
den lust das verdunckelt zu verstehen (und durchs verwondem, 
wenn sie das verborgen gefunden und verstanden haben) an 
zu locken imd zuerwecken. Dann (gleich Socrates zeuget) 
die schwere sachen seindt die schönsten." De kunst wordt 
dus als esoterisch beschouwd, en haar passende middel van 
uitdrukking is de allegorie, die teekens van 't eeuwige laat 
glanzen onder schitterend en boeiend uiterlijk. 

Doch : dat was de theorie, niets meer ; en gelukkig genoeg 
heeft Van der Noot die al dichtend meermalen vergeten. 
Het is juist bij hem een kenmerkende trek, dat hij, met meer 
bewustheid dan wie ook vóór hem, vaste begrippen omtrent 
het wezen en het doel der kunst behartigt, terwijl toch zijn 
kleuriger, beeldenrijker en fijner gemoed, onbewust, spontaner 
rythmenbeweging door zijn vers laat leven. Hij volgt stelsel- 
matig de Franschen na, maar blijft zeer vlaamsch. Hij meent 
dat verbeelding en gevoelskracht alleen mogen uitloopen op 
een hooger ideaal: de deugd, — maar, wordt hij heden nog 
door zoovelen genietbaar gevonden, dan is het wel omdat 
hij (en wie buiten hem in onze i6<^^ eeuw?) een liefde had 
voor de dingen zelf, en dikwijls de schoonheid verwezenlijkt 
heeft, eenvoudig omdat zij schoon is, zonder zich om wat 
anders te bekreunen. Hij wil eene poëzie voorstaan, slechts 
voor ingewijden bestemd, maar zie, zijn frissche natuur ging 
toch hdren gang, en thans mag al wie maar open oogen en open 
ziel bezit, onbekommerd wandelen door het lustige boschje 
dat Jonker Jan Van der Noot op onzen grond liet groeien. 



Digitized by 



Google 



72 LEVEN EN WERKEN VAN 

Overigens, in zijne poëtiek, zooals hij die vari de italiaansche 
en de fransche dichters overnam, is er iets, dat den samen- 
hang met de ló^^-eeuwsche volksliteratuur verzekerde, iets 
dat recht tegen de humanisten inging, en eindelijk de oudheid 
zelf moest terugdringen: het gebruik der moedertaal. Van 
der Noot, hoewel bedreven in Fransch en Latijn, dicht in 
't Nederlandsch, iedermaal een dichterlijk gevoel hem tot 
uitdrukking noopt Wellicht wist hij, instinctmatig, dat een 
dichterlijk gevoel slechts door de eigen taal — geen wille- 
keurig ietsl — volledig kan weergegeven worden, dat zij 
alleen den »zang" der woorden kan doen uitkomen, buiten 
alle conventie der beteekenis, en als de eenige atmosfeer 
uitmaakt waarin de eigen rythmus, die dieper is dan alle 
woorden en maten, natuurlijk kan opdeinen. 

Er is zeker wel iets van Jan Van der Noot's zelfgevoel in 
den trots, waarmede hij de taal van zijn volk verdedigt, en 
die zoo hoog stelt als welke andere, eenvoudig omdat zij de 
zijne is. 

Het begrip der nationaliteit was bij ons nog maar weinig 
ontwikkeld. In zijn iStriit des Gemoets" {1590) verontschul- 
digt zich Philips Numan nog, omdat hij »soo hoogen saken 
(als die der salicheyt aengaen) in duytsche Poesye oft Retho- 
rijcke" verhaalde. Doch in de voorrede der »Twee eerste 
Musyckboekskens" van Tielman Susato (i 5 5 1) wordt al gewaagd 
van T^vaderlandsche musycke" (Kalff, i6d« eeuw II 448), en 
dat de taal het beeld is der volkseenheid wordt gevoeld, 
waar de »Twe-spraack der Nederduitsche Letterkunst" (1584) 
spreekt van de tbeminders haers Vaderlands ende taals*'. 
Waarom zouden wij 't zelfde niet pogen als de Italianen, 
Spanjaarden en Franschen, welke »hun spraken die bij de 
onze te verlyken (behouden hun ghunst) schuymtalen zyn, 
verryken, opproncken, cierlyk ende bevallyck maken." Doch 
de eenheid der taal was nog verre van voltrokken: >De 
Brabander zal zegghen de vriendelyckste taal te hebben, de 
Hollander de zuiverste, de Vlaming zal óóck de zyne willen 
voorstaan, de Stichtse en Gelderse desghelyken om dat zij 
het Hóógduyts wat naarder komen, de Vries zal zyn spraacx 



Digitized by 



Google 



JONKER JAN Van DER NOOT. 73 

oudheyd bij brenghen." Van der Noot zelf kende geene 
andere nationaliteit dan »Brabant/' en schrijft het »Brabantsch*': 
van Vlaanderen en Vlaamsch, laat staan van Nederlandsch, 
is er bij hem geen enkel maal sprake. Zijn dialect scheen 
hem het zuiverste »duytsch", voor Brabant wilde hij vol- 
brengen wat Petrarca voor Italië volbracht had en Ronsard 
voor Frankrijk. 

Doch zijne denkbeelden, door zijn bewonderaars verspreid, 
zullen niet zonder invloed gebleven zijn op het groeiend 
bewustzijn van ons volk. Hoor Hendrick Ackermans, in 
zijne > Apologie," tegen de vijanden van zijnen dichter op- 
trekken: »T'en is geen minder deugt het Vaderland te 
vereeren ende syns moeders sprake te ver-ryken, te ver-eiren 
ende van alle barbare, grove ende onaerdige redenen ende 
woorden te reynigen, dan het is met den sweerde de palen 
des Vader-lants te vermeerderen ende de boosdoenders daer 
wt te verdryven." De heele tirade is belangrijk, en verdient 
te worden aangehaald: »Soo hebben wy nochtans gesien dat 
d' onwetende goetdunckentheyt ende opgeblasentheyt, som- 
miger verwaender, afgunstigher, grover ende cleynhertigher 
menschen heur soo verhief ende opstack t' seghens d' eerste 
gheluyt synder schriften, dat het schene dat syn ontstervelijcke 
glorie (die tijt noch beginnende te groeyen) gantschelijck 
wtgeblust soude hebben gheweest, deur heur eeselslijck ghe- 
roep, ende Midialisch* oordeelen: d' een (ontdeckende syn 
eygen onwetentheydt ende ongeleerdtheydt) beschuldigde hem 
dat hy te diepsinnigh, ende te misterialyck schreve. D'ander 
seyde dat hy te vrymoedigh ende te stoudt was in nieu- 
woorden te maken: en dat constant beter Brabandts was 
dan standtvastich, plaisant beter dan behagelyck, abondant 
beter dan over-vloedigh ; dierghelycke abandonneren beter 
dan begheven, consoleren beter dan vertroosten, ende duysent 
dier ghelijcke. . . . Andere te seer cleyn-hertigh, seyden dat 
men niet en can noch ooc niet en behoorde kunstighlyck 
oft gheleerdiglyc te schryven, dan in Griex oft in Latyn, en 
dat sy wel over-weghen ende verdoeldt syn, die heur onder- 
winden in d* Nederlandts anders oft beter te schryven, dan 



Digitized by 



Google 



74 LEVEN EN WERKEN VAN 

sy He ghewendt syn te doene, niet kunnende sulke afgunstige, 
waenhopige, cleyn-hertighe, oft onwetende (al waren sy oock 
groote Meesters in t' Hebreeusch, Griecx, oft d' Latyn) boter- 
beesten en tweevoetige esels bedenken noch verstaen dat de 
veurschreven Griecsche ende Latynsche spraken met den 
eersten oock barber, grof ende ongheschict gheweest syn, 
ende gebleven souden hebben, ten ware dat godlijcke ende 
gheleerde Poëten ende Oratoren ....'* enz. enz. 

Van der Noot heeft op krachtdadige wijze aan de verzui- 
vering der taal geholpen: »Hy die ons moeders tale, namendt- 
lick onse Brabantsche ofte Nederlandtsche sprake (daer wt 
roeyende veel-derley gheschuimde woorden, binnen den tydt 
van 2. honderdt jaren herwaerdts, ontleendt van vreemde 
spraken die gheen gemeynschappe medt d' onse en hebben, 
ende in haer plaetse weder om brengende de goede, oude 
Brabantsche woorden, ende daertoe noch bequame, nieuwe, 
ongeschuymde woorden vindende ende makende) soo heerlijck 
ende rykelijck verclaerdt, ende vergirdt heeft, dat sy heur 
niet en derf schamen bij de beste spraken vertoondt ende 
geleken te worden." 

Niet alleen Van der Noot werkte in die richting. In zijn 
•Tresoor der Duytscher Talen" (1552—53) poogde de Ant- 
werpenaar Jan van de Werve de bastaardwoorden uit onze 
taal te roeien. De »Twe-spraack der Nederduitsche Letter- 
kunst," Coomhert, Simon Stevin, de ^Nederduitse Ortographie" 
van Pontus de Heuiter, lieten de waarde van 't Nederlandsch 
inzien, wilden haar verlossen van al het fransche onkruid, 
dat ze zoo erbarmelijk ontstelde. Maar op dat gebied heeft 
de dichter meer macht dan de geleerde : hij alleen kan zijn 
wenschen als daden uitzenden. De taalbeelden, in zijnen 
stijl vergroeid, blijven. Wanneer hij zijne taal wel voelt, 
volbrengt hij wat anderen begeerden, en zijne hervormingen 
worden dan opgedrongen onder den vorm van schoonheid en 
van leven. Zijn de behoeften van zijn volk in eenldank met 
de zijne, dan wordt hij de echte bevrijder der taal. 

Men vergelijke de gedichten van Jonker Van der Noot met 
die der rederijkers die hem zijn voorafgegaan: de vreemde 



Digitized by 



Google 



JONKER JAN VAN DER NOOT. 75 

wanvormen zijn verdwenen; hier en daar, nog een enkele 
die voortdobbert, maar overal is 't als een stroom van eigen 
taalschoonheid en eigen taaikracht die opwelt. De verzen 
mogen dikwijls nog onhandig en stram zijn: zij klinken in 
eerlijk »Brabantsch/' men yoelt er het jonge groene zelfstandige 
Nederlandsch in worden. Het is in Vlaanderen de leerling 
der Franschen, die het meest gedaan heeft voor 't verdrijven 
der fransche woorden. 

Hij volgt de Pléiade zelfs niet na, waar zij die vreemde 
woordkoppelingen naar 't Grieksch of 't Latijn schept, die 
we later, misschien meer onder den invloed van GuiUaume 
du Bartas dan van Ronsard, bij Spieghel en Karel van 
Mander zullen terugvinden. Gelukkig genoeg voor de poëzie 
van Jan Van der Noot was de ontwikkeUngstoestand van het 
Vlaamsch een geheel andere dan die van ^t Fransch. Hij 
mag oden van Ronsard met hun verzenverdeeling overnemen, 
de innerlijke vorm van zijn gedicht is toch oorspronkelijk, 
kleur, rythmus, wendingen zijn wel van hem: na hem kan 
er nog andere, leefbare, volgezonde vlaamsche poëzie uit 
komen. In de vertaling treft ons soms een onmiddellijker 
werkelijkheid, en wat ze aan edelen snit verliest, wint ze dan 
aan naïef heid en ronde gulheid. Men vergelijke, in de uitgave 
van A. Verwey, waar zij tegenover elkaar gedrukt staan, de 
bewerkingen naar Ronsard met den Franschen tekst. „Ron- 
sard," zegt Verwey, »heeft de koele schittering, de gladde 
sierlijkheid, in het algemeen de verstandelijke zuiverheid van 
zijn al in begrippen geslonken moedertaal. Ik geef de voor- 
keur aan het veel krachtiger en beeldender Brabantsch waar 
Van der Noot de wilde ranken nog in voor 't snoeien had. 
Voel wat ik bedoel door vergelijking van Van der Noots 
Vrueghtydt met Ronsards Chanson waar ze naar bewerkt is. 
Ronsards sierlijke maar kille schetslijnen halen niet bij de 
soms verrukkelijke kleurige taalgroeisels van Van der Noot. 
Zijn vertaling van Ronsards beroemde Mignonne^ allons voir 
si la rosé is een jong vers. Ronsard heeft daar al zijn schit- 
tering, al zijn onfeilbaarheid van enkel-woord-artiest, maar er 
schuilt meer wezenlijke aanleg in het naïve de dingen zelf 



Digitized by 



Google 



76 



LEVEN EN WERKEN VAN 



voelende, het heele geval dramatiseerende stuk van Van der 
Noot." De tegenstelling is hier wel wat te scherp, en een 
enkel-woordartiest mag Ronsard niet genoemd worden. Van 
der Noot is niet zoo veelzijdig en lenig, noch zoo verheven 
Idesch, en heeft weinig of niets van die zacht glimlachende 
melancholie der zinnelijkheid, aan Ronsard eigen, die vluchtige 
aandoening die bij hem door *t albast van een vers als een 
lichte vlam bloost. Doch met dit voorbehoud mogen wij 
Verwey's opmerking gerust onderschrijven. Om tetoonenhoe 
Van der Noot een tekst van Ronsard gebruikt, wil ik nog 
cenige strofen van een >Ode aen Olympia" (P. W. 1592 — 94) 
afdrukken nevens eene >Ode k Cassandre" (BI. II, 389) die 
ze feiteUjk ingegeven heeft: 



Schoon Jonghvrou, teerder vele 
Dan eenigh rooscnop versch en root, 
Di de rosier, als d'ele, 
Voordt brengt t'smorgens eer d'licht 
wort groot, 
Di in des daeghs verhooghen 
Veur allen menschen ooghen 
T'gants ciraet van den Hove 
Wordt t'heuren love, 



O pacelle plus tendre 
Qu'un beau bouton vermeil, 
Que Ie rosier engendre 
Au lever du soleil» 
D'une part yerdtssant, 
De l'autre rougissanti 



Vaster dan d'Leyloof groene, 

D*welck voordt cruypt, en dan zoo vast zit, 

Met goey manier van doene, 

Om den Abeelboom hoogh' en wit, 

Vlechtende goedertiren, 
In veelderley maniren, 
Om den boom, zijn gruen ermen, 
Medt recht ontfermen. 



Plus fort que Ie lierre 
Qui se grippe k l'entour 
Dn chesne aimé, qu'il serre 
Enlassé de maint tour, 
Courbant ses bras epars 
Sur luy de toutes parts, 



Soo slaeght (Meestersse schoone) 
U ermkens oock om mijnen hals : 
En wordt mijnder ghewoone, 
En ick UW8, in liefden onvals: 

En medt suet eerlijck kussen 
Laet ons ons lusten blussen, 
In eendrachtigh verblyden. 
Lief, t'allen tyden. 



Serrez mon col, maistresse, 

De vos deux bras pliez; 

D'un noend qui tienne et presse 

Doucement me liez; 

Un baiser mntuel 

Nous soit perpetnel 



Digitized by 



Google 



JONKER JAN VAN DER NOOT. 77 

Daer ontdeckt, sonder misten , 

De loecht, t'schoooste weer dat ooyt was: Ul Ie beau ciel décoeuTre 

£o d'loos seq>eDt, vol listen, Tonsjours un front benin, 

£n schoyldt daer niet onder t'groen gras, Sur les fleurs la couleuvre 

Maer de Voghelkens deene, Ne vomit son Tenin, 

Vercierdt medt pluymkens reene Et tousjours les ojseaux 

Singhen daer sonder tmren Chantent sur les rameaux ; 
Lief, tallen oren. 



De saté Winden sweren 

Daer altydt, met een suet gheluydt, Toujours les vents y sonnent 

En de Laariren gheven Je ne s^y quoy de doux, 

Beqname schaduwen op t'cruydt : Bt les Uuriers y donnent 

De bloemkens snet van gheure, Tousjours ombrages moux ; 

Houden daer telcmans keure, Tousjours les belles fleurs 

Vol hennighs, sonder sterren, Y gardent leurs couleurs. 
Heur Tersche verren. 



Buiten de enkele stukken die rechtstreeks kunnen terug- 
gebracht worden op een gedicht der Pléiade, zijn er bijzondere 
sporen van haren invloed in heel het werk van Jan Van der 
Noot verspreid. Zijn Olympia is een tweede Cassandre, en 
om niet bij deze achter te blijven geeft zij haren naam aan 
een bloem. Hoe dikwijls speelt de dichter niet met Cupido's, 
wier pijlen door zijn oogen den weg naar zijn hart vinden, 
— een gemeenplaats die tot in de provengaalsche letterkunde 
reikt. Waar hij zijne liefste beschrijft herneemt hij de geijkte 
vergelijkingen van zooveel fransche petrarchisten, en men 
zou heel eene lijst van beelden kunnen opstellen, welke hij 
van de Pléiade houdt: b.v. in het daareven aangehaalde 
brokstuk : Vaster dan d'Leyloof groene ... Hij gebruikte 
het zeer dikwijls, en men zal wel geen twintig bladzijden 
van Ronsard of Bellay lezen, zonder het minstens éénmaal 
aan te treffen. 

Van de dichtvormen, die Jan Van der Noot overplantte, 
komen de ode en het sonnet in aanmerking. Hij heeft maar 
enkele zoogezegd »pindarische oden" gedicht: op den Slag 
bij Grevelingen (Bosken, en F. W. 1581— 85), aan de Vrouwen 
van Brabant (P. W. 1589—91); 't gebeurt ook wel eens dat 



Digitized by 



Google 



78 LEVEN EN WERKEN VAN 

hij de verdeeling in strophe, antistrophe en epode op het 
sonnet toepast (Aan Grillo, P. W. 1593 — 94). Maar doorgaans 
vermoeden we niet waarom sommige zijner stukken »ode" 
betiteld worden, andere weer > elegie", en het schijnt wel 
dat hij van 't innerlijk wezen dier dichtvormen niet veel 
gevat heeft. Zijn »oden" zijn meestal strofische gedichten, 
die geenszins van het gewone »lied" afwijken; tot verzach- 
tende omstandigheid zij hier alleen bemerkt, dat Ronsard zelf 
die kritiek lastig ontgaan kan. Op één uitzondering na (de 
Slag bij Grevelingen), vinden we nergens die kunstige verzen- 
bouw, waarvan alle rijmen verbonden en door elkaar geweven 
zijn, derwijze dat de geheele stroof samenhoudt als een ge- 
welf; maar dikwijls toch, en meer mogen we niet verlangen, 
die natuurlijk deinende ontwikkeling der gedachte door rythmen 
die afwisselen en regelmatig terugkomen, als golvingen van 
één harmonie. 

Het aankweeken van het klinkdicht in de vlaamsche poëzie 
kon niet anders dan den zin bevorderen voor logisch-mooie 
samenstelling, de veerkracht der taal ontwikkelen, psycholo- 
gische verfijningen en schakeeringen tot bewust leven nopen. 

Of Jan Van der Noot nu de eerste vlaamsche sonnetten 
schreef? Men noepit er enkele uit den »Hof en Boomgaerd 
der Poësien" (1565) van Lucas de Heere. Maar, afgezien van 
de vraag of zij wel vroeger vervaardigd werden dan die van 
't Bosken, zijn die zoogezegde «sonnetten" er eigenlijk geen : 
de rijmenopvolging gelijkt er nog op die van 't refereyn, de 
inhoud is epigrammatisch, en de verdeeling in >viereinen" en 
tercetten is al te willekeurig, on-gevoeld. Van der Noot, inte- 
gendeel, dichtte met bijzonder geluk een groot aantal son- 
netten, wier inhoud den sonnetvorm vereischte. Bemerken we, 
dat hij gewoonlijk niet het italiaansche schema volgt, maar 
dat, welk de fransche dichters in zwang brachten : abba abba 
ccd eed, of cdd cee. Reeds in het Bosken zijn er, op 19 
sonnetten, maar twee die op ccd dee sluiten, en twee op 
ede ede. 

Wat de metriek betreft bekent zich Van der Noot (aan 
Walcourt, P. W. 1581—85) 



Digitized by 



Google 



JONKER JAN VAN DER NOOT. 79 

Als die aerdighlyk ierst in d* Brabandts sanck 
Heerlyke veerschen schoon, hoogh van gheclanck: 
Oock Ghcmeyn veerschen suct: en dies ghelycken 
Liricsche veerschen licht, in woorden rycke. . . 

Het zijn de fransche termen, en Ackermans zal ons die 
uitleggen: »D' eerste bestaende de manlijcke in 12. devrou- 
welijcke in 13. sillaben, hebbende beyde sekeren snede, pause 
oft steunen op de seste sillabe. De tweede manire van veer- 
schen, hebben de manlijcke 10. en de vrouwelijcke 11 silla- 
ben, ende hebben beyde de pause, snede oft steunen op de 
vierde sillabe. Dit advertere ick oock daerom datmen elcke 
snede wel distinctelijck ende bescheydelijck moet pronuncie- 
ren, anders diet onwetdlijck distingueren, verachtent wt haer 
selfs onwetentheyt, en ten is gheen wonder dat sy dan daer 
gheenen smaeck in en vinden. De derde maniere syn van 
2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. oft 9. sillaben, na dat de wyse, sangh', 
oft Harmonie is, der Hymnen, Oden oft der Lyrikens diemen 
maken wilt. En soo elck veersch des iersten stocx is, soo 
moet oock elck veersch van al d' ander stocken des selvighen 
ghesangs wesen." 

Hadden de metrische hervormingen van Jan Van der Noot 
niets meer geweest dan Ackermans ons weet te vertellen, dan 
zouden zij van geringe beteekenis blijven. Maar door die 
»heerlyke, ghemeyne en liricsche" verzen leefde en sloeg de 
nieuwe rythme. Wij hebben genoegzaam aangeduid wat de 
jambe voor ons is: de eigen vorm der nieuwe kunstgevoe- 
lens. Inzoover de fransche dichters die kunstgevoelens ten 
onzent ontwikkelden en den smaak verfijnden, ontstaat die 
rythme onder den middellijken invloed hunner gedichten. 
Maar heel de wording onzer poëzie zocht in die richting, de 
eigen betoning onzer taal leidde er natuurlijk toe, en wellicht 
was de werking van de vlaamsche muziek en ^t vlaamsche 
lied voldoende om 't jambisch vers zijn eigen wetten te laten 
vinden. Zeker is het, dat de regelmatige afwisseling van staand 
en slepend rijm grootendeels aan die werking te danken is, 
en niet uitsluitend aan fransche navolging. Hetzelfde was ge- 



Digitized by 



Google 



8o LEVEN EN WERKEN VAN 

beurd in de fransche poëzie. Marot, kort na Jean Bouchet en 
Charles Fontaine, liet de staande en de slepende rijmen regel- 
matig afwisselen, voornamelijk in zijne psalmen, >afin,*' leert 
ons de Deffence et illustration van du Bellay, »que plusfaci- 
lement on les put chanter, sans varier la musique pour la 
diversité des mesures qui se trouveroient k la fin des vers." 
Dat gebruik werd algemeen na 't voorbeeld van du Bellay en 
Ronsard, en deze wettigt het op de volgende wijze in zijn 
Abbregé de VArt poetique (BI. VII 320): »Apres, k Timita- 
tion de quelqu'un de ce temps, tu feras tes vers masculins et 
foeminins tant qu' il te sera possible, pour estre plus propre 
k la Musique et accord des instrumens, en faveur desquelsil 
semble que la Poësie soit née." 

Vóór Van der Noot wordt die afwisseling aangenomen door 
Datheen en de Heere, in hun vertalingen van Marot's psalmen, 
en later in vele stukken van Coornhert's Liedtboeck, voor- 
namelijk die, welke op een psalmwijze geschreven zijn. Welis- 
waar zong men vlaamsche liederen wel eens op een zonder- 
ling manke maat: men weet dat het muzikaal accent dikwijls 
op doffe lettergrepen viel, derwijze dat de klemtoon heel 
anders gelegd werd op het gezongen dan op het gesproken 
woord. Maar nu begon de smaak daartegen op te komen, 
en allengskens ging men pogen om verzen te schrijven, waarin 
de woorden op de muziek zouden passen, zonder hun natuur- 
lijken klemtoon te verplaatsen, en zoo raakte men vanzelf tot 
jambische verzen. Wanneer Marnix in 1580 zijne psalmen 
liet verschijnen, had hij reeds vele verzen in dien zin ver- 
beterd, zooals bewezen wordt door de vergelijking met den 
vroegeren, onuitgegeven tekst, die onder de handschriften 
der Universiteits-Bibliotheek van Gent berust. De >Twe- 
spraack der Ned. Lett." roept insgelijks de aandacht op het 
bestaan van »lange" en »korte" lettergrepen (geaccentueerde 
en niet-geaccentueerde worden hier bedoeld) verder van •twijfe- 
linghen." »Maar onder ons," lezen we daar, »ist zó heel 
vreemd, dat wy Rymers naulyx óyt daar af hebben horen 
spreken, ick laat staan, dat wy in ons dichten daar op zouden 
achten. Maar in de Liedekens zyn wy gedwongen, tselfde 



Digitized by 



Google 



JONKER JAN VAN DER NOOT. 8i 



(dickwils onwetende) waar te nemen ; want sullen die ghevoech- 
lyck ghezongen worden, zó moeten de silben na de noten 
ofte de noten na der silben voeten ghevoeght worden. Oóck vint- 
men dat sommighe Rymers hun gedichten zoet, der anderen 
wreed vallen (dit komt doort wel ofte misstellen ende voeghen 
der silben: Colyn van Ryssel in zyn Spieghel der Minnen 
schynt uyter naturen (óf mogelyck met voordacht) op veel 
plaatsen zoet vallende silben waer ghenomen te hebben. Daar 
zynder óóck huydensdaeghs, dieër op beghinnen te achten . . ." 

Inderdaad, Jan Van der Noot was niet de eenige, die »er 
op begon te achten," en het ware niet juist, uitsluitend aan 
hem de invoering der nieuwe maat toe te schrijven. Onze 
dichtkunst zelf voelde de behoefte aan vastere rythmen. Andere 
individus, in Noord- even als in Zuidnederland, zochten het- 
zelfde als hij, althans op 't gebied der techniek, en vonden 
het tegelijkertijd: Jan van Hout, Coornhert, Marnix. 

Als onmiddellijke voorganger van Jan Van der Noot wordt 
gewoonlijk Lucas de Heere voorgesteld (1534 — 1583). Een 
voorgevoel der Renaissance heeft hij zeker gekend. Hij had 
in Frankrijk en Engeland geleefd, stond in vriendschappelijke 
verhouding tot schilders en humanisten, ging met Marnix om, 
en volgde liever, zooals hij zelf beweert, latijnsche, fransche en 
hoogduitsche voorbeelden (waarom hoogduitsche ?) dan »den 
ouden vlaemschen treyn van dichten, die (om de waerheyt 
te zegghen met oorlove) in veel zaken te ruut, ongheschickt 
en ruum is gheweest." En de uitgever van Den Hof en 
Boamgaerd der Po'ésien laat ons weten >dat den Autheur 
jeghenwordich in zijn dichten ghebruuct heeft reghels mate, 
dat is (op datt verstaen die van der conste niet en zijn) alle 
de reghels, oft versen van een Referein, oft ander werc, zijn 
van eender mate van syllaben.^* 

Maar daartoe bleef eigenlijk zijne rol beperkt. Hij steekt 
nog diep in de rederijkerij, die ceremoniemeester aller open- 
bare plechtigheden te Gent. Hij verdedigt wel het gebruik 
der moedertaal tegen de humanisten, maar poogt weinig, om die 
taal van hare gedrochtelijke bastaardwoorden te reinigen. 

6 



Digitized by 



Google 



82 LEVEN EN WERKEN VAN 

Hij volgt fransche dichters na, maar 't is toch nog altijd Marot, 
en inzonderheid den Marot, die nog ver van de Renaissance 
staat. Zijne > sonnetten" verdienen nauwelijks dien naam, en 
dat hij sommige verzen »ode" of » elegie" betitelt, heeft weinig 
betrekking met hun innerlijken vorm. Zijne iRefereynen" 
zijn gansch van den ouden stempel, en daar klinkt nog de 
stem der Middeleeuwen: »Swerelts samblant, is als drijfzant, 
niet zonder God." Hij telt de lettergrepen van zijn vers, 
maar eilaas, hij weegt ze niet, en zoolang zij geteld en niet 
gewogen worden kan er van een nieuwe rythmiek geen 
spraak zijn. 

Heeft Lucas de Heere nu invloed uitgeoefend op Jan Van 
der Noot? Den Hof en Boomgaerd is van 1565, en de 
enkele stukken, waarin men eenig trachten naar de jambe 
vermoedt, zullen niet veel vroeger vervaardigd geweest zijn, 
b.v. de ode aan >Adolf van Bourgoignen" (in de P. W. 1594 
ook door Van der Noot bezongen) die zeer waarschijnlijk in 
1563 geschreven werd. Maar veel, in het BoskeUy dagteekent 
van vóór 1565, en de ode op den slag bij Grevelingen, die 
al veel verder gaat dan al wat de Heere ooit voortbracht, is 
van 1558. Wat mocht Van der Noot toen van den gent- 
schen rederijker weten, die reeds in 1554 op twintigjarigen 
leeftijd naar Engeland vertrokken was, en eerst in 1559 in 
Vlaanderen terugkwam? De twee poëten zullen elkaar eerst 
in 1568 te Londen aangetroffen hebben, en het schijnt me 
dat toen de Heere veel meer te leeren had van Jan Van der 
Noot — die maar eenige jaren jonger was — dan Jan Van 
der Noot van hem. Het stukje dat de Heere voor het Theatre 
schreef, en waarin hij betreurt dat de dichters van den tijd 
nooit dergelijke verzen »wt den Gheest" dichten, >indeplaetse 
van schalen en kannen," is gemakkelijker en vloeiender dan 
Den Hof en Boomgaerd^ en zulks is wellicht aan de lezing 
van Jan Van der Noot's werken te danken. Al wat men 
beweren mag \s dat Lucas de Heere vaag gedroomd heeft 
van wat Van der Noot tegelijkertijd volbracht. Dat is al 
iets, terwijl zooveel andere rederijkers, Fruytiers [Ecclesiasticus 
1565), de Deene {Warachtige Fabulen der Dieren 1567), van 



Digitized by 



Google 



JONKER JAN VAN DER NOOT. 83 

Ghistele (Horatius* vertaling 1569) en Houwaert (MiUnus 
Clachte 1577) ^^^ boven de ooren in de rijmelarg maar aldoor 
bleven vastzitten. 

Doch in Holland repte zich iets. Wij zien er, te Leiden, 
en wel waarechijnlijk onder den invloed der humanisten, de 
literaire hervorming plotseling doorgedreven, bijna zonder 
voorbereiding, 't Is in de jaren, toen Van der Noot al zijne 
Olympiade voltooide. Zou 't echter de rechtstreeksche werking 
van zijn eerste boeken zijn, die zich in 't Noorden zoo be- 
slist laat voelen? Het valt moeilijk te bewijzen. 

... »En bevinde oock seer goet, en wel luydende," zegt 
Karel van Mander in de voorrede tot zijn Grondt der 
edel vry Schilder-const (1604) »datmen zijn tweede syllabe 
altijts hardt oft langh neme, en d' eerste cort, ghelijck 
sulckx in onse sprake eerst in het ghebruyck is ghe- 
comen door den grooten Dichter d' Heer lan van Hout^ 
Pensionaris der Stadt Leyden, die uyt Petrarcha^ Ronsard 
en ander, sulcx van in zijn jeught waer ghenomen, en ghe- 
volght heeft." 

Die Jan van Hout, die niet pensionaris maar wel secretaris 
der stad Leiden was, van 1564 tot 1609, met uitzondering 
van enkele jaren, is de schrijver van den felsten aller aan- 
vallen tegen de Rederijkers, in zijn Opdracht der vertaling van 
Buchanan's Franciscanus : daar wordt de poëzie streng ge- 
scheiden van de rhetorica, en in den scherp misprijzenden 
toon voelt men heel het bewustzijn van een nieuw kunstleven. 
Dat Jan van Hout zich zoo ver voelde van al wat naar de 
kamers van rethorycke rook, wordt ons begrijpelijk wanneer 
wij zijne gedichten lezen. B.v. de ode op de verlossing van 
Utrecht (gedicht in 1577): 

Al ist dat men het leeuken naeckt 

Van jonghs op voet en huislick maeckt. 
Zijn leeuwen-aert en sal daarom noch niet verflauwen: 

Want als men hem ten lesten terght. 

En tot verstorenisse verght, 
Bruickt hij straks sijn geweld, sijn tanden, steert en klauwen . . . 



Digitized by 



Google 



84 LEVEN EN WERKEN VAN 

Of beter nog, die vertaling van de horatiaansche ode : -ffA^» 
fugaces ^ Posthume (1578): 

Eylaes, eylaes, hue vliegen zo 

Zeer snellic voort (o vrunt van Loo) 
Mit vlercken van de wint de scielic vliende jaren : 

Want de un-betemde doot vertrect 

GeensinSy of eerlic zijn bedect 
Mit rimpels diep tgesicht, den cop met grize haren; 

Al waert 00c dat op elcken dach, 

Gi offer-duende, dedet slach 
Ten hundert stieren vet, om d'altaers te verlaeyen 

Des swarten Pluto, die niet pleecht 

Van tranen brac te syn beweecht, 
*t Gemuet is hem versteent, g^ zult hem zo niet paeycn .... 

Men hoort het, de nieuwe maat gaat hier zonder aarzelen 
of rondtasten, zoo beslist mogelijk. Misschien reeds al te 
beslist. Mogen wij Jan van Hout beoordeelen naar de enkele 
stukken die van hem overblijven, dan schijnt hij humanisten- 
poëzie in *t Nederlandsch geleverd te hebben : niet meer zoo 
rechtstreeks gevoeld, zoo spontaan gekleurd en bewogen als 
die van Jan Van der Noot, maar met iets geleerds en kouds 
erin. Die verzen zijn een voorspelling van Daniël Heinsius 
meer dan van Hooft. 

Er is, geloof ik, meer leven uitgegaan van dichters, die de 
literaire traditie minder bewust verbraken, en door hun man- 
nelijk gemoed altijd ver van alle dilettantisme gehouden 
werden, van alle liefhebberij van »den vorm om den vorm 
zelf*. Ik bedoel Dirick Volkertsz. Coornhert, en Marnix. Beiden 
zijn scherpafgeteekende individus, staande buiten het ouder- 
wetsche gedoe der Kamers. Wat baten ons »rethorisienen** ? 
roept Coornhert uit in zijn vertaling der Odyssee (1561): 

Sulcke nueswijsen moet ick vraghen. 
Door wat recht sy de vrijen plaghen. 
Met huer wetten dwaaslijck vercoren?... 



Digitized by 



Google 



JONKER JAN VAN DER NOOT. 85 

En in de >Rymerien*', die de Comedie van Lief en Lcedt" 
voorafgaan (gedrukt in 1582): 

. . . want ick noyt Camer 
En heb gehanteert, daer de const van reden-ryck 
Geplecht wert, met vele wetten verscheydelyck : 
Van woorden» cesuren, en alreley maten, 
Met sulck eygen behaech, dat sy alt werck haten 
Welx vrye voet niet danst na den pijp van haer wet . . . 

Bij Coornhert is er veel van de Renaissance in den breeden 
zin: de zucht naar zelfstandigheid, naar zelfkennis, de ruime 
waarneming der dingen, — maar hij treedt op tegen 't valsch 
klassicisme dat met mythologische namen speelt, en zijne kunst 
is wel in zijn eigen grond geworteld. 

Uitgeweken naar Duitschland, om zijn onafhankelijkheid te 
vrijwaren, ontmoet hij er Jonker Jan, en teekent platen voor 
zijne Olympiade. Coornhert was toen bij de vijftig, Van der 
Noot wat boven de dertig jaar. Of zij later nog verdere be- 
trekkingen met elkaar hadden weten wij niet. Evenmin, of 
Mamix, die ongeveer denzelfden ouderdom had als onze 
poëet, hem in de jaren '80 te Antwerpen gekend heeft. 
Waarschijnlijk, — al heeft Van der Noot den calvinistischen 
burgemeester nooit bezongen. Wat er van zij, de kunst van 
Mamix en van Coornhert welde uit een heel andere 
bron dan de zijne, leefde in een andere atmosfeer. Maar 
men voelt er hetzelfde trachten in naar vaster maat en reiner 
geluid. 

Van 1561 dagteekenen al goede jamben van Coornhert in 
zgne vertaling der Odyssee, en in zijn Liedtboeck van 1575 
(sommige liederen zijn van veel vroeger) passen meestal regel- 
matige rythmen op de wijzen: 

Als aanden troon klaar en doorluchtelicken 
De gouden zon met helder licht verschijnt: 
Dan moet het licht der bleycke sterren wycken. 
Voor 't meeste licht altijd het minst verdwijnt. 



Digitized by 



Google 



86 LEVEN EN WERKEN VAN 

In *t groene woudt als laeuwe Westerwinden 
Beweghen 't lof, dan plucktmer rooskens root. 
Maar als het zuyd zijn stormblaas wil ontbinden, 
Verwelckt de bloem, dan vintmer doornen bloot. 

Wij zagen hoe de muzikale wijs ook Marnix er toe bracht 
zijne Psalmen (van 1576, verschenen onder verbeterden vorm 
in 1580) op trotsklinkende zuivere jamben te laten heen- 
stappen. In zijne sonnetten aan Lucas de Heere (1576) is het 
ontwikkelingsproces van het alexandrijn volvoerd. Zoo droeg 
hij hem zijne Psalmen op, terwijl hij hem een zilveren beker 
schonk: 

Gk>dt houdt in syner handt den beker der gerichten, 
Daer wt, hy bitt'r oft soet eenn' yegelyck en schenkt, 
Na dat syn wysheyt groot verordent eüd gehengt, 
Maer gheensins by gheval also de dwasen dichten. 
Nu moet syn kerck' altyts (want hys' int cruys wil stichten) 
Drincken den eersten dronck met bitterheyt vermengt, 
Maer tgoddeloose volck dwelck vry te wesen denckt, 
Den droessem drinken wt, end' soo den bodem lichten. 

Wat willen wy dan doen Lucas in tegenspoet? 

Sullen wy truerich syn, end geven op den moet? 

Neen, neen: maer wel getroost den beker met den dranck 

Nemen van Grodes handt gewillich end in danck 

End met dees Psalmen soet syn bitterheyt vermenghen. 

Die ick u t' samen wil met desen beker brengen.*. 

In 1585 zendt Coornhert gedichten uit Boëtius aan de 
kamer In Liefd* Bloeyende. Het zijn er weer die gezongen 
werden. Is dit minder gedragen dan welk lied ook van Jan 
Van der Noot: 

Want ick heb veren vluchtigh. 
Daar met ick vlieghe luchtigh 
Van d' Aard ter luchtwaarts hoogh en klaar, 



Digitized by 



Google 



JONKER JAN VAN DER NOOT. 87 

Wanneer het snel ghemoede 

Die aan doet rasch met spoede. 
Veracht het d' Aardsche goeden swaar. 

Het stijgt dan verde boven 

De Hemels hoogh om loven^ 
En slet te rugh de woleken dicht. 

Het vlieght snel boven 'tvuyre, 

Beweeghlyck van natuyre, 
Wiens wermt de vochte lucht verlicht. 

Tot dat het sonder merren 

Oprijst in 'thuys der sterren, 
En neemt syn wegh by Phebum schoon: 

Voort stijghet na den ouden 

Satumum voocht der kouden. 
Het hoogste licht an 's Hemels troon. 

Daar vlieghet op en neder 

Al waar het klare weder 
Des luchts klare ooghen glinstringh maalt, 

Tot dat het zat van kijcken 

Van daar opwaarts gaat strijcken 
Na Godt daar al 'tschoon licht van straalt. . . 

Men ziet het: wie de ontwikkeling onzer dichtkunst van 
Houwaert tot het klassieke tijdperk wil begrijpen, hoeft van 
Jan Van der Noot èn Jan van Hout, van Coomhert èn Mamix 
uit te gaan, niet uitsluitend van één dier dichters. 

Het beste van hun werk is al klassiek, wat den vorm 
betreft. Door hen is de taal gezuiverd, het vers bezield. De 
dichters die na hen komen, en in dezelfde richting zoeken, 
zullen niet verder gaan, tot eindelijk Hooft en Vondel zich 
oprichten. 

Hoef ik er nog op te wijzen, dat in die ontwikkeling van 
't vers, niet de regelmatigheid van het metrum ons van belang 
schijnt? In 'tBosken reeds, zijn er alexandrijnen, zoo orden- 
telijk en fatsoenlijk jambisch als 't maar kan. Jan van Hout 
levert er, zonder veel beproeven, die bijna onberispelijk zijn. 
Bij andere dichters duurde de evolutie langer: Coomhert, 



Digitized by 



Google 



88 LEVEN EN WERKEN VAN 

b.v. en van Mander, komen er vanzelf toe, langzamerhand. 
Maar wat baat ons die strenge schoolsche tucht der jambe? 
De dichter zal die breken, en Hooft zal die veel minder na- 
komen dan Jan van Hout of Daniel Heins. Wat is 't dan, 
dat we voor zoo gewichtig houden, in die wording van 't 
klassieke vers van Houwaert tot Hooft? Alleen wie verzen 
voelt kan het vermoeden. Het is een rythmus, een geheim- 
zinnige sierlijkheid der bewegingen: iets van die bijzondere 
gratie^ die 't geringste werk afgerond en op zich zelf volledig 
kan maken, zonder dat daarom de samenhang aller dingen 
zich daar hoeft te weerspiegelen; het is die hooger atmosfeer 
waaruit de dichter niet treden zal, harmonie van 't brandend 
geluid der passie even als van 't makkelijk minnedicht ; het is 
de onbepaalbare innerlijke maat van al wat in schoonheid 
leeft, en die werd ons door de Renaissance gebracht. Die 
maat is er soms bij Van der Noot, en zeer dikwijls bij Hooft. 
Maar Spieghel heeft ze niet. Roemer Visscher heeft ze niet. 
Is 't wel uit hun poëzie dat de schoonheid van Hooft kon 
opbloeien? Spieghel heeft wel een eigen stem en een per- 
soonlijk gebaar, en, alom geëerbiedigd, mag hij den achttien- 
jarigen Hooft een woord van vereering ontlokt hebben: toch 
kan men hem bezwaarlijk een rechtstreekschen voorganger 
van Hooft noemen. 

Ik vrees wel, dat een geleerde, die geen kunstenaar is, die 
zienswijze niet spoedig zal deelen. Maar toch mogen wij 
hopen, dat het eindelijk uit is met dat al te eenvoudige 
terugbrengen van onze wordende klassieke letteren op de 
groep Coomhert-Spi^hel- Visscher, welke die wording niet 
voldoende verklaren kan. Zoo autochtoon is de hollandsche 
17de eeuw niet, en in Vondel zelf vinden we de vlaamsche 
natuur nog volledig uitgesproken. Men weet hoe de uitwij- 
kelingen, die zich vóór Spanje terugtrokken, Noord-Nederland 
gingen bevruchten. Zij stichtten er talrijke kamers, waaronder 
de Orangie Lelie van Leiden, de Witte Angieren van Haarlem, 
't Wit Lavendel van Amsterdam, waar, in 1 61 2^ Vondel met 
zijn Pascha optrad. Het is ook vastgesteld dat Cats en 
Heins, voor hunne betere versificatie, veel aan vlaamschen 



Digitized by 



Google 



JONKER JAN VAN DER NOOT. 89 

invloed verschuldigd waren. Maar wat ons vooral belangrijk 
schijnt, is dat het, buiten Coomhert, Vlamingen zijn, welke 
aan Holland dien rythmus leerden voelen, waarvan ik even 
gewaagde, die >maat" der Renaissance, dien zang, die vrijheid 
van beweging en ruimte van gebaar, dat luchtige en schoone 
en levende iets, zonder hetwelk geen klassieke letterkunde 
mogelijk is. En die klassieke letterkunde had waarschijnlijk 
in Vlaanderen haar eigen organen tot stand gebracht, — 
wellicht in dat Antwerpen dat Michel de 1' Hospital in 1580, 
toen het al aan 't kwijnen was, nog de rijkste stad van 
Europa noemde, — zonder de politische omstandigheden die 
alle frissche krachten uit ons land roeiden: alle elementen 
waren rijp, en eene dichtkunst had hier kunnen opbloeien, 
kleuriger misschien, sappiger en guller en vrijer dan de 
hollandsche. 

In 't voorbijgaande zij echter bemerkt, dat niet veel gewicht 
te hechten is aan de rol, welke men soms den Leuvenaar 
Jacob Duym toeschrijft. In zijn Gedenck-Boeck (1606) beweert 
hij >de Fransoische maet" te volgen, die hem nog een 
nieuwigheid lijkt. Daarom misschien geeft Snellaert hem op, 
als den eerste, die de heldenverzen in Holland geregeld 
invoerde, wat nog o. a. door Stecher herhaald wordt. Doch 
de meeste alexandrijnen van Duym zijn mank en onbeholpen, 
met niets van de Renaissance, — en zijn eigen bewonderaars 
hadden 't al veel verder gebracht 

Onder de Vlamingen, die na Van der Noot, en heel op 
't einde der eeuw, de Hollanders tot een harmonischer en 
opener poëzie voorbereidden, is vooral Karel van Mander te 
noemen. Eene plaats onmiddellijk nevens Van der Noot, 
komt hem eigenlijk niet toe, nog veel minder die eens voor- 
g^gers van onzen poëet. Hij was tien jaar oud, toen Van 
der Noot al zijn ode aan Carloo dichtte, en zijn ontwikkeling 
schijnt niet een zeer snelle geweest te zijn. In zijne jeugd 
levert hij veel rederijkers-gerijmei. De Gulden Harpe is er 
nog vol van, al werd zeker een goed deel van het boek in 
Holland gedicht, dus na 1583 (onder de gedagteekende stukken 
is het vroegste van 1584). Eerst in Haarlem brengt hij zijn 



Digitized by 



Google 



90 LEVEN EN WERKEN VAN 

beste werken voort. Doch met zekerheid kan men hun 
datum niet vaststellen: vroeger dan 1595 heeft van Mander 
niets uitgegeven, en veel verscheen eerst na zijnen dood. 

Hij bekent zelf, in het Schilderboeck van 1604, dat hij 
>over eenighe Jaeren", wanneer hij aan zijn » Grondt der edel 
vrij Schilder-const" begon te schrijven, »gheen recht verstandt 
van de Fransche dicht-mate (had), dan evenwel geen beh^^en 
in onse ghemeen oude mancke wijse. lek segghe manck, 
om dat wy de reghelen niet op eenderley mate en ghebruyck- 
ten: daerom volghd^ ick de langhde van d' Italiaensche 
Octaven" ... De uitslag was niet heel bijzonder : hij telde 
eenvoudig de lettergrepen, zonder zich om den rythmus te 
bekreunen. Het gebruiken van »de Fransche dicht-mate" 
schijnt toen nog een uitzondering geweest te zijn; ziehier 
althans hoe van Mander er daar van gewaagt: »'Thadde 
misschien den Dicht-verstandighen beter behaeght, dat ick 
dit mijn ghedicht met Fransche Voeten hadde laten voort- 
treden: Dan 't hadde my swaerder, en de Jeught duysterder 
moghen vallen. Ick bekenne wel, datmen Gallischer wyse, 
op Alexandrijnsche mate wel wat goets soude doen : Dan 
daer hoeft groot opmerck, en langhen tijdt toe, om vol 
schoon stoffe, en vloeyende te wesen." En in zijn vertaling 
der Bucolica (1597) gebruikt hij misschien voor de eerste 
maal de jambische versmaat: 

Nieu Fransche wijs ie volgh', hoe wel t' sal wesen 
Voor veel wat vremts, om dat ment niet en plach. 

Heeft Lucas de Heere een invloed op hem uitgeoefend? 
De twintigjarige Karel bracht slechts eenige maanden op zijn 
atelier door. Kende hij Van der Noot*s werken? Misschien, 
schoon hij zelf Jan van Hout aanwijst als den eersten neder- 
landschen dichter die jamben schreef. Een man, geheel van 
den nieuwen tijd, is van Mander zeker niet. Maar Italië 
had zijnen geest tot dé lauwere lucht der Renaissance geopend. 
Later was hij veel aan Spieghel schuldig, met wien hij in 
betrekking stond; hij ontleende hem zijn bijzondere woord- 



Digitized by 



Google 



JONKER JAN VAN DER NOOT. 91 

vormingen, en me dunkt dat hij van hem leerde hoe 't alexan- 
drijn te smeden. Maar bij den Vlaming, al streeft hij bewust 
naar meer regelmatigheid en tucht^ gaat er een zachter, 
liefelijker beweging door 't vers ; zijne poëzie zal altijd warmer, 
ruimer, bloeiender zijn, met iets van dien bevruchtenden 
adem, die uit het kille Noorden een groote kunst zou doen 
groeien. Luister naar die vertaling uit het 14e boek der Iliade : 

Hij nam zijn Huysvrouw soet, dus se^hend', in zijn aermen. 
De moeder Aerde groot begon allenx verwaermen, 
En met den lenten nieuw, te worden nieuw alom, 
Wt haren schoot herwies al menich cruyt en blom. 
T' cruyt Loto bloeyde root, tSaffraen goudgeligh gloeyde, 
Den schoonen Hyacinth van purper verwe bloeyde. 
T'cruyt bloeyde dick, en sacht, en sy te saem gherust 
Omhelsden int hoogh bedde elckander daer met lust. . . 

Of uit het 5e boek van Lucretius: 

Alsoo den Westen windt blaest soetlijck in de rieten, 
En doetse als binnens mondts een sacht gheluydt ghenieten. 
Heeft hy t* begin gheleert, een voysken op de Fluyt 
Met vingher snel ghedans te spelen overluydt. 
Hoog, middel, op en neer, en droeve dachten maken .... enz. 

Karel van Mander had in Holland heel een kring van be- 
wonderaars en volgelingen rond zich, waaronder Abraham 
van der Mijl wel de talentrijkste zal geweest zijn. Uit dien 
kring verschijnt, vier jaar na van Mander's dood. Het Nederduit- 
sche Helicon (161 o), waarin men den invloed nagaat dien hij 
op de noord-nederlandsche letteren uitoefende, al is in dat 
boek de geest der Renaissance nog zeer vermengd met vroe- 
gere, onzuivere bestanddeelen. 

Maar reeds waren de grooten van 't klassieke tijdperk op- 
gestaan, en verrukkelijke liederen van Hooft opgenomen in 
Den Nieuwen Lusthof van 1607, in Den Bloem- Hof van de 
Nederlandsche Jeught van 1608 en 1610. 



Digitized by 



Google 



92 LEVEN EN WERKEN ENZ. 

In het Nederduitsche Helicon wordt de naam van Jan 
Van der Noot nog tweemaal gemeld. Maar de nieuwe Repu- 
bliek vergeet spoedig den vlaamschen apostaat. Al zijn we 
geneigd het wel te gelooven, wij weten niet of Hooft hem 
gelezen heeft. En Vondel? Er is een gedicht van Jan Van 
der Noot, dat aan de Burgemeesters en Schepenen van Ant- 
werpen (P. W. 1 594), dat treft door eenige overeenkomst met 
den beruchten brief, dien de achttienjarige Hooft in 1600 uit 
Florence aan de Kamer In Liefd* Bloeyende zond. Maar vol- 
doende is die overeenkomst niet, om een werking van 't eene 
gedicht op 't ander vast te stellen. 

In deze vluchtige schets kunnen wij alleen de algemeene 
beteekenis van Jonker Jan Van der Noot aanduiden. Hij is 
onze vroegste Renaissance-dichter, de eerste heraut wier stem 
de \^^^ eeuw voorspelt. Hij is de grondlegger eener klassieke 
letterkunde, die zonder den val van Antwerpen veel spoediger 
had opgebloeid, als hoogste openbaring van den geest van 
Groot-Nederland. Hij heeft de breede lijn gekend, en 't hel 
geluid van Hooft, en dien > zwier" van den nieuwen tijd. 
Lang vóór Hooft heeft hij 't zelfde gepoogd als hij, naar het- 
zelfde land van schoonheid uitgezien, en het soms bereikt. En 
al kunnen we geen rechtstreekschen invloed nawijzen: toch 
is 't grootendeels aan Van der Noot te danken, dat onze 
verreinde en leniger taal een orgaan van rijker leven werd, 
en dat zich in onze dichtkunst eene ruimer atmosfeer ver- 
spreidde, waarin Hooft en Vondel zich met kalmer gemak 
mochten bewegen. 



Digitized by 



Google 



VAN DE ARMEN 



DOOR 



IS. P. DE VOOYS. 



I. 



Een bruigom, Hef, voor jou en 't jonge leven 
was ik, — als zon in d'ochtend deed ontwaken 
den stouten droomenstoet, of *t warmte-blaken 
van middag mij verlangen teer kon geven 
naar zachte rust in je armen, om te waken 
in avondduister over blij gedreven 
stil toegelachte plannen, die ik even 
nog los van werk in 't zomerzijn kon maken. 

Ik ging met bloemen en met bloemgedachten 
langs d'avondweg in 't koele stille donker; 
wat droomt en ruischt er in de zomernachten? 
Bij 't snel bewegen van de voeten dronk er 
mijn borst de koelte, en 't oor het trillend zachte 
van 't late vogellied, dat eenzaam klonk er. 



Digitized by 



Google 



94 VAN DE ARMEN. 



Een vreemde kwam ik in het herfstig land 

van Brabant, toen al lag verbloeid de hei 

met lichten paarsen nagloed, toen voorbij 

d' oogst was op d' akkers, ledig in 't vierkant 

van elze- en eikenstruiken, en *t gerij 

van beeten-karren 't west'lijk rijker land 

bedrijvig vulde op veld en wegen — want 

tehuis was enkel ik op Hollands wei. 

Ik dwaalde zoekend door de dorpe' en steden 

te luist'ren of een stem zou spreken gaan 

die mij gemeenzaam klonk. 

Ik had vermeden 
bij breeden horizont het menschbestaan 
en vroeg alleen om vreugde. 

Wat geleden 
door velen werd hoorde ik en heb verstaan. 



Want toen nu de aarde 't blije kleed verloor 
van groen geboomt en bloemen, toen de regen 
door guren westewind gedragen, wegen 
beslikte en groefde diep met wagensporen, 
toen hei verbruinde en najaars luchten zwegen 
dan plots met kraai of eksterkrassen, — voor 
de zon alleen in enk'le dagen gloor - 
-rijk lichte kleuren droegen, meestal tegen 
den avond schoonst, wen zon was weggezonken, 
toen leerde ik zien hoe menschen samenleven, 
hoe stoere en slijtende arbeid wordt gedaan. 
En bij dat werken heeft geen lied geklonken, 
als hadden allen zwaar en veel misdreven, 
ik voelde zuchtend hen aan d^ arbeid gaan. 



Digitized by 



Google 



VAN DE ARMEN. 95 



De lente kwam: ik juichte luide tegen 
het groen, dat mij zou zien een bruidegom; 
de zon ook, die aan hemel hooger klom, 
tot waar zij lachend breeden lichtenzegen 
zou dalen doen op haar en mij, in drom 
van lieven en van vrienden langs de wegen 
van 't zomer-HoUand rijdend, met verkregen 
het langgedroomde heerlijk heiligdom. 

Maar hoe er binnen mij de vreugde brandde, 
een vale grauwe rook bleef bange hangen 
om dicht bebouwde steden, op de landen 
in dorre droogte. *k Zag de ruwe wangen 
met klammen gloed en droef ontstemd verbande 
de wereld van mijn ziel de bruidsgezangen. 



5. 



En toen het groene leven, 't zonneldnd 
op d* aarde, weer ging sterven, 't kleed 
des witten rouws de gronden dekte, wreed 
in groote flardenreepen ruwe wind 
het scheurde en hemel regenleekend deed 
den weeken grond vergrauwen, werd gezind 
mijn ziel tot schreien, daar ik oovral vind 
zoo bittere armoe, die ik nooit vergeet. 

Maar zacht teruggedrongen werden tranen 
en stille weemoed wachtte zonder klachten, 
al kon <nijn ziel zich niet gelukkig wanen. 
De dagen werden zwaar van machtgedachten ; 
ik zag verlangend als in diepe lanen, 
wie toch de luidgesmeekte hulpe brachten? 



Digitized by 



Google 



96 VAN DE ARMEN. 



II. 



Hoe ligt de wereld voor mij als een heide : 

het dorre bruin bedekt het gele zand 

van wilde vlakte, een eenzaam somber land 

waar ginds in poel een drenk'ling mij verbeidde. 

En ik stond stil geroerd met loome hand 

te staren in het teere kleurverblijden 

der luchten ; — hoorde ik niet hoe luide schreide 

tot Grod een menschestem mij nauw verwant? 

Ik was niet wreed, in stilte voelde ik beven 

een wil om uit te barsten lichtend breed 

in vlammengloed van liefde. O, om het even, 

hoe arm, afzicht*lijk, zondig ge allen deedt, 

uw leven is mij lief, ik wil u geven 

mijn ziel, die pijnde in wonden om uw leed. 



Maar gij, die niet in arm'lijk huis geboren, 
gegroeid zijt als een plant uit zuidklimaat 
met teere zorg van eiken dag, gij praat 
zoo rustig in uw kring, waar niet komt storen 
de kreet van honger, woede om 't wreede kwaad 
der onontwijk'bre zorgen. — *k Moet behooren 
tot u, in 't eigen lief en leed verloren 
dat mijn ook is, en dat dus gij verstaat. 

En velen uwer heb ik lief, de stemmen 

van *t blije mooi zijn weerszijds resonant. 

Hoe voel ik toch bij u een angst mij klemmen ; 

't wordt wilde vrees bij andere arrogant 

zich stompend wegen banend langs mij heen 

en groeten wiss'lend of ik vriend hun scheen. 



Digitized by 



Google 



VAN DE ARMEN. 97 



Langs oud kasteel op 't sling'rend smalle pad 
met elzenstruiken onder laantjen eiken 
liep ik mijn werk in angst te vergelijken 
met zwaren taak der armen, want ik had 
zoo juist fabriek verlaten, en bereiken 
kon nog het rat'len mij, — gedempt wel wat — 
van 't rusteloos getouw, en *t oog vergat 
het dorre grauw lokaal niet. Wel ontwijken 

kon ik 't om aan het Buiten rust te vragen, 
maar niet die manne', in 't ruiten boezeroen, 
die turen op de draden lange dagen. 

Ik wilde voor mijn leven boete doen, 
en pijnend werd het ademfrisch behagen 
in 't eenzaam dwalen bij het herrefstgroen. 



In leege deftig kalme straat, met boomen 

nog jong in dubb'le rij en kiezelzand 

het midden, streng begrensd door steenen rand, 

zag ik en hoorde een karrekoopman komen. 

De platte bak op wielen, vuil met krant 

bedekt, vol g^rove beeldjes, duwde in loomen 

en kreup'len gang, — een beeldje in hand genomen 

met wijzend roepe' — een man, die boetgezant 

mij scheen, 't Doorpijnde bleek gelaat, het lijf 

verwronge' in vuile en stuk gesleten kleeren 

riep schor d'ellende van het wreed bestaan 

der armen, en hun vreugdeloos bedrijf, 

door straat, waar zonnig wonen rijke heeren 

die met versnelde stappen langs hem gaan. 

7 



Digitized by 



Google 



98 VAN DE ARMEN. 



5. 



Een bonkig donk're hemel dreigt met regen 
en door het zwoegend Tilburg blaast er guur 
de wind langs grijze straten, leeg dit uur 
nu rondom ratelt in fabriek 't bewegen 
van 't levend ijzerlichaam. Langs den muur 
in donker stoffig muf lokaal staat tegen 
het licht een grijzend arbeider, verlegen 
nu ik hem vraag naar 't werk en een blessuur 
van zwaar in raderwerk beklemde hand. 
Een makker spot hoe hij geen kousen heeft, 
om 't lijf alleen de blauwe kiel en broek. 
Ik hoor in bitt'ren lach het wreed verband 
hoe koud die oude man daarbuiten leeft, 
en 'k beef voor 't weten, killer dan ik zoek. 



III. 



De grintweg lag, een streep van bleekend geel, 
door bruin van 't ruige dek der vlakke heide, 
waar riet in gril'ge gcele lijnen scheidde 
een bleeken waterglans van bultfluweel. 
Een forsche wind kon hemel niet bevrijden 
van 't wolkendek, al brak het vaal geheel 
en streek in scheuren gulden gloed. Tc veel 
nog drukte 't grijs mijn eenzaam ochtendrijden. 

En daar in 't breed alleen ontwaakte 't leven, 
het trotsche hoogverheerlijkte eigen zijn, 
door menschgewoel zoo diep teruggedreven. 
Verwijtend, juichend, schreiend vreugde en pijn, 
ging 't uit in vlakte als Iccuwrik boven dreven 
naar d'eersten glans van morgenzonneschijn. 



Digitized by 



Google 



VAN DE ARMEN. 99 



Toen brak een schoone dag zich open, knop 
van bloem gelijk, gewekt door lentelicht 
dat schemert aan den hemelrand, tot schicht 
van gouden gloed het blauw verdiept, en op 
de jonge groene boome' en velden sticht 
een rijk van jubelglans; een blije klop 
doortintelt 't pas ontwaakte lijf, en op 
gaat rijzen vreugd, die dof te slapen ligt. 

Vervreemd aan zorg en leed, van donk'ren dag 

gescheiden door de rust en stil gedroom, 

is blij de morgen als van vredig leven. 

De oogen die als verjongd in d'ochtend zweven 

vervullen 't hoofd, als lente kalen boom 

met blad, met groete, en stillen blijen lach. 



Op blijden tocht ligt kronkelend omhoog 
de weg, omzoomd door groen op witte berken; 
de trossen loover wuiven, menschen werken 
op d' akkers aan den kant, in bosschen vloog 
en floot gevogelt Plots met zwaai en sterke 
versteiling sta 'k boven op berg, en boog 
omlaag zich 't land. Verwonderd speurt het oog 
de al afgelegde baan als streep langs kerken. 

Gedachten gaan terug hun eigen wegen 
en zien nog ginds de droeve dagen staan. 
Is dan niet inmier vreugd omhoog gestegen? 
Het vreemde leed is heen. Had ik gedaan 
mijn eigen smart in 't beeld der armenscharen 
en zal 'k in hen nu eigen vreugd ontwaren? 



Digitized by 



Google 



loo VAN DE ARMEN. 



Wel scheen de vreugd aan eerste zon geen einde 
te kennen, maar bij warmer middagbranden 
toen wolkenheuvels kwamen aan luchtranden 
en 't breed gezicht op aarde zich verkleinde, 
verdrong bedreigde lente over de landen 
naar voren 't eigen leven, waar omlijnde 
een streng gedenk de zorgen, tot dan heinde 
en ver de wereld draagt het pas verbande. 

En d' uren vloden die ik blij kon wanen — 
ik heel alleen gelukkig in mij zelven 
en toch de aarde betredend overal. 
O, dat ik vluchten wil en blijven zal, 
en immer ducht de lage kerkerwelven, 
waaruit geen arme zich een weg kan banen. 



IV. 



Er klinkt door dezen tijd verward geluid 
van stemmen, die in strijd de klanken jagen. 
Ik luister strak en scherp of één zal dragen 
het blij geluid dat mij de wereld duidt. 
En schijnbaar kalm, ga 'k nedrig allen vragen 
wier wil zich heft naar hoog, als blij gefluit 
van leeuwerik in zonnemorgen uit 
den dauw gestegen hemelwaart; 

maar klagen 
zou 'k moeten, daar ik wanhoop ooit te vinden 
één die mij vrede brengt en niet zal breken 
mijn roerlooze aandacht. Nu is droef verblinden 
het werk van velen mij, dat gaat verbleeken 
als uitgebloeid verdorde bloem, verplant 
van hen in mij, waar groot verlangen brandt. 



Digitized by 



Google 



VAN DE ARMEN. loi 



Die mannen hoor ik vaak, die zien en weten 
den eeuw'gen samenhang van stroom der dingen 
in groei van 't menschenbosch, waar samendringen 
wortels, stammen en kronen. Wel vergeten, 
verveend is 't vroeger woud, maar wisselingen 
van groei op zelfden grond zijn hun te meten, 
en zekerheid wordt hun 't begrip dat hecten 
profetisch zij het >komen". Zegeningen 
van licht en liefde en schoonheid zien zij dagen — 
wel ver nog als het scheem'ren in den morgen 
aan zwaar met wolkengrijs behangen lucht. 

Wie die als ik met schrik van menschen vlucht 
en om zijn liefde zwaar zich pakt met zorgen, 
heft d'oogen niet als andVen licht zien dagen? 



En weten doe ik dat hun kennis hopen 
eens was, verlangen naar hetzelfde licht 
dat ik nog zoek, en hun ook was ontwricht 
als mij de sterkgespierde hand, die open 
tot grijpen wachtte op werk dat blij verricht 
meer brood en lust voor velen zou doen koopen. 
Ik zie ze gaan, door straat en stegen loopen, 
den blik meewarig — woedend soms — gericht 
naar ruw verweerd gelaat, gckromden rug, 
van d' ouden moeverwerkten, naar de deuren 
geopend voor een leeg en vuil vertrek. 

En staren zij met blijden glimlachtrek 

om den verwijtensmoeden mond, en treuren 

niet d' oogen in geleden leed terug, — 



Digitized by 



Google 



T02 VAN DE ARMEN. 



dan komt in mij zoo zacht bewondVing weeken 
het stug verwijt dat mij het leven doet, 
en had ik garen ellek licht begroet 
dat hen verrukt de handen uit doet steken ; 
dan wilde ik juichen met den breeden stoet 
waarin zij krachtig 't vaandel zelf geleken, 
zooals hun gloeiend hoofd een weg gaat breken 
door stomme macht met hellen strijdensmoed. 

Maar luister ik als hunne stem gaat klinken 
en spreken zij hun zek're kennis uit, 
wordt mij de wereld wijder dan hun strijd; 
en somber bromt weer op het oud verwijt, 
de stormen in mijn ziel zijn niet gestuit — 
ligt soms de wind, de golven rijze' en zinken. 



Digitized by 



Google 



HET TREURSPEL „GHETTO", 

DOOR 

L. VAN DEYSSEL. 



De fout van Ghetto i) is, dat de figuur ^o/a/^/ uitgewerkt is 
ia een stijl welke niet past in den algemeenen stijl van het stuk. 

Elen tooneelstuk moet in één stijl geschreven zijn, even als 
een gebouw in één stijl gebouwd. De inzetting der figuur 
Rafaél in een aan het drama vreemden stijl brengt nu een 
gelijksoortigen indruk te weeg als een brok kermis-draaimolen 
in een eeuwen-oud en donker kerkje doen zou. 

De oorzaak van deze door den auteur zelf niet bemerkte 
fout is dat hij zich zonder het zelf te weten tot zijn figuur 
Rafaél in een andere verhouding heeft geplaatst dan tot de 
andere figuren. 

Hij beeldt niet af Rafaél als een geëmancipeerden jongen 
jood op de zelfde wijze als hij van diens omgeving meer 
orthodoxe oude joden maakt. 

Zijn afbeelden der oude joden heeft van het begin af aan 
den stijl van het stuk bepaald, hij geeft ze namelijk objektief, 
zonder tegen hen partij te trekken, zonder ze ook zelf met 
lyriesch pathos eene levensbeschouwing of levenswijze te laten 
verdedigen. Indien ze een levensbeschouwing of levenswijze 
verdedigen, geschiedt het door dat de auteur de gewone dingen 
van hun daaglijksch leven bizonder karakteristiek doet uitkomen. 

Met Rafaél wordt het dnders. Van dien is niet de hoofd- 
zaak dat hij op zekere wijze leeft en daardoor contrasteert 
met de anderen. Van zijn leven zien wij weinig, hij doet 
niets dan theoretizeeren met lyriesch pathos. 



i) Ghetto. Bargerlijk treurspel door Herman Heyermans Jr. Amsterdam, 
S. L. van Looy, 1899. 



Digitized by 



Google 



I04 HET TREURSPEL .GHETTO". 

Dien ten gevolge vertegenwoordigt zijne figuur als kunst- 
motief niet eene waarde, welke al of niet opweegt tegen de 
waarde, die de anderen vertegenwoordigen. 

Daardoor ontbreekt de waarlijke Drama-strijd en kan het 
orthodoxe hier evenmin met het geëmancipeerde strijden als, 
bij voorbeeld, een regiment infanterie kan strijden met een 
windvlaag. 

Indien Rafaél alléén had zijn liefde voor de arme dienst- 
bode RosBy zonder daarbij een soort van denker te zijn, en 
die neiging werd in strijd gebracht met de neiging van heb- 
zucht van den ouden heer, dan zoude de Drama-strijd er 
zijn, dan zoude die namelijk gevoerd worden door zich op 
gelijk terrein bevindende partijen. 

De aanleg van dit Drama verbiedt ons er over na te 
denken wie gelijk heeft, de oude joden of de jonge jood. 
Wij bemerken van het begin af aan duidelijk, dat men ons 
heeft uitgenoodigd deze levens-afbeelding te aanschouwen, 
niet om partij te kiezen voor de een of andere levenswijze. 
Ook indien dus het lyriesch pathos van Rafaël op zich-zelf, 
uit het tooneelstuk gelicht, goed lyriesch pathos ware, zouden 
wij, hoewel die deugd erkennende, de onevenredige plaatsing 
daarvan in dit Drama betreuren. 

Door onwillekeurig voor den jongen jood partij te kiezen 
en aldus te misdoen tegen het wezen van het drama, is 
echter de auteur er noodlottig toe gebracht slecht lyriesch 
pathos te schrijven. 

Van den éenen kant beseffende dat zoowel eene weten- 
schappelijke uit-een-zetting van een levens-stelsel als bepaalde 
elegische lyriek al te zeer buiten de manier van dit treurspel 
zou vallen en ook de volzinnen van Rafaël min of meer 
in den gesprekstoon moesten gehouden worden; van den 
anderen kant niet bij machte om zijn figuur Rafaël even 
objectief als de andere figuren te beschouwen, en niet kun- 
nende verbergen dat hij, de auteur, het met Rafaël eens is, 
geeft hij lyriesch pathos betreffende zekere levensopvatting 
half en half in gesprekstoon, waardoor het leeg en hol lyriesch 
pathos wordt. 



Digitized by 



Google 



HET TREURSPEL »GHETTO". 105 

De aanleg van het Drama heeft ons van het begin af aan 
gewend er mede te verkeeren als met het kunstwetk dat het 
is, en onze waardeering ontstaat door de treffende juistheid 
der levens-afbeelding er in gegeven. 

Passen wij deze waardeering nu ook toe op de figuur van 
Rafaél en vragen wij: wat is Rafaël in zoo verre als die 
Sachet een prachtige hebzuchtige-oude-jood is, dan luidt het 
andwoord: die Rafaël is een uitnemende halve-malle en duffe- 
gebomeerde-dweeper, maar hij is dit slechts in ontwerp, en 
niet uitgewerkt tot een figuur zooals de andere figuren. Niet 
luidt zoo het andwoord omdat wij vóór de orthodoxie zouden 
zijn en tégen de emancipatie, maar omdat een persoon wiens 
bestaan zich alleen openbaart door een soort van opgewonden 
dwaas gebazel, welk ook het onderwerp daarvan zij, aldus 
het best gekenschetst wordt. 

Nu hebben wij echter aan Rafaël kunnen bemerken, 
dat de onbewuste bedoeling van den auteur geweest is ons 
Rafaël geheel anders te doen schatten dan hier werd aan- 
gegeven, — namelijk ab de heldhaftige vertegenwoordiger 
eener nieuwere, edelere, zienswijze betreffende het leven — 
en, wanneer wij ons nu daarvan rekenschap geven, blijkt de 
omvang der vergissing. 

Het is geoorloofd een tooneelstuk met eene leerstellige 
strekking te schrijven. Het is geoorloofd de voorstanders der 
orthodoxie en de voorstanders der emancipatie over hunne 
inzichten te doen redetwisten in een letterkundig werk, en 
aan dit werk den vorm van een tooneelstuk te geven. Alles 
is geoorloofd. Alles is geoorloofd mids Het goed gedaan 
worde. Daarom is het niet geoorloofd binnen het geheel van 
éen zelfde werk de eene partij ons te geven in den vorm 
eener zeden-afbeelding en de andere in dien eener pathe- 
tische ontboezeming. 

Willen wij vóór Rafaël zijn, dan behoorde de auteur ons 
tégen Sachel en de zijnen te maken. En dit doet hij volstrekt 
niet Men behandelt een onderwerp niet op deze wijze, indien 
het doel is, den toeschouwer of lezer er tégen te stemmen. 
Wij worden door den auteur evenmin tegen den ouden Sachel^ 



Digitized by 



Google 



io6 HET TREURSPEL .GHETTO". 



den vader van Rafaëly gestemd, als Rembrandt ons stemt 
tegen de oude mannen en vrouwen, die hfj afbeeldt en die 
vermoedelijk even zoo over het leven dachten als Sachet en 
de zijnen. 

En zie nu hoe de kunst zich wreekt. Terwijl het de — ik 
herhaal : den auteur zelf onbewuste, maar door den toon van 
Rafaél zich verradende — bedoeling was, ons Rafaél als een 
edel denkend mensch te toonen, die gelijk heeft zich te ver- 
zetten tegen het bedorven leven zijner omgeving, keert de 
werking der bedoeling, — om dat de auteur geene bedoeling 
hebben mocht in de kunst, waarin hij zich had begeven, — 
zich tegen den auteur zelf en doet hem tot het tegenover- 
gestelde komen van hetgeen zijn verlangen was. 

De wijze, waarop Rafaél spreekt, veroorzaakt bij ons de 
gedachte, dat het hier nog om iets anders te doen is dan 
om het zien van afbeeldingen, dat wij ons ook even moeten 
afvragen : wfe van die drama-figuren den indruk op ons maakt 
van gelijk te hebben. 

En dan bemerken wij als onze globale impressie, dat de 
orthodoxen gelijk hebben, en zien wij Rafaél half als een 
geesteszieke, half als een ledigen bombastischen enthousiast, 
het gewone betrekkelijk goede leven zijner verwanten ver- 
storen en allen ongelukkig maken. 

Dat hier een gewoon en ordentelijk levend joodsch huis- 
houden verstoord wordt en ongelukkig wordt gemaakt door 
het abnormale denken en doen van een half-mallen zoon, — 
ziedaar den indruk, dien wij krijgen, nu de schrijver ons noopt 
bij zijn treurspel aan nog iets anders dan aan kunst alleen 
te denken. 

De schrijver van G h e 1 1 o is sterk als kunstenaar in het 
waarnemen en weergeven van het werkelijke-levcn, hij is uiterst 
zwak en onbeduidend als profeet eener betere levensorde dan 
de thands bestaande. Het is daarom, dat de lezer of toeschouwer 
aan Rafaél volkomen ongelijk moet geven. Indien het mooyer 
is de profeet eener betere wereldorde te zijn, dan een ge- 
woon, naar de oude zeden, levend lid van een huisgezin, zoo 



Digitized by 



Google 



HET TREURSPEL .GHETTÜ". 107 

is het toch mooyer een gewoon, naar de oude zeden, levend 
lid van een huisgezin te zijn dan te zijn een half gare, weeke, 
drieste en absoluut vage betweter. 

Het is noodzakelijk bij dit bestand-deel van G h e 1 1 o 
lang te verwijlen, om dat de schrijver van dit treurspel ons 
onlangs beloofd heeft eene nieuwe vertakking van het natura- 
lisme te weeg te zullen brengen. Hij was zeer tegen de 
(overigens voor velerlei uitlegging vatbare) leuze van >de 
kunst om de kunst". Hij schatte het Fransche naturalisme 
gering en stelde zich voor: eene kunst, die als inhaerent 
bestand-deel zou hebben de bevordering van het verlangen 
naar eene betere wereldorde. 

Ik betoog hier thands niet de onmogelijkheid van zulke kunst. 
Noch is mijn pogen door diepere ontleding de oorzaken bloot 
te legden, waarom een kunst of voorstellingswijze, als welke 
wij in de goede gedeelten van G h e 1 1 o aantreffen, in den 
lezer alleen welbehagen in die kunst zelve kan gaande maken. 

Ik betoog alleen dat, — nu Ghetto zeker wel als een 
voorbeeld der door den auteur aangekondigde kunst mag 
worden beschouwd -^ die kunst niet is tot stand gekomen 
en de aankondiging zich tot dusverre niet bewaarheid heeft. 
Want waar Ghetto kunst is, stemt het ons niet tegen het 
bestaande, en waar het ons tegen het bestaande tracht te 
stemmen, is het geen kunst. 

De auteur van Ghetto is een gróót talent, maar tot nu 
toe nog niet de schepper eener nieuwe of inde hedendaagsche 
letterkunde onvertegenwoordigde, zienswijze of schakeering 
van zienswijze gebleken. De kritiek, die haar onderwerp over- 
ziet, bespeurt natuurlijk welke elementen in Ghetto aan- 
wezig zijn, en zegt dan tot den schrijver : O, néén, indien 
grij dat bedoeldet, dat gij uw sterk en fraai, min of meer 
Ibseniaansch en hier en daar even door Maeterlinck aan- 
getikt realisme, zonder innerlijk verband zoudt samenbrengen 
met wat waardeloos afval van Multatuliaansche anarchistische 
lyriek, — dan hebt gij het mis, dat fs niet een aanwinst en 
eene nieuwe combinatie, dat is alleen een onzuiver-making 
van uw sterk en groot realisme. 



Digitized by 



Google 



io8 HET TREURSPEL >GHETTO". 

Wat is de figuur Rafael? Wel verre van een type van 
nieuw leven» de incarnatie eener levens-opvatting, te zijn, is 
hij een bleek en als uitgewischt karakter-beeld naast de forsch 
en kleurig gekarakteriseerde Sachel^ Esther, Aaron en Rebbe 
Haézer. 

Indien wij goed nakijken wat er voor vasts overblijft onder 
de winderigheid zijner woorden vinden wij, hier aanwezig in den 
toestand van zwak- en klein-realistiesch motief, een droomerigen, 
sentimenteelen en opgewonden jongen, die veel van buiten, 
van de vrije-natuur houdt en vindt, dat de menschen, liever 
dan al-door in benauwde stadswijken te wonen en met slink- 
sche streken handel te drijven, zonder met slinksche streken 
handel te drijven buiten moesten wonen in de heerlijke vrije- 
natuur. 

Hij vindt dat zijn vader te weinig dóet aan het graf van zijn 
moeder, waar hij, daarentegen, soms een halven dag bij blijft 
mijmeren, ofschoon het niet eens de gewone gedenkdag is. 

Nu kan het wel zijn, dat hij daarin geen ongelijk heeft, 
misschien heeft in der daad zijn vader te weinig gevoel voor 
die dingen; misschien ook is het omgekeerd en is de zoon 
overdreven in zijn opvattingen. Want dit kan ook zijn, niet 
waar? Men kan ook dl te gevoelvol zijn en al is het aan- 
doenlijk, dat een zoon zoo aan de nagedachtenis zijner moeder 
is gehecht, — men kdn ook iX te lang bij een graf blijven 
mijmeren. 

De omstandigheid, dat wij op deze wijze dit drama-motief 
kunnen bespreken, toont reeds de gebrekkigheid er van aan. 

Zij bewijst, dat de meening van Rafael over het graf zijner 
moeder, ons hier niet gegeven is als gedeelte eener beeld 
geworden levens-conceptie, maar als een der uitingen van een, 
dokumenteel of om den wille van het verschijnsel gezfen, toe- 
vallig erg gevoelig, overigens ordinair, joden-jongetje. 

Menschen, die ontevreden zijn van aard, en als ze in de 
stad wonen het buitenleven zooveel heerlijker vinden en ook 
hun medeschepselen dat zouden toewenschen, zal men altijd 
wel gevonden hebben. Terwijl het best kan wezen dat als 
Rafael buiten woonde, hij zijn tijd zou besteden aan droome- 



Digitized by 



Google 



HET TREURSPEL »GHETTO". ioq 

rijen over de heerlijkheid van het stadsleven. En een gevoelen 
omtrent „God" zooals Rafael dat heeft en uit, wordt door 
duizenden met hem gedeeld die zich zelf niet meer dan ge- 
wone aanhangers van door Multatuli gevulgarizeerd pan- 
theïsme achten en te verstandig zijn om met een poehaërig- 
heid, die er een schijn van originaliteit aan zou geven, dit te 
komen napraten. 

De meeningen en handelingen yan Rafael hebben in dit 
Drama het wezen van tot eene realistische persoons-be- 
schrijving behoorende karakter trekjes, dat wil zeggen: 
zij staan er als om zich zelfs wille gegeven, zonder andere 
dracht dan die hunner schilderachtigheid. Zij staan er dus 
even als de meeningen en daden der andere personen er 
staan, namelijk karakterizeerend en anders niet. 

Zij hebben echter een anderen schijn dan hun wezen is, en 
deze schijn is zoo fel aangebracht dat hun wezen er nauwe- 
lijks meer kenbaar onder is. 

De schrijver, denkende de figuur van Rafael te releveeren, 
heeft, den aard zijner kunst miskennende, aan die figuur een 
schijn g^even, welke niet uit het wezen zelf der figuur voort- 
kwam en daardoor het wezen der figuur weggedoezeld onder 
dien lossen, niet aan het wezen verbondenen, en daarom 
waardelozen, schijn. 

Niet alleen door haar uiterlijk voorkomen leeft de omgeving 
of het dekor met de figuren Sachely Esthety Aaron en Rebbe 
Haëzer mede; de schrijver heeft haar buitendien een soort 
van mysterieus leven geschonken, waardoor zij als een levend 
wezen nu en dan met die personen schijnt mede te doen. 
Van het begin af aan doet zoo de warmte meê en zoo doen 
de geruchten en geluiden, die de oude blinde Sachel tn Rebbe 
Haëzer hooren. Een der beste plekken in het treurspel is uit 
dezen factor ontstaan. Het is het 6e Tooneel van het Ile Be- 
drijf, waar Haëzer^ na lang de goede joodsche huisselijkheid 
en den goeden joodschen geest te hebben geprezen, aan Rafael 
voorhoudt wat hem gebeuren zal als hij weggaat van zijn 
tehuis: 



Digitized by 



Google 



iio HET TREURSPEL >GHETTO". 

. . . Eo kom je bij christenen en is 't Vrijdagavond dan verlang je naar je soepje 
èn je pudding — èn naar de kast — èn naar de lamp — èn naar de klok. 
Zooais *n klok thuis Hkt^ tikt %e nergens. Hoor — En geef me nou nog 'n kopje 

zegt hij. Na thoor" is er even stilte in de kamer . . . 

Ook de gewoonte-geluiden, die niet bepaald woorden zijn, 
die deze oude rabbijn laat hooren, doen zoo mee. Hij heeft 
een manier van met den klinker a te werken, die onvergetelijk 
achter blijft in onzen indruk, om dat zijn >Ja-ja-ja" 's zijn 
» La-la-la 's, zijn »Ha-ha-ha Tja-tja" 's, de stem zijner natuur 
is, die spreekt zonder dat hij, min of meer bewust, woorden 
vormt. 

Terwijl deze bizonderheden het soort kunst bepalen, waarin 
deze figuren zijn afgebeeld en, voor het uiterlijk, de aestheti- 
sche waarde, welke zij vertegenwoordigen, bepaalt, samen 
daarmee, de weemoed en liefde van Rebbe Haézer het inner- 
lijke dier aesthetische waarde. 

Wilde dus, in onze waardeering, Rafaël het pleit winnen, 
dan moest zijn figuur het in schoonheids- of kunstwaarde van 
de andere figuren winnen. Want het is hier geen worsteling 
van spierkrachtigen noch een twistgesprek van rechtsgeleer- 
den, maar het zijn hier: levensopvattingen vertegenwoor- 
digende figuren, die in kunst tegenover elkander worden 
gesteld. 

Waar zijn nu de attributen van Rafaël, zijn zuchten, zijn 
grillen, zijn treden, die de stem van de klok en de ongearti- 
kuleerde geluiden van Haëzers natuur zouden staan? Waar 
is de geur van lindenbloesem, die hij in zijn kleêren meê- 
brenge van het kerkhof, wdar de zon-weêrkaatsing van de 
winkeldeur-ruiten of de opvlamming van de olielamp, die zijn 
binnenkomst vergezelle? Welke oogenglans of -verkleuring 
wordt bij hem gesteld tegenover het blinde kijken van den 
vader ? 

En welke zieners-verheffing of hoogere liefde zou bij Rafaël 
de weemoed en liefde van Rebbe Haézer slaan? 

De weemoed en liefde wordt niet in de gedachten of woor- 
den, maar in den toon van Rebbe Haézer gevonden en deze 
toon ontstaat door de wijze, waarop de gedachten en woor- 



Digitized by 



Google 



HET TREURSPEL »GHETTO". iii 

den zich schikken om van zelve zijn door het leven gevormde 
innerlijke natuur weder te geven. 

Het sentiment van Rebbe Haëzer kunnen wij aan de materie 
der woorden, waarin het zich uit, onttrekken en het proeven 
en keuren zoo ab de kenners het de stoffelijke zelfstandig- 
heden doen. 

Vei^elijken wij er dan het sentiment van Rafael mede, dan 
verhoudt dit zich er toe als niets tot iets. 

De oorzaak hiervan is dat Rafaëls gedachten en woorden 
niet voortkomen uit zijn innerlijke natuur. Hij heeft persoonlijk 
slechts ontevredenheid en opgewondenheid aangebracht. Daar- 
mee hebben zich wat oppervlakkige, onverteerde gedachten 
uit zijn lectuur vermengd, en deze samenstelling is natuurlijk 
geheel iets anders dan wat men sporen eener profetische of 
heldenmoedige innerlijke natuur zoü kunnen noemen. 

In kunst gaat de geestelijke waarde steeds samen met de 
uiterlijke waarde. En evenzoo als Rafael en Rose's hartstocht 
voor elkaar en Rafaëls gedachten over het levens-ideaal van 
véél minder gehalte zijn dan de gehechtheid aan elkander en 
aan hun soort leven van Sachelt Esther^ Haëzer en Aaron^ — 
zien wij, in hun hoedanigheid van stukken kunst, Rafael mtt 
zijn liefje als wegzinkende oleograffën. waar de anderen als 
uitnemend schilderwerk in ons geheugen blijven staan. 

Opmerkelijk is, hoe zich in het 6e Tooneel van het ie 
Bedrijf een eigenschap van het drama verraadt, die met de 
reeds behandelde hoedanigheid verband houdt. 

Rafael is thuis gekomen en kondigt zijn besluit aan om 
het vaderlijk dak te verlaten. 

De vader vindt het vreeselijk, nooit in zijn leven heeft hij 
zoo iets verschrikkelijks gehoord. Woest wil hij de reden 
weten. Nu zal Rafael hem die doen kennen. 

En hij vertelt hoe hij eerst zielsveel van zijn vader hield, 
hoe ontzettend hij 't vond dat vader blind was en dit zijn 
liefde nog vermeerderde, als hij hem tasten zag door den 
winkel, door de bergplaatsen ... tot eens op een goeden 
dag, terwijl hij aan de mogelijkheid van zoo iets zelfs nimmer 



Digitized by 



Google 



112 HET TREURSPEL .GHETTO". 

gedacht had, hij plotseling ziet, dat zijn vader den voet op 
de bascuul houdt toen er balen gewogen werden en op die 
wijze in zijn voordeel zijn handelsgenoten bedriegt. 

Dit is een geweldige ontdekking voor RafdeL Hij vindt 
het onoverkomelijk. Zijn vader is een. . . dief. De liefde voor 
den vader bezwijkt onder deze ontdekking. 

Deze bizonderheid bevestigft, naar mijne meening, mijn 
inzicht in het ware wezen van Rafaël, en is daarom ook in strijd 
met de schijn^eaardheid door den auteur hem verderop gegeven. 

Deze overgroote afkeer van diefstal toch, komt mij voor 
volkomen .... burgerlijk, niet socialistiesch of anarchistiesch 
namelijk, van aard te zijn. 

Rafaél kan de ontdekking van den diefstal alleen dkn 
zulk een ontzettende verrassing vinden, indien hij acht, dat 
deze daad fel contrasteert met de overige levenshandelingen 
van zijn vader, zoo als hij die kent. 

In de dweepers-natuur nu, waarmede de auteur hem heeft 
omkleed, past het gevoelen, dat, even als de andere groote 
bestanddeelen der bestaande wereldorde verkeerd zijn, ook 
alle handel diefstal is. 

In de waardeering van iemant, die alle handel diefstal 
acht, kan er nauwelijks eenig onderscheid zijn tusschen de 
meer gewone daden van handel en die welke door de 
voorstanders der tegenwoordige samenleving diefstal worden 
geheeten. 

In plaats van te denken: >de verkeerde levensorde houdt 
in dat ook mijn eigen vader wel den heelen dag bedriegen 
en stelen moet. Dat hij nu zijn voet op de bascuul zet om 
het gewicht |van de balen grooter te doen schijnen verschilt 
inderdaad weinig van het verzwijgen der slechte hoedanig- 
heden van te verkoopen waar om de waarde grooter te doen 
schijnen, hetgeen elke koopman dagelijks doet", — vindt hij 
juist het onderscheid ontzettend. 

Dit bewijst zijn leven in gevoelens, die in de socialistische 
terminologie wel eens burgerlijke gevoelens worden genoemd. 

Het verloop der gesprekken en gebeurtenissen in het 
treurspel doet ons weten dat Rafaëls afkeer van de be- 



Digitized by 



Google 



HET TREURSPEL »GHETTO". 113 

staande levensorde dagteekent van deze vreeselijke ontdek- 
king. Zijn gedachte-gang is nu deze: >hoe slecht moet niet 
eene levensorde zijn, die de menschen tot zóó ellendige daden 
brengt". 

De fout wat betreft de algemeene bedoeling van dit treur- 
spel, in deze redeneering, is dat de handeling van Rafaéls 
vader zulk een vreeselijke misdaad geacht kan worden juist 
alleen indien men haar beziet van uit de waardeeringen dier 
zelfde samenleving, aan wie men verwijt zich door zulke of 
soortgelijke handelingen te kenmerken. 

Indien toch de eigendom iets conventioneels en niet iets 
essentieel menschelijks is, is een vergrgp tegen den eigendom 
een vei^jp tegen de conventie, maar niet tegen de essen- 
tieel menschelijke deugd. 

In plaats van zijn vader die handeling zoo bitter te ver- 
wijten, nK>est Rafaëly zoo hij iets anders dan » burgerlijk'* vcm 
nature was, die veeleer toejuichen als eene heilzame verbre- 
king der conventie. 

Indien men zoude aanvoeren, dat de handeling van den 
ouden Sachel krenkend is voor ons gevoel, niet zoo zeer wijl 
zij een vergrijp is tegen den eigendom, — hetgeen er slechts 
de uitwendige kant van is — maar wijl zg het vertrouwen 
schendt, dat zijn genoten in hem stellen, — luidt ook weder 
de tegenwerping, dat de handeling alleen iets op zich zelf 
heel bizonders en ergs kan toeschijnen aan iemant, die 
meent, dat wederzijdsche schending van vertrouwen en der- 
gelqke misdrijven niet het wezen zelf uitmaken der samen- 
leving, waarin déze handeling werd bedreven, en daar dus 
niet regel zijn. 

De krenking van zijn burgerlijk gevoel stemt Ra/ael tegen 
de burgerlijke samenleving. Was hij niet van nature burgerlijk, 
hij zoü (door dit bizondere geval) niet gekrenkt zijn geworden. 
Is hij dus tegen het burgerlijke, dan is hij tegen zich zelf, 
want hij is zelf burgerlijk. Is hij tegen zich zelf, vernietigt 
zijne opvatting zich zelve, dan is hij dus geen positieve fac- 
tor, dan vertegenwoordigt hij dus niet iets, maar niets. 

8 



Digitized by 



Google 



114 HET TREURSPEL »GHETTO". 



Dit gebrek in de logische en moreele keerzijde van het 
drama, gaat samen met een fout van techniesch-aesthetische 
bewerktuiging en voorkomen. 

Het mouvement der bladzijden, waar Rafaël aan zijn vader 
vertelt wat schandelijks hij van hem zag, beschouwd als stukje 
tooneelliteratuur, gelijkt treffend dergelijken wendingen in de 
burgerlijke komedies van Sardou en zijn gelijken. Ik stel mij 
voor uit die school bijv. een bankierszoon, die zijn vader 
heeft zien knoeyen met papieren: »Ik hield van u, vader, 
meer dan van wie ook ter wereld, • . . maar toen ik ddt zag, 
ddt ..." en zoo verder. Men ruikt den geest van Les bour- 
geois de Pont- Arcy of Le fils naturel. 

De auteur heeft beseft, dat de aard van zijn drama hier 
de inlassching van een zeer bizonder feit, van een heftig geval, 
noodzakelijk maakte, om het karakter van Rafaël tt motiveeren. 

Indien Rafaël werkelijk was wat de auteur van hem had 
willen maken, namelijk een van nature ander mensch dan 
zijn vader, een mensch, wien de nieuwe levensopvatting tot 
natutir was geworden, — dan had de auteur Rafaël het 
ouderlijk huis en de ouderlijke levenswijze moeten doen ver- 
laten alléén wijl zijn nieuwe levenswijze daarin niet langer 
passen kon. 

Nu heeft de schrijver, door de werking van het drama te 
verplaatsen naar het plan der kleine-realistiek, der oppervlakkig 
felle bizonderheden, zijn onvermogen getoond om een levens- 
begrip in een dramaAguur te belichamen en die figuur, door 
uit het wezen van begrip en figuur voortkomende mouve- 
menten, met de andere figuren in strijdende aanraking te 
brengen. 

Zoolang niet een figuur tot stand komt, in welke de door 
den schrijver voorgestane levensopvatting tot een menschen- 
natuur is geworden, heeft hij die opvatting niet in kunst 
verwerkelijkt en de kunst niet gegeven, door zijne leerstel- 
lingen aangekondigd. 

Ik heb reeds aangegeven dat de schrijver, wilde hij een 



Digitized by 



Google 



HET TREURSPEL »GHETTO". 115 



harmoniesch drama maken, een liefde had moeten toonen tus- 
schen Rafaël en Rosé en deze doen strijden tegen de neigingen 
en hartstochten van Rafaëls verwanten. 

Dit schijnt dan ook juist de inhoud van het tooneelspel 
te zijn. Het is mijne bedoeling duidelijk te maken, dat het 
wel zoo schijnt, maar niet zoo is. 

Niet even zoo als er liefde voor het oude leven en wee- 
moed in Rebbe Haëzer blijkt, blijkt er liefde voor Rosé uit Rafaël. 

Wanneer zij dood is spreekt hij wel min of meer als een 
minnaar, — namelijk stamelend en niet in rhetoriesch golvend 
pathos — maar dan is het te laat voor den strijd. En 
onmiddellijk daarna heeft hij 't trouwens reeds weder over 
de plichten, die hij heeft, >gróóte plichten opgelegd door 
den God dien julie niet kennen en de Christnen niet kennen*' 
en zoo voort De buitensporige vaagheid der woorden zou 
ons doen meenen, dat Rafaël door den schrik van Rose's dood 
van streek is, kenden wij hem niet als den onverbeterlijken 
rederijker, die hij is. 

Ik betoog dus, dat niet even zoo als er liefde of gehecht- 
heid, jegens andere zaken, in Rebbe Haëzer en de zijnen 
blijkt, in Rafaël liefde voor Rosé is gelegd. Wel zegt hij, dat 
Rosé téén in extaze" met hem is geweest, wel trekt hij haar 
op zijn schoot en wil de toekomst, door zijn vader hem toe- 
gedacht, prijs geven, om met Rosé te leven. 

Maar niet aan de verzekeringen, die de personages geven, 
noch aan de daden, die hij hen laat verrichten, kan men 
bespeuren of een dramaschrijver een bepaald sentiment in 
zijn werk heeft weten te brengen. 

Dit kan alleen bespeurd worden aan den toon der samen- 
sprekingen en aan de soort der dramatische wendingen, die 
de daden of bewegingen der personen bevatten. 

2^ is er in het stil aantreden van Rosé, met rood geweende 
oogen, in het 5e Tooneel van het Ie Bedrijf, meer dramatiesch 
gehalte dan in het weggaan van Rafaël aan het einde van 
het drama. Dit, als een voorbeeld, wat de daden of bewe- 
gingen betreft. 



Digitized by 



Google 



ii6 HET TREURSPEL .GHETTO". 

En wat Rafaéts taal tot Rosé aangaat, — niet alleen spreekt 
hij haar niet met haar geldenden goed uitgedrukten harts- 
tocht toe, maar hij spreekt haar evenmin met hiar geldenden 
slecht uitgedrukten hartstocht of opgewondenheid toe; want, 
wèl bezien, geldt zijn opgewondenheid niet Rose^ maar: 
»*t nieuwe leven", i) 

Hij wil Rosé topheffen" van haar ilagere levensplan". 2) 
Hij zegt tot haar >Jij ben 'n deel van 't niéuwe leven" 3). 

Even voor hij haar op zijn schoot trekt, zegt hij tot haar 
»in extase" : 

«Als je goed luistert, hoor je 't breede rumoer van 'l opgaande volk, zie je 
banieren en vlammende oogen, voel je de lucht sidderen . . ^ 4). 

Mogen wij aannemen, dat er menschen zijn die meer zijn 
dan gewone menschen en in mindere of meerdere mate pro- 
feten- of helden- naturen; en andere die, door ten onrechte 
zich voor profeten- of helden-naturen te houden daar zij 
werkelijk slechts abnormaal opgewondenen zijn, minder zijn dan 
gewone menschen ; dan behoort de jeugdige Israëliet Rafaëly 
die in de huiskamer achter zijn vaders winkel aan het dienst- 
meisje Rosé nagenoeg voorstelt goed te luisteren ten einde 
o. a. banieren en vlammende oogen te zien, tot de laatst 
genoemden. 

Ook indien de uitdrukking >vlammende oogen", zonder 
nadere aanduiding, iets voorstelde, kan zij, na zoo dikwijls 
gebruikt te zijn, thands nog slechts als flitloos leesboeken- 
bezinksel dienst doen. 

De auteur is er niet in geslaagd eenige liefde voor Rosé 
in Rafaël aan te brengen, ten gevolge van die éene, zelfde, 
hoofdzakelijke fout van dit treurspel. 

Hij wilde het namelijk zóo maken, dat Rafaël niet alleen 



1) ne Bedrijf, ie Toon., blz. 51. 

2) id., blz. 49. 

3) » » 51. 

4) » » 51- 



Digitized by 



Google 



HET TREURSPEL .GHETTO'\ 117 

maar Rosé zoü beminnen, maar dat hij haar zou beminnen 
als >'ii deel", of vertegenwoordigster, »van 't nieuwe leven". 

Twee elementen dus: de reëele figuur Rosé èn : het » nieuwe 
leven". Deze moesten verbonden worden, wijl het niet om 
de realistische afbeelding eener minnarij alleen te doen was, 
maar de gelieven, met hunne liefde, moesten tevens vertegen- 
woordigen, moesten verbeelden: >het nieuwe leven". 

Nu vertegenwoordigt of verbeeldt de figuur Rosé echter in 
geenen deele het nieuwe leven. Dat zij een tdeel van 't 
nieuwe leven" is, komen wij alleen te weten door Rafaëls 
mededeeling. Met andere woorden : zij is dat alleen in Rafaëls 
idee, maar geenszins in de drama-werkelijkheid. In de drama- 
werkelijkheid is zij een gewoon verleid dienstmeisje, geheel 
passend in het oude leven. 

De figuur Rosé in de plastische werkelijkheid van het Drama 
niet een deel van het nieuwe leven zijnde, zoo kan, daarin, de 
figuur Rafaél haar ook niet als zoodanig beminnen. De twee 
elementen zijn onverbonden gebleven, endaar ^^?/a:^*/het nieuwe 
leven bemint, riduten zich nu zijne peroraties over Rose^ 
die hem wel voor een zonderling broekje moet houden, heen, 
tot het »nieuwe leven'*, waarvan hij zelf overigens niet recht 
weet wat hij er mee bedoelt. 

Zie ook op deze wijze uitkomen wat er heeft plaatsgehad 
bij het maken van dit drama: 

De figuren Sachel^ Esther, Aaron en Rebbe Haézer is de 
auteur gaan afbeelden met geen andere zorg dan om iets af 
te beelden zoo getrouw en innig mogelijk naar de natuur. 

Deze toeleg brengt onmiddellijk zijne belooning mede. Want 
om dat de auteur zich om niets anders bekommerde, zijn nu, door 
de kracht der afbeelding als zoodanige die figuren iets meer 
geworden dan enkel afbeelding in beperkten zin, en wel : onver- 
getelijke vertegenwoordigers, belichamers eener levensopvatting. 

De figuren Rafaél en Rosé is de auteur gaan afbeelden 
met een andere zorg dan alleen om iets af te beelden zoo 
getrouw en innig mogelijk naar de natuur. 



Digitized by 



Google 



ii8 HET TREURSPEL •GHETTO". 

Deze toeleg brengft onmiddellijk zijn straf mede. Want om 
dat de auteur zich om iets anders bekommerde dan om de 
afbeelding als zoodanig, heeft de kracht tot afbeelden hem 
begeven en zijn die figuren iets geworden, dat minder is dan 
enkel afbeelding in beperkten zin. 

Rafaél is een personage, dien de intelligente toeschouwer 
moet verwenschen, aangezien hij zich voordoet als ware hij 
de auteur zelf, die telkens te midden der drama-figuren op 
het tooneel komt om zijne meening te zeggen, en aldus de 
werking van het tooneelspel onophoudelijk verbreekt. 

In het Drama hebben de moreele waarden of waarheden 
het wezen aangenomen van aesthetische waarden. 

Die aesthetiesch het best is, is moreel het best En als wij 
aan een Drama-figuur gelijk geven, zullen wij het aan dfe 
doen welke de dramamaker, — daarbij binnen de algemeene 
kunst-soort, waarin hij werkt, blijvend — ons als het beste 
stuk kunst heeft weten voor te zetten. 

Een der meest treffende eigenaardigheden van een kunst- 
werk is, dat het, ook in weerwil van zijn maker zelf, een volstrekt 
vertrouwbare weerspiegeling geeft van den aard van zijn maker. 

Evenmin als in een gedicht, waar sprake is van rotsen 
en wraak, rotsen en wraak noodzakelijk zich uitdrukken, 
maar zich zeer wel alleen kan uitdrukken de razende poging 
om in een stijl te schrijven, dien men niet machtig is, — 
evenmin houdt een tooneelspel een pleidooi in voor iets 
anders dan voor de deugd, die door het gehalte van het 
tooneelspel zelf wordt bewezen. 

Wat is het, dat een kunstwerk zegt ? Niet de voorstellingen, 
welke zich verbinden aan de zelfstandige-naamwoorden en 
andere woorden, die er in voorkomen. Maar naauwkeurig 
de geestelijke gesteldheid van den schrijver. 

En daar hij zelf waarschijnlijk niet weet hoe hij is of hoe 
hij toen was, kan hij dat in het kunstwerk als in een sekuren 
spiegel aanschouwen. 



Digitized by 



Google 



HET TREURSPEL .GHETTO". 119 

Als een schrijver in zijn werk de regels plaatst: 

De Heldenmoedigheid doortintelt al mijn aaren, 
Wees gij een Held zoo ab uw vaders helden waren 

bevindt zich in die regels niets heldenmoedigs. Eo daarom 
bevatten die regels niet een pleidooi voor den heldenmoed. 
Toch drukken zij iets uit, toch bepleiten zij iets. Zij bepleiten 
namelijk het genoegen van een huisselijken achttiende-eeuw- 
schen rederijker te zijn, die, zonder het flauwste besef van 
dichtkunst of heldenmoed te hebben, met een Goudschen pijp 
in een gloeyend hoofd boven een vel papier, onbeteekenende 
regels woorden zit op te schrijven, waarvan het laatste 
regelwoord op het laatste woord van den vorigen regel > rijmt". 

Het wezen zulker regels is dus: dit in te houden. 

Daarentegen kunnen regels, waarin de woorden »held'* 
noch >moed*' voorkomen, heldenmoed inhouden, uitdrukken 
en bepleiten. De heldenmoed, dat is : datgene, wat in iemant 
is op het oogenblik dat hij doet datgene, wat men een hel- 
dendaad noemt, dat levens-bestanddeel, dat gevoel, die ge- 
waarwording, kan namelijk ook aanwezig zijn in een kunstenaar 
en deze kan dat uitdrukken in zijn werk, bijv. in versregeb. 

Dit is dan een bestanddeel van die regels, dat ontstaat door 
de manier waarop de woorden naast elkander zijn geplaatst. 

Want door de manier, waarop de woorden naast elkander 
zijn geplaatst, ontstaat een op-een-volging van klank-bizon- 
derheden, die het gevoel bevatten, door den schrijver in die 
regels gelegd, zooveel als een geluidslijn. 

Deze geluidslijn nu, kan heroïesch of heldenmoedig van 
natuur zijn. 

De woorden, met hun beteekenis op zich zelf, doen niets 
ter zake. 

Zoo dat heldenmoed uitgedrukt kan worden, bij voorbeeld, 
door woorden, die in oppervlakkige beteekenis overeen zou- 
den komen met den volzin: 

Gij hebt daar lang niet kwalijk aan gedaan. 



Digitized by 



Google 



I20 HET TREURSPEL •GHETTO". 

door zulke woorden op zekere wijze naast elkander te stellen. 
Want deze wijze doet een geluidswezen ontstaan, dat de 
aandoening van den spreker bevat en deze aandoening kan 
heroïesch van natuur zijn. 

Wat is nu — volgends deze stelling — de aard van den 
maker van Ghetto, wat is de deugd van Ghetto, en voor 
welke zaak wel is daarom Ghetto een pleidooi? 

De aard van den maker van G h e 1 1 o, als zoodanig, is eene 
genegenheid voor het leven gelijksoortig aan die van alle 
groote realisten dezer eeuw. 

Niet op andere wijze dan Courbet, Zola, Jozef Israëb, is 
hij het leven genegen. 

Hij meent, uit neiging voor >het nieuwe leven", van het 
leven, zoo als het is, af keerig te zijn. Hij vergist zich. Men 
kan niet op deze wijze afbeelden dat, waarvan men af keerig 
is. Want de innigheid bij dit afbeelden toont vereenzelviging aan. 

De uitkomst van deze kunst kan niet zijn door waarachtig- 
heid van afbeelding de menschen tegen het afgebeeldde te 
maken, want de graad van deugdelijkheid in de afbeelding 
bereikt is afhankelijk van de mate van toegenegenheid van 
den afbeelder voor zijn onderwerp. 

In zijn leerstellig twist-schrijven heeft de auteur van Ghetto 
de houding van den realist durven aanvallen, die, eenouden 
vrek ziende, niet denkt: >welk een ellendeling T' maar: »wat 
een prachtige oude vrekl" 

Dat is alleen een misverstand dat ongeordendheid van 
begrippen bewijst 

De neiging van den kunstenaar verhoudt zich anders tot 
het leven dan die van den hervormer, maar doet er niet 
voor onder. 

Daarom, om dat ik nfet denk bij het zien dezer afbeel- 
dingen van het Joodsche leven: >de wereld moet anders 
worden", maar alléén: »wat is dat mooi, wat prachtig 1" — 
daarom is het : kunst. En om dat het waarlijk kunst is, is de 
Schoonheid hier min of meer tegenwoordig. 

Wat geeft de schrijver mij hier eigenlijk? Niet het Jood- 



Digitized by 



Google 



HET TREURSPEL >GHETTO". 121 

sche leven zooals het is. Om dat te zien, heb ik slechts zelf 
naar de Jodenwijk te gaan. Maar hij geeft mij zijn mooye 
zien van dat leven. Het is zijn mooye zien, dat hij mij geeft. 

Een kunstdoos verhaal van de Joodsche zeden zal wellicht 
gedachten van moraal en sociaal-ekonomie bij mij in werking 
stellen. Wordt mij iets moois te zien gegeven, dan blijven 
die onaangedaan. 

Vindt iemant het dus beter zich met moraal en staathuis- 
houdkunde bezig te houden, — hij doe het en houde zich 
met de kunst niet op. 

Het is, zeg ik, zijn mooye zien, dat de kunstenaar mij geeft. 

Hoe komt zijn zien zoo mooi? 

Om dat hij ziet met genegenheid. 

Hij vindt dit niet leelijk en slecht, hij vindt dit mooi en 
goed, want de mooiheid van zijn zien, het meest eigenlijke 
zelve van zijn werk dus, is niets dan de omzetting of uit- 
drukking der genegenheid met welke hij ziet. 

En genegenheid heeft men voor dat, wat men mooi en 
goed vindt 

De wereld moge, in de waardeering van den moralist of 
hervormer, zijn zoo als zij wil, zij moge blijven wat zij is of zij 
moge veranderen, — de kunstenaar, althands dat type van 
die menschensoort dat wij ook weder uit dit werk leeren 
kennen — is ddarom kunstenaar, wijl de wereld, hoe zij ook 
zij, zich tot hem verhoudt als een lieije tot haar beminnaar. 

Zij heeft wratjes op haar oor, Idjk, zij heeft zelfs zomer- 
sproeten, — zijne genegenheid vermindert er niet om, hij vindt 
de wratjes en de zomersproeten prachtig, om dat zij van zijn 
liefje zijn. 

De oude vrek is voor den kunstenaar dadrom niet een 
ellendeling, maar een prachtige oude vrek, wijl hij het 
wratje is van zijne beminde, die de wereld is. 

De aard van den maker van Ghetto is: te zijn een lief- 
hebber van het Joodsche leven naar de oude zeden, een Jood, 
wiens gevoel leeft naar de oude zeden en die bemint; de 



Digitized by 



Google 



122 HET TREURSPEL >GHETTO'*. 

deugd van Ghetto is: mooiheid in dat oude Joodsche leven 
te toonen en het op die wijze aan te prijzen; en evenals de 
fiktieve auteur der aangehaalde regels over >Heldenmoedig- 
heid" daarmee een pleidooi schrijft, allerminst voor Helden- 
moedigheid, maar wèl voor i8*-eeuwsche rederijkers-huiselijk- 
heid, heeft de auteur van Ghetto een pleidooi geschreven 
voor het leven volgends de oude Joodsche begrippen en tegen 
dweeperige, ledige gedachte-afwijkingen. 

Beschouwen wij het kunstwerk Ghetto als een groot 
psychologiesch portret van zijn maker, dan zien wij een mooyen, 
geest- en gemoedrijken Jood, die door een leelijke hoofdpijn- 
kwaal wordt gekweld. 

Ik herhaal, dat dit geenszins een polemiesch inzicht van 
mij is. 2^oodra de hervormingskunst-leer zich zal hebben ver- 
werkelijkt, zal ik het erkennen. Ik zie alleen duidelijk dat, 
zonder het te willen, ja zelfs precies het tegenovergestelde 
bedoelend, de auteur de bestand-deelen in Ghetto zóo heeft 
gemaakt en geschikt, dat, in het geheel onzer zuivere impressie, 
het hervormingsgezind gedeelte zich voordoet als een zieke 
plek in een gezond lichaam. 

De schrijver van Ghetto sprak eenigen tijd geleden, — 
na een oordeel over het eerste gedeelte van zijn Diamant- 
stad — den wensch uit, — overigens zonder dieper in- 
dringen in het vraagstuk maar alleen het Multatuliaansch 
misverstand herhalend — dat men niet zeggen mocht: >wat 
is dat mooi r' ; doch: »is het zóó in de wereld? Nu, dan 
ga ik meedoen om dat te verhelpen*'. 

Het is echter schromelijk onverstandig en onrechtvaardig 
aan den lezer te wijten, dat zijn schrijven niet het door hem 
gewenschte gevolg heeft. 

Indien ik na de lezing van uw werk zeg >wat is dat mooi !" 
komt dat wijl gij met uw schrijven niet anders tot mij ge- 
zegd hebt dan : >zie eens hoe mooi is dat T* 

Gij zijt de schrijver, ik ben de lezer. Ik ben lijdzaam en 
heb mij aan u overgegeven. 

Gij kunt met mij doen wat gij wilt, indien gij een wil hebt. 



Digitized by 



Google 



HET TREURSPEL >GHETTO". 123 

Indien gij een andere werldng dan mooi-vinden in mij wilt 
gaande maken, moet gij mij anders toespreken. 

Ik kan mij voorstellen, dat na een rede van Bossuet of 
Savonarola over armen-verzorging, mijn aard en inzichten 
zouden veranderen en ik uit de menschen-kategorie die men 
kunstenaars noemt, zoü overgaan in die der armen-verzor- 
gers of maatschappelijke hervormers. Omdat de bedoeling 
van Bossuet of Savonarola een andere ware, dan de bedoeling 
van Rafaël, Jan Steen en Jozef Israëls. 

Zij beelden niet af, zij roepen en dwingen. 

Zij bedoelen het ondervinden der gewaarwording van mede- 
lijden en de voldoening over de aan ongelukkigen verschafte 
verbetering en vreugde mij heerlijker te doen vinden dan het 
zien van licht en kleuren, schemeringen en menschenaange- 
zichten. 

Indien gij dien kant uit wilt, ga uw gang. Indien uw 
gevoel daarvoor machtiger is dan mijn gevoel voor mijne 
>kunst", zal ik mij voor u buigen. 

Maar dan moet gij 't anders aanleggen, dan worden al uw 
beschrijvingen en wedergevingen nietig en belachelijk. Dan 
moogt gfij niet langer > verliefd verpoozen" bij de rimpels in 
het gelaat uwer oude blinde joden en jodinnen. 

Tot nu toe werd op het misverstand in G h e 1 1 o gewezen 
en van de voortrefielijkheid van dit treurspel nauwelijks gerept. 

Op het verkeerde bestanddeel na, is dit treurspel voor- 
treffelijke kunst. 

De auteur van G h e 1 1 o is eene natuur met veel verschei- 
denheid, een veelkleurige mozaïek vol leelijkheden, maar 
waartusschen materie van de aller-edelste soort wordt gevonden. 

In het eerste gedeelte van Diamantstad zoowel als in 
Ghetto wordt dat gevonden, wat van alle elementen van 
de literatuur het zeldzaamste en het kostbaarste is. Het is 
wat de best geschoolden zonder meer, de rijkst belezenen 
zonder meer, de zuiverst methodischen zonder meer, toch 
niet bereiken kunnen. 



Digitized by 



Google 



124 HET TREURSPEL .GHETTO*'. 

Nu zal hem alles gaarne vergeven worden» want hij is 
een echte ziener, een zeer merkwaardig artiest 

Met Kamertjeszonde, Diamantstad en Ghetto 
werkt deze schrijver in het procédé, dat hij meester is. Dit 
is een volstrekte voorwaarde om iets goeds te maken. 

Een groot gedeelte van de slechte literatuur-proeven der 
laatste jaren is slecht omdat de schrijvers iets anders wflden 
dan zij kónden. 

Die binnen het procédé blijft dat in zijn macht is, doet 
dubbel wijs. Want, gesteld dat men, theoretiesch gesproken, 
zeggen kon dat iets, wat ik nu, om maar eens wat te noe- 
men, de symbolische visie zal betitelen, beter zou zijn dan 
de naturalistische visie, — dan zal hij die in de naturalistische 
visie thuis is maar niet in de symbolische, indien hij iets 
naturalistiesch maakt, niet alleen iets beters geven dan als 
hij zich aan het symbolische waagde, maar tevens heeft hij 
kans iets zóo voortrefielijk naturalistiesch te maken, dat dat 
iets beters is dan het bestaande symbolistische. 

Zoo is taart een fijner gebak dan brood ; maar het is heel 
wel mogelijk dat iemant een zóó uitmuntend brood bakt, 
dat het iets fijners is dan welke bestaande of bekende taart ook. 

De auteur van Diamantstad heeft het eens in een 
twist-artikeltje doen voorkomen alsof maatschappelijke om- 
standigheden de oorzaak waren der waardeloosheid zijner 
vroegere werken. 

Dit heet ik hem liegen. Wel zou hij, toen hij »niet vrij" 
was en wellicht genoopt op een bepaalde plaats te publicee- 
ren, noch Kamer tjeszonde noch Diamantstad 
hebben kunnen uitgeven, maar zoowel met de Schetsen 
van Samuel Falkland als met de allegorische fantasiën, 
waarvan ik mij er een uit het tijdschrift Nederland herinner, 
werkte hij niet in een tam en gemuilband naturalisme, maar 
wel deugdelijk in procédés, die hij niet machtig was. 

Het is dus zijn overgang tot eene schakeering van de alge- 
meene naturalistische visie, die zijn werk zoo goed heeft gemaakt. 

Ghetto, op de verkeerde bestand-deelen na, is één uit- 
muntend stuk werk. 



Digitized by 



Google 



HET TREURSPEL »GHETTO". 125 

Onmiddellijk, bij de eerste regels, — en zonder dat er 
hier sprake van uitvoerige beschrijving is natuurlijk — be- 
merkt men, dat een kunstenaar begint, dat is: iemant bij 
wien de innerlijke vermogens van gezicht en gehoor arbei- 
dend zijn: 

EiRSTi Bedruf. Dt bttiompte uUdragerrminktl van SackeL Hei is avond. 
Er brandl tên kUim olielamp. 

Ebrstb Tooneel. SackeL Rosé. Een Jood. 

Een jood. Goeienavond (knoopt een pak los). Warm. ^t Is om er 

bij neer te vallen. Is Esther 'r niet? 

Het rezumeerend woord »bedompt*' is reeds goed. Maar 
nu de jood : >Goeienavond .... (knoopt een pak los) Warm." 

Nu zijn wij er. 

Kunst is een zonderling iets. Omdat hier nu staat »Warm.'*, 
en niet: >Wat is 'et warm", of: »Hè, foei, wat warm T* be- 
merk ik in-eens, dat hier kunst gaande is. 

Niet aan het woord twarm" op zich zelf bemerk ik dat. 
Maar aan dat woord in verband met hetgeen voorafgaat. Na 
ygoeienavond" en de stilte, even, terwijl de jood bukkend het 
pak losknoopt, komt tWarm.'' ; niet >warm*' met een uit- 
roepingsteeken er achter, maar >warm" met een punt. 

Deze wending duidt in-eenen de kunst aan, waarin hier 
gewerkt wordt Zij duidt niet aan, dat hier iemant aan 
't woord is, die t bizonder scherp oplet" en » natuurlijk weet 
weder te geven", maar iemant met een zuivere en diep het 
leven reproduceerende verbeelding. 

Dit woord op deze plaats verschaft onmiddellijk de gewaar- 
wording, dat het hier kunst en ernst is. Dit woord klinkt 
tot dieper in ons dan waar wij leefden, toen wij de lezing 
nog moesten beginnen, en het omgeeft het werk, dat het 
kenmerkt, met den eigenaardigen damp, die kunst omgeeft, 
zooals de duisternis het een vlanmienden smidsoven doet. 

Juist, dat en niets anders, zegt de jood ; niets anders, hoe 
weinig ook maar verschillend, zal de jood op dit oogenblik 
en in deze omstandigheid zeggen. Het voorafgaande moment 
van stilte en de punt achter het woord geven den toon weder. 



Digitized by 



Google 



126 ^ HET TREURSPEL ^GHETTO". 

En déze is het juist, waarvan het betrappen zoo zelden voor- 
komt en de aanwezigheid van kunst bewijst. 

Terwijl om b.v. naauwkeurig de eigenaardige woorden op 
te geven, waarvan straatjoden zich bedienen, slechts eene 
scherpe oplettendheid van noode is en slechts een min of 
meer aardig relaas daarvan de uitkomst; is voor het hooren 
van den toon verbeelding noodig en de uitkomst is : kunst. 

Zooals hier begonnen is, gaat het nu het geheele goede 
gedeelte van het tooneelstuk door. 

De bizondere zegswijzen der joden zijn natuurlijk ook in 
de dialogen opgenomen, maar nimmer om zich zelfs wille, 
steeds ondergeschikt gemaakt als aanvullende bestanddeelen, 
aan het meer waarde-hebbend gegeven van den toon. 

De, op een ander plan van beschouwing zich voordoende, 
behandelde, hoofdfout daar gelaten, — is dit Ghetto een 
voorbeeld van goede samenstelling om dat er volstrekt geen 
zorg aan de samenstelling besteed schijnt te zijn, — en ook 
werkelijk niet fs, want het is in éen, volgehouden, aandacht- 
spanning en kunstkoorts zoo opgeschreven — en tóch de ver- 
schillende gegevens van karakteristiek en drama-gang zoo 
uit elkander voortkomen en zich groepeeren als bij de meest 
gewikte en gewogene in-elkander-zetting maar mogelijk zou 
geweest zijn. Zonder hapering wordt het leven er in weder- 
gegeven precies zooals het is en gaat, en zie, dit leven is 
een drama. 

De eerst opkomende jood is een bijfiguur, die inleidt de 
hoofdfiguur Aaron. Het motief van het sjaggeren, beginnend 
met den eersten jood, wordt voortgezet door en neemt toe 
met Adron^ terwijl het nog steeds levenloze waar geldt. Van 
zelf gaat het nu tusschen Aaron en Sachel over in het ver- 
sjaggeren van levenloze tot het versjaggeren van levende 
koopwaar. Er wordt echter, ofschoon ieder hoe langer hoe 
meer reeds weet wat hij bedoelt, eerst in 't algemeen gesproken, 
daarna wordt het allengs meer toepasselijk, — voor een meisje 
met hoevéél zou Sachel zijn zoon geven, voor een jongen 
met hoevéél Aaron zijn dochter, — tot eindelijk, terwijl 
het gesprek onder-tusschen ook over de kiloos katoen of 



Digitized by 



Google 



HET TREURSPEL .GHETTO". 127 



wol, die Adran te koop heeft, doorgaat, — Rebecca, Aöron's 
dochter, en Rafaël, Sachets zoon, zich aan de te-kennen- 
gevingen duidelijk ontpoppen als de levende waar, waarover 
Sachel en AdrotCs handel gaat. 

En even zoo zijn de andere figuren en motieven in-éen- 
gevlochten. 

Voorwaar, dit G h e 1 1 o is een uitnemend kunstwerk. 

Maart '99. 



Digitized by 



Google 



RiDDERVROUWE EN PoORTERSKNAAP 



DOOR 



ALBERT VERWEY. 



Volg de verborgen paden 
Van lust en weemoed. 
Er groeien donkre zaden 
Van dood en deemoed. 

In groenen schemer 

Van bosch of onder water 

Is een gewemer 

Van wortels: bloemen later. 

Hun zieklijk-blanke 
Gestalte en kleuren, 
Hun doordringend-kranke 
Droevige geuren, 

Al hun zeldzame leven dat den dood begeert 

Leeft van die vreemde verwachting vol, in zich gekeerd. 



Digitized by 



Google 



RIDDERVROÜWE EN POORTERSKNAAP. 129 



Er volgden de donkre paden 

Van bosch langs water 

Riddervrouwe en poortersknaap: de zaden 

Van hartstocht nu in hen: de bloemen later. 

Hun vlucht was langs woud-holen, 

Verdwaald van reddende stroomen, 

Door een bleek maanlicht. 

Zij kenden elkander, verstolen 

2k>chten ze vol schromen 

Elkanders aanzicht. 

Hun handen beefden, hen droegen de paarden 

Langs wegen waar ridders en roovers dreigden. 

Hen velde, haar verloste zijn zwaard en 

Zij renden verder: hun harten hijgden. 

Door de duistere bosschen — de stroom was ver verborgen — 

Voerden de paarden hen: ze ontstegen ze ijlig 

Bij een hut in een lichting — ver was de morgen 

Toen ze er bleven, veilig. 

Zij vol verlangen. 

Hij vol vereering — 

Om zijn hab sloeg ze haar armen: haar wangen 

Aan de zijne, deelde haar mond zijnen zoete leering. 

»Te groot, o vorstin," was zijn beven, 

iMij die belooning I 

Gaf 'k u van mijn liefde mijn leven 

Ook ter betooning" — 

Bitter haar lach toen. >Te groot". Niet zijn armen 

Sloeg om haar leen hij. 

Die te verwarmen. 

Knielde als voor zoo vorstlijke liefde te kuisch, te kleen hij ? — 

Zweeg ze? maar in haar brandde 

9 



Digitized by 



Google 



I30 RIDDERVROÜWE EN POORTERSKNAAF. 

Die droom van een avond. 
Haar mond, om zijn schande. 
Droomde in zijn bloed zich lavend. 



Ze ontkwamen: in haar Stede 

Om gezocht misdrijven 

Stond naast hem de beul op 't schavot, hem te ontlijven. 

Zij — op raad en bede — 

(Haar vrienden, zijn vader, stonden daar allen) 

Zou, voor 't zwaard daald', haar sluier doen vallen. 

Vrij zou hij uitgaan. Maar in stille wreede 

Verliefde bloeddroomen zat ze op haar troon en gaf geen teeken. 

't Hoofd viel : 't bloed stroomde : kil en snel was het bleeken 

Van haar wangen en haar lippen — 

Maar den sluier lieten — ook toen niet -- haar handen glippen. 



Langs de verborgen paden 
Van lust en weemoed 
Groeien donkre zaden 
Van dood en deemoed. 



Digitized by 



Google 



EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE 

DOOR 

F. V. D. GOES. 



J. Stoffel: Op den vtr keerden weg. 
St. AnDa-Parochie, J. Kuiken Jzn., 1899. 

L 

Er was een tijd dat de schrijver van deze brochure in de 
arbeidersbeweging vrij algemeen aangemerkt werd als iemand 
op wien te rekenen viel. In Mei-meetings, in vergaderingen 
voor Algemeen Kiesrecht was J. Stoffel een populair spreker. 
Hem, die in groote praktische vragen éen lijn trok met de 
arbeiders, kon de theoretische vergissing dat met landnatio- 
nalisatie alles in orde zou komen, wel vergeven worden, 
meende men; sommigen waren van oordeel dat de land- 
nationalisatie toch een stap was in de richting van afschaffing 
van het privaat bezit. 

Sedert is de toestand veranderd. Het socialisme doet zich 
kennen als een beweging, die zich van burgerlijke vooruit- 
strevendheid steeds scherper onderscheidt. Ieder die zich met 
politiek bemoeit, moet, ofhij wil of niet, bij den tegenwoordigen 
stand van zaken, van twee dingen er één kiezen : vijandschap 
tegen, instemming met de partij der arbeiders. Het is nu niet 
meer mogelijk het standpunt in te nemen van den heer Stoffel 
vroeger. Hij is niet zoo zeer van meening dan wel van hou- 
ding veranderd. Hij vond het eertijds zoo'n groot bezwaar 
niet met socialisten meê te werken, al verschilde hij theore- 
tisch van hen. Er was ook van zijn kant eenige lankmoedig- 
heid ten opzichte van wat hij onze theoretische fout achtte; 
en in elk geval bevatte het programma van de sociaaldemo- 



Digitized by 



Google 



132 EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 

kratie toch de afschaffing van het eigendomsrecht op den 
grond . . . 

Nu, echter, komt geen lankmoedigheid meer te pas. De 
knechten van den rijkdom, de priesters van den geldgod 
scheiden zich af van hunne natuurlijke tegenstanders. Zij zien 
hunne tegenstanders een macht worden in den lande, de or- 
ganisatie van het proletariaat toenemen, zijne afgevaardigden 
dringen in de wetgevende lichamen. Van tijdelijk samengaan, 
van het steunen van praktische eischen, is geen sprake meer. 
In deze brochure verklaart Stoffel zich tegen de regeling van 
werktijden bij de wet, op den door de massa der liberalen 
zelfs in ons land reeds verlaten, oud-liberalen en anarchisti- 
schen grond, dat de vrijheid van de arbeiders niet beperkt 
mag worden. »De Staat mag zich", zegt bij (bl. 25) »niet be- 
moeien met de verhouding tusschen werkhuurders en werklieden; 
deze moet door de betrokkenen zelven geregeld worden, enz. 
Dit zou volwassen menschen tot kinderen maken*'. 

Ook, mag men vragen, indien de volwassen menschen, 
tegen den zin van werkgevers als Stoffel, zich vereenigen tot 
eene onafhankelijke partij en een zwaren strijd hebben te 
strijden vóór een of ander punt van hun program, waar ver- 
korting van arbeidstijd bovenaan staat, bij de wet is ver- 
wezenlijkt? Ziet Stoffel niet dat het de strijd is, die alle denk- 
beeld van gunst verleend of voogdij uitgeoefend, te niet doet 
en uitsluit? Of plegen de sociaaldemokraten, die over de 
geheele wereld den Staat pogen te dwingen, die het staats- 
gezag in handen willen nemen, zich te gedragen alsof zij van 
volwassen menschen kinderen willen maken? Ik moet ver- 
klaren dat ik mij geen voorstelling kan vormen van iemands 
geestelijke toerekenbaarheid, die zoo zeer hecht aan misge- 
boorten van zijn eigen brein, dat een zoo patent en in het 
oog springend feit als de internationale eisch van regeling der 
werkuren bij de wet, hem niet even aan het nadenken brengt 
— de vraag niet doet rijzen of deze eensluidende eisch van 
alle georganiseerde arbeiders in ieder beschaafd land wellicht 
een motief kon hebben, dat hem, eenzamen schrijver, minder 
helder voor den geest stond, misschien tijdelijk ontgaan was ? — 



Digitized by 



Google 



EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 133 

Neen, men zegt bang te zijn dat de arbeiders behandeld 
zullen worden als kinderen, en tegelijkertijd noemt men een 
van hunne dringendste en algemeenste wenschen, de begeerte 
van zwakkelingen die steun, van onmondigen die voogdij 
vragen. Hoe ver moet de arbeidersbeweging mannen als 
Stoffel achter zich hebben gelaten, die zoo meenen te moeten 
oordeelen over haar program? 

Maar dit is nog het ergste niet. Stoffel, vijand van algemeen 
kiesrecht; Stoffel, lofredenaar van S. van Houten: > een moe- 
dig man met een diepen blik, een staatsman van groote 
geestkracht, waarop Nederland trotsch mag zijn"!., (bl. 22). 

De bezitters zijn door Van Houten, zegt zijn bewonderaar, 
ten strijde geroepen tegen het socialisme. En wederom be- 
roept Stoffel zich op hebzucht en egoisme om de bezitters 
tegen het socialisme aan te hitsen. Dat Stoffel's cynisme nog 
minder glad is dan dat van Mr. van Houten, is het eenige 
wat voor hem pleit. Eerst beweert hij dat de Staat — »het 
spreekt van zelf' — »aan ieder, hetzij man of vrouw", het 
kiesrecht moet geven. Maar de heer Stoffel kent zich het recht 
toe te beslissen hoe men dat recht zal hebben uit te oefenen. 
Ta^o blijft, zal men zeggen, van laatstbedoeld recht niet veel 
over. Dat moet ook niet, antwoordt J. Stoffel. Er is nog een 
ander recht, krachtens hetwelk hij spreekt. En dat is »het 
fundamenteele recht van eigendom op datgene wat een mensch 
zelf heeft voortgebracht of als zoodanig van een ander ten 
geschenke heeft gekregen". Dit recht nu, >het eigendomsrecht" 
>staat hooger dan het algemeen kiesrecht", (bl. 26). De heer 
Stoffel bedoelt natuurlijk dat het recht van z^n eigendom 
hooger staat dan het kiesrecht van een ander, immers acht 
hij het kiesrecht (van een ander) gevaarlijk voor het eigen- 
domsrecht (van hemzelf) En geen reaktionnair in geene enkele 
partij zal kans zien, de nette omschrijving te verbeteren van 
het staatsrechtelijk beginsel, dat de politieke bevoegdheid van 
de burgerij ondergeschikt moet blijven aan het belang van 
den geldzak. Het is, zegt Stoffel, >het is eenvoudig een 
eisch van staatsbehoud, om dat recht alleen te geven aan 
hen, die belang hebben bij de handhaving van het eigen- 



Digitized by 



Google 



134 EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 

domsrecht, dus alleen aan hen, die iets te verliezen hebben**. 
Men ziet dat ook deze bekeerde de dingen niet ten halve 
doet Eene fraaie verkiezingsleus voor 1901, overigens, die 
wij aan radikalen en radikaaUiberalen beleefd ter overweging 
geven. — 

II. 

In het begin van het vorig jaar verscheen bij den uitgever 
Versluys te Amsterdam een werkje, dat in zijn titel het burgerlijk 
karakter van den inhoud als op het voorhoofd droeg: Het 
eenig geneesmiddel i). De auteur vond het in de afschaffing 
van het erfrecht ; landnationalisatie was inbegrepen. Overigens 
bleef de wereld zooals zij was, partikuliere exploitatie van de 
produktiemiddelen, konkurrentie, onvermijdelijk klassenverschil 
enz. — Het was, in een woord, de toekomststaat zooals 
kooplieden en industrieelen er zich een droomen wanneer ze 
hun oogen dicht doen. 

Een toekomststaat als deze zweefl ook den heer Stoffel 
voor den geest. Ook zijn schets van een voorbeeldigen Staat 
is een utopie — zonder het idealisme dat de socialistische 
utopieën heeft gekenmerkt. De landnationalisatie, schreef ik bij 
de beoordeeling van genoemd boek zonder te vermoeden dat 
Stoffel deze opvatting zoo spoedig zou komen bevestigen — 
»is het socialisme van den middenstand, zoover hij voor eenig 
socialisme vatbaar is.'* En geen wonder: van ouds is de 
klasse van handel en nijverheid vijandig aan de klasse van 
grootgrondbezit, aan de renteniers. Die nietsdoeners, aan wie 
zij huur, pacht en rente hebben te betalen,; wier belangen 
op het gebied van belastingen strijdig zijn met de hunne ; die 
in den omtrek van zich uitbreidende steden dikwijls slapende 
rijk worden, terwijl de handelaren en de fabrikanten op steeds 
zwaardere lasten zitten; — geen wonder dat zij in den heil- 
staat van de nijvere bourgeoisie niet voorkomen. >Geen hypo- 
theek; goedkoop geld omdat het niet meer in grond kan 



I) Door P. M. Schelling. 



Digitized by 



Google 



EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 135 

worden belegd; haast geen belasting omdat het Rijk leeft 
van pacht; en lage pachten omdat de demokratische Staat 
tegen vaste» matige tarieven zijn bebouwde en onbebouwde 
perceelen zal verhuren — '* i); waar de nijvere bourgeoisie 
sterk is, als in Engeland, moet de landnationalisatie een 
populair beginsel zijn. 

De heer Stoflfel, zeide ik, maakt in zijne brochure wederom 
propaganda voor deze burgerlijke utopie. De beperking van 
het kiesrecht tot de klasse van bezitters maakt de schets 
volledig. Wie nog twijfelde over de vraag welk klassebelang 
achter het stelsel van landnationalisatie stak, kan zich nu 
inlichten. 

Zie hier, in het kort, het beeld van Stoffels volmaakte 
samenleving. — Geen overheidsbemoeiing met arbeidsvoor- 
waarden. De patroonsklasse, dus, regeerende als de sterke 
over den zwakke. Hoogstens eenige »politie-maatregelen/' ten 
gunste van vrouwen- en kinderarbeid, ongevallen, toezicht op 
gevaarlijke bedrijven; en verder betere armenzorg, onderwijs, 
goede verkeersmiddelen. De Staat, eindelijk, eigenaar van 
den grond en alle staatsuitgaven gekweten uit pacht. -- Het 
zuivere liberalisme, in één woord, maar in één opzicht ge- 
wijzigd : de handel en industrie wil, nog meer dan tot dusver 
den Staat voor zich in beslag nemen, en de andere kapita- 
listische groepen op den achtergrond dringen. 

Eén plekje op aarde is er waar men reeds Stoffels ideaal 
verwezenlijkt vindt — het is de door de Duitschers bezette 
Chineesche haven Kiautschau met bijbehoorend grondgebied 
van 540 vierkante Kilometers, «bewoond door zeventigduizend 
Chineezen, die dezen grond in privaateigendom bezaten*' 
(bl. 32). Dat was volgens onzen schrijver zeer boos van deze 
Chineezen ; hij vindt het uitmuntend dat de Duitsche indringer 
hun den grond direkt afnam, en, zoodra hij den voet aan 
wal zette een proklamatie uitvaardigde inhoudende >dat 
niemand grond mocht verkoopen aan een ander, dan tegen 
een billijken taxatieprijs aan de Duitsche regeering.*^ >Alle#n 



I) Tweemaandelijksch Tijdschrift. Afl. Maart '98; bl. 151 e. v. 



Digitized by 



Google 



136 EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 

voor zoover hun grond niet voor verkoop in aanmerking 
kwam, kunnen zij daar rustig blijven wonen." De heer Stoffel 
wijdt verder uit over de verkoopkondities, die hierop neer- 
kwamen dat de regeering zich het recht van voorkoop toe- 
eigent en behalve als eenige belasting een zeker bedrag van 
de waarde heft, om de zooveel tijd van de getaxeerde waarde- 
vermeerdering een derde deel tot zich neemt, rekening houdende 
met de kosten door de eigenaren besteed om waardever- 
meerdering te verkrijgen. »0p deze wjze — lezen wij — 
heeft de Duitsche regeering den vloek der gfrond-spekulatie 
bezworen, en een vaste steeds ruimer vloeienden bron van 
inkomsten geopend, zonder eenige belastingen, drukkende op 
den arbeid of het inkomen, uitsluitend voor zich nemende 
een waarde, die niet door privaatpersonen, maar door den 
arbeid van allen is ontstaan, de eenige rechtmatige bron van 
inkomsten voor de gemeenschap." — De vloek der gfrond- 
spekulatie — van andere spekulatie heeft Stoffel nooit gehoord. 
Van industrieëlen, landbouwende en andere, die zich vereenigen 
om noodzakelijke levensbehoeften: graan, vruchten, vleesch, 
steenkolen, petroleum, metalen — moedwillig zoo duur mogelijk 
te maken, die de produktie verminderen om de winst te ver- 
meerderen, dat alles begrijpt deze utopist onder de rechten 
>op het arbeidsprodukt," onder de zegeningen van de > vrije 
mededinging". Alleen de woeker in grond, de eenige woeker 
die Stoffels engere klasgenooten kwelt, wijl het de woeker 
van anderen is, heeft zijn verontwaardiging gewekt. En hij 
besluit met deze formuleering van hunnen en zijnen hartewensch : 
»aan niemand een monopolie, aan allen een gelijk recht op 
de waarde van den grond, welke door den arbeid van allen 
is ontstaan". Aan niemand een monopolie — aan allen, met 
andere woorden, de heilige vrijheid gelaten om deel te nemen 
aan dien verkwistenden, vemielenden, demoraliseerenden 
strijd om brood en om winst, die, naar het schijnt, onze 
kapitalisten van handel en nijverheid te meer aantrekt 
naarmate hij hen harder slaat — een noodlottig loterijspel 
waaraan allen zich willen wagen schoon maar weinigen 
kunnen winnen. 



Digitized by 



Google 



EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 137 

III. 

De ekonomische stelling welke bij den heer Stofiel dienst 
doet als rechtsgrond voor de landnationalisatie» heeft geen 
groote waarschijnlijkheid. Het is begrijpelijk dat het industrieele 
en komniercieele kapitaal ongaarne een cijns voldoet aan den 
grondeigenaar, met weerzin een hoogen rentestandaard ziet. 
Maar daarom is het nog niet waar, dat de waarde van den 
grond ontstaan is door den arbeid van allen. Zij is ontstaan 
door den arbeid van hen die op den grond hebben gewerkt. 
Van stukken woesten grond kan geen waarde worden bepaald 
om de eenvoudige reden dat zij geen waren zijn, evenmin als 
maagdelijke bosschen of onontgonnen mineralen. Worden zij 
evenwel gekocht en verkocht, dan wil dit zeggen dat de 
kooper op den arbeid, welken hij op den grond zal laten 
verrichten, den prijs van den grond meent te kunnen verhalen. 
Hij neemt den grond, de bosschen, de mineralen tot zich 
gelijk de eerste bezitters, die de grondslagen van het kapi- 
talisme bij de wijze van oorspronkelijke aanschaffing hebben 
gelegd, in eigen land of wingewest bodem en rijkdommen 
van den bodem tot zich namen. Het geld dat hij er, anders 
dan zij, voor betaalt, geeft te kennen dat de tijd van eerste 
inbeslagrneming voorbij is, dat privaatbezit en ruil den regel 
maken welke de verhouding bepaalt tusschen menschen. Dan 
eerst treden de woeste landerijen, de bosschen en de delf- 
stoffen de warenwereld binnen, worden zij opgenomen in het 
gebied van de kapitalistische produktie en krijgen zij, nadat 
maatschappelijke arbeid aan ontginning en exploitatie is ten 
koste gelegd, waarde. 

Nu is het zeker waar, dat de beschaving gevorderd moet 
zijn, de bevolking toegenomen, de kapitalistische produktie 
uitgebreid, eer de behoefte aan nieuwe gronden voor kuituur 
of woningbouw zich doet gevoelen ; en in dien zin is de eige- 
naar van zoodanige gronden in de nabijheid van zich ont- 
wikkelende steden of in vooruitgaande landbouwstreken, deze 
voor hem gelukkige maatschappelijke wending verschuldigd 
aan den arbeid van zeer velen, onder dewelken hij zichzelf 



Digitized by 



Google 



138 EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 

niet rekenen mag. Dit is het slapend rijk worden, waarvan 
wij ons levendig kunnen voorstellen dat het de kategorie van 
medeburgers, wier tolk te zijn de heer J. Stoffel zich tot een 
door ons zoo min benijd als bewonderd levensdoel heeft ge- 
maakt, geducht pleegt te ergeren als zij op hunne eigen 
winsten zien, waarlijk niet verkregen wijl zij dutten, of op 
hunne verliezen, geleden ondanks zij klaar wakker waren. Ook 
hebben wj er allerminst bezwaar tegen dat Rijk of gemeente 
van winsten op deze wijze gemaakt, een behoorlijke belasting 
heft. Landnationalisatie, men vergete het niet, staat ook op 
ons program als deel van een logisch geheel, niet als universeel 
geneesmiddel. Lag het bij ons, zulke dingen als het million- 
nair worden van lieden, die weilanden en tuing^onden bezaten 
in de buurt van Amsterdam en in Den Haag toen de oude 
stad aanving zich uittebreiden, zouden niet gebeurd zijn. 

Maar, hoewel alle waren bestemd zijn om verkocht te 
worden, is alles wat verkocht wordt, daarom nog geen waar. 
De eigenaars van gronden om Den Haag en Amsterdam, 
hoewel zij groote sommen geld ontvingen, hebben niet gehan- 
deld in waren. Evenmin bij voorbeeld als een Oostersch of 
Afrikaansch vorst, die tegen betaling de sowvereiniteitsrechten 
op een deel van zijn gebied overdraagt aan Europeesche 
maatschappijen of partikulieren. Beiden^ eigenaars en vorsten, 
stellen anderen, de koopers, in staat waren te leveren. Eerst 
als dit bouwterrein in perceelen is gesplitst, en voor het doel 
geschikt gemaakt; als het de fundeering en de rioleering 
ontvangt, als het met de woning één is geworden, — wanneer 
aan den grond arbeid is besteed, wordt het een waar, of deel 
van een waar. De waarde van het grondstuk wordt dan, 
evenals de waarde van alle waren, door den gebruikten arbeid 
bepaald — door de hoeveelheid maatschappelijk noodigen 
arbeid. Volgt Hieruit, dat de werklieden, de gravers en bou- 
wers, de teekenaren en architekten, een recht kunnen laten 
gelden op de opbrengst van het huis ? Het antwoord op deze 
vraag, om herhaling te vermijden, straks. Zeker is het, dat zij 
niet onvoorwaardelijk bevestigend mag worden beantwoord; 
maar minstens even zeker, dat de bewering van den heer 



Digitized by 



Google 



EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 139 

Stoffel volgens welke de verhoogde waarde van het oorspron- 
kelijke terrein ontstaan was »door den arbeid van allen", in 
geen geval juist kan zijn. Wij zeiden» eerst bij waren kan van 
waarde sprake wezen. En nu blijkt dat wij op de bewering 
van Stoffel meer hebben aantemerken dan een verkeerde ekono- 
mische uitdrukking. De oorspronkelijke houder droeg zijne 
rechten over, en profiteerde van de maatschappelijke beweging 
die het voor anderen wenschelijk maakte deze rechten te 
bezitten. Doch >de arbeid van allen' \ welke niet de waar 
voortbracht, maar de vraag naar waren deed ontstaan ; welke 
de voorbereiding van het kapitalisme schiep en de mogelijk- 
heid van zijn ontwikkeling ; deze algemeene faktor, waarin de 
arbeid van alle voorafgegane geslachten vervat is, werkt niet 
alleen ten gunste van de grondeigenaren. Hij werkt ten gunste 
van de geheele kapitalistische klasse. Kortheidshalve gebleven 
bij het geval dat de voorstanders van landnationalisatie gaarne 
aanvoeren^ mag men vragen of dan werkelijk alleen de eige- 
naars van aangrenzende gronden van de uitbreiding der steden 
voordeel hadden ? De kleine patroon, de handwerker die door 
grootere behoefte aan zijn artikel, door goedkooper verlich- 
tingsmiddelen en beweegkracht, door verbeterd vervoer en 
verkeer, en door een ruimere keus uit goede werkkrachten, 
zijne beperkte werkplaats kon uitbreiden, kans zag direkteur 
te worden van een fabriek, overgeg^n in een vennootschap ; 
de winkeliers die hun debiet, de advokaten en doktoren die 
hunne praktijk zagen toenemen: steekt in de vermeerderde 
» waarde" van al dit bedrijf niet een zeer groot gedeelte van 
>den arbeid van allen" ? De landbezitters, het is waar, heb- 
ben zonder risiko en inspanning hunne winsten gemaakt, zij 
hadden een monopolie, de anderen stonden bloot aan kon- 
kurrentie. Dit maakt dat de begunstiging, tegenover de ver- 
dienste van eigen inspanning en zaakkennis, in hun geval 
meer in het oog valt, de jalouzie van Stoffels mandatarissen 
sterker prikkelt; en eene beweging voor zwaardere belasting 
of wel voor opheffing van het privilege bij het groote publiek 
dieper doordringt. Ook wij zijn voor de beteekenis van dit 
privilege geenszins blind; maar wel blind zouden wij zijn. 



Digitized by 



Google 



140 EENIGE SOCIALISTISCHE EKÜNOMIE. 

indien de drukte door een woordvoerder van handel en in- 
dustrie over de bevoorrechting van ééne kapitalistische groep 
gemaakt, ons deed voorbijzien de bevoorrechting van de 
geheele kapitalistische klasse. Zij, en zij alleen, heeft het 
voordeel gezakt van >den arbeid van allen", die vóór het 
tijdvak van hare heerschappij op de aarde hebben geleefd. 
Het grondbezit mag als een monopolie van een groep druk- 
ken op den stand der werkgevers wijl het hunne beschikking 
bemoeilijkt over een onmisbaar produktiemiddel — het pri- 
vaatbezit van alle produktiemiddelen drukt als een klasse- 
monopolie op de arbeiders, wijl het eene voor hen noodlottige 
scheiding bewerkt tusschen den mensch en zijn bestaan. »De 
arbeid van allen" — die is het inderdaad waaraan de kapi- 
talisten hunne bevoorrechte positie verschuldigd zijn ; de arbeid 
van vroeger van hen, die het kapitalisme hebben voorbereid, 
en de arbeid van de werklieden die thans nog het kapitalisme 
onderhouden. Partij kiezen tegen de grondbezitters moge in 
de praktijk veelal van de socialisten worden gevorderd, 
zij zullen het nooit doen met de valsche theorieën van de 
landnationalisatie. — 

IV. 

Het betoog van StofFels ideaalstaat, eensdeels een ekono- 
misch onhoudbare uitzonderingsmaatregel tegen het grond- 
bezit, is anderdeels een even gebrekkige verdediging van de 
positie van de patroonsklasse. Stoffel, wiens gemoedelijkheid 
van vroeger in zijn woordenkeus is overgebleven, kleedt zijn 
weerzin zoowel als zijn voorkeur in een idealistisch gewaad. 
Zelfs komen onze lieve Heer en Jezus Christus te pas, ver- 
wonderd dat de Deventer apostel in hunnen naam den dienst 
predikt van Mammon en Baal. i) Zijn groote ethische drijf- 



1) De dingen waarover de burgers van Stoffels toekomstmaatschappij vrij 
moeten beschikken, zullen zij krijgen krachtens een natuurlgk recht niet alleen 
maar volgens een bijzondere wilsbeschikking van de Voorzienigheid. £enmaal 
erkend, zegt de schrijver, »het gelijk recht van alle menschen op het gebruik 
van het licht, de lucht, het water en den grond" — zal hun niet langer ont- 



Digitized by 



Google 



EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 141 



veer is de liefde voor recht, en deze openbaart zich hoofd- 
zakelijk in een liefde voor het eigendomsrecht. De mensch 
moet vrij beschikken over het arbeidsprodukt zijner handen, 
dit is de korte tekst van zijn betoog; en hij verzuimt niet 
er telkens met prijselijke nauwgezetheid bij te voegen, dat 
hij deze stelling wil uilbreiden ook tot verjaars- en andere 
eerlijke geschenken. Dit zijn zijne geboden, één voor tien. 
En niets, meent Stoffel, staat in onze maatschappij eene 
volledige uitoefening van het eigendomsrecht in den weg, 
als het privaatbezit van gerond en bodem. Overigens vindt hij 
aan den aardschen knikker niemendal dat hij zou moeten 
verzwijgen. Tenzij, natuurlijk, het streven van socialisten en 
sommige radikalen om aan de rijken en gegoeden iets af te 
nemen ten voordeele van de arbeiders, zooals de vrienden 
van sociale wetgeving zeggen te willen doen. i) Maar het 
bedrijf dat hij, Stoffel, vertegenwoordigt, is van zulke booze 
praktijken volkomen vrij. En nu gaat hij aan het bewijzen. 



houden worden — >het natuurlijk recht om hun arbeid toe te passen op Gods 
gaven.'* Hieronder verstaat de heer Stoffel: »het licht, de lucht, het water en 
den grond." Een diskussie tusschen den heer Stoffel en een geloovigen grond- 
eigenaar zou zeer goed kunnen [zijn. De fabriek van de fïnna Stoffel is in 
de oogen van vele medeburgers niet minder een gave Gods. 

I) Ziehier een proeve van Stoffels angst- en smartkreten: 

„. . . Groote Goden, waar gaan wij heen? 

Is het dan reeds zóóver gekomen, dat het eigendomsrecht, het recht van den 
man — of de vrouw — op zgn eigen arbeidsproduct, om dit te gebruiken zooals 
hem zelf het beste voorkomt — mits geen inbreuk makende op de gelijke 
rechten van anderen — het heilig recht van den man — of de vrouw — op 
zijn eigen persoon, een zaak is geworden, die zou afhangen van de willekeur 
eener regeering, die daarover naar goedvinden der meerderheid zou mogen 
beschikken ? 

Is het nu al recAf geworden, dat de Staat neemt van den eenen burger om 
het aan den ander te geven, wanneer de meerderheid uitmaakt, dat dit is >in 
het algemeen belang"? 

Is het eigendomsrecht in den laatsten tijd een fictie geworden, die alleen 
geëerbiedigd wordt, zoolang de regeering haar gelieft te handhaven? .... Is 
dit nu de laatste ontdekking van de rechtswetenschap, dat er geen recht uit 
eigen kracht bestaat, maar dat alle recht gemaakt wordt door de Staatsmacht }*' 
(BI. 14 en 15.) 

Weet men dan in Deventer niet dat de Staat jaarlijks voor vele tientaUen 



Digitized by 



Google 



14» IB&iiGE^ SOCZALBTB€ra^ SKOIIOiDE. 

Wij zagen hoe zeer ten onrechte Stoffel, als woordvoerder 
van het industrieele kapitaal, den grondbezitters verwijt dat 
zij, en zij alleen, dit worden van het werk van anderen. Men 
zie nu hoe ver van alle ekonomische waarheid, het betoog 
van de billijkheid van het andere kapitalistische privilegie 
verwijderd blijft. 

Aan een niet onbekenden liberalen voorstander van sociale 
politiek, den heer Westerouen van Meeteren, zal Stoffel het 
nimmer vergeven dat hij eenmaal »voor het eerst'' de socia- 
listische gedachte heeft uitgesproken, dat de werkgever den 
arbeider nog meer schuldig is dan het loon." Helaas, wat 
heeft deze » onwaarheid die wijd verspreid is" al »veel kwaad 
gebrouwen." i) »Zij is de oorzaak geweest, dat de menschen 
den ondernemer en als zoodanig werkhuurder, zijn gaan be- 
schouwen als iemand, die gewoonlijk zijn arbeiders besteelt.^' 
Vreeselijk? En hoe krijgt hij dat gedaan, volgens > de men- 
schen ?" Wel, >hij geeft hun de ruilwaarde van hun arbeid 
en steekt op zijn gemak de meerwaarde in den zak." Zoodat 
>als hij aanspraak wil maken op den naam van een fatsoen- 
lijk mensch, (hij) dan zijn arbeiders ook loon moet geven als 
ze ziek zijn of werkloos, en pensioen als ze oud zijn. Hij 
moet zorgen voor hun opvoeding en hun goed gedrag, en 
hij moet hun een menschwaardig loon geven." 

Niet vreemd, welbeschouwd, dat zulke verderfelijke stellin- 
gen — verbeeld u, een menschwaardig loonl — thans »diep 
doorgedrongen in onze samenleving," de meest rampspoedige 
werking hebben gehad. Zij hebben >de verhouding tusschen 
ondernemers en arbeiders onnoodig slecht gemaakt; zijn 
oorzaak van wantrouwen, haat, talloos veel twisten en onge- 



millioenen van de burgers afneemt en daarover beschikt naar besluiten eener 
meerderheid ? Verder verplichte de heer Stoffel, als hij tot bedaren is gekomen, 
het lezend publiek met de mededeeling van de wijze, hoe bij meeningsverschil 
over recht men eene andere beslissing dan die van de meerderheid zal kunnen 
volgen; en welk recht eene minderheid zal laten gelden om hare zienswijze 
op te leggen aan het geheel; eindelijk hoe men, bij strijd over recht, te weten 
zal komen wat door het recht wordt geëischt. 
i) BI. i6 en vervolgens. 



Digitized by 



Google 



EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 143 

regeldheden, verwaarloozing van plichten van de zijde der 
arbeiders, ondergang van het bedrijf tot schade van allen". 
En dit alles door een stelling» een gedachte 1 . . • 

2k»o kan een los woord, onnadenkend uitgesproken, voor 
het eerst door den heer Westerouen van Meeteren, misschien 
in een oogenblik van niet volkomen toerekenbaarheid of 
althans van niet geheel normale helderheid des geestes daar- 
heen geworpen, onberekenbare onheilen stichten. Dubbel 
betreurenswaardig, inderdaad, nu er juist eene zoogenaamde 
sociale kwestie bestaat, welke, door het in omloop brengen 
van zoodanige lichtvaardige en — zachtst gezegd — onjuiste 
beweringen, geroot gevaar loopt buitengemeen gekompliceerd 
te worden. Terwijl men toch met een klein beetje verstand — 
aangenomen dat het geen kwade wil is geweest — alle last 
had kunnen vermijden. 

Immers, zegt de heer Stoffel: »de eenvoudige waarheid is, 
dat de verhooging van loon, die in de bovengenoemde eischen 
aan den «fatsoenlijken" werkhuurder worden gesteld, door 
velen van hen niet kan betaald worden, omdat het product 
niet meer waard is.'* 

Welnu, zou men zeggen, wat niet kan dat kan niet; waar 
niet is, verliest de keizer, laat staan de arbeider, zijn recht. 
Vervolgen mj intusschen het betoog dat ons zal moeten aan- 
wijzen, hoe het is gelegen met de andere fatsoenlijke onder- 
nemers, die in het minder frekwente maar gelukkige geval 
verkeeren, dat het produkt wel meer waard is. Doch ook hen, 
vinden wij, weet de heer Stoffel vrij te pleiten van den cxor- 
bitanten eisch dat ze hun arbeiders een menschwaardig loon 
betalen. Er is namelijk een tweede misverstand, waaruit het 
eerste is voortgekomen, i) »De meeste menschen meenen 



i) De schrijver vertelt nog van een derde misvatting, wederom schuldig aan het 
stichten van «onnoemelijk veel kwaad*' en wederom algemeen verbreid: «hetis 
het geloof dat men maar arbeiders in dienst behoeft te nemen om het een of 
ander ding te gaan fabriceeren en dan onmiddellijk winst maakt" De brochure 
heet Op den verkeerden Weg en is een bestrijding van het socialisme. Duide- 
lijker, wellicht, dan uit eenige andere blijkt uit deze plaats dat ook deze bro- 
chure geen uitzonderling maakt op den regel, die ons leert dat alle bestrijding 



Digitized by 



Google 



144 EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 

dat de prijs van den arbeid (het loon) «/>/ mag afhangen 
van vraag en aanbod en de prijs van het produkt weU' En 
waarom acht de schrijver dit onzinnig? Omdat »het produkt 
is het loon van den arbeid of behoort het ten minste te zijn." 



Hier is echter een tegenstrijdigheid. Eerst laat de schrijver 
het loon afhangen van vraag en aanbod, dan noemt hij het 
produkt het loon van den arbeid. De oplossing is blijkbaar 
dat het woord arbeid staat voor twee zeer verschillende 
dingen; in het eene geval voor de funktie van eigenlijke 
arbeiders, in het andere voor het totaal der aangewende 
werkzaamheid. Inderdaad hebben wij te doen met een wel- 
bekenden en ouden truc van pleitbezorgers van het kapita- 
lisme, om onder arbeid te willen verstaan het geheel der 
verrichtingen van alle personen die bij de produktie betrokken 
waren, zelfs met inbegrip van hen die geldelijk risiko hebben 
gedragen als eenige bezigheid. Nu, dat zij allen tezamen 
»het produkt" ontvangen »als loon," zal wel niemand ont- 
kennen. Maar dit is geen bijzondere karakteristiek van de 
kapitalistische, dit komt voor bij ieder stelsel van voort- 
brenging. Ook de onvrijen van Griekenland en Rome, ook 
de negerslaven konden gezegd worden tezamen met hunne 



van het socialisme neerkomt op noodkre en van een wankelend kapitalisme. 
Een wetenschappelijk betoog richt zich niet tegen zotte vooroordeelen. Het zijn 
tobberijen van lieden als Stoffel zelf, geen algemeen verbreide, allerminst socia- 
listische meeningen. Verliezende ondernemers, verdwijnende kapitalisten, zij be- 
hooren ongetwijfeld tot de gebeurlijkheden in de kapitalistische maatschappij ; 
maar men zal even weinig de kategorieën van deze produktie wijze willen bestu- 
deeren aan zoodanige gebeurlijkheden, als de anatomie van het menschelijk 
lichaam aan het kadaver van een mbgeboorte of de werking van stoom als 
beweegkracht aan een gederailleerde lokomotief. Men onderzoekt het stelsel in 
zijn normale vormen, en normale vormen zijn toenemende kapitalen, winnende 
ondernemers. De kapitalistische klasse ziet haar bezit aangroeien; of om den 
onpersoonlijken, burgerlijken term te gebruiken, het nationale kapitaal ver- 
meerdert xich. De vraag is: hoe? Een onbevangen studie vau deze vraag is 
van de kapitalistische schrijvers niet te verwachten. 



Digitized by 



Google 



EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 14S 

meesters het produkt te ontvangen van hun arbeid. De vraag 
blijft, en het antwoord wisselt met het stelsel van voort- 
brenging, in welke verhouding de betrokken personen over 
het produkt plegen te beschikken. 

De heer Stoffel gevoelt dat hij aan deze vraag zich niet 
kan onttrekken. Te zeggen dat het produkt het loon is van 
den arbeid, moge fraai zijn, duidelijk is het niet. Wij willen 
gaarne vernemen hoe in het kapitalisme de verdeeling van 
de totale opbrengst plaats vindt. Lezen wij de brochure 
verder, dan zien wij gebeuren wat te verwachten was: in 
plaats van de beschrijving van het kapitalistisch proces treedt 
het pleidooi van zijn zedelijke grondslagen. Reeds was de 
verduistering van de ekonomische waarheid door de lofrede 
bronnen in de laffe generalisatie van den arbeid. En deze 
leugen maakt een andere onvermijdelijk. Het verschil in 
werkzaamheid verstopt, kan het overeenkomstige onderscheid 
in de belooning geen licht verdragen. Zooals in deze 
ekonomie één woord is voor allen arbeid, is er maar één 
woord voor alle loon. De arbeider krijgt zijn loon, en als 
arbeider is ook de kapitalist het zijne waardig. 

De ondernemer, verzekert de schrijver, >verdient niet op 
zijn arbeiders, voor zoover hij hun de marktwaarde van hun 
arbeid betaalt." Is het woord verdienen hier de benoeming 
van een staathuishoudkundig proces? — neen, het bedoelt 
eene moreele verhouding. Er zijn treffende gevallen dat 
tegelijk de «marktwaarde" van »den arbeid" daalt en die 
van >het produkt" stijgt, zou dan de schrijver nog willen 
betwisten dat er op de arbeiders gewonnen wordt? — Winnen^ 
zal hij antwoorden, ontken ik niet dat men doet, maar ik 
beschouw de winst als iets dat den ondernemer toekomt. 
Immers, zegt hij, de ondernemer verkrijgt zijn inkomen in de 
eerste plaats uit zijn eigen arbeid en zijn organiseerend talent, 
dat een hoogere soort van arbeid is. »Wanneer," gaat hij 
voort, «wanneer de ondernemer tevens kapitaalbezitter is, 
dan waagt hij zijn geld en verkrijgt in het gunstigste geval, 
boven zijn ondernemersloon, de kapitaal-rente die hij in elke 
andere belegging kan maken, vermeerderd met de risico-premie. 

10 



Digitized by 



Google 



146 EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE 

In het ongunstigste geval verdient hij de risico-premie niet en 
verliest op den duur zijn kapitaal." (BI. 17). 

Met het welnemen van den heer Stoffel, de omstandigheid 
dat men in de geïnteresseerde wetenschap al die rubrieken 
zoo keurig weet te betitelen, zal geen ernstig onderzoeker 
mogen afleiden van de waarheid dat het ten slotte de arbeider 
is die én risiko-premie, én kapitaal-rente, én ondernemersloon 
heeft op te brengen, terwijl hij zelf met de marktwaarde van 
zijn arbeidskracht naar huis kan gaan. De kans dat de 
kapitalist alles kan verliezen, hoe belangrijk ook voor de 
betrokken personen, verandert niets aan de wijze waarop 
winst ontstaat. De ondernemer, wien dit ongeluk overkomt 
is enkel in technischen, niet in ekonomischen zin een onderne- 
mer. De omstandigheid dat een West-Indisch planter somtijds 
door zijne slaven werd vermoord, de plantage in den brand 
werd gestoken en de zwarte werklieden in de bosschen vlucht- 
ten, is geen type of model voor de studie der produktie met 
slavenarbeid. Het feit van zijn failleeren bewijst dat voor den 
onvoorspoedigen ondernemer in het kapitalisme geen plaats 
was. Hij die praktisch de zegeningen van het kapitalisme 
niet geniet, kan ook niet theoretisch gezegd worden tot het 
kapitalisme te behooren. Hij heeft schijnbaar aan de kapita- 
listische produktie mée gedaan, maar in werkelijkheid niet 
anders dan de vruchten doorgebracht van vroegere beter 
geslaagde exploitatie van hem zelf of van derden, door het 
betalen van loon, het verslijten van machinerieën, het huren 
van grond. 

Wat den werkelijken kapitalist betreft, ontkennen wij dat 
hij arbeidt? Natuurlijk niet. Maar zijn bezigheid bestaat uit 
het leiden van een . produktie — wij willen voorloopig niet 
spreken van de kapitalisten die een ondernemer salarieeren 
en zelf niets doen — welke gericht is op de exploitatie van 
werklieden. Behalve voor de technische, heeft hij voor de 
finantieele zijde van het bedrijf te zorgen — te zorgen dat 
ondernemersloon, kapitaal-rente en risiko-premie behoorlijk 
worden opgebracht. Dat is zijn dikwijls bij een en denzelfden 
persoon berustende werkkring ; en geene moreele of andere 



Digitized by 



Google 



EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 147 

aspekten van dezen werkkring mogen ons beletten zijn 
ekonomisch karakter te doorzien. Kan hij het bedrijf in 
technischen zin alléén doen ? Zoo niet, dan moet hij met anderen 
werken, waaronder arbeiders ; van de gezamenlijke opbrengst, 
hen betalen »naar vraag en aanbod", en het overige in den 
zak steken (of in dien van zijn mede-kapitalisten.) Het leiden 
van produktie is eene bezigheid die in elk maatschappelijk 
stelsel past, het maken van een overschot (in geld) is het 
kenmerk van het onze. 

Dit overschot, nu, ontstaat enkel en alleen uit de opbrengst 
van »het produkt" boven de > marktwaarde" van de arbeids- 
kracht De technische eigenaardigheid van deze waar is, 
dat hij zich laat gebruiken tot het voortbrengen van een 
produkt, waarvan de waarde buiten alle evenredigheid staat 
met hare eigen waarde. Geene andere waar heeft die bepaalde 
nuttigheid, eene nuttigheid welke vooral door de kapitalisten, 
de koopers van de arbeidskracht, wordt op prijs gesteld. 
Echter niet op een prijs, die, in het beste geval, de waarde 
te boven gaat. Nu heeft in het algemeen de waarde van de 
waar arbeidskracht, niets ter wereld te maken met de waarde 
van eenige andere waar die zij helpt voortbrengen. De waarde 
van iedere waar wordt bepaald door de hoeveelheid maat- 
schappelijk noodigen arbeid aan hare produktie besteed. De 
hoeveelheid arbeid aangewend om een snoer paarlen te ver- 
vaardigen, is eene grootheid klaarblijkelijk niet in het geringste 
afhankelijk van de hoeveelheid arbeid, noodig om de arbeids- 
kracht te onderhouden van den visscher die de paarlen duikt 
en den werkman die het kollier rijgt. Laatst bedoelde groot- 
heid kan in geld uitgedrukt een bagatel, de eerste een schat 
zijn. Niet steeds is deze verhouding zoo gunstig voor den 
bezitter van de arbeidsmiddelen. Maar altijd moet zij een 
overschot opleveren ; in geld uitgedrukt : een kleinere of 
grootere winst. 

Verder is het ongetwijfeld een gewichtige kwestie hoe deze 
winst verdeeld wordt, vervalt in kategorieën van risiko-premie, 
rente, ondernemersloon enz. Doch hoe dit zij, anders dan uit 
winst kunnen deze porties van diverse kapitalisten^ of porties 



Digitized by 



Google 



148 EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 

die een en dezelfde kapitalist onder verschillende benamingen 
opstrijkt, niet worden gevonden. 

Nu zal men moeten erkennen dat de heer Stoffel, het moge 
onwillens zijn, de bondigheid wat ver drijft door het hier aan- 
geduide kapitalistische proces, te reduceeren tot » eigen arbeid" 
en » organiseerend talent" van den ondernemer. Geen eigen 
arbeid, noch het schoonste talent brengt inkomen, kapitaal, 
brengt geld voort De ondernemer ontvangt de kapitaal-rente, 
zegt Stoffel, die hij in elke andere belegging kan maken. 
Fraaie ekonomie, die zich van de termen bedient van de 
eifektenbeurs 1 Wie maakt uwe rente, Mijnheer, wie anders 
dan de arbeider, die er hard voor moet werken in de onder, 
nemingen waarvan gij de obligaties bezit en de koupons 
moogt snijden? 

Evenmin als het vorige, blijkt uit het volgende dat de 
schrijver van het kapitalistisch stelsel iets meer begrijpt of 
iets meer wil weten, dan wat zijne lastgevers direkt finantieel 
interesseert 

»Wanneer de ondernemer geen kapitaal bezit, dan moet 
hij het leenen tegen de gewone rente, vermeerderd met de 
vrij hooge risico-premie, die het kapitaal, in de industrie 
belegd, eischt Zijn belooning is dan eenvoudig ondernemers- 
loon, d. i. arbeidsloon." 

Met dit tweede kapitaal is natuurlijk kapitalist bedoeld. Maar 
is het 't produktieproces. en de elementen van het kapitalisme 
verklaren door te zeggen, dat het kapitaal iets eischt f Wat 
wij moeten weten, is door wie en op welke manier de eisch 
van de kapitalisten is te vervullen. 

In de verdacht-naieve verbeelding van hunnen woordvoerder, 
echter, bestaat de noodzakelijkheid van het systeem te ver- 
klaren geenszins. Moesten wij hem gelooven, dan rijpten 
aan het kapitalisme de heerlijkheden van rente en premie 
zoo natuurlijk als aan den boom zijne vruchten — uitgezon- 
derd de boomen door den bliksem getroffen of opgegeten 
door de rupsen. — Nog meent hij te moeten protesteeren 
tegen eene voorstelling, evenals de vorige enkel geschapen 
door zijn angst In beide door hem genoemde gevallen, zegt 



Digitized by 



Google 



EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 149 

hij, >is van een extra winst waarin goedgeloovige menschen 
— die buiten de industrie staan — de arbeider willen laten 
deelen en waaruit zij den ondernemer, ten behoeve van de 
arbeiders, alles en nog wat willen laten betalen, geen sprake." 
Het zal wel waar zijn, maar evenmin als in de werkelijkheid 
is er sprake van geweest in de kritiek. De totale winst laat 
zich splitsen in de verschillende vormen van het op de arbei- 
ders verdiende overschot; en al wat men hun wederom in 
verschillende vormen teruggeeft, moet gevonden worden op 
het aandeel van den kapitalist. 

Waarlijk, indien de heer J. Stoffel volstrekt met de publieke 
zaak zich wil bemoeien, deed hij beter met eerst het socialisme 
te bestudeeren dat hij bestrijdt. Niet zoozeer om het socia- 
lisme maar om de beschrijving van het kapitalisme dat hij, 
hoewel niet buiten de industrie staande^ ver af is van te 
kennen ; en welks werking en organisatie, trouwens, eerst door 
de organen van de arbeidersklasse zijn onthuld. — 

VI. 

Zooals alle goederen, behalve hun blijvenden aard van 
verbruiksartikelen, in dit ekonomisch tijdvak een voorbijgaand 
karakter van ruilvoorwerpen vertoonen, is alle arbeid, behalve 
algemeen menschelijke werkzaamheid, te beschouwen als een 
bijzondere maatschappelijke verrichting. De algemeen men- 
schelijke werkzaamheid zal steeds bij eenige verdeeling van 
arbeid en verschil in neiging of bekwaamheid bij de men- 
schen, deze g^oote splitsing veroorloven van eene leidende en 
eene uitvoerende funktie. Tegenwoordig vervalt de bijzondere 
maatschappelijke verrichting welke ruilvoorwerpen of zaken 
van waarde levert, in onderscheidene kategorieën, waarvan 
wij de twee grootere hebben opgemerkt: de bezigheid van 
de bezitters der produktiemiddelen, de bezigheid van de be- 
zitters der arbeidskracht. 

Verder, tengevolge van dezelfde oorzaken die deze laatste 
scheiding hebben teweeg gebracht, valt het bezit van de 
produktiemiddelen, een voorbijgaand wijl maatschappelijk 



Digitized by 



Google 



150 EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 

voorrecht, samen met de leiding van de produktie, een blij- 
vende menschelijke taak. Hieruit volgt, dat tegenwoordig 
aan de leiding van de produktie verbonden is het stoffelijk 
voordeel, dat het bezit der produktiemiddelen oplevert. De 
uitoefening van deze taak, derhalve, schijnt rechtens en on- 
veranderlijk aanspraak te maken op het genot van dat privi- 
lege. Wij zagen den heer Stoffel de verschillende vormen 
waarin het voorrecht door den kapitalist tot zich wordt geno- 
men, voorstellen, onder de generale benaming van loon voor 
arbeid, als de eenvoudigste en billijkste zaak ter wereld. 

Letten wij, evenwel, op het kapitalistisch proces, dat de 
winst verschaft aan de bezitters van de produktiemiddelen, 
dan vinden wij dat dit aandeel van den kapitalist in de op- 
brengst van den gemeenschappelijken arbeid, in het algemeen 
gesproken, grooter wordt naarmate het loont aandeel van 
den arbeider, kleiner is. Aangezien alleen en uitsluitend door 
het in gebruik nemen van arbeidskracht het overschot aan 
waarde boven de betaalde arbeidskracht ontstaat; en boven- 
dien de kapitalist veelal in overmacht dit laatste bedrag 
vaststelt, is er een tegenstrijdig belang van kapitalist en 
werkman, ligt in het stelsel het beginsel van een onover- 
komelijke veete tusschen chefs en uitvoerders der produktie. 
Niet vreemd, dus, dat de inkomsten van de eersten bij de 
laatsten veelal doorgaan voor diefstal van loon. De eersten 
zien enkel op hun bezigheid als leiders van de voortbren- 
ging. De laatsten alleen op hun emplooi als machines van 
winst. Van hier de strijd over recht en onrecht in de kapi- 
talistische maatschappij, — ideeële verschijningsvorm van de 
ekonomische tegenstelling. 

De maatschappelijke tegenstelling ligt niet in de verdee- 
ling van arbeid tusschen leiders en uitvoerders als zoodanig, 
maar in de verdeeling van de opbrengst van den arbeid 
tusschen ondernemers en werklieden. Echter, zoolang het 
kapitalisme in zijn aanwas stond, en den strijd te voeren had 
tegen de middeleeuwsche machten van adellijk grondbezit en 
lijfeigenschap, van internationale kerk en nationaal despotisme, 
zoolang bleef die tegenstelling verborgen. Een andere, voor 



Digitized by 



Google 



EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 151 

het oogenbKk sterkere en aan de ontwikkeling van het kapi- 
talisme vijandige tegenstelling, welke in het feudalisme was 
wat de verhouding van arbeider en kapitalist thans is gewor* 
den, belette de opleving van dit nog nauwelijks vermoede 
geding. Het was de macht van de heeren van den grond, 
die tevens heer wilden zijn van zijne vruchten. Allen, dus, 
die bij de opkomende warenproduktie waren betrokken, die 
vrije beschikking over arbeidsprodukten, vrijheid van arbeid 
en ook staatkundige vrijheid behoefden, moesten gezamenlijk 
den klassenstrijd voeren tegen den gemeenschappelijken vijand. 
De steden tegen het land, de Staat tegen de Kerk, de burgers 
tegen vorsten en heeren — vormen van den strijd, die alle 
toekomstige veeten bedekte, waarvan de beginselen lagen in 
den schoot der nieuwe maatschappij. En de ideëele vormen 
waarin deze feitelijke verhouding zich openbaarde, getuigden 
van het goede recht van al die vrijheden. Daarbij behoorde 
de vrijheid van den ondernemer, den hoofdpersoon in de 
nieuwe maatschappij, om den werkman, zijn politieken helper, 
ekonomisch op kapitalistische wijze te exploiteeren. 

Niet eer het kapitalisme had overwonnen, ontwikkelde zich 
de tegenstelling die er onafscheidelijk van is. In de middel- 
eeuwen was uitbuiting en afpersing te over, maar de daders 
waren veeleer lieden die buiten de produktie stonden en leefden 
van den roof dien zij met direkt geweld of indirekten dwang 
op de nijvere helft van de bevolking wisten te behalen. Aan 
het kapitalisme was het voorbehouden, de groote sociale 
tegenstelling te trekken binnen den kring van de produktieve 
werkers. Was te voren het belang van allen die arbeidden 
één geweest in den zin van aller bescherming te behoeven 
tegen een machtigen vijand, thans kwam een tweeledig en 
tegenstrijdig belang, in het wezen der nieuwe voortbeweging 
besloten, de werkers scheiden in roovers en beroofden. Althans 
tegen het einde van den feudalen tijd waren nog enkel kleine 
maar machtige parasietische klassen over. De ekonomische 
belangen van de beide eerste standen in Frankrijk voor de 
Revolutie, waren eenvoudig die van een regeerende groep, 
welke gaarne zoo ruim mogelijk leefde ten koste van een rijke 



Digitized by 



Google 



152 EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 

bourgeoisie, en de mindere klasse nauwelijks voor menschen 
hield. Geen wonder dat de derde stand als één man zich 
tegen haar verklaarde, en, toen het oogenblik was gekomen, 
niet rustte voor hare macht was vernietigd. Geen wonder, 
bovendien, dat men de heiligheid van den eigendom opnam 
onder de menschenrechten, die voortaan de rechten van den 
kapitalist zouden zijn. 

De drakonische wetten tegen de associatie van werklieden 
bewijzen dat de revolutionnaire bourgeoisie haar nieuw belang 
gevoelde. De beweging van den konmiunist Baboeuf getuigt 
van eenige aanwezigheid van het besef aan den anderen 
kant. Maar nog zou het na 1795 vele jaren duren, eer in 
Europa het kapitalisme al zijne vijanden had geslagen. Zoo 
lang ook bleef de tegenstelling sluimeren. Zoo lang vertegen- 
woordigde het kapitalisme den vooruitgang. Zoo lang viel 
samen met den voorspoed van het kapitalisme, het belang 
v^n de meerderheid der bevolking in ieder land. En zoo lang 
genoten de kapitalisten, leicjers van de produktie, het batig 
saldo op den arbeid van de werklieden, zonder dat de werk- 
lieden, anders dan bij hooge uitzondering, eenige klacht 
lieten hooren. 

De eerste klachten kwamen uit Engeland. Met de voltooiing 
van het kapitalisme tegen het einde van de i8e eeuw, nam 
ook de moderne klassenstrijd in Engeland een aanvang, en 
viel in enkele oogen de ideëele weerschijn van het kapitalis- 
tisch onrecht. De dichters van het begin der 19e eeuw hebben 
het bespeurd en niet de dichters alleen, ettelijke jaren eer 
men er de uitdrukking van vindt in de litteratuur van Frankrijk 
of Duitschland. In 1830 streden in Frankrijk de arbeiders 
met de burgers, zooals in 1789, tegen de herstelde arlsto- 
kratie; in Februari en Maart 1848 nogniaals en nu voor het 
laatst: reeds in Juli keerden zich de burgers tegen hunne 
bondgenooten van gister. In Nederland herhaalden zich op 
kleinere schaal de gebeurtenissen van 1848 in Parijs. Te 
vergeefs trachtten eenige vreemdelingen aan de arbeiders 
hier een weinig van het proletarische klassenbesef bij te 
brengen. Zij werden er op de Nieuwmarkt te Amsterdam 



Digitized by 



Google 



EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 153 

met roeden voor geslagen. En het duurde tot na 1870 eer 
over het Hollandsche proletariaat iets van het besef der 
groote kapitalistische tegenstelling, dat de internationale 
beweging zijner broeders bezielde, langzaam begon te lichten. 
Nu is het algemeene verzet tegen de kapitalistische heer- 
schappij onafscheidelijk verbonden aan de kritiek van het 
kapitalistisch onrecht. 

De stilzwijgend aangenomen grondslag van de met de 
tijden wisselende begrippen van het eigendomsrecht, is blijk- 
baar het gevoelen dat de belooning van den arbeider de 
opbrengst is van den arbeid. Van het oogenblik dat de 
mensch zijn hand uitstrekte tot eenige bezigheid, moet dit 
besef in hem aanstonds de kracht hebben gekregen van een 
zedelijk axioma. De wijze waarop dit axioma zich deed gelden 
moet afhankelijk zijn gebleven van de wijze waarop het werk 
werd verricht. Met andere woorden, van de produktiewijze 
zijn in alle tijden, behalve de instellingen van het eigendom, 
ook de begrippen over eigendomsrecht het gevolg geweest 
Wij zagen dat zoolang het kapitalisme den maatschappe- 
lijken vooruitgang vertegenwoordigde, oude en verouderde 
sociale toestanden deed plaats maken voor een nieuwe orde 
die het belang van de meerderheid diende, het kapitalistisch 
eigendomsrecht niet werd aangevochten. Wij zagen dat de 
tegenstelling in het kapitalisme vervat, onderdrukt werd door 
de t^enstelling aan het kapitalisme vijandig. Alleen met de 
onbelemmerde ontwikkeling van het systeem, groeide ook 
het antagonisme in zijn binnenste. — Maar dit is niet alles. 

Het bijzondere kenmerk van de kapitalistische produktie is 
de snelheid waarmee hare evolutie wordt voltrokken. Tegelijk 
met hare voltooiing doen zich verschijnselen voor van terug- 
gang. Onmiddellijk na de klasse die door haar wordt gedragen, 
treedt de klasse op die haar zal te niet doen. Nauwelijks 
vrij om zich te bewegen, legt zij de grondslagen voor de 
ekonomische vormen die haar zullen vervangen. In ieder land, 
bijna, dateeren van den eersten kapitalistischen bloei heu^e- 
nissen van kapitalistische gruwelen, die geleid hebben tot het 
eerste proletarisch verzet. En deze verschijnselen van terug- 



Digitized by 



Google 



154 EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 

gang, willen wij zeggen, verscherpen de tegenstelling — gelijk 
de omstandigheden van opgroei haar hebben verduisterd. De 
bourgeoisie heeft inderdaad overal althans van een groot 
deel der arbeiders de positie verbeterd. Vrijheid van handel, 
verbetering van onderwijs, afschaffing van lasten op levens- 
middelen, vrijheid van vereeniging, maatregelen voor volks- 
gezondheid en volkswelvaart — punten van een program 
tegenover welk het zwarte ondankbaarheid en volslagen gebrek 
aan taktiek zou hebben geschenen, een speciaal program 
te stellen. Het stond in het gesternte geschreven dat het 
lotgeval der moderne menschheid regeert, dat de bourgeoisie, 
om het stoffelijk profijt te vergrooten, in haar systeem aan 
de direktie der voortbrenging verbonden, en tot den laatsten 
gulden te genieten, voor de noodzakelijkheid zou worden 
geplaatst van een reeks van hervormingen — als weldaden ont- 
vangen door dezelfde klasse, aan welker ekonomische diensten 
zij al het hare was verschuldigd. 2k>o kon zij, behalve de 
winst, zich het voordeel verzekeren dat de winst haar werd 
gegund. De onbevangenheid waarmee de maatschappelijke 
gunsten genoten werden, evenaarde in haar goeden tijd de 
lijdzaamheid waarmee de maatschappelijke grieven werden 
geduld — toegeschreven aan natuurlijke en bovennatuurlijke 
oorzaken, maar aan de sociale niet. En wat de bourgeoisie 
leerde, en wat haar geleerd werd, strekte geenszins om de 
onkunde te verhelpen die hare kracht was. 

Intusschen, hoe wenschelijk ook in den zin van voorbe- 
reiding eener hoogere maatschappelijke regeling, hebben de 
verschijnselen van kapitalistisch verval, zeiden we, de strekking 
om de kapitalistische tegenstelling te verscherpen. De rol 
van den arbeider ab winstmachine, de rol van den onder- 
nemer als maker van winst, worden in hunne onderlinge 
verhouding duidelijker — voor den ondernemer niet, maar 
voor den arbeider. En deze uitdrukking vatte men niet op 
in een beperkt stoifelijken, maar in een algemeen ekonomischen 
zin. Om haar waar te maken is volstrekt niet noodig, en 
allerminst is zij eensluidend met de bewering, dat de arbeiders 
al armer, de ondernemers steeds rijker worden. Niet zoozeer 



Digitized by 



Google 



EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 155 

de afmeting van het deel der beiden is het wat de aandacht 
trekt, maar de wijze waarop beider deel tot stand komt. 
Want, naarmate het stelsel zijn vooruitstrevend en revolu- 
tionnair karakter verwisselt met trekken van behoud en reaktie, 
zien wij in zijne vertegenwoordigers het leiderschap van de 
produktie meer en meer ondergaan in de exploitatie van de 
produktiemiddelen. Winstmaken was ook vroeger het doel, 
maar in de ekonomische omstandigheden lag dat het besturen, 
het bevorderen van de voortbrenging de funktie was, die 
boven de andere den aandacht trok. Het kapitalisme bracht 
een menigte artikelen van dagelijksch gebruik onder bereik 
van een grootere menigte dan ooit te voren. Het lokte de 
plattelandsbewoners bij massa's naar de steden waar zij betere 
loonen verdienden, en, ondanks alle bezwaren, in eenige op- 
zichten een hoogeren levensstandaard vermochten te voeren. 
Het schiep nieuwe bronnen van bestaan voor iedereen. In 
vreemde werelddeelen opende het kapitalisme markten voor 
overtallige voorraden, en effende het een arbeidsveld voor 
een overtollige bevolking. Zelfs indien dit alles niets dan 
schijn ware geweest of meer dan opgewogen door de na- 
deelen, — schoon wel niemand de historische verdiensten 
van het kapitalisme zal loochenen — is het onderscheid tus- 
schen deze periode van het kapitalisme en de tegenwoordige 
voor ieder voelbaar. 

De konkurrentie mag de prijzen hebben verlaagd, zij heeft 
ook tot op de grens van onbruikbaarwordens en somtijds over 
de grens, het gehalte van zeer vele artikelen doen dalen; 
zoodat de handel in surrogaten en het bedrijf van vervalsching 
de gewone industrie dreigt te verdringen. Het stelsel waarin 
wij leven heeft de betreldcelijke overbevolking geschapen, 
door den arbeid van de proletariërs aantewenden, niet voor 
de behoefte, maar voor de winst. Koloniën en volkplantingen 
konkurreeren om het hardst met het kapitalistisch moeder- 
land; en de vraag is eer hoe men de goedkoopere arbeids- 
kracht van minbeschaafde vreomde werklieden in Europa zal 
kunnen gebruiken, dan hoe men den arbeiders van overvulde 
steden en kwijnenden landbouw een uitkomst in den vreemde 



Digitized by 



Google 



156 EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 

zal verschaffen. Nieuwe markten te openen mocht vroeger 
een weldaad schijnen, ook voor de bewoners van de verre 
landen. Nu nog maar weinige streken van Europeesch- 
kapitalistischen invloed zijn vrij gebleven en iedere Europeesche 
Staat het resteerende afzetgebied begeert met een drift alleen 
geëvenaard door vre^s voor mededingers, is het gevaar voor 
koloniale en handelsoorlogen dermate toegenomen, dat de 
hersenschim van vrede in het kapitalisme, door een Russisch 
despoot wederom opgesteld, voldoende is om de halve 
bourgeoisie in geestdrift te ontvlammen. En althans voor het 
Europeesche proletariaat, voorgelicht door het wetenschappelijk 
socialisme waarin het zijne inzichten terugvindt, is het geen 
geheim meer, dat dit alles anders kon zijn — en anders zou 
zijn, indien de kapitalistische klasse alleen de taak had van 
voortbrenging en verdeeling te beheeren overeenkomstig de 
behoeften van de verbruikers. 

VII. 

Niet noodzakelijk, zeiden we, om de kapitalistische tegen- 
stelling in de afgaande dagen van het kapitalisme te ver- 
scherpen, is het armer worden van de groote massa der 
werkers. Wij willen daarmee niet zeggen dat het armer 
worden uitgesloten is. In dien zin lijden de proletariërs direkt 
stoffelijk nadeel omdat hunne positie, als het geheele systeem 
wankelt, zeker niet vaster wordt. Welk vak is veilig voor 
den inval der broodroovende machine ? Welke arbeiders voor 
de gevolgen van de overproduktie — die hen naakt en 
hongerig laat? De immer dreigende krisis; de werkeloosheid, 
nooit rustende helper van den kapitalist die den arbeider tot 
rusten noodzaakt ; — van het systeem onafscheidelijke euvelen 
die waarlijk niet de achting verhoogen voor de leiders van 
eene produktie, welke veeleer den ondergang schijnt te be- 
doelen van welvaart en beschaving. 

Naarmate wij de eindpaal der kapitalistische ontwikkeling 
naderen, wordt de afstand grooter tusschen de beideklassen. 
Uit die grootere verte gezien, is voor den proletariër de 



Digitized by 



Google 



EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 157 

positie van zijn raecster duidelijker, De kleinere patroon, 
type van de ondernemers uit het begin van het kapitalisme, 
stond dichter bij den werkman; tusschen hunne bezigheid, 
tusschen hunne belooning, was niet het verschil van thans. 
De werkman kon eenigermate verwachten patroon te worden. 
Voor het doen van zaken was het groote kapitaal niet noodig 
van tegenwoordig. Een talrijke middenstand maakte den 
overgang minder plotseling. Het was niet zoo juist te zeggen 
waar de arbeid, in engeren zin, eindigde en de uitbuiting 
begon. 

Het kapitalisme, verder, dat de warenproduktie voltooide 
en de rol van het algemeen equivalent eerst recht gewichtig 
maakte, heeft een ontzaggelijke uitbreiding gegeven aan het 
geld- en kredietwezen. Het systeem der staatsschulden; de 
overname van alle belangrijke takken van bedrijf door ven- 
nootschappen, samentrekking van produktie en distributie in 
een geringer getal handen, werkende met het geld van groote 
en kleine bezitters; hebben nogmaals den handel in gelds- 
waardige papieren doen toenemen. Wij willen er hier alleen 
van zeggen dat het schouwspel van dit veelomvattende bedrijf, 
waarbij op den voet van gelijkheid met andere groote kapi- 
talisten een wereld van financiers betrokken is, de beteekenis 
van het kapitalistisch proces als methode van afpersing en 
voorwendsel tot winstbejag, ten koste van haar produktief 
karakter, wereldkundig maakte. 

Uit het vorige is genoeg^am gebleken dat het verval 
eener produktiewijze de doorvoering is van hare eigen ekono- 
mische konsekwenties. Minder door menschen verstoord, dan 
door zijne eigen werkingen, zien wij het kapitaUsme de voor- 
waarden scheppen welke het socialisme behoeft. Wij zien 
het kapitalisme bezitsvormen in het leven roepen en wederom 
verderven. Door de werking van het kapitalisme wordt privaat- 
bezit van produktiemiddelen in steeds kleiner kring sa&m-, 
worden takken van bedrijf onophoudelijk aan het beheer van 
bijzondere personen afgetrokken ; het gebied van het partikulier 
initiatief voortdurend beperkt; dagelijks het openbare bestuur 
met een nieuw ekonomisch bedrijf of toezicht belast. 



Digitized by 



Google 



158 EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 

En meer wellicht dan eenige andere groep van teekenen 
van verval, dragen deze laatste er toe bij, dat het bijzondere 
emplooi van den kapitalist zichtbaar wordt voor ieder die 
oogen heeft om te zien. Immers, zoolang de levensvoor* 
waarde en grondslag van het stelsel in voortgaande ontwik- 
keling was begrepen en haar terrein uitbreidde : konden welke 
excessen ook van het partikulier initiatief niet ongedaan maken, 
hoe duidelijk hare toepassing op winst, geenszins op voort- 
brenging was gericht, dat de chefs van de zaken niet alleen 
een dikwijls veelomvattenden arbeid en grooter inspanning 
dan éen hunner ondergeschikten zich getroostten, maar ook 
het op deze wijze gewonnen geld wederom waagden in hunne 
onderneming. Het leiderschap van de produktie mocht meer 
en meer opgaan in de exploitatie der produktiemiddelen, 
geheel onkenbaar werd het nimmer. Er werd door de kapita- 
listen gewerkt en er werd geproduceerd. 

Thans, echter, kunnen wij het bedrijf van den kapitalist 
nauwelijks meer aanmerken als iets tweeledigs. De exploitatie 
der produktiemiddelen wordt, in de periode en ter plaatse 
welke wij beschouwen als het slot van de kapitalistische orde 
— wij bedoelen de laatste jaren van de ekonomisch meest 
gevorderde landen — wordt zijn eenige en uitsluitende be- 
zigheid. Niet aan de goede gezindheid van den kapitalist lag 
het, maar aan de ekonomische omstandigheden, dat hij vroeger, 
om te winnen, ook produceerde. Winst zonder produktie, hoe 
dan ook, was onmogelijk; daarentegen het geval van pro- 
duktie zonder winst zeer bestaanbaar. — Maar nu, terwijl het 
partikulier initiatief zichzelve afschaft en de konkurrentie een 
natuurlijken dood sterft; nu de kapitalisten zich vereenigen 
en wederom vereenigingen van kapitalisten samengaan, nu 
wordt op alomvattende schaal het feit publiek dat zij geen 
voortbrenging maar voordeel bedoelen. 

Als nieuwen trek hebben wij ten eerste de uitgebreidheid 
van de schaal. Hier ziet men de inspanning niet van een 
enkel huis of eenige bijzondere onderneming, maar de nijverheid 
van een bepaald vak van gansche distrikten, van rijken, ja 
van de wereld, maatregelen nemen om de behoeften van 



Digitized by 



Google 



EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 159 

geheele bevolkingen, van de menschheid, ondergeschikt 
te maken aan de behoeften van eenige rijke lieden. De 
metalen, de grondstoffen of wel gefabriceerde waren van 
voeding en kleeding, de verlichtings- en verwarmingsmiddelen, 
de bouwmaterialen — de voor het bestaan-zelf van de 
menschen meest onmisbare goederen komen in bezit of onder 
kontrole van deze rijke lieden, de leiders, neen, de eigenaars 
van de produktie. Zij beschikken over leven en dood van 
hunne medemenschen, en, indien zij ons vergunnen te leven, 
is het enkel wijl de dood hun minder profitabel zou zijn. En 
dit is niet anders dan het innerlijke beginsel van het kapita- 
lisme, maar uitgevoerd en werkelijkheid geworden in zoodanige 
afmetingen, dat het tot ééne ongerijmdheid is aangewassen 
zoo geweldig als het stelsel zelf. 

Doch hiermee is van de koncentratie der produktie (of van 
verdeeling of vervoer) het voornaamste niet gez^d. Nieuw 
is verder het gebruik dat zij van hare ekonomische macht 
weet te maken om de voortbrenging te beperken, en in dit 
geval met dezelfde noodlottige gewisheid die zij aanwendt in 
het uitbreiden van de voortbrenging — aan elkander tegen- 
overgestelde middelen voor één en hetzelfde doel. Vermeerdering 
of inkrimping van de voorraden om de prijzen te regelen; 
opdrijving of verlaging van de prijzen om de winst te ver- 
grooten; inkrimping en opdrijving, door het uitkoopen van 
konkurreerende ondernemingen of wel het gedeeltelijk stilzetten 
van eigen werkplaatsen — ; in bepaalde omstandigheden, 
derhalve, het vergrooten van de winst door de verkleining 
van de produktie. Dit op groote schaal, regelmatig, zonder 
gevaar of risiko, met beschikking over alle speciale bekwaam- 
heid en geestkracht in de leiding van groote ondernemingen 
vereischt, en onder bescherming van de openbare autoriteiten, 
weinig meer dan de politieke agenten van de geassocieerde 
nijverheid — het moet de oogen van de meestverblinden 
openbreken voor de waarheid, dat hier in den kapitalist de 
exploitant van de produktiemiddelen den leider van de produktie 
volkomen heeft verslagen. Ook dit ligt van den aanvang af 
in het kapitalisme besloten. De regel bij producenten groot 



Digitized by 



Google 



i6o EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 

en klein, scheen beperking van de produktie een gewone 
voorzichtigheidsmaatregel; een noodzakelijk kwaad, morgen 
weer voor uitbreiding plaats gemaakt, dat ieder in zijne zaken 
kon overkomen, maar het behoud van de zaken ten doel had. 
Doch zooals nu, toegepast door de rijksten van de rijken, 
door de vereenigde vereenigingen, zonder de geringste achting 
voor het leed dat duizenden werkers en honderdduizenden ver- 
bruikers wordt toegevoegd ; de winstgelden stroomende uit een 
kraan geslagen aan het lijf der menschelijke samenleving; 
opgehoopt onder weinige families, enkel tot bevrediging van 
nietswaardige ambitiën of grove lusten of van een weelde die 
zich behaagt in maaltijden van een ton gouds en feesten van 
een half millioen, of wel aangewend tot politieken zwendel 
en nieuwe finantieele ondernemingen, in het beste geval ge- 
bruikt voor weldadigheid, wetenschap of kunst, die inkomsten 
verdienden van zuiverder herkomst — nu is, met deze toe- 
passing, het beginsel getreden in een onaangenaam licht. 

Doch deze koncentratie in trusts, rings, kartellen, syndi- 
katen, verscherpt nog op een andere wijs de inherente kapi- 
talistische tegenstelling. Zij scheidt, namelijk, principieel 
evenmin een nieuw maar nu een ongehoorden omvang aan- 
genomen verschijnsel, in de kapitalistische klasse de lieden 
die de produktie besturen van de lieden die de winsten rapen. 
Tot dusver onderstelden wij de twee bezigheden van den 
kapitalist in één persoon vereenigd, hoe de onderlinge ver- 
houding van deze twee-éénheid ook mocht zijn. Doch sedert 
de invoering van de vennootschap, en in iedere grootere 
onderneming ook van afzonderlijke werkgevers is dit het 
geval, heeft het kapitalisme de verrichting van het beheer 
in den loondienst neei^edrukt. Onder de geëxploiteerde 
werkers, ja somtijds onder de proletariërs in engeren zin, 
bevinden zich veelal direkteuren, opzichters, technische en 
administratieve beambten, de hoogst geplaatsten niet uitge- 
zonderd. Wat op kleinere schaal niet zoo duidelijk scheen 
en ook niet zoo volledig plaats vond, herhaalt zich nu in 
afmetingen die geen twijfel overlaten. Hoog en laag, al wat 
arbeidt in elke belangrijke nijverheid is de loonknecht en 



Digitized by 



Google 



EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. i6i 

behoort als zoodanig tot de onderdanen, in het beste geval 
tot de hofhouding van de weinige grootmachtige individuen, 
die den naam dragen van koningen der industrie. 

Het uitgangspunt en het motief van dit onderzoek was de 
opmerking dat, met aanwending van het zedelijk axioma dat 
de opbrengst van den arbeid het loon is van den arbeider 
— een axioma zoo oud als de arbeid zelf — de kapitalisten 
als leiders van de produktie de voordeelen eischten, welke 
aan het bezit van de arbeidsmiddelen met exploitatie van de 
arbeidskracht verbonden zijn. Terwijl daarentegen de prole- 
tariërs, leveranciers van de arbeidskracht en zoo goed als 
volkomen van de arbeidsmiddelen gescheiden, de bewering 
volhouden dat de kapitalistische winst is hun onbetaald ge- 
bleven arbeid, dus als loon van leiding niet in aanmerking 
komt, maar de onverdiende vrucht is van een bevoorrechte 
positie. 

Wij kunnen er thans aan toevoegen, dat een absolute 
zedelijke maatstaf voor de verdeeling van de maatschappelijke 
arbeidsprodukten niet is te vinden. Wat feitelijk bestaat is 
een tegenstrijdig belang in de produktiewijze, en dientenge- 
volge een tweesoortige zedelijke maatstaf bij de betrokken 
personen. Doch wij zagen dat de materieele tegenstelling 
wordt onderdrukt gedurende zekere tijden van hare historische 
ontwikkeling, welke wij kunnen samenvatten als hare periode 
van opgang en bloei. Het onderdrukken van de kapitalis- 
tische tegenstelling, zagen wij, neemt haar niet weg, maar 
heft hare werking tijdelijk op. De ekonomische omstandig- 
heden van opgang en bloei zijn namelijk van dien aard, dat 
de kapitalistische produktie aan de groote meerderheid van 
de menschen ten goede komt, en daarom de leiders den 
schoonen schijn verleent van de welvaart der menschheid 
niet enkel te bevorderen maar ook te bedoelen. In die 
omstandigheden kan van kapitalistisch onrecht geen sprake 
zijn. Wie meent dat het kapitalisme, wegens zijn ekonomische 
grondslagen, altijd een noodzakelijk, een immoreel stelsel is 
geweest, doet, meenen wij, de historische waarheid geweld 
aan. Grondslagen eener maatschappij zijn als zoodanig voor 

II 



Digitized by 



Google 



i62 EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 

geen kwalifikatiën vatbaar, alleen toepasselijk op menschelijke 
daden en gedachten. De geschiedenis leert ons de onmis- 
baarheid, de betrekkelijke uitmuntendheid van het kapitalisme. 
Menschelijke handelingen overeenkomstig hare wetten maken 
alleen dan op de meerderheid der tijdgenooten den indruk 
van onzedelijk, indien zij geacht worden de belangen van de 
meerderheid opzettelijk te schenden. Maar dit laatste kon 
eerst toen de meening worden en het stelsel zedelijk in dis- 
krediet brengen, toen het kapitalisme haar goeden tijd achter 
zich begon te laten. Handelingen naar de wetten van het 
opkomend kapitalisme heeten zedelijk; handelingen naar de 
wetten van het teruggaand kapitalisme, onzedelijk. 

Mogen wij op dit oogenblik bij de groote meerderheid van 
de arbeidersklasse en bij eene toenemende minderheid van 
de bezittende, het besef konstateeren dat het kapitalistische 
systeem onrechtvaardig is, dan hebben wij dit moreele gevoel 
aan te merken als de geestelijke weerspiegeling van de ver- 
schijnselen die wij als teekenen van verval leerden kennen. 
En onder deze teekenen zijn begrepen de vastere stoffelijke 
omtrekken, en in de gedachten de duidelijker voorstellingen 
van de nieuwe maatschappelijke orde. Wij zullen niemand 
tegenspreken die het kapitalisme een reaktionnair, een hatelijk, 
een onzedelijk stelsel noemt. Maar men geve aan dit oordeel 
geen terugfwerkende kracht, noch dringe zijne voorstellingen 
van goed en kwaad die van dezen tijd afkomstig zijn, aan 
vroegere tijden op. — 

VIII. 

Wij willen van den heer Stoffel thans met een kort woord 
afscheid nemen. De direkte aanleiding tot het schrijven van 
zijne brochure, meenen we, was een kamerrede van Mr. 
Troelstra bij het laatste begrootingsdebat. Bij het ontwik- 
kelen van zijne gronden voor sociale hervormingen, noemde 
deze spreker de basis van ons maatschappelijk stelsel kort en 
goed diefstal begaan aan de arbeiders. Den heer Stoffel willen 
wij aanstonds toegeven dat dit woord, niet te nemen in eenigen 



Digitized by 



Google 



EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 163 

bepaalden juridischen maar in den algemeen ekonomischen 
zin» in eene zuivere akademische uiteenzetting kwalijk op hare 
plaats zou zijn. Maar in een kamerdebat heeft het zijne goede 
beteekenis. Niet de daad van iederen individueelen werkgever 
op dit oogenblik en in ons land is diefstal, maar de vast- 
houdendheid van de regeering zijner klasse, die het op de 
exploitatie van de arbeiders gegronde stelsel door gepaste 
hervormingingsmaatregelen weigert te verzachten. Het onder- 
scheid is bovendien dat de bijzondere persoon geen keus 
heeft, en de Staat weL Bijzondere personen moeten het stelsel 
toepassen zooals het ligt ; de heerschende partijen hebben het 
in haar macht den overgang tot een beter en hooger stelsel 
te bevorderen. Willen zij dit niet, geven zij hun steun aan 
het behoud, toonen zij door afkeer van ingrijpende hervor- 
mingen, door het voordragen van schijnhervormingen, dat zij 
het stelsel van exploitatie genegen zijn, dan verdienen zij 
een oordeel welk geen partikulier patroon die de gewone 
v^houdingen in acht neemt, zich heeft aan te trekken. 

Niemand minder dan den heer Stoffel, voorts, zouden wij 
op dit punt het verwijt willen doen van overgevoeligheid. 
Representant van de Nederlandsche nijverheid, die ongeveer 
nergens van den eersten rang is en ook overigens de trekken 
van het meest geavanceerde kapitalisme niet vertoont, weet 
Stoffel te zeer van nabij dat er hard gewerkt moet worden, om 
een matigen overvloed niet te mogen beschouwen als iets wat 
men eerlijk heeft verdiend. De inspanning, anders gezegd, is 
veelal zoo groot, en het inkomen somtijds zoo klein, dat geen 
enkel moreel bezwaar schijnt over te blijven. 

Maar wat is het dat ook aan dit gedeelte van Stoffels ge- 
schrift, een pijnlijke wending geeft voor hen die den auteur 
vroeger hebben gekend? Wat is het dat ons veroorlooft in 
zijn naam de aanduiding te lezen van de mate van scherp- 
zinnigheid en royaliteit welke algemeen de sociale bespiege- 
lingen van zijne kollega*s kenmerkt? 

Het is dat zyn betoog niet zoozeer een vergoelijkende 
strekking heeft voor de patroons, als een reaktionnaire tegen 
over de arbeiders. De strekking, niet dat het kapitalisme 



Digitized by 



Google 



104 EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 

zekere betrekkelijke verdiensten nog altijd kan laten gelden, 
maar dat het socialisme verkeerd is. De voorname verdienste 
van het kapitalisme is de voorbereiding van het socialisme. 
Echter, willen de vertegenwoordigers van het kapitalisme 
thans nog op iets van dien roem voor zichzelven aanspraak 
maken, dan moeten zij het socialisme niet bestrijden maar 
bevorderen. Het is juist in het licht van dit stelsel der 
toekomst dat wij het tegenwoordige onrecht noemen; zoodat 
hij die van het tegenwoordige het recht wil prijzen, met op- 
zet de voorkeur moet geven aan het duister. 

Inderdaad moet de heer Stoffel om het kapitalisme als 
een in haar wezen rechtvaardige regeling voortestellen, en 
hare sociahstische belagers als lieden die het recht verzaken, 
zich schuldig maken aan in het oog vallende onwaarheid. 
Hij moet niet enkel de verschijnselen wegcijferen die ook in 
ons land van de kapitalistische tegenstelling kond doen; hij 
moet bovendien de tegenstelling zelve principieel ontkennen. 
Zijn reeds geciteerde woorden kunnen als bewijs volstaan.' 

In hoevele ondernemingen is het dat het » organiseerend 
talent'* van den ondernemer werkelijk wordt aangewend — 
en in hoeveel het talent van betaalde dienaren? Is ze zoo 
onbetwistbaar als de schrijver meent, zijne stelling: »hoe 
meer ondernemingsgeest, hoe grooter de produktie"? Heeft 
de heer Stoffel nooit gehoord van ondernemingsgeest die de 
produktie beperkte, hetzij dan om de onderneming te bewaren, 
hetzij uit winstbejag zonder deze verzachtende omstandig- 
heid? I) 

Stoffel negeert principieel de tegenstelling. iHet organi- 
seerend talent is een hoogere soort van arbeid.** Wie 
zoo spreekt heeft voor zijn geestesoog nimmer het dubbele 
emplooi van de chefs der produktie gescheiden gezien. Orga- 
niseerend talent zooveel men wil : maar is niet onvermijdelijk, 



I) Het andere deel van de stelling: »hoe meer vraag naar arbeidskrachten 
hoe hooger het loon" is evenzeer volkomen onjuist voor dezen tijd. Minder vraag 
en lager loon is dikwijls het gevolg van grootere produktie, die, uit louter 
ondernemingsgeest, onophoudelijk voert tot overproduktie. 



Digitized by 



Google 



EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 165 

altijd en immer in de kapitalistische onderneming, de org^a- 
nisatie van den arbeid tegelijkertijd ook de exploitatie van 
de arbeiders? Doch deze lieden meenen dat hemel en aarde 
zullen voorbijgaan eer een tittel of iota van het evangelie van 
waarde en winst. Wie zoo spreekt heeft een nog hoogere 
soort van arbeid niet bevroed, die de menschheid verplichten 
zal door in haren dienst te werken voor hare behoefte — 
wijl de hoogst geprezen arbeid thans het grootere deel der 
menschheid in den anderen zin verplicht in zijnen dienst te 
werken voor zijne behoefte. 

Juni '99, 

NOOT. 

Ik ▼raag verlof deze bladzij te vullen met een plaats uit de brochure van 

Mr. S. van Houten : Liberaal of — - — t—t-^ Democraat, welke even goed als 

Sccuutl' 

de aanhalingen van Stoffel, het onderwerp had kunnen leveren van bovenstaande 
beschouwingen. De opmerkingen van den heer StofTel, trouwens, hadden voor 
ons alleen de beteekenis van typisch te zijn voor het gevoelen van zijne stand- 
genooteo. Voor velen zal het gezag van Mr. van Houten zwaarder wegen. 
Welnu, men leze in het volgende de teekenen van dezelfde algeheele onbekend- 
heid met het wezen van de kapitalistische voortbrenging. In verband met den 
verderen inhoud van de brochure, die gericht is tegen het praktische deel van 
het arbeidersprogram, kunnen wij deze valsche theoretische voorstellingen ook 
in dien zin valsch noemen, dat zij de ekonomische wetenschap verlagen tot het 
pleidooi van het burgerlijke klassevoor recht : 

Het is, schrijft de Heer van Houten, »een onnadenkend napraten van domme 
en laffe vleierij, wanneer de arbeiders zich de een i ge scheppers van den rijkdom 
noemen, of meenen dat hun persé onrecht geschiedt, als hun loon voor hunne 
behoeften onvoldoende is. De waarde toch van een arbeidsproduct wordt niet 
bepaald door de hoeveelheid arbeid en de behoeften der arbeiders, resp. den in 
machinerieën, gebouwen en grondstoffen verborgenen indirecten arbeid. Elk 
ondernemer weet dit Het is juist omgekeerd. De marktprijs van het arbeids* 
product bepaalt, hoeveel aan de ter productie samenwerkende krachten, d. i. 
aan de arbeiders, ondernemers en kapitalisten gezamenlijk kan ten deel vallen. 
Bij de onzekerheid der uitkomsten, van welke de werklieden, die van de hand 
in den tand leven, niet afhankelijk kunnen zijn, laten zij de goede en kwade 
kansen, die de fluctuatiën van den marktprijs opleveren, aan den ondernemer 
over. Diens geest is daardoor steeds op de markt voor het arbeidsproduct, 
resp. zijne clientèle gericht. Afgescheiden van den invloed, dien speculatieve 
fluctuatiën van de waarde der producten op alle ondernemingen en alle bezit 
uitoefenen, is de bron van rijkdom van ondernemers hun organiseerend talent, 
hun energie en scherpe blik. Het kan natuurlijk hier en daar voorkomen, dat 
het beknibbelen op de loonen voordeel geeft, maar zelden. Wie lager loon 



Digitized by 



Google 



i66 EENIGE SOCIALISTISCHE EKONOMIE. 



geeft dan zijne concurrenten, krijgt het slechtste werkvolk ... In ieder geval 
zijn de inkomsten (van den werkhuurder) even rechtmatig verkregen, als die van 
de werklieden. Als de werklieden er voordeel in zagen, het volle arbeidsproduct 
te genieten, maar dan ook alle risico te dragen, zoude de coöperatieve productie- 
vereeniging veel meer in zwang komen. En met welk recht de arbeiders voor 
de besparingen van andere klassen der maatschappij, die ook werken, al wordt 
hun arbeid niet in handelswaardige materieele voorwerpen belichaamd, een deel 
opeischen, verzuimen de socialisten te moti veeren". 

Ja, hoe zal men den heer Van Houten overtuigen, die de socialisten blijkbaar 
niet leest en vergaderingen houdt waar hij geen debat toestaat? Van den 
ondernemer is het te begrijpen dat zijn geest j» steeds op de markt gericht is*\ 
Maar de ekonomist, die iets meer wil zijn dan de advokaat van de ondernemers, 
moest, meenen wij, eenigszins verder zien. Hij moest niet^ sprekende van de 
waarde, onmiddellijk overspringen op den marktprijs. Want dan begint hij 
met zich te verraden, en blijkt het dat hem, als woordvoerder van de onder- 
nemers, de zaak slechts kwantitatief, niet kwalitatief interesseert. De geldman 
vraagt dadelijk en alleen naar het koeveel. De man van wetenschap behoorde 
eerst het hoe te onderzoeken. Maar deze haastigheid heeft de studie van de 
kategorie die de grondslag is yzx\.\i^\V2i\\X2X\'stCit^ket7ierschijnsel van de waarde^ 
van meet af bedorven. Voor het speciale, het kapitalistische heeft men in de 
leer der kapitalisten nooit oog gehad ; de waarheid is ondergegaan in laÜe 
algemeenheden. Natuurlijk bepaalt de marktprijs (opbrengst) hoeveel de geta- 
menlijke voortbrengers zullen ontvangen. Maar hoeveel krijgt elk ? De bron 
van rijkdom als algemeen menschelijk bezit is zeker mêe het «organiseerend 
talent"; maar het is ongeoorloofd in een ekonomisch betoog geen verschil te 
maken tusschen deze beteekenis van het woord, en rijkdom als geld, als kapitaaL 
Het winstproces, dat het kapitaal schept, kent men alleen in den uitzonderings- 
vorm van «beknibbelen"! (Vergelijk het antwoord van minister Pierson aan 
Troelstra). Nieuw is de opmerking dat de arbeiders geen kapitalisten worden 
wijl zij er «geen voordeel" in zien. »Ieder ondernemer weet dit", zegt Mr. vau 
Houten van xijne ekonomie. Gelukkig kunnen wij van de onze zeggen dat een 
toenemend getal arbeiders het weten. 



Digitized by 



Google 



BOEKBEOORDEELING. 



KUNST. 



StudiÜH 9ttr Deutscken Kmnstgeschichie, 
HoUdmUsche Mimahtnn des spüttrtn MUtel' 
alters, Ton WiLHBLM VOOBLSANG. Strtssburg, 
S. H. Ed Heitz. 1899 (115 p. p. in 8»}. 

De stof welke in dit geschrift wordt behandeld, is van 
zoo'n groot belang voor de geschiedenis der Noord-Neder- 
landsche kunst, dat, ook al ware de behandeling nog zwaar- 
der en nog vermoeiender, men er zich toch doorheen zou 
moeten slaan. Zooals het thans is, de indrukken welke wij van 
dezen arbeid hebben ontvangen nagaande, vinden wij naast de 
vele suffe en kleurlooze en toch enkele waardoor wij tot de 
overtuiging komen, dat de schrijver wel degelijk hart heeft voor 
den aesthetischen kant van zijn onderwerp. — De welwillend- 
heid eischt dan, dat wij het ongenietbare van dit werk toe- 
schrijven aan de heerschende mode bij onze oostelijke 
naburen, welke zich vooral bij het samenstellen van proef- 
schriften tot het verkrijgen van den doctors-titel laat gelden. 
Men getrooste zich de moeite, met potlood gewapend, vat te 
krijgen op de groepen waarin de heer Vogelsang, met het 
oog op de verluchting, zijn handschriften wil indeelen, men 
poge zich, door al te schaars in den tekst aangebrachte af- 
beeldingen, een begrip te vormen van het doen van zekere 
artiesten, men teekene met zorg aan de vernuftige en werkelijk 
ook gevoelde opmerkingen van den schrijver over het werk 
der 15® eeuwsche Noord- Nederlandsche miniaturisten, om 
dan te beseffen, dat hier een even nuttige als consiencieuze 
studie verricht is. 



Digitized by 



Google 



i68 BOEKBEOORDEELING. 

Na eene korte bespreking der 14e eeuwsche handschriften, 
waarbij de heer V. tot de conclusie komt, dat de noordelijke 
provinciën in de 14e eeuw geen kunst met eigen uitgesproken 
karakter gehad hebben, gaat hij tot het zuiver ornamentale 
werk der 15e eeuwsche manuscripten over. Wat hij daar 
opmerkt betreffende een eigenaardig ornament, bestaande 
uit eenvoudige pennestreepjes of kleine krulletjes welke 
blaadjes vervangen, kan als hulpmiddel bij het definieeren 
eener herkomst dienst doen. Van meer beteekenis in het 
3« hoofdstuk, over de bijbel-handschriften der 15* eeuw. 
Schrijver die in de belangrijkste Europeesche bibliotheken het 
materiaal heeft nagegaan, is er in geslaagd, door vergelijking, 
eendere manieren, ja, bepaalde meesters te herkennen. Een 
helaas te klein aantal afbeeldingen in den tekst illustreert 
eenigszins zijn betoog. — De Noord-Nederlandsche bijbel- 
illustraties, zooals die zich reeds in de eerste dertig jaren 
van de 15e eeuw vertoonen, karakteriseerende, merkte hij de 
solide teekening, het individueele der physionomiën, het groot 
opgevatte plooien der stoffen op. En naast de ietwat te 
strak gekleurde miniaturen wijst hij op de wit-en-zwart ver- 
luchtingen, op de penteekeningen waarvan de techniek een 
bijzondere aantrekkelijkheid heeft naast de nog armelijke 
kleuren-gamma der bonte illustraties. Waar hij de grisaille- 
manier behandelt en de eerste houtgravures hiermede in ver- 
band brengt (p. 106) en dan tevens wijst op het eigenaardig 
schilderachtige effect door die verschillende technieken ver- 
kregen, toont de heer V. voor de diepere beteekenis van 
zijn onderwerp zin te hebben. 

De zwakke kant van zijn werk komt het meest uit in het 
4« hoofdstuk (Gebet- und Ritual-Bücher des 1 5 Jahrhunderts). 
Wij betreuren het dat de schrijver niet meer in vergelijkingen 
is getreden met de Zuid-Nederlandsche miniaturen. Een dui- 
delijker beeld ware verkregen van een specifiek Noord-Neder- 
landsche verluchtings-kunst. In het verwijt dat hij den schrij- 
ver van de »»Origines de Tart HoUandais" maakt (p. 68), 
namelijk i^dass der Autor örtüch trennt was nur zeiüich ge- 
schieden werden fnuss'\ een verwijt dat wij buitendien ner- 



Digitized by 



Google 



BOEKBEOORDEELING. 169 

gens door den heer V. met eenig voorbeeld gestaafd vinden, 
meenen wij het bewijs te moeten zien, dat hij voor zich niet 
tot een heldere diagnose is gekomen. Dit verwondert te 
meer wanneer wij lezen wat hij (p. 64) over het Haagsche 
Bijbelhandschrift zegt. — Door den schrijver der >Oripnes** 
op grond van litterarischen aard in overweging te geven zijn 
definitie van ^iravail flamatuT' te wijzigen in i^goutflamandC' 
toont hij toch te gevoelen waar hem de schoen wringt. Maar 
verder, (p. 76) waar hij naar aanleiding van eenige minia- 
turen ïn een handschrift van de Leidsche Universiteits- 
bibliotheek in het midden brengt: insein Faltewwurf ist 
durchdacht, aber nicht ubermdssig reich immer in der eckig 
gebrochenen Arty welche wir in dieser Epoche erwarteri\ 
krijgen wij den indruk alsof het gebrokene der plooien een 
algemeene eigenschap is welke, zonder onderscheid, in beide 
scholen voorkomt. Nu is juist, naar onze meening, hier een 
zeer kenmerkend onderscheid te maken tusschen Vlaamsch 
en HoUandsch werk, een onderscheid dat zich niet alleen 
laat constateeren bij miniaturen, maar dat zich ook bij eene 
andere kunst, bij de beeldhouwkunst, handhaaft. Nooit toch 
vervalt de HoUandsche meester in het parti-pris van den 
Vlaamsche; wanneer hij een sterk sprekend gebroken-plooien 
effect maakt, dan zal hij daar altijd eenige groote rechte 
plooien tegen aanbrengen, ten einde een tegenstelling te 
krijgen en zoodoende de waarde van zijn partijen te verhoogen. 
Laat het gezegd zijn, dat wij deze opmerkingen alleen 
maken om den deugdelijken arbeid van den heer Vogelsang 
doeltreffender te maken. 

A. Pit, 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 




(/-. 



TER 



NAGEDACHTENIS 



VAN 



JAKOB MARIS. 



Een die *t penseel voerde en geen andre daad 

Behoefde : een droomer, die geen drama dacht, 

Maar bouwde uit hollandsch land, en stad, 

[en vaart 
Verheerlijkte Aard: een zulker die bij ons 

Koningen heeten, wij hun onderdaan. 



12 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



BEZWAARLIJKE LIEFDE 



DOOR 



F. C. JR. 



Tusschen tafel en kanapee ging hij met gelijke vervelings 
passen op en neer, in vage benauwdheid. 

De kamer was in schemering, maar in den eenen raam- 
hoek scheen de lamp op zijn schrijftafel door de gekleurd- 
papieren kap een rooden gloed uit, en hij voelde, verstrooid 
er heenziende, daar een gezelligheidscentrum, in de licht- 
sfeer der lamp een hoekje saamgetrokken stilte-aandacht en 
als het uiterlijk aspect van een geestesstaat, die ernst en weg- 
zijn uit de buitenwereld beduidde. 

Maar hij g^ng in de gevoelige schemering naast de tafel, 
waarop nog het theegoed stond; pogend zijn verlangen te 
koelen in beweging, benauwd door de holheid van den tijd 
en de zwaarte van zijn lijfsbestaan. 

Hoog uit het vage donkere, aan het penant tusschen de 
twee ramen, rusteloosde de bleeke tik van een oud porce- 
leinen klokje, waarvan omlaag de gewichten stil koperglansden. 

En er was een vermoeiend accent, telkens op de tweede 
tik, alsof de tijd mank ging. In zijn prikkelbare leegheid van 
zijn moest hij daar telkens op letten en die kreupele stap 
volgen door de stilte, verveeld-zenuwig-nieuwsgierig of het 
werkelijkheid of maar verbeelding was, dat de tweede tik 
zwaarder klonk. 

Hij zag nog eens op naar de kleine ronde wijzerplaat, die 
vaag uit de wand bleekte en waar de grove stompe wijzers 
in de laagte de bekende scherpe hoek van halfnegen vormden. 




Digitized by 



Google 



174 BEZWAARLIJKE LIEFDE. 

Halfnegen pas ... En hij moest tot minstens tien uur 
wachten . . . 

De kamer stond om hem, leeg en onverschillig. Die intieme 
lichthoek met de aandachtschijn over het opgeslagen boek 
werd hem tot een ergernis, omdat het even smartelijk deed 
indenken in de zielerust en vruchtbare concentratie van een, 
die daar zou zitten, onbewust van alle uiterlijke dingen, de 
uren door. 

Staande met de rug naar het smalle penant tusschen de 
ramen, zond hij vaagzoekende blikken uit in de schemer- 
hoUe kamerruimte. 

Bleek-vervig rezen de rechte, hoekende lijnen van de deur 
in de rechterhoek. Daarnaast de posten der hooge dubbel- 
deuren, die in 't midden der kamer naar de alkoof openden. 
Die stonden nu open en flauw bleekten hun langwerpige 
vakken in de alkoofdonkerte, waar een lampet in zijn kom 
bleek opschimde aan de achterwand. 

Terug in de kamer, werden zijn blikken getrokken tot al 
wat, aangeraakt door de uiterste lampeschijn, er stil licht- 
leefde onder het transparante vloers van duisternis tusschen de 
wanden; een gewreven stoelrug, de rand van een theekop, 
en, sprekender, de zilverigen buik van trekpot en melkkan. 
Uit het wanddonker was er zwak geglim van glas voor drie 
geëncadreerde platen. 

En onwillekeurig ging, van het koel-schaduwige met de 
vage vormen en triestig lichtgeglim, zijn kijken weer naar 
het hevig-blakende, aandachtvolle van de bureauhoek. Dadr 
was het doel-bewuste, strevende, hier het neutrale, schaduw- 
droomende der stille verschijningen, maar in geen van beide 
voelde zijn onrustige ziel zich nu eigen. Het uur was haar 
vreemd en de dingen. Zij stond vastomkneld door het heden- 
oogenblik en strekte machtelooze armen naar verder, naar 
het toekomende, dat draalde . . . 

Wat moest hij hier nog op die kamer doen? 

Alvast maar uitgaan?... Rondloopen ? . . . Maar waar?... 

Hij zette zich neer, ver van het licht, op de versleten 
kanapee, zoodat de veeren stroef staalgonsden onder het vaal- 



Digitized by 



Google 



BEZWAARLIJKE LIEFDE. 175 

zwart trijp en leunde zijn hoofd tegen de schelpvormige rug, 
zijn luisterende aandacht naar de geluiden op straat gekeerd. 
Het raam was opgeschoven. Flauw bewoog de gordijn- 
franje op de windkoelte, die bij tusschenpoozen naar binnen- 
luwde. En telkens, als het gordijn even afstootte, blonk, dóór 
het wuivend nachtloof der boomen heen, het donkere water- 
vlak, van traag spiralende lichtslangetjes doorschoten. Soms 
zag hij ook een strook van de overkant, bij plekken hellicht 
bevloeid, waar winkels uitstraalden. Zwarte figuurtjes schoven 
daar onophoudelijk voorbij, en een gedruisch klom van die 
beweging der avondstad op, waarvan telkens enkele geluiden 
zich helder-duidelijk afscheidden en dat een gevoel van open 
lucht en wijdheid gaf. 

O I de avondtijd ging voort, het leven vloeide wijduit in de 
geluiden en de lichten daar beneden, krachtig en zelfgenoeg- 
zaam en hij zat hier, uit de tijd vervreemd en boven en 
rond hem stond deze kamer, die wel voor een ander gesteld 
scheen. Hij voelde zich zoo vreemd in het tijdsoogenblik, 
vreemd en ongelukkig of hij onrecht leed ... Hij kon toch 
nu nog niet naar 't café'tje gaan 1 . . . Wat zou zij zeggen, als 
hij daar al zoo vroeg aankwam ... En dan : *t ging ook niet 
voor de baas van 't zaakje . . . Zooveel verteerde hij niet op 
een avond . . . Het was al wel dat hij haar twee, drie uur 
iedere avond voor zich alleen had. Langer ging bepaald 
niet ... Zij moest toch ook wel eens wat voor de zaak doen 
's avonds . . . Dat had zij meer dan eens gezegd . . . Overdag 
kwamen er haast geen klanten ... De schippers en stokers . . . 
nu ja, daar konden de twee meiden zich mee bezighouden. . . 
Maar zoo'n enkele goeie klant, een heer, die er verdwaalde 
en die zooveel verteerde als de anderen samen, die moest 
door haar geholpen worden ... die waren natuurlijk niet 
tevreden met zulke hosklossen van meiden . . . 

Die kwamen expres voor haar . . . Misschien ? . . . neen, 
zeker I Want wie belandde in zoo'n kroegje, zoover van het 
centrum, die er • niet bepaald wezen wou ? Een enkele ver- 
dwaalde... nu ja... maar dat gebeurde toch maar heel 
zelden en dan nog niet 's avonds. — 



Digitized by 



Google 



176 BEZWAARLIJKE LIEFDE. 

Neen *t waren wel allemaal ^vrindjes" ... en wat voor, 
godbeware . . 1 

Het schrijnde hem bij dit denken. Zijn liefde voor haar 
was als een wond, die bij de minste aanraking pijnlijk klopte. 
God, godi die » vrindjes"! hij kende die grove meneeren, die 
jeunesse dorée van de stad . . . Hij zag hun rood-ronde 
vleesch-koppen, open gezondsheidgezichten. Met hun hoed los 
uit hun oogen geschoven, keken ze brutaal rond, was hun 
doen kalm-insolent, omdat zij hier in stad op hun terrein 
waren. Zij luierden breed in hun stoelen, erg op hun gemak, 
de stevige beenen over elkaar of zaten ruiter-te-paard, de armen 
over de leuning, de beenen wijdgestrekt, rookwolkjes te poefen, 
die ze onverschillig nakeken. Zij voelden zich heel thuis in 
hun koffiehuizen in hun eigen stad. Brutaal-luidruchtig gingen 
ze met elkaar om, gaven elkaar schertsend een forsche klap 
op de schouder met hun groote, welverzorgde heerenhanden, 
waarvan de dikke vingers goudberingd waren. Hun breeë 
blanke polsen staken uit hagelwitte manchetten . . . Zij waren 
gezond-grove vleeschmenschen, juist door hun grofheid zoo 
zeker van doen, in het overwichtsgevoel hunner zware sappige 
mannelijkheid bij al die vrouwen, voor wie het uiterlijk alles 
is. Zij behandelden haar insolent, zij keken haar aan met 
brutale, lichtende oogen, legden hun arm als bezitnemend om 
haar middel, grepen haar vast met forsche greep in 'tweeke 
armvleesch, alles beleedigend, ruw-achteloos, of op een uit- 
bundig-hatelijk-opzettelijke manier, als om te toonen, dat zij 
hun zaak, hun eigendom was voor een glas bier en een fooi. 

En zij merkte dat niet op, lachte hun vriendelijk toe, 
vond ze vaardige ventjes", en was gevleid door hun brutale 
complimenten, zag in die luidruchtig-brutale vertrouwelijkheid 
niets dan het joviaal doen van goede bekenden, de prikke- 
lende omgang, waaraan zij gewend was en die zij niet gaarne 
zou willen missen. Soms, een zeer enkele maal, scheen zij wel 
even de vijandige sekse, de vijandige stand in die brutale 
rijke jongens te voelen, maar dan was 't enkel om zich boven 
hen te wanen, sterker dan zij, in haar verlokkende en be- 
korende vrouwelijkheid. Zij zag niet het fatale, het algemeene. 



Digitized by 



Google 



BEZWAARLIJKE LIEFDE. i77 

de in gunstiger omstandigheden levenden, die haar en haar 
gelijken, de armen en kortbloeienden exploiteerden om een 
vluchtig plezier, maar zij zag enkel haar invloed voor een 
oogenblik, op één enkele, en zij had een gevoel of dit altijd 
duren zou. 

Arm, hulpeloos Idnd 1 . . . Hij en zij, zij hadden elkander zoo 
lief en toch was hij machteloos haar lot te veranderen. Hij 
kampte tegen zijn eigen zorgen, hij zei zich, dat hij 't te 
zwart inzag, dat zijn sentimenteele aard hem 't geval tragisch 
kleurde, maar immer duidelijker en onontwijkbaarder voelde hij 
de smart-overtuiging in zich worden, dat hun beide levens 
twee gescheiden paden begingen en hij tégen haar aard, haar 
gewoonte, haar aanleg, haar gansche levensrichting met zijn 
weinige middelen niets vermocht Maar al was het een 
zwaargeleden waarheid in hem, hij wilde 't niet erkennen, hij 
moest zinnen op een of andere uitweg, en zoo was zijn 
gansche lief-hebben geworden één doffe zorgelijkh^id om haar 
en haar toekomst en moest hij dag op dag in die tredmolen 
van kwellende gedachten gaan, waar hem alle levenskracht 
allengs verging. . . 

Opziende van de kanapee bij de raamhoek, waar hij zijn 
pijnlijk denken had ondergaan, naar de schemerwitte wijzer- 
plaat van het klokje, zag hij de zwarte wijzerpunten bijna in 
eikaars verlengde strekken. 

Halftien ... Hij moest nu maar langzaam gaan. Hier blijven 
diende tot niets . . . Als hij nog wat omliep, zou hij niet vóór 
tien uur dadr hoeven te zijn . . . 

Hij trok zijn jas aan, zich verlucht voelend, dat hij nu hier 
weg mocht. Deze kamer, met die irriteerende gezelligheids- 
hoek bij zijn schrijftafel gonsde al te leeg-stil, schemerde al 
te doodsch. Dit was voor hem niet, hij behoorde elders te 
zijn, eigenlijk al lang. God weet, wat intusschen daarginds 
met haar gebeurde . . . 

Deze gedachte joeg zijn hart op tot bonzende slagen in 
een sensatie van onduldbare onrust. Maar hij bedwong zich: 
dit was maar dwaasheid. Hij wist dat nu al lang : er gebeurde 
nooit iets, en naar gewone meening was zij ook zoo 



Digitized by 



Google 



I 



178 BEZWAARLIJKE LIEFDE. 

weerloos niet. Hij moest zich leeren matigen, hij moest wat 
zelfbestuur overhouden . . . 

Zoo ging hij opzettelijk bedaard de lamp uitblazen en 
het gordijn oprollen . . . Even luisterde hij naar het avondstads- 
geruchten, dat buiten levendig en men zou wel zeggen opge- 
wekt, gaande bleef. En weer voelde hij zich zeer verlaten 
tusschen de dingen, die hem onverschillig omstonden, terwijl 
buiten een vreemde wereld roesde en jaagde. In de open 
kamerdeur draalde hij een oogenblik, zag in de kamerholte in 
't rond, met een vaag angstgevoel voor het weerzien hiervan 
in de nacht als hij thuis zou komen, en . . . sloeg toen de 
deur dicht. 

Niets bewoog in huis, toen hij de vaaldonkere trappen 
afdaalde naar de stille dichte deur in de diepte. 

Maar op straat was het opeens heel anders. Daar, in het 
open wijde, lucht-waaiende scheen hij meer mee te leven. 
Het was er niet, als boven op zijn kamer, hol-stil, willig aan 
zijn gebruik en dienst overgegeven, maar ook zonder wezen 
als hij het niet met zijn geest vervulde. 

Hier leefde alles een eigen leven, dat hem opfrischte en 
de begeerte wekte mee te doen. 

Klein naast de hooge huizen, ging hij op een pleintje toe, 
waar een eindelooze beweging van menschen en daverende 
wagens druischtc. Een brug leidde er over het breede water 
naar de kade aan de overkant, die de gansche avond 
dóór krielde van gaande en komende menschen, donkerbe- 
wegend of scherpbelicht uit de felstralende winkels, die vreemd- 
schel lichtten, zij aan zij, met doodstille woonhuizen in de 
lange strekking er tusschen. 

Maar schuin over de brug, waar onophoudelijk zwarte 
stropm en tegenstroom onder lantaarnlicht bewoog, stond een 
machtig gebouw, teruggetrokken achter de lijn der andere 
huizen, en dofroslichtend uit zijn vele hooge vensters. Dat 
was het Gremeentehospitaal, en avond aan avond zag hij tegen 
donker-worden dat starre sombere gebouw aan zijn vensters 
opkleuren in dien gedempt-roodigc schijn. Die bleef de 
ayond lang en de heele nacht. 



Digitized by 



Google 



BEZWAARLIJKE LIEFDE. 179 

Terwijl alle licht doofde in 't rond, de lantarens eenzaam 
schenen, bleven die vele groote raamoogen roodgloeien, kalm- 
ros lichten in geduldige trouwe wacht, en menigmaal had 
hij gesoesd over hetgeen dit hooge breede gebouw borg achter 
zijn muren te midden van dit drukgonzende centrum der stad. 
Dat waren zoovele levens-in-nood, elk zijn eigen kleine levens- 
centrum, middelpunt van vele verhoudingen en belangen. Het 
werd alles daar aangebracht, het een wist van het ander niet 
en de groote drukke stad wist niets van hen allen. Zoovele 
levensdrama's, niet zeer beteekenend of belangrijk, maar toch 
het een-en-al voor wien 't betrof, namen daar hun einde en 
zij waren alle eenzaam voor elkander en voor de buitenwereld. 
Alleen zichzelf kenden en wisten zij en piemand anders en 
niemand wist van hen. En het groote sombere gebouw nam 
ze allen op en waakte de nacht uit, alsof het niet slapen 
noch rusten kon om zooveel geweten ellende. 

Huiverig in de kille avondfrischte, maar vrediger in zijn 
gemoed door de opluchtende wijdte, waarin hij klein ging, 
in het rijke leven, dat hij merkte van alom, gaf de jongeman 
aan al die bekende verschijnselen van licht en beweging maar 
verstrooide aandacht. Hij ging nu tusschen de menschen, in 
de snelle wisseling van donkere gestalten, waarboven rosé 
gelaten, die hij maar vaag gewaar werd . . . alles onder het 
doorschijnend donker van de woelige stad-avond. Enkele 
woordklanken sloegen aan zijn oor, een brok ernst-gesprek van 
twee deftige heeren, van wie de een zijn woorden begeleidde 
met breed gebaar. Drie slungelige meiden kwamen hem 
tegen, arm in arm, giechelend telkens omkijkend. Zij keken 
hem driest aan uit hun verhit-roode gezichten, stootten elkaar 
aan en hij hoorde bij 't langs gaan iets als: kijk-hij... het 
in Engekche kiep op! — en weer proesten en giechelen. 
Toen waren ze achter hem en passeerde hij werklui, moe- 
zwaar-beenend in hun vuilwitte werkbroeken, blikken kruikjes 
schommelend aan de handen, rauw-grommig pratend onder 
elkaar. Haastige gedaanten schoten tusschen de groepen 
door : pakjesdragers, krantombrengers met zwakknikkende 
beenen, zwoegend achter hun uitbuitende tasch, brievenbe- 



Digitized by 



Google 



i8o BEZWAARLIJKE LIEFDE. 

stellers in blauwe mantels, die forsch aanschelden en een 
naam luide riepen tegen hooge duistere trappen op. 

Toen weer moest hij zijn pas vertragen om het welgemoede 
gaan van verliefde paartjes, wel drie vóór elkaar : nette uitge- 
doschte heertjes en dametjes, de hoofden teeder naar elkaar 
toegebogen, wandelend tevreden-innig. 

Vrouwen kruiste hij, met opvallend wiegende gang ver- 
fomfaaide gestalten met verwaaid-gepluimde hoeden en aan 
haar flpdderige rokken rafelranden. Achter de dichte voiles 
waren de gezichten lijkig, en hem troffen in 't stil- voorbijgaan 
hun snelle vragende blikken. 

Maar zwaar van zorgelijke gedachten, waren hem al die 
uiterlijkheden gemeenzaam en. onverschillig. Hij voelde zich 
alleen daar gaan, onder het gewone gewoels-décor van 
een onverschillige weeksche avond. Zoo was 't gisteren 
geweest, zoo zou 't morgen weer zijn, en hij daarin, doende 
dezelfde daden op dezelfde uren. Het was vreemd en eenigs- 
zins angstig, dat hij ze toch altijd weer zoo betrekkelijk lustig 
deed. . . 

Omdat 't luidruchtig gewoel van al die menschen hem ten 
slotte vermoeide, week hij af van de drukbezochte avond- 
wandelweg naar de parallelle straat. Daar werden stroom en 
tegenstroom meer verspreid langs de twee trottoirs en over 
de middenweg. De niet- wij de straat verlengde zich recht 
naar de verte, gezellig en feestelijk van licht tusschen de rijk 
stralende winkels. 

Maar heviger dan op de kade was hier tusschen de echo- 
ënde wanden het rumoer. Hooge karren schokten zwaarrade- 
rend langzaam voorbij en de stap der groote schonkige 
paarden sloeg klikkend de steenen; rijtuigen ratelden in 
draf langs deze heen ; vuile kerels met begroezelde gezichten 
en verwarde haren, trokken, aan zeelten over de schouders, 
zware tweewielige karren. Schuingebogen schokten zij moei- 
zaam voort, schreeuwden rauw tegen wat hun in de weg 
liep; nog enkele venters stelde hun platte wagens bij de 
trottoirrand, handelden in vlugge gebaren met twee, drie 
koopers, om de kar opmerkzaam staande, wierpen onderwijl 



Digitized by 



Google 



BEZWAARLIJKE LIEFDE. i8i 

hun zangerige keelklanken in de lucht tusschen de tallooze 
geluiden. En op de trottoirs trokken slenterend de paren — 
mannen en vrouwen, kinderen voortsjorrend aan de hand, — 
van winkel tot winkel, staarden en wezen en sjokten weer 
voort. 

En hij ook onder dezen, nu verdoft van hoofd in dit schit- 
terend, druischend leven, dat zonder ophouden om hem 
raasde. Hij trachtte niet buiten dit hem omgevende te denken, 
stond voor uitstallingen, hel verlicht, van zware rollen rood- 
baai en grof geelend linnen en paarskatoen hoog opgetast. 
Dat was droog-ruw-vezelig en armoedig goedkoop, en hij 
verwonderde zich vaak hoe menschen het de gansche dag 
uithielden in zoo'n winkel, duf-rokig en schemer-somber, 
waar het linnen felkrakend scheurde en de nagel afschampte 
bij het uitmeten . . . Toen zag hij de vroolijke uitstalling 
van een groote kruidenierswinkel: breede vakken donkere 
rozijnen tegen lichtbruine amandelen en 't kleverig glanzig 
groen van de stukken sucade. Binnen in 't gezellige-lichte 
repten witte mannen de bezige handen achter de lange toon- 
bank, waarboven als een klokkespel van weegschalen koper- 
glansde. Maar vóór de toonbank stonden de klanten, oog- 
starend, wachtend stil. 

I^Ü &^S weer loom verder tot een volgende winkelkast, 
waar kinder- en vrouwengoed was uitgestald. In 't blauwwit 
licht schemerden de opgehangen kinderpakjes, delicaat-wit, 
stijfjes uitstaande met kostbaar borduurwerk aan hals en korte 
mouwtjes, dat deed denken aan het langdurig kriebeUg werk 
dat hij vroeger wel had zien doen in lange avonduren. Einde- 
looze strooken waren dat altijd, dik opgerold en alleen bij kleine 
stukjes op gf oen leer gelegd. Zoo werden de ronde en ovale 
gaatjes zuiver omboord. Het duurde eindeloos en scheen nooit 
haast te hebben, als ware het meer tot tijdpasseering, dan om 
tot een doel te komen. Het leek aangenaam kostbaar, met 
die peuterig-fijn bewerkte sterretjes en rond omboorde gaatjes, 
iets zeldzaams van langdurige, moeilijke arbeid. Daarbij hingen 
onder de strakke glanzing van dit blauwig licht, goedkoopere 
schortjes van gesteven geel linnen roodgeboord, en beneden 



Digitized by 



Google 



i82 BEZWAARLIJKE LIEFDE. 



kinderhempjes poppigklein met blauwe linten en kousjes met 
de voetjes neergestrekt. . . een aangename luxe van zuiver-wit 
en frissche kleur, die gedachten wekte van zachtverzorgde 
kindsheid, en degelijke, rustige welgesteldheid. 

Terwijl hij zich afwendde tot voortgaan, brak ineens weer 
het broze ijs van zijn gedachten in een angst-opgolving, die 
zijn leden verlamde en zijn hart kloppen deed. 

Het was de onrust, die weer in hem woedde, hoe hij 't 
daar ginds wel zou vinden en wat er gebeurd mocht zijn al 
dien tijd van zijn blinde afwezigheid. 

Redeneeren hielp daar tegen niet. Al zijn gedachten liepen 
de hoofden te pletter tegen die starre benauwing van onrust, 
die zijn oogen zwaar maakte. Het was dat zijn lichaam elders 
moest leven, dan waar al zijn denken heenging, dat hij zoo 
nietig zich voelde in 't wijde leven en machteloos moest over- 
laten aan het toeval van zoovele tegenstrijdige invloeden, om 
zijn lot en het hare te beschikken. 

Hier tusschen de geellicht-fonkelende straatwanden ging 
hij; in de wind-huiverige frischte, die in kille ritselingen 
neervlaagde van het diep staalblauwende hooge, en hij was 
beklemd om het vol-druischend, onwetend leven, dat hier 
krachtig en nuchter-sterk verliep. Dit hier wist niet van 
ginds. Als zij ginds nood leed, zij, zoo fijn in die ruwe 
brutale omgeving, aan geen ding en geen mensch hier zou 
het blijken. Dit gerucht, dit gewoel ging brutaal-mechanisch 
de uren door tot het in de late nacht verdoofde en hij, 
zijn zwaar gevoel dragende, was hierin klein-verloren, een 
infiem deeltje van dit al-leven, dat hem niet achtte en om hèm 
niet was. Zoo ging het wel met elk, zoovelen daar bewogen, 
die ieder zijn gevoelens en verlangens in zijn ^jjf veilig be- 
sloten droeg. Maar de minste waren zeker zoo boordevol 
gevoel als hij en dat maakte hem zoo kwetsbaar en zoo 
angstig voor de harde druk der dingen. 

De onrust klopte al feller in hem, naarmate hij verder kwam 
en de gedachte hem doorschoot, hoelang hij hier nu al liep, 
hoe ver geleden het was, dat hij op zijn kamer in 't donker 
over haar dacht. 



Digitized by 



Google 



BEZWAARLIJKE LIEFDE. 183 



Al sneller bewogen zijn beenen onder het zat-gepeinsd 
lijf en zijn gedachten, terugtrekkend van de avond verschij- 
ningen rondom, strekten nu alle naar haar en hoe 't daar- 
ginds zou zijn. 

Voor zijn geest was de donkere straat, het geele binnen 
van het lokaaltje. Hij rook de vuile blauwige tabakswalm, 
waardoorheen schonkige ruig-zwarte mannenlijven gezeten aan 
tafeltjes bewogen. En er was donker mompelen en grof horten 
van vrouwestemmen, een dikke laag van lawaaiend zwaar- 
lallend mannenpraten en zwetsen, doorsnerpt telkens van een 
scherpe vrouwekreet. Dat waren de meiden. Maar hkkr zag 
hij ook, door de walm heen, ergens in een hoek ingesloten, 
fijnbleek in een roode blouse, en breede handen waren op 
haar en zweetig-roode dronkemanstronies naar haar heen . . . 

Dit visioen deed knagende pijn, al wist hij dat *t waar- 
schijnlijk zoo niet was, hij vormde het alle avonden, erger 
of minder, en maar eens had hij het werkelijk zoo gezien: 
op n avond toen de baas van 't zaakje uit was en zij 
alleen een beginnende ruzie van dronken stokers had be- 
dwongen. Dus kón 't toch waarheid zijn . . . 

Hij ging dan nog sneller. Flauw bemerkt vielen de straat- 
verschijningen aan beide zijden langs hem weg. Mechanisch 
week hij voor de zware trage wagens en de ratelende rijtui- 
gen. Tusschen druk pratende menschen schoof hij heen, vóór 
hen om en voorbij op de brug over het breede zwartgolvende 
water, waarin de oever-lichten als beweeglijke goudfranjes 
breedgespreid lagen. Toen sloeg hij links af op de donker- 
^der, eenzamer kade, waar nauwelijks enkele zwarte gestalten 
brommend pratend hem tegen kwamen. De hooge huizen waren 
naast hem stil en bij tusschenpoozen hoorde hij nu zijn 
eigen stapi>en. Weer een hoek om, haastig, haastig stappend, 
was hij nu in haar straat. Die lag breed en donker uit met 
schaarsche geluiden van ver. 

Vele van de niet-hooge huizen aan weerskanten waren 
winkels of café'tjes, soms drie, vier naast elkaar. Die schenen 
dofrood naar buiten uit, met hel licht boven de deur. Uit 
enkele lawaaide dronkemansrumoer en gezang. 



Digitized by 



Google 



i84 BEZWAARLIJKE LIEFDE. 

Terwijl hij schuw langs de huizen sloop, trachtend zijn 
voeten neer te zetten zonder geluid, rinkelde een eind vóór 
hem een café-deur open en een vaag-donkere figuur strom- 
pelde uit en bleef staan zich steunend aan de deurpost. 

Verdomme, verdomme, hoorde hij de kerel schor-vloeken, 
vreemd-hard in de stille donkerte, toen zwaaide die langzaam 
verder, aldoor onderdrukt mompelend voor zich heen. 

Hij liep zachter om de vent niet voorbij te gaan. Zoo 
dicht bij het doel en het eindelijk weten-hoe-het-was bonsde 
zijn hart jagend-snel in zijn borst, ook van onrust dat weer 
iemand uit een der deuren zou komen, die hij langs ging 
of iets gebeuren kon, dat hem opmerkte en belette binnen 
te gaan. Maar de ruig-schurige steenvakken en de kaalvervige 
deuren schoven langs zonder dat iets hem ophield. Zijn 
stappen waren nu nog maar twee, drie huizen van 't cafétje 
verwijderd, hij zag deur en vensters van een doffe gloed 
doorschenen. Het tuimelraam boven de deur geopend, gaf 
een inkijk naar het witlicht plafond. Het was stil daarbinp':-. 

Toen, terwijl het bloed in zijn slapen klopte en zijn ooren 
suisden, sloeg hij de hand aan de klink en duwde de deur 
open . . . 

Dadelijk viel hem zijn onrust af bij 't leeg-zien van 't ge- 
zellig-vierkant, zuiver-licht-overschenen lokaaltje. Er was nie- 
mand en tusschen de hoog-witte ommuring, van reclame- 
prenten hier en daar gekleurd, dreef een soezige, gemoe- 
delijke binnenhuisrust. Hoog-op achter de kleine toonbank, 
links, stond het buffet, stil glasfonkelend, rood en groen be- 
plekt, onder het licht der groote petroleumlamp, feluitstra- 
lend van het plafondmidden. 

In het midden een ronde bruine tafel, mahoniehout, op 
een zwaar voetstuk. Het blad was bruin-glinmierig onder 
het loodrecht-vallend blauwig-Hcht. Een grofzwarte breikous 
met lange pennen en eene kleine krant, vettig zwart gedrukt 
op goor papier lagen er op. 

Langs de wand, het buffet tegenover, een suf-leege aan- 
eenrijing van hoogpootige tafeltjes en donkerbruin-gewreven 
Weener-stoeltjes, onnoozel rug-aanrug en elkaar-tegenover. 



Digitized by 



Google 



BEZWAARLIJKE LIEFDE. 185 

Ook nog een tafeltje en stoelen aan weerskanten van de 
deur voor de vensters, die op gezichtshoogte met roode 
gordijntjes waren afgesloten. 

Er was niemand, maar van achter kwam gelach: een 
naïef jong-frisch geluid, met toch heel even iets cynisch- 
spottends in het uitbreken en de diepere toon, die de reeks 
trillerende schokjes sloot. 

Dadelijk daarop kwam een korte zware vrouw in de deur 
van 't kleine kamertje staan: 

— Godl daar hei je meheer all Dag meheerl zei ze en 
het ronde voUemaansgezicht met de glinsterspleet-oogjes 
knikte hem vriendelijk toe. 

— Dag Marie, zei hij terug. Toen riep ze naar achter: 

— Juffrouw, EUy . . . kom u's gauw, meheer is d'r. 

— Nou al, hoorde hij haar zingzangende stemmetje, half 
geërgerd, half plagend. 

En zij kwam ook door 't halfdonker van het klein-kamer- 
hokje in 't volle licht van het café, middelmatig geroot met een 
wel wat Duitschig-blond, heel bleek gezichtje boven het brutaal 
rood harer blouse. Zij reikte hem haar kleine smalle hand. 

— Wat heb je me laten schrikken ... zei ze coquet prui- 
lend, voor hem staande met % groot-verwijtende oogen en 
mokkend gesloten mond. 

— Je laten schrikken, poes? Waarom? 

Hij zag bezorgd neer op haar wasbleek gezicht, lijkig in 
't meedoogenloos-schelle licht, waarin de rimpels op haar 
voorhoofd, haar kleurlooze wenkbrauwen, de al-vermoeide 
trekken om neus en mond scherp-zichtbaar opkwamen. Het 
breede, toch magere gelaat in de krans van kroesblond 
haar werd er oud van en 't deed hem pijn, dat op te mer- 
ken. Alleen haar mond en ronde kin waren eigenlijk nog 
mooi, waarboven de wat lange, fijne neus wel pikant uitkwam. 

Maar het bovengezicht was te breed aan de slapen en 
't voorhoofd te breed en gerimpeld, de oogen te licht, met 
een katachtige uitdrukking over de ietwat valschig ophoe- 
kende wenkbrauwen. Hij wist haar gezicht zoo wel en altijd 
weer en eigenlijk voortdurend onder 't met haar spreken en 



Digitized by 



Google 



i86 BKZVVAARLTJKK LIEFDE- 

vrijen, was 't in zijn hoofd bezig — hemzelf maar vaagbe- 
wust — die lijnen en vormen na te gaan, genietend van de 
fijn-rose gelipte mond en zachtrondende kin en altijd weer in 
onvrede over haar breed-laag voorhoofd, met de lange rim- 
pellijnen en bleeke wenkbrauwen en zoekend naar wat toch 
die vreemd-schrille expressie van haar lichte oogen maken 
mocht. 

Maar nu was hij geschrokken van haar bleekheid en ouwe- 
lijk uitzien, dat hem vol meelij maakte. 

— Waarom schrikte je dan zoo, vroeg hij nog eens, drukte 
een kus op haar mond^ die zij vluchtig teruggaf. 

— Ik schrik altijd, als jij binnen komt, . . . zoo ineens, ant- 
woordde ze met die zacht-musicale stem, die een genot 
was te hooren. Ik was net bezig de kaart te leggen in de 
achterkamer, voor Marie. Ik verveelde me zoo. . . 

— Zoo? En wat zei de kaart? Komt 't uit? Vroeg hij 
zich tot een opgewekte toon dringend, terwijl hij langzaam 
met haar naar achter liep. 

— Och, gekheid natuurlijk ... ze zou veel geld krijgen 
van over zee . . . Hoe ken dat nou ? Maar *t komt toch wel *s 
uit, niewaar Marie? 

— Wa zeg u ? vroeg deze in 't donker van 't kamertje 
voor een open kast bezig. 

— Komt 't nie wel 's uit als ik de kaart leg ? Laast met 
die vrijer van over 't water. Die is toch gekomen. 

— Dat lekkere bruine ventje, die bootsman van de erts- 
boot ? Nou of-tic gekomen is 1 

— Zie je nou wel, lachte EUy naar hem op, kom, ga nou 
maar mee . . . naar achter . . , hé, hebje niet wat meegebracht? 
wat lekkers? 

— Nee kind, van avond heusch niet. 

— Nare jonge, pruilde zij in kindertoon, brengt nooit wat 
voor EUy mee, die zoo van chocolaadjes houdt en van pra- 
lientjes en van caramels, maar die krijgt ze van stoute man- 
netje niet ... ga weg, stoute mannetje 1 

Zij stootte hem van zich af en deed of ze hard heenloopen 
wou ; maar hij hield haar om het middel vast, trok haar naar 



Digitized by 



Google 



BEZWAARLIJKE LIEFDE. 187 



L-^ 



zich toe, lacherig, verliefd. En ineens brak zij weer in lachen 
uit, hetzelfde lachen, dat hij gehoord had bij 't inkomen, en 
waarin iets vulgairs doorklonk. 

— Doe ik niet gek ? vroeg zij toen — net een klein kindje, 
hé? Zoo doe ik nou altijd, ook tegen vreemde menschen. 
Die moeten dan wel denken dat ze een gek voorhebben, 
niet? Maar ik kan 't niet laten. 

Zij zaten nu in 't kamertje, 't hokje tusschen café en 
achterkamer, dat met een raam — naast de smalle deur -— 
op 't café uitzag, 't Raam had schuine neteldoeksche gordijnen 
en ook een rolgordijn met franje. Een geschulpte bruine 
mahonie-tafel stond er dicht voor, en rondom op 't gesleten 
bruin tapijtje, langs de wanden drie stoelen met roodtrijpen 
zittingen. Tegen 't wit papier van de muren een boeke- 
hanger en een chromo, en op de tafel een groote pluimige 
Maquartboeket in vaas met zilveren voet. 

In dit hokje, waar 't schel-gelend licht uit 't cafétje, onder- 
schept door 't gordijn, koel-schemerde, glimlichten slaande 
op de stoelruggen, op de tafel, op de zwarte lijst van de 
chromo, zat hij nu avond aan avond al de maanden dat hij 
haar kende. In dit lichtdonker waren hem haar fijne blondine- 
trekken het liefst. Zij zaten elk op een stoel bij het tafeltje, 
het gezicht naar het raam en vrijden. En de tijd verliep snel, 
maar telkens wipte zij even heen om iets te g^aan zeggen 
aan de meiden, die de gewone klanten bedienden of een 
hand te gaan geven aan een kennis, die wel alleen voor haar 
naar deze uithoek was gekomen en nu stil en mistroostig 
over ^jn cognacgrok te staren zat, nu en dan zijdelings 
blikkend naar 't kleine deurtje of EUy niet kwam. En hij 
volgde dan haar ingehouden-levendige gang door 't lichte 
naar 't tafeltje van de kennis, haar bleekgezichtje in een 
vriendelijkheidsplooi. Zij schudden elkaar kort de hand, hoog 
op, krachtig, zooals men dat altijd heeren kelnerinnen ziet 
doen, en dan bleef zij met de hand op het tafeltje geleund 
even praten, opgewekt praten, telkens even lachend naar zijn 
verlevendigd gezicht, maar in haar vakmatige gewoonte-vrien- 
delijkheid was toch altijd iets ingetogens en zacht-gracelijks. 

'3 



Digitized by 



Google 



i88 BEZWAARLIJKE LIEFDE. 

Van-uit het kamertje haar lippen bewegen ziende en hoorend 
haar lach-schater, voelde hij wel een onrust van jaloezie, 
maar 't duurde nooit lang zoo'n gesprek en 't was nu een- 
maal de noodzakelijkheid van haar betrekking. Zij kon immers 
niet heelemaal voor hem alleen zijn en op die wijze ging de 
klant tenminste eenigszins bevredigd weer heen. 

Als hij Elly dan met een tweede joviale handdruk afscheid 
had zien nemen en de > kennis", — zij wou zelden zeggen, 
wie 't was — was opgestaan en met een tikje aan zijn hoed 
stijf weggestapt, kwam zij weer vlug naar 't kamertje en met 
een sprong van de deur op de stoel naast hem. En kinder. 
lijk uitgelaten pakte ze hem dan wel, zijn hoofd tusschen 
haar handen en zoende hem op de mond. 

Dat was een vriendje van me, zei ze als hij haar nader 
vroeg, met plagerige glinster-oogen voor zich kijkend, terwijl 
haar bovenlip, opgetrokken, een rei kleine witte tandjes 
ontdekte ... en wat een aardig vriendje ... Ik heb er een 
heele boel zoo . . . 

Maar als hij dan, onrustig en onvredig, verder vroeg, haar 
verwijtend dat ze 't wat aardig vond al die ^vriendjes" en 
om gestreeld en begfinnegapt te worden, werd ze even 
hartelijk-ernstig. 

— Ja jongen . . . dat moet je wel even doen zoo . . . anders 
komt er geen mensch meer. Als je dat nou niet 'wil moet 
je me niet hier laten ... De zaak is de zaak toch. 

En hij zweeg in 't grievend voelen van zijn onmacht om 
haar te onderhouden of ergens beter te plaatsen. Hier was 
ze ook nog betrekkelijk veilig en hoefde zich niet te over- 
werken . . . 

Maar deze avond hoopte hij wel dat er niemand meer 
komen zou. 't Was toch al bij tienen. Zij had gebabbeld 
van wat ze die dag gedaan had en zat nu zwijgend in 
gedachten. In 't kamerhokje, in 't licht-leege lokaaL vóór hen, 
was 't nog immer de suizende binnenhuisstilte, waarin de 
scherpe tik van een klok uit de achterkamer eenzaam scheen 
te wandelen. 



Digitized by 



Google 



BEZWAARLr[KE LIEFDE. 189 

Buiten galmde een zeldzaam geluid of stapi>en trokken 
voorbij de deur met brommend praten. 

Voor 't eerst in de avond voelde hij zich rustig in deze 
gemoedelijke binnen-rust met haar naast zich. 

— Is de baas niet thuis? vroeg hij, eenigszins verwonderd 
dat hij dit niet eerder gedaan had. 

— Bredée? vraag-zong haar stem. — Nee, die is uit — 
van avond vroeg al uitgegaan. Maar hij zal zoo dadelijk wel 
thuis komen. 

Zij had afgetrokken geantwoord, alsof haar denken niet 
bij haar woorden was. 

Hij zat haar aan te kijken. Haar hand was in de zijne warm, 
haar gezicht stond ernstig met staar-oogen en gesloten mond. 
Waarover ze wel denken zou? 

Zij wist zelve niet waaraan ze dacht. Het was aan niets 
itf^ bepaalds, meer een grijze loomheid van denken waarin aller- 

lei aspecten van de avond en van gisteren scherper kleurend 
opdoken. Zij voelde het leven dof-beslagen, het leven van 
de gansche dag en dat van de avond en ook dat van 
gisteren. Misschien was 't van verveling. Ellendig zoo'n dag 
dat er niemand kwaml Dan zat ze maar voor 't raam te 
haken, met het stomme gekakel van die meiden om 'r. Als 
Jan nog maar thuis was geweest, maar die had ook de 
heele middag uit gemoeten. Hij verveelde zijn eigen ook 
als 't zoo stil was. En je verdiende nog 's wat als er een 
paar heertjes kwamen. 
^ Dat had ze waarachtig ook wel weer noodig. 

; Ben was een goeie jongen, een best ventje en ze hield 

wit van 'm . . . maar . . . heel veel zat er oók niet an . . . 
En ze had een nieuwe zomermantel zoo hoognoodig . . . 

— Wat zeg-i?... Iets drinken?... Ja, we magge waar- 
achies wel wat drinken, je bent hier maar niet voor je 
plezier, hèl Wat dan? Vermouth maar weer? Toe dan... 

En toen zij de flesch en twee glazen gekregen had en 
^ weer op de stoel zat, klaagde zij uit : 

— O, 't was zoo vervelend vandaag . . . zoo vervelend. 



Digitized by 



Google 



I90 BEZWAARLIJKE LIEFDE. 

jongen, 't was om dood te gaan. Geen sterveling gezien de 
godgansche dag ... Ja, drie schippers, geloof ik, in 't geheel. 
Wat is dat nou ? 

— En wat hebben jullie dan de heele dag gedaan? 
vroeg hij. 

— Nou, veel gehaakt en gepraat en gekheid gemaakt, 
gezongen en gedanst, verheel je 1 Ja, je weet niet wat je 
beginne moet om zoo'n dag om te krijgen ... En je wordt 
eindelijk zoo geeuwerig . . . Toen hebben we eindelijk maar 
gedronken, alle drie, om op te vroolijken, en toen zijn we 
zoo raar geworden dat we bijna niet gegeten hebben. 

— Wkt heb je gedronken? vroeg hij ongerust. 

— Och, bitter . . . 

— Nou maar, schkam je je dan toch niet . . . Dat deugt 
nou heelemaal niet voor je . . . Je weet dat je maag d'r 
niet tegen kan. Wil je dan per se je ziek maken 1 

— Och, wat hindert 't, zei ze met een ongeduldige schou- 
derbewegen. 

— Wat 't hindert? Dat je weer voor drie dagen ziek ligt, 
en dat je d'r een maagkwaal mee krijgt. Je weet dat je een 
zwakke maag heb . . . 

— Nou ja, 't is goed, hoor ... as je je zoo ver- 
veelt, dan moet je wat hebben . . . wees nou niet zoo 
zanekerig. 

Zij keek boos voor zich en weerde zijn hand af. 

Hij kon zoo zemelen, die jongen, zoo echt vervelend en 
dan kon-i zoo sentimenteel doen. Niks geen manl 

En dan kon ze hem niet goed uitstaan, met zijn bleeke 
meisjesgezicht en zijn snorretje van drie haren. Hè, gisteren 
was er nog een heertje hier geweest, diè had een prachtige 
snor, zoo'n zwarte met lange punten, die zoo breed over de 
lippen heen hangt en dan een beetje opkrult. Maar dat was 
heelemaal zoo'n mooie jongen geweest. Zwart haar en groote 
donkere oogcn, zulke stekende oogen. Daar werd je koud 
van als die je aankeek . . . Hè, zoó'n man 1 

Och, déze jongen was ook wel lief, . . . zoo zacht vooral. . . 
Die heer was vreèselijk aardig voor d'r geweest en had drie 



Digitized by 



Google 



i^_ 




BEZWAARLIJKE LIEFDE. 191 

maffies fooi gegeven. En tocn-i wegging, handjes geven, 
en zeggen^ dat-i zéker gauw terug zou komen en dan wat 
voor d'r mee brengen . . . Ach, dat zeien ze zoo dikwijls 
en deeën 't toch niet. Maar misschien déze wel. 't Was een 

échte heer anders, wat fijn gekleed een die geld had 

ook. Hé, ze zou wel 1 . . . Niet dat ze niet van Ben hield . . . 
Ze hield heel veel van 'm . . . bepaald. Zij verlangde altijd 
nog 's avonds dat-i maar kwam. Je moest altijd wel iemand 
hebben om verliefd op te zijn . . . Wat had je nou anders? . . . 
Zoo'n vrijertje gaf nog 's variatie en je kon er 's mee uit- 
gaan ... En 't was zoo aardig hem zoo verliefd te weten. 
Alleen was hij soms wel lastig ... Hij wilde altijd zoo be- 
dillen. Dit niet doen, dat niet doen. Ze wist heel goed wat 
ze doen moest. Maar hij meende 't zoo goed en hij geloofde 
haar zoo onschuldig . . . 

... God, ze had hem al wat leugens verteld I Maar je 
kon toch niet klles zeggen en hij zou zeker niet zooveel van 
haar houen, als hij alles geweten had. 

. . . Zulke jonge ventjes zijn toch wel onnoozel . . . Zij 
woonde hier nou altijd maar alleen met die man en die twee 
meiden en 't was toch nog geen oogcnblik bij 'm opgekomen 
dat er iets tusschen haar en Jan Bredée was. Natuurlijk 
was er dati Hoelang kende ze hem nou al? Drie jaar wel 
en toen-i haar gevraagd had om in dit zaakje te komen 
had zë 't maar aangenomen. Omdat: ze mocht 'm wel en 
't was een kalm leventje na die drukke betrekking in de 
Poortstraat ; nou en toen was 't vanzelf zoo tusschen hen ge- 
komen. Als je altijd zoo vlak op mekaar leeft ... En die 
Ben dacht altijd maar van niet. Hij had 't haar 's eens ge- 
vraagd en toen had ze gezegd dat 'r niks van an was. 
Dat begrijp-i 1 En sedert vroeg hij nooit meer. Hij was vast 
overtuigd . . . goeie Ben I hij meende 't zoo goed met 'r . . . 
maar daar hadt je niet altijd an en . . . 

— Hé? wat zeg-je ventje? Ben zat haar stil aan te kijken 
zelf z'n gedachten nagaand. Bij haar zwijgendheid vanavond 
en de soezige stilte in huis, voelde hij telkens zijn denken 
van het oogenblik wegtrekken. Hij bleef haar stil-bleekc 



Digitized by 



Google 



192 BEZWAARLIJKE LIEFDE. 

gezichtje aanstaren met de weg-peinzende blik in de licht- 
grijze oogen en de fijn-ernstige mond. 

Wat had 't kind vanavond? Waarom scheen ze zoo ge- 
drukt? Was 't toch, haarzelf misschien onbewust, haar leven 
dat haar drukte en de zorg om de toekomst. Als zulke luch- 
tige schepseltjes een enkele maal in zich keeren, wat moest 
't hen dan triestig en zorgenvol maken . . . 

Arm kind, arm Idnd, 't was veel beter niet te denken, 
nooit te denken, waar 't leven voor haar heen ging. Hij 
behoorde haar af te leiden . . . maar als zoo vaak wist hij 
niet waarmee. Zijn gedachten gingen zelf te zwaar om voor 
veel luchthartigheid ruimte te laten. Hij zou haar zoo graag 
geholpen hebben, maar hoe ? ' Waar moest zij heen, wat be- 
ginnen om veiliger te leven, gedekt voor de dreigende toe- 
komst? Wie zou haar willen hebben, een kelnerin? En dan 
zou zij zeil niet eens willen . . . Hij voelde 't wel en dat was 
de meeste pijn, dat haar eigen wezen haar lot maakte. Hier 
zaten zij nu tezamen en zij had hem lief en hij wilde niets 
dan' haar best en toch voelde hij haar eenzaam leven. In de 
dagen leefden zij nu schijnbaar samen, maar hoe lang kon 
dat duren. Hij was machteloos om in te grijpen in haar 
leven; zijn zorggedachten omfladderden haar als zwakke 
vogels, van de ochtend tot de avond, maar geen hand- 
breed week zij daarom van haar noodlottig gebaande levens- 
weg af. Zij bleven ver van elkaar en hij zag haar gaan als 
een klein fijn figuurtje ergens omlaag in een verre diepte. 
Een eenzelvig gaan, altijd omlaag, naar een onbekend donker 
einde. 

— Wat zijn we stil vanavond, hè? zei ze nu zelf met dat 
ingetogen-vragend, zacht-melodieuse stemmetje, dat voor hem 
ook haar wezen resumeerde ... 't Is ook zoo stil . . . zoo 
akelig . . . dan ga je zoo denken ... Ga maar 's mee naar 
voren, dan gaan we pret maken. 

Zij trok hem kinderlijk-onstuimig van zijn stoel op en 't 
deurtje uit in 't licht café, waar haar roode blouse ineens 
weer opvlekte. Zij klapte uitgelaten in de handen en danste 
lacherig, dat haar tandjes blonken tusschen het lippenrood. 



Digitized by 



Google 



BEZWAARLIJKE LIEFDE. 193 

rond de tafel, terwijl haar kleio geknepen oogen uitdagend 
naar hem blikten. En plotseling met een dolle sprong» 
sprong zij aan zijn lijf vast, haar armen om zijn nek, haar 
knieën om zijn heupen. En hij, even wankelend, droeg haar 
zwaar rond door het vertrek, met zijn lippen op haar week 
zijig halsvel gedrukt. 

— Lieveling, lieveling, mijn engel ben je . . . de woorden 
kwamen dof uit zijn mond, terwijl hij haar slank, soepel 
lijf aan zich drukte, heftig. Zij liet hem begaan, met het 
hoofd op zijn schouder, zalig als een poes die zich gestreeld 
voelt. 

Maar eindelijk kon hij niet langer en liet haar, overbuigend, 
op de grond neer. Zij liet haar armen los, gaf hem een 
volle zoen op de mond, en stond met een luchtige sprong 
bij de deur van 't kamertje, naar hem heen zeggende: 

— 'k Ga 's even naar Marie kijken . . . dkg . . . 

Hij, hijgend en tevreden, drentelde met de handen in de 
zakken in 't café'tje, tusschen al die stijf-stille dingen, de tafel 
en de onnoozele stoelenrijen. Hij lette 't alles op en hij 
vond 't nu knus hier, achter de roode gordijntjes, met het geel- 
glimmende nette houtwerk der wanden rondom. De stoelen 
waren zoo vertrouwelijk, de ronde tafel huiselijk-goedig en 
er was iets weelderigs in de rustige fonkeling van het buffet, 
't Was niet te denken nu dat deze glanzende, propere, 
welverzorgdheid soms beslagen werd met tabakswalm uit 
walmende pijpen, dat deze gemoedelijke binnenhuisrust ver- 
stoord kon worden, elk oogenblik, door grof praatgebrom, 
of lollend dronkemansgezang. 

Terwijl hij, telkens op één been steunend, de reclame- 
kaarten stuk voor stuk bekeek, die van de muren vuurrood 
schelblauw of hardgroen vlekten, hoorde hij EUy's stem in 
de achterkamer. 

Daar zat Marie aan de leege tafel te breien, stil óp in 't 
lamplicht, de vingerhanden rusteloos bewegend. En van 
dicht boven haar geelde het licht de vleeschkop met de volle 
kin en de varkensachtige spleetoogjes ... De kamer rondom 
haar, schraal gemeubeld, was rustig dommelend in schemer- 



Digitized by 



Google 



194 BEZWAARLIJKE LIEFDE. 

dofheid. Elly was naar achter gekomen uit een plotseling 
gevoeld meelij met Marie, die de heele tijd daar zoo zeurig 
alleen zat. 

— Wat is 't nou vervelend, hè, vanavond? zei ze, dat er 
nou ook niemand *s komt ... En dat je nou ook altijd zoo 
achter gaat zitten 1 . . . Kom oók 's voor, da's veel gezel- 
liger. Jakkes ! 't is hier zoo doodsch . . . 

— Och . . . vond Marie ... 't gaat nogal . . . Wat zal 
ik nou vóór doen? Zij had haar oogen niet opgeheven van 
de breikous, die ze tusschen haar stompe werkvingers bewoog 
met knitterend geluid van de lange naalden. 

— Toe, kom nou maar . . . hield Elly aan ... Hij wou 
je wat tracteeren, zeid-i . . . om wat op te vroolijken, toe 
kom 1 je zal óns toch niet hinderen . . . 

Marie stond op, legde de kous op tafel. 

— Nou vooruit dan maar, zei ze, bereidwillig-opgeruimd 
in haar boersche dialect. 

En zij gingen naar voor, waar nog de jonge man naar de 
reclamekaarten stond op te zien. 

Elly ging naar hem toe, stak haar arm door de zijne. 

— Zeg, geef Marie wat ; die meid verveelt zich zoo . . . 
Ze heeft de heele avond nog niets gehad, zei ze zacht naar 
naar hem op. 

— O, mij goed, laat ze maar wat nemen, gaf hij onver- 
schillig terug. 

— Neem maar wat je blief. Marie, meneer vindt 't goed, 
niewaar? zingzangde haar stem nu weer luidop. 

— Ja zeker, ga gerust je gang. Marie. Hij had even 't 
hoofd naar de meid hcengewend en zag haar breed-vriende- 
lijk-lacherig hem toeknikken. 

— Nou dan een groklde, asteblief, dank u meheer, zei ze 
achter 't buffet gaande. Uit een lange flesch goot zij een 
geele gulp cognac in een glas, ging toen naar achter om warm 
water te halen en kwam dadelijk daarop met het dampend 
glas terug. 

— Op uw gezondheid, meheer . . . juffrouw . . . wenschte 
zij boersch-joviaal, hard sprekend, nam een vlugge slok met 



Digitized by 



Google 



BEZWAARLIJKE LIEFDE. 195 

gewend gebaar en zette toen het glas op de ronde tafel neer. 

— O . . . danki, danki wel, Marie, antwoordde hij, glimlache- 
rend, èven-verlegen. Dankje Marie, knikte neerbuigend- 
vriendelijk Elly. 

— En we hebben nie-eens wat te drinken . . . besloot ze, 
beteekenisvol naar hem oogknippend. . . . Die Marie was 
ook altijd zoo gek, zoo ordinair met 'r gezondheid drinken. 
Ze voelde zich er vaag om schamen, dat die meid zoo deed 
en ze was ook onzeker hoe hij *t op zou nemen .... Ze 
wenschte maar dat Marie nu weer gauw wegging. Al haar 
meelij was heen. 

Maar Marie bleef bij de tafel haar grok drinken, haar 
stompe vingers om het glas dat zij aan haar gebogen arm 
ophield. Telkens nam ze genietend een lange slurpteug. 
Haar andere hand steunde met gekromde vingers en .platte 
duim, meid-achtig, op de tafel. En de anderen bleven 
tegenover haar talmen, hij, verveeld kijkend, met nog altijd 
handen in de zakken, Elly aan zijn arm geleund, haar hoofd 
tegen zijn schouder. Marie met haar goedig-gemeen gezicht, 
waarvan de verwaterde trekken en omrande oogen nu schcrp- 
duidelijkten onder de felle lichtstraling, praatte evenwel; 
tusschen haar drinken in, rustig voort met haar doordringend 
harde stem in ^t boersche dialect: 

— Dat 'r nou ook zoo net niemand komt vanavond, hè? 
da's nou toch ook zoo vervelend ... en gisteren was 't 
zoo vol . . . 

— Zoo? was *t gisteren vol? vroeg hij, om iets te zeggen. 

— O heere jeel en laat nog. . . niewaar juffrouw? 

Elly knikte, maar hij, door die laatste woorden van Marie 
pijnlijk verrast, wilde nu meer weten. 

— Nog laat? vroeg hij . . . nog nadat ik weg was . . .? 

— O ja, begon Marie ... en Elly viel haastig in, alsof 
zij zijn denken begreep: 

— Ja, jij bent immers nog al vroeg weggegaan gister- 
avond ? 

— Nou, 't was toch al over elven . . . 
— Nee; precies elf uur. 



Digitized by 



Google 



196 BEZWAARLIJKE LIEFDE. 

Hij voelde weer dat smartelijke van vage argwaan en angst 
opkomen, dat hij zoo vaak ondervond in zijn verhouding tot 
haar. In haar toon merkte hij een gemaakte onbevangenheid 
die hem wilde bevredigen en afslijpen de impressie van 
Marie's zeggen. 

Maar deze, die daar niets van merkte, ging onverstoorbaar 
en argeloos voort al die dingen te zeggen, die EUy liever 
verborgen had. 

— O, 't was al over twaalven, toen klopten ze nog . . . 
weet u wel? toe u en meheer al in bed lagen. 

EUy voelde haar hart bonzen. Zij hield haar hoofd tegen 
Bens schouder gedrukt, omdat zij haar wangen schaamrood 
gloeien voelde. Zoo'n stomme meid, zoo'n kip zonder kopl 
»Toen u en meheer al in bed lagen." Móèst-i nou niet 
begrijpen dat ze samen in bed lagen 1 Dat lamme dier van 
een meid. 

Elk luid woord van haar, zoo stom-zonder-crg uitgezegd, 
trad als met zware voeten haar gepijnd hooren. Zij dacht 
dat hij nu dadelijk iets zeggen ging, dat toonde hoe hij nu 
eindelijk begreep hoe hier de toestand was . . . 

Maar zij hoorde hem verder vragen en haar angst zonk, 
want zijn argwaan scheen, over Marie's laatste woorden heen, 
zich aan iets anders te hechten. 

— Zoo? en heb jullie opengedaan? 

— Wel ja... waarom niet? Die hebben nog wkt goed 
verteerd . . . 

— En wat waren 't dan voor menschen? 

— Nou . . . een paar heertjes, wat 'n nette ventjes, nie- 
waar EUy ? . . . 

— Ah! 't waren heertjes... en ben jij ze komen bedienen? 
Zóó, in je nachtjapon? . . . Was 't erg gezellig met die 

nette ventjes? vroeg hij, op haar neerziende, wanhopig- 
spottend. 

Maar hier voelde zij zich in haar onschuld gerust: 

— Bé'je mal! zei zij en 't klonk in haar stem of zij zijn 
veronderstelling een verachtende trap gaf. Bé'je gek! ik heb 
even een rok aangedaan en heb in 't buffet wat wijn voor 



Digitized by 



Google 



BEZWAARLIJKE LIEFDE. 197 

hun gekregen ... Ik heb ze goeien dag gezegd, maar verder 
heb ik ze niet angekeken . . . Marie heeft ze bediend, nie- 
waar Marie? 

Deze, die nu ook begon te begrijpen dat de meneer jaloersch 
was, haastte zich toe te stemmen. De juffer was er niet bij 
geweest, zij had ze bediend . . . maar ze waren niet lang 
gebleven. 

— Natuurlijk, hè ? dat begrijp je . . . toen ze zagen dat ik 
niet voorkwam, zei het meisje in naief-rustige zelf bewustheid. 

— Ik heb toch nog drie mafiïes fooi gehad; en ze zeien 
dat ze vandaag terug zouen komen, rammelde de andere voort. 

— Zoo . . . hebben ze dat gezeid ? 

— Ja, die eenc zei dat-i vast kwam, u kan 'm wel, die 
lange zwarte, die wel 's meer hier komt. 

Weer voelde Elly het gesprek angstig-gevaarlijk. Ze wist 
wel wie Marie bedoelde ... 't was zoo'n lange jongen, zoo 
interessant bleek en met zwart haar. Hij had haar verleden 
een flesch eau-de-Cologne beloofd, maar dat hoefde Ben allemaal 
niet te weten. Wat hoefde nou die Marie weer te zeggen dat 
zg die vent wel kende 1 

Ze haastte zich iets te zeggen, dat afleiden kon: 

— En d'r is toch de heele dag niemand geweest, lachte zij, 
och, ze waren zeker dronken . . . 

— Nou . . '. zoo dronken toch niet, hield Marie vol ... en 
die lange heeft wel driemaal naar u gevraagd. 

— Da's dan zeker en goeie kennis van je . . . begon hij 
toen de deur open rinkelde en achter elkaar twee mannen 
uit het donker nachtgat in 't lichte traden. Zij stapten zwaar 
binnen, met een >g^n avond samen" en een tik aan hun 
petten en zakten breed neer aan een tafeltje, tegenover elkaar. 

De jonge man en Elly hadden de groet beantwoord, zij 
met een coquet-vriendelijk lachknikje naar hen heen en waren 
toen achteloos, om niet het air te hebben de bezoekers te 
mijden, gedrenteld naar 't kleine deurtje en zoo 't kamer- 
donker binnen. 

Marie was gebleven en vroeg met een vette vriendelijkheid 
en breed-lachend, wat ze gebruiken wilden. Met grommende 



Digitized by 



Google 



198 BEZWAARLIJKE LIEFDE. 



keelstemmen, dof en kortaf, bestelden ze bier en bleven, toen 
de glazen gebracht waren, blokkig tegen elkaar over met de 
armen op hun tafeltje hangen, zonder een woord te spreken. 
Bij de groote ronde tafel stond Marie, een hand daarop 
gesteund, naar hen te kijken, het oogenblik afwachtend, 
waarop zij zou vragen of ze niets van hen drinken mocht. 

Ben en EUy waren stil gaan zitten op hun stoelen, die nog 
aangeschoven stonden en keken door 't raam naar wat er 
volgen zou. Hij had zijn arm om haar middel geslagen, maar 
zij spraken niet en bleven onbeweeglijk. 

De twee groezelig-zwarte kerels, — stokers waren 't — 
praatten nu zacht, de hoofden tegen elkaar, in grof-rasperige 
fluistering. Afwisselend omsloten de vuil-zwarte stompvingers 
de glazen en brachten die naar de mond tot een korte, 
snelle slok, dkn weer streek een hand een lecren pet naar 
achter om met de zwarte nagels in het haar te krauwen. 

Eindelijk kon Marie het niet langer uithouden. Zij kwam 
een paar passen nader en zei toen met baar schreeuwcrig- 
schelle stem, die vroolijk moest lijken: 

— Snoeshaantjes, krijg ik nou niet 's een lekker glaasste 
bier van jel 

De mannen schokten op, keken schuin naar haar rond-rood 
gezicht omhoog en zeiden niets. 

— Toe, laat me nou 's een glaassie van je drinken, toe, ik 
heb nog niks gehad van avond, fleemde zij weer. 

De ecne vent scheen onverschillig-brommend zijn toestem- 
ming te geven en Marie haalde haar glas van 't buffet. 
Daarna zette zij zich ook aan 't tafeltje, dronk gezondheid, en 
begon een rad gesprek, door veel schel gelach onderbroken, 
met de elbogen op de tafel en de kin in de hand. Zoo 
was haar vettige facie vlak bij de donkere koppen der mannen, 
tusschen hen in, en terwijl zij sprak, flikkerden haar spieet- 
oogjes gestadig van de een naar de ander. Maar wat zij 
zeide, konden die in 't kamertje niet hooren, behalve een 
enkele schaterende uitroep. Ook niet wat de mannen, nu 
minder ruig en stroef dan straks, antwoordden. 

Zij bleven luisteren, maar hij kon niets opvangen en begon 



Digitized by 



Google 



BEZWAARLIJKE LIEFDE. iq9 



zich te vervelen. EUy scheen iets meer te verstaan. Haar fijne 
mond vertrok soms even tot lachen, terwijl haar halfgeloken 
oogen strak-oplcttend staarden. 

— O, die Marie! Wat gemeen I heb je gehoord?... riep 
zij ineens. Hij had niets gehoord. 

— O, schknde? nee, ik zeg 't je niet, ... ik doe 't niet, hoor? 
zoó gemeen I . . . Hij deed nu als wilde hij absoluut weten 
wat Marie gezegd had, trok haar tot zich, drukte haar vast, 
en zoende haar op de kroeshaartjes achter het oor, al 
fluisterend : 

— Toe, zeg 't nou, zeg 't nou . . . wat zei ze . . . Marie ? 
EUy vaag-glimlachend drukte met de handen hem af, terwijl 

zij haar hoofd om en om draaide, dat zijn lippen zich niet 
vastdrukken zouden. 

Zoo worstelde zij zachtjes eenige oogenblikken, tot op eens 
haar hoofd onder zijn arm doorglipte en zij naast haar stoel 
vóór hem opstond. 

— Schei toch uit, dat kietelt zoo I . . . riep zij hem toe met 
vlakke handen langs haar hoofd glijdend. 

— Kijk, nou heb je me hcele haar in de war gemaakt, 
da's gemeen . . . 

Hij wilde opstaan, haar weer vatten, maar zij week naar 
de deur der achterkamer, zeggend vinnig-helder : 

— Nee, ik moet eerst me haar doen, hoor I blijf nou maar 
zitten . . . blijf maar even zoet zitten, dan kom ik dklijk 
weer bij je . . . stilblijven, hoor 1 

Hij, gehoorzamend, zakte weer op de stoel terug en haar 
gestalte was met een sprongetje in de achterkamer verdwenen. 

Daar was het schemerstil. De lamp brandde er laag over 
de tafel, waarop nog de zwartwollen kous van Maria achte- 
loos geworpen lag, met de lange glimnaalden als een kleine 
omgeworpen stellage om een wijd-gapend gat. Rond-omhoog 
somberden de wanden, onder de stil-witte dekking van het 
plafond. 

Zij draaide aan de lamp, dat de kamer opvroolijkte en 
ging een kam uit de waschtafella halen, om haar pony op 



Digitized by 



Google 



200 BEZWAARLIJKE LIEFDE. 

te kammen. Het smalle spiegeltje was aan het penant tus- 
schen de vuil-grijze deurposten. Vitrage gordijnen hingen 
voor de tuindeur, stijfplooiend elkaar tegenover. 

Zij, het aschblond krulhaar boven haar voorhoofd opkroe- 
zend, lachtte haar eigen gezicht toe, dat de rei van kleine 
tanden doorblonk. Zij vond dat zij er goed uitzag zóó. 
Maar morgen zou ze toch eens probeeren 't haar anders op 
te steken, hooger op, dat 't wat meer leek ... 't Was 
jammer dat ze zoo weinig haar had. En 't viel nóg uit. 
Als 't zoo doorging zou ze d'r wat onder moeten leggen. 
Dat deeën d'r zooveel. Als je ze zag zou je gelooven dat 't 
allemaal eigen was, maar jawel... Nou... wat was er 
ook tegen ? 't Was toch maar een rolletje haar onder je 
eigen haar . . . Een heele pruik, dat was wat anders, die zou 
ze nooit op willen zetten . . . dat was vies . . . Die Fransche 
meid, die bij Leuckart kelnerin geweest was, die droeg een 
blonde pruik ... en ze had zwart haar . . . Maar iedereen 
kon 't zien ... en de heeren zaten d'r altijd om te lachen . . . 
Dan maar liever weinig haar dan zoo ... En je werd er ook 
kaal van ... Zij zou die wenkbrauwen ook nog even bij- 
trekken, en dkn nog een beetje poeieren, ze zag zoo bleek . . . 

Tusschen spiegeltje en waschtafel bleef zij drentelen. 
Met 't crayon trok ze, onbewegelijk staande, het gezicht 
vooruitgestoken, voorzichtig de ronde welvingen langs. Toen 
poeierde zij zich luchtig met coquet-vlugge hoofdbewe- 
ginkjes . . . Terwijl zij haar handen waschte, kwam haar in 
gedachte dat zij het kleine gouden medaillon aan het zwart 
fluweel wel om kon doen. Dat stond zoo goed op de hals . . . 

Zoo bleef zij dralen, om nog niet zoo gauw terug te gaan. 
Dat was zoo lekker, te weten dat een jongen daar zat te 
wachten en dan hier zoo in je eentje rond te scharrelen en te 
denken. Ben was wel een goeie jongen... zoo hartelijk... 
en hij meende het zoo. Zij hield ook wel van hem . . . 
Toch niet meer zoo als vroeger. Toen dacht ze soms heele 
dagen aan hem en voor-i dan 's avonds kwam kon zij het 
haast niet houen van ongedurigheid. Nu verlangde ze lang 
zoo niet meer. Soms, als er heeren waren, wenschte zij 



Digitized by 



Google 



BEZWAARLIJKE LIEFDE. 201 

haast dat hij maar niet mocht komen . . . Maar hij kwam 
altijd en als hij er dan was» was 't toch ook weer goed . . . 
Zij drong haar gedachten om vriendelijk voor hem te zijn. 
Zijn beeld was voor haar, zooals hij nu zat en geduldig op 
haar wachtte. Maar tegelijk zag zij ook die aardige jongen 
van gistermiddag in 't fijn zwart en met 't havana-bruin rond 
hoedje op. Hè, dat was een echte heer, zoo echt chic . . . 
Hij had haar ook handschoenen beloofd. . . Zou hij 't doen? 
Daar was zoo iets gebiedends in zijn manieren. Hij sprak 
zoo kortaf en zijn zwarte oogen keken haar zoo brutaal door 
en door. Hij had ook een mooie dikke zwarte snor. Bepaald 
een mooi ventje. . . 

Maar nu werd zij zich haar gedachten bewust en haar 
blijheid was heen. 

Terwijl zij het fluweeltje stond te btrikken voor de spiegel, 
was er een scheuring van droefheid in haar als ze aan Ben 
dacht. Het was toch zoo'n goeie jongen, hij had zulke trouwe 
oogen ... ze mocht 'm toch ook zoo graag . . . Maar hij was 
niet chic, voor geen cent ... en hij kon haar ook niet veel 
geven... tien gulden elke maand, wat ha je daaran? En 
hier verdiende ze niet genoeg; het was hier niks gedaan. 
Een enkele keer als er 's een royale vent kwam, maar hoe 
dikwijls gebeurde datl Wie kwam hier in deze buurt en in 
zoo'n gat . . . 

Ze was mal, dat ze zich had laten overhalen door die 
Jan Bredee, maar ze wist toen ook al niet waar ze naar toe 
zou; ze was toen net zwaar ziek geweest en om toch ook 
weer met allemaal vreemden te beginnen ... En ze was toen 
nog zwak ook . . . 

Och, hij was toch wel een goeie, lieve jongen, hij meende 
't zoo . . . Die avond dat ze zoo lang bij die dikke ge- 
zeten had, die 'r absoluut mee op reis wou nemen, had hij 
tranen in zijn oogen gehad toen ze terugkwam . . . Als hij 
maar meer d'r had kunnen helpen... en een fijne heer was hij 
ook niet . . . zooals die zwarte . . . 

Gekl ze had vanmorgen de kaart gelegen in bed en altijd 
was 't uitgekomen : op groot geld en op een zwarte jongen. 



Digitized by 



Google 



202 BEZWAARLIJKE LIEFDE. 

Dan zou ze met hèm kwaad moeten worden... Arm ventje 1 . . . 
Hij kon toch ook wel zeuren . . . maar om 't zoo ineens af 
te maken, dat ging niet, daar had ze *t hart niet toe... Gek I 
zoo'n gevoelig hart als z ij had . . . Een ander had 't al lang 
gedaan ... Je mot toch leven 1 . . . Maar hij zou zoo beroerd 
zijn . . . Nee, 't kon niet ... 't kon niet 1 . . . Hij zou d'r 
misschien de tering van zetten . . . Dan die andere maar . . . 
Dat was óok jammer 1 

Een oogenblik stond zij roerloos haar beeltenis aan te zien ; 
toen, geërgerd, schudde zij heftig het hoofd: 

Och kom, zij zou wel zien hoe 't liep ... nu maar naar 
'm toe, hij zat er wel een half uur alleen, die goeierd 1 

De jonge man had intusschen stilgezeten in 't half-duister 
kamerhokje. In de rust van het hei-lichte café hoorde 
hij de hortende grommingen, als de stoker — zijn kameraad 
was weggegaan — sprak. Daartegen, één lijn van heete 
fluistering, Maries stem, die onafgebroken ijverde. Zij scheen 
hem tot iets te willen dringen, hem te willen overhalen, 
waartegen hij zich op een stompe, doffe manier verzette. 

Maar Ben luisterde niet lang. Het gerucht van die twee 
en de stilte maakten hem haast slaperig en hij zat, afgezakt 
van de stoel, zijn geest in rust. Het was zoo diep-rustig 
hier, zoo besloten en veilig. Hij voelde niet meer de ge- 
jaagdheid van onrust om haar zijn en haar stemming. 

Zij was wèl aan hem. Hij voelde 'tin haar begroeting, in 
haar zoenen, in haar vleiige stem, dat ze van hem hield. 
Wat kon zij kinderlijk-naïef en vroolijk zijn en met zoo weinig 
blij. Hier, in dit kleine kroegje, was ze eigenlijk ook wel 
goed geborgen. Die stokers en zeelui deerden haar niet, 
dat was geen gevaar voor haar . . . maar de meneeren, de 
makkelijk levende rijke jongens, en die zochten haar hier niet, 
in zoo'n buurt en in zoo'n lokaal . . . Zoo zou ze wel lang- 
zamerhand dat vroegere rumoerige leven leeren vergeten. En 
altijd alleen, samen met hem, dat móest toch wel invloed op 
haar oefenen. 

Als ze nu maar niet hoefde te drinken... en als hij maar 



Digitized by 



Google 



BEZWAARLIJKE LIEFDE. 203 

wat meer geld had. Zij had niet veel noodig, maar zelfs 
dat kostte hem moeite haar te geven. 

Eenige tijd bleef hij zich kwellen met die gedachte» toen 
zonk ze weg in de dompe rust rondom. Hij vond 't wel 
prettig even alleen te zijn, 't moment te voelen, en een enkele 
keer in kalme bevrediging aan haar te denken, nu zij zoo 
dichtbij was en hij haar straks weer voor zich zou hebben. 
Hij dacht aan haar klein oor en de val van het blonde haar 
daar overheen. Dat was zoo zuiver fijn gevormd en rozig- 
blank. Op het halsplekje er onder was 't lekker zoenen, 
en van 't oor af ging de kinlijn zoo mooi week-rond. Het 
voelde frisch en week-glad aan. Daarbeneden was haar volle 
hals zoo warm. 

Maar hij werd ongeduldig. Waar of zij nu bleef? De tijd 
gu^S ongebruikt voorbij, de enkele uren dat hij bij haar kon 
wezen . • • Waarom kwam ze nu niet ? 't Was al bij elven . . . 

Juist wou hij gaan kijken, toen zij in de kamerdeur kwam. 

— Waarom zit je niet? ga gauw zitten op je stoel! riep 
z$, en hij: 

— Wat voer je dan toch uit? Heb je al die tijd je haar 
opgekamd? 

Terwijl hij, zittend, haar op zijn knieën trok, zd ze plaag- 
ziek, haar lippen lachend-vochtig en de oogen glinsterend 
rechtuit ziend: 

— Dat gaat je nie-an, wat ik gedaan heb . . . Stil, hou je kop 
recht en niet zoo met je gezicht trekken. . . Is die vent 'r nou 
nóg al? vroeg zij opeens, door de vitrage spiedend in 't cafétje. 

— Ja, waarom niet? 

— Nou, voor zijn dubbeltje is-ti d'r lang genoeg geweest.. 
Kijk's . . . luister's ... die Marie zit 'm te belezen, geloof ik. 

Zij hoorden, oplettend een oogenbUk in de stilte. 

— Toe nou, snoeshaamtje l toe nou I verstonden zij duidelijk 
uit de fluistering van Marie. 

— Hoor je wel, die Marie wil 'm plunderen, de stakkerd, 
fluisterde zij half-geërgerd, toch lachend; zoo'n gemeene 
meid, hè? 

Toen, met haar handen op zijn schouders, keek zij hem 

14 



Digitized by 



Google 



204 BEZWAARLIJKE LIEFDE. 

vol aan eenige oogenblikken. Haar blauwe oogen staarden, 
half-gesloten, begeerend in de zijne. Haar lippen wareneven 
van elkaar. En langzaam kwamen haar vooruitgestoken lippen 
nader tot zijn mond en sloten zich eindelijk met kracht er op. 
Hij gaf de zoen terug en zij bleven lang zoo, met de lippen 
opeen, wiegend hun lichamen, de armen om elkaar. 

En daarna, terwijl een gloed hem doortoog, zoende hij 
haar overal op haar gezicht, lag zij met het hoofd tegen 
zijn borst, hij op haar ziende, tevreden, met alleen een kleine 
onrust dat de tijd zoo gauw voorbijging. 

Zij intusschen moest telkens aan dat lieve ventje van 
gisterenmiddag denken. Terwijl Ben haar zoende, stelde zij 
zich voor dat die *t was. Dat moest wel lekker zijn . . . 
Maar hij zou 't zeker veel heftiger nog doen, en ook brutaler. 
Hij zou haar eerst vastpakken, want hij was sterk, en dan 
haar zoenen of ze wou of niet. Zij zou niet willen, maar 
dat zou haar niet geven. Zij deed haar oogen dicht onder 
die gedachte en drukte zich dichter tegen Ben aan, en hij 
genoot *t zoete gevoel van trotsch bezit over dit willig zich 
gevend soepele lichaam. 

Dan weer keek ze op, duwde hem recht op zijn stoel, 
leunde achterover in de hare. 

— Nou moet je 's even stil blijven zitten, zei ze, sst . . . 
ssti niet an me komen . . . handjes thuis ... en ze praatte 
met coquette haaltjes in haar stem over dit en dat, vroeg 
hem allerlei onverschillige dingen, quasi om hem af te leiden 
en rustig te houden, tot hij ineens weer haar bruusk om het 
middel pakte en naar zich toe trok, wat zij, geschandaliseerd 
doende, toeliet. En onder zijn zoenen lachtte haar witte 
tandenmond open, terwijl haar oogen als bezwijmd toesloten. 

Intusschen, onder het zwaarder dempende nachtuur, voelde 
hij rust en stilte in het huisje hoorbaar ademen, terwijl buiten 
alle leven scheen gedoofd. 

Toen rinkelde de deur en de andere meid kwam binnen, 
achter haar een manspersoon, die zij, half omgewend, drong 
om binnen te komen. Maar hij, buiten de deur, scheen te 
weigeren en eindelijk sloeg zij driftig de deur dicht. 



Digitized by 



Google 



BEZWAARLIJKE LIEFDE. 205 

— Oy daar is Anna . . . had Elly geroepen . . . nou ga 
rechtop zitten, laat ze ons zoo niet zien, jongen I 

De meid, die rood zag in 't licht, ging door 't café en 't 
kamertje naar de achterkamer. 

— Dag meheer ... o, dag juffrouw, ik zag u niet. 

— Dag Anna. Voor de deur van de achterkamer stond zij stil: 

— Nou, wat zeg u daarvan I . . die sloome duikelaar, hij 
wou niet eens binnen komen, hij was zeker bang dat-i me 
tracteeren moest, zoo'n kale, dooie diender I . . . 

— Ja, da's naar voor jou . . . antwoordde Elly onver- 
schillig en geërgerd over die ruwe heftigheid in Bens bijzijn. 

Weer ging de café-deur en »meneer*' kwam binnen. 

Het was een lange, sluike jongen, met een flauw blond 
gezicht, vaalbleek in het licht. Zijn oogen keken flets boven 
een even opgewipte neus, die zijn heele gezicht een uitdruk- 
king gaf van stompe ontevredenheid. Hij droeg een laag- 
bollig hoedje en een roode das. 

— D^ m'neer Lange ... zei hij luchtig, in 't kamertje 
voorbijgaande. 

— El, kom je even achter? vro^ hij, al in de achter- 
kamer getreden. 

— Ja . . . wat dan? . . . D'r is niks geweest, zeg, riep ze, 
het hoofd naar de deur omgewend ... de heele avond 
geen kip gezien. 

— Zoo . . . nou dai) mó'-we maar vroeg sluiten, klonk 't 
terug. 

— Toe, ga jij nou maar weg, zei Elly zacht, zich weer 
tot Ben keerende ... ga van avond nou maar 's vroeg weg 
. . . anders moet die man voor jou alleen openblijven. 

— Waarom? laat-i maar sluiten, dat hindert óns toch niet 

— Ach nee, maar 't is zoo gek voor die meiden ook ... en 
zooveel verteren we ook niet 

— Nou, haal dan nog wat ... mij is 't goed. 

— Och nee ... ga nu vandaag maar 's wat vroeger, dan 
kan ik ook 's bijtijds naar bed . . . Gisteren was 't ook al 
zoo laat en voor jou zelf is 't toch ook veel beter, dat je 
niet alle avonden zoo laat gaat. 



Digitized by 



Google 



2o6 BEZWAARLIJKE LIEFDE. 

— Nou, als je me dan bepaald weg wil hebben, goed, 
dan ga ik, maar 't is nog maar even over half, . . . maar je 
heb nou genoeg van me zeker ... zei hij opstaande, ge- 
ërgerd. 

Maar zij klemde zich, hartstochtelijk doende, aan hem vast. 

— Nee . . . nee . . . dat is 't niet . . . jij bent mijn 
lekkere, mijn heerlijke man . . . geef me een zoen . . . nee 
niet zoo slap, een stevige zoen . . . zoo . . . nóg een . . . 
en ga nou maar ... 't is maar alleen voor van avond, mor- 
genavond mag je weer blijven. 

— Ja? nou dan ga ik maar heen. Hij trok zijn jas aan, 
zij zette hem zijn hoed op met hare handen en keek of hij 
recht stond. Arm in arm gingen ze het café door, waar de 
stoker en Marie waren weggegaan. 

Nog even draalden ze in de open deur, half in 't koele 
nachtzwart, waar zwakke geluiden uit de stadsverte aanwoeien. 
Een paar huizen verder waren twee donkere gedaanten» 
staande voor elkaar, toen wandelden ze gearmd verder. 

— Daar staat Marie met d*r stoker ... zei EUy. 
Daarna waren zij zwijgend bij elkaar, vaag luisterend in 

de nacht. Hij voelde zich al van haar gescheiden, dit nog- 
bijeen-zijn was vol onrust. Hij wilde 't doen eindigen. 

— Zul je nu op je zelf passen, lieveling? Niet veel drin- 
ken, en niet te aardig zijn met de heertjes . . . vroeg hij 
smeekend. 

— Bè je gek? DV komen hier nog al wat heertjes, was 
haar minachtend antwoord. Haar stem klonk niet meer zoo 
zacht-vleierig, maar harder, als ongeduldig. 

— Nou, dag Idndl zei hij, zich vermannend, en zoende 
haar nog eens op 't voorhoofd. 

Daarna was hij op straat en viel zijn gestap langs de 
huizen. 

— Da-kg . . . riep zij hem na, weer met haar gewoon 
stemmetje van naïeve vleiing. 

Toen sloot zij de deur en ging nadenkend 't kamertje 
door naar achter. 

Bredee stond zich al uit te kleeden. Voor de bedstee 



Digitized by 



Google 



BEZWAARLIJKE LIEFDE 207 

trok hij z'n groezelig halfhempje af, waar de rooie das van 
neerbengdde. 

— Is die vent dV weer de heele avond geweest? vroeg 
hij schorrig. 

— Ja, gaat 't jou wat an? antwoordde ze hard. 

— Ja, wis en bliksems ... die kerel verteert niet en houdt 
jou de godgansche avond van de klanten af, is ze d'r zijn. 

— As ze d'r zijn, dat mag je d'r wel bij zeggen 1 smaalde 
Elly. Zij stond voor 't spiegeltje haar gezicht te bezien, met 
loome handen het fluweeltje losmakend. 

— 't Is hier een mooie boel — vervolgde zij ~ d'r komen 
geen vijf menschen per dag. — As ik dkt geweten had — nou 1 

— As jij 't maar niet met één vent aanlei . . . dan zouen 
de andere ook wel komen . . . gat hij koeltjes terug, terwijl 
hij op een stoel zittend, met één been opgetrokken, aan zijn 
onderbroekspijp trok. 

— Nou ... ik doe dan wat ik wil . . . daar heb ik nou 
lol in, zei ze driftig ... ik doe genoeg voor de zaak, ik zit 
verdikkeme I de heele dag voor 't raam. Dan zal ik 
's avonds dan toch wel kennen doen wat ik verkies. 

— God, mensch, ga je gang . . . doet wat je wil, hoor, 't 
is je eigen schaai ... Hij sprak het onverschillig weg, terwijl 
hij, nu in zijn hemd en met lange magere bloote beenen, het 
dek opsloeg en in bed stapte. 

Terwijl hij zich behagelijk strekte, dat de planken kraakten, 
vroeg hij: 

— Wie draait 't licht vóór uit? 

— ^ O, dat zal ik wel doen. Marie is nog niet binnen, ant- 
woordde Elly, langzaam naar voren gaande. 

— Roep ze dan, en sluit maar gauw, riep hij haar achterna. 
Zij klom eerst op de stoel, toen op de tafel en draaide, 

de arm strekkend, de lampkraan om, het bleek-emstig gezicht 
opgeheven in 't licht. Langzaam slonk de vlam, werd van 
wit gelig, toen blauw en verdween na een paar krampachtige 
flikkeringen. Tusschen de wanden sloeg plots het donker 
neer, en Elly, op de vloer, moest er even aan wennen, eer 
zij bij 't bleek lantaarnschijnsel, dat schuin naar binnen viel, 



Digitized by 



Google 



2o8 BEZWAARLIJKE LIEFDE. 

haar weg kon vinden, de tafel langs naar achter. Innerlijk 
voelde zij zich onvredig, vol verwarring. De woorden van 
Jan hadden toch indruk gemaakt. Zij deed d'r eigen schU . . . 
Zij zou zoo graag veel geld hebben, hoopen geld, om zich 
chic te kunnen kleeën . . . Maar als je bij één bleef, dan 
vorderde je ook niet veel . . . Dat was niet waar l als die 
eene maar moppen had I Dat chique ventje . . . dkt was 
zeker wel een rijke jongen ... hij ging zoo royaal met zijn 
geld om, hij had wel bij de acht gulden verteerd . . . Maar, 
't ging niet, ze kon d'r Ben maar niet zoo ineens weg- 
bonzen . . . Die jongen meende 't ook zoo heel echt met 'r. 
In de achterkamer bleef zij staan peinzen bij de tafel, ver- 
strooid luisterend naar het ronkend ademen van Jan, dat uit 
de bedstee klonk. 

Toen, met een zucht, begon zij zich ook uit te kleeden. 

Als er maar iets gebeurde, waardoor ze vanzelf van mekaar 
moesten, was de gedachte waarmee ze naar bed ging. 



Digitized by 



Google 



DE MAN EN DE SIRENE 



DOOR 



HENRI DE REGNIER. 



Onder de laatste sterren van een dageraad op 
zee, staande op den steven van een schip dat men 
niet ziet, spreekt de waker; z^jn stem verwijdert 
zich naarmate het helder wordt. 



De Waker. 

Ik ben degeen die waakt staande op den steven . . . 

Er zijn er die ankers en zeilen kennen, 

Andren de sterren, 

Sommigen zijn er wijzer en die spelen 

Den weg op 't kansbord en slapen dan in te-vreê, 

Zonder bekomring naar wat wind zich richt de steven; 

Doch ik, ik weet de Zee! 

Zij is gedwee vandaag onder de sterren, 

De neergaande, en het touwwerk zucht heel zacht, 

De zeilen zonken; 

En de wind viel en het vaartuig is loom — 

Allen waren slaapdronken — 

En wie den wind kent en het tij voorspelde een schoonen 

Aan 't schip voor anker; [nacht 

En zingende heeft elk zijn riem geheven, 



Digitized by 



Google 



2IO DE MAN EN DE SIRENE. 

Want die de wolk kent lachte naar dien op den steven 

Dwaas dus die waakt en wijs de slaper I 

En ik alleen bleef luistrend waken, 

En ik alleen 

Zie helder, door mijn droom, 

En ik alleen, 

Ik weet de Zee, 

Geheel de Zee, 

En dat er zijn Sirenen op de Zee. 

Er zijn Sirenen die zingen en kammen 

Hun wierhaar en zijn moedemaakt; 

De drie schoonste kwamen en zwommen 

Rondom waar Idel en water raakt, 

In verre zeeën .... 

Zij kwamen niet weer maar soms van beneën, 

Als de lucht kalm is en 't weer te-vrêe, 

Is 't of 'k gelach en zingen 

Omhoog hoor dringen, 

Want ik, ik weet de Zee. 

Zij hebben wierhaar en de monden 

Geverfd als met koralen-rood; 

Soms was 't of lachen klonk uit diepe gronden 

En boven 't water zich een vrouwe-borst mij bood — 

Armen die ze opensloot . . . 

Men zegt zij zijn er niet en dat hun lijven 

In staarten eindgen die in 't water drijven, 

Van schelpen, schijnbaar blauw. 

Terwijl hun haren gouden boog beschrijven 

In 't zonlicht, schoon zij grauw . . . 

En dat zij valsch zijn en hun lach geheimvol-zoet. 



Digitized by 



Google 



DE MAN EN DE SIRENE «ii 

In grotten roos-licht en zwart-bang. 

Wang tegen wang 

Insluimren doet 

Ten doode; — 

Dat wijs doet wie hun niet vertrouwt, 

Maar met dichte oogen vlode; 

En dat men hun gedaanten bootsen moet 

In lak en goud. 

En spijkren ze aan den steven. 

Hunne gelijkenissen aan den steven . . • 

Maar ik weet binnen in mij zeekre dingen, 

Want voor Tc de riemen hief dorschte ik het koren, 

Hanteerde 't snoei-mes, dreef 't ploegijzer door de voren. 

At druiven en dronk wijn, 

Waaruit de droomen zijn 

Die heldre geesten tot de toekomst door doen dringen. 

Ik sliep op de aarde neven naakte zeisen. 

Ik deed den bijl tegen de stammen rijzen. 

Woonplaatsen der Dryaden : 

Hun bloed dropte op mijn hand met de vallende bladen. 

Ik zag de Faunen, honig-stelers, en op 't water 

De Nimf lachende naar den Sater, 

Die danste, slank, een roos tusschen de horens; 

En de Griffoenen vluchtend voor de Eenhoren. 

Centauren, ros en zwart, renden over het strand. 

O nieuw verstand 

Dat me opging en deed weten wat ik moet gelooven, 

Deed weten wat er aan is van wie boven 

En onder de aard ons aanzien met hun wondervollen lach ; 

En die ons toespreken met stemmen zacht, 

En die ons toespreken met lang geklag, 



Digitized by 



Google 



212 DE MAN EN DE SIRENE. 

Van dag tot nacht, 
Van nacht tot dag. 

In heldrer hemel 

Sterft het gewemel 

Der sterren, de wind het zeil zwellen deê, 

De wind kwam aan over de Zee, 

Er zijn Sirenen op de Zee. 



De blauwige dageraad wordt helderder. Van 
lieverlee onderscheidt men een strand waarop een 
naakte vrouw slaapt; haar hoofd rust op de knieën 
van een jonkman gehuld in ruime en donkere 
kleederen. Hooge rotsen beletten het gezicht 
achter het kleine strand. 



Hij. 



Die man spreekt vreemde woorden 

In 't trage dagen, 

Ik wenschte dat ik op de zee zijn schaduw zage, 

En zijn gelaat terwijl hij droomt staande op den steven ; 

Ik had hem willen roepen dat hij 't hoorde, 

Maar zijn scheepje lag geankerd en zoo bleven 

Zij mij verborgen door de rots, en door uw hoofd, 

't Zware, bekoorlijke, in mijn schoot. 

Die mij hier zittende weerhouden hebt — 

En 't vaartuig vlood 

En de zee ebt . . . 

Slaapster, uw hoofd weegt zwaar nu gij zoo rust. 
Met de oogen en al de moeheid uws lichaams hier. 



Digitized by 



Google 



DE MAN EN DE SIRENE. 213 

Verruklijk rein op de zeekust 

Tusschen schelpen en wier, 

O gij, de rustige en de 

Moede glimlachend naakte en Onbekende. 

Slaapster, het zand koelt de palm van uw handen; 

Als ge opstaat, de armen rekkend, en de vloed 

Van uwe haren tot uw heupen storten doet, 

Zullen die zachte zanden 

De' indruk bewaren van uw sluimer en de 

Vriend van uw slaap kent nog uw ziel niet, de Onbekende. 

Zij slaapt : ik droom. 

En 'k droomde in 't donker 

Lang voor die stem te zingen ging in 't donker ; 

Ik droom 

Van haar die kwam tot hem die kwam, 

Vreemde die Vreemdling tot zich nam. 

En die nu slaapt bij hem die waakt; 

Ik weet van haar 

Slechts dat zij schoon is en in slaap geraakt 

Kalm moede en naakt, — 

En glimlachte als in droom en bovenaardsch 

Toen die man zong de Zee en de Sirenen. 

Zij sliep weer in maar hare lippen schenen 

Te glimlachen naar mijne. 

En op mijn knieën woog haar hoofd heel zwaar, 

Zwaar door den last des lossen haars. 

Zwaar hing haar hals te kwijnen. 

Zwaar haar gedachten schijnen. 

Zij denkt aan dingen die ik heel niet weet, 



Digitized by 



Google 



214 DE MAN EN DE SIRENE 

Niet weet ik haar gedachten . . . 

— Toch stierf de nacht en dag zich reedt — 

't Is me of achter haar trekken, trekken lachten, 

Half uitgewischte die te lachen trachten, 

Andere lippen achter hare lokken, 

Zie 'k haar vlak aan dan voel ik me aangetrokken 

Door één rechtop, en dat is mijn Gedachte 

In 't zwart gekleed 1 

Haar vleesch is zacht zoo op het zand, haar vleesch 

Is schoon zoo nu de lucht erover rees. 

Zoo bleek en klaar, waarin, helaas, mijn ziel 

Treurt om de ziel die in dat lichaam viel. 

En zich verbergt zoet in zijn slaap en levend bleek. 

Schoon ik al zachtjes streek 

Met hand langs oogen, borsten, buik en mond 

En het gond-blond 

Van haren waar zij onder ligt bedolven 

Lenig als wier en langzaam als zee-golven, 

Geheimnisvol, en 't schuim dat voorhoofd hoog 

Dat kroont hun boog. 

Die neemiischt rijk en vorstlijk tot den rooden grond. 

Waar raadslig schoon en wreed 

Die slaapster sluimert, ach I die ik niet weet. 

Want ik weet noch haar denken noch haar doen. 

Het noodlot niet dat haar hier heenbracht toen 

Dien avond 'k haar zag staan aan 't strand der zee. 

Rein alsof juist ontstaan 

Rank uit een schelp of blank uit een schuimvaan. 

Uit het zand van het strand of het zout van de zee. 

Of is zij een 

Van die gevangnen die de hooge schepen hout en goud 



Digitized by 



Google 



DE MAN EN DE SIRENE. 215 

Roofden aan d'oever, naar de haven voerden. 

En die verkocht worden op 't havenhoofd 

Met vogek en koraal? 

Dwaalde haar kindsheid aan een kalmen stroom, 

Welks kronkling zij te volgen placht van wilg tot wilg ? 

Droeg ze op haar schouders soms de water-kruik? 

Of in gewijde hand de dooden-um ? 

Liepen op de asfodellen langs den weg 

Haar voeten naar een marmren tempel? 

Bewonen haren droom boomen en steden? 

Of is haar eenge erinnering de groote zee ? 

'k Heb dorst naar u te kennen, zuster, ik wil drinken 

Aan uw verleen als aan een bron bij wilgen. 

Sta op, o zuster, loop op mij geleund 

Met mij en laat onze gezichten spiegelen 

In ons gedachten, daar ook 't zinnebeeld 

Van ons vervlochten handen ons uit wederspeelt 

Ontwaak, rijs op o zuster I 

Ik kan niet leven als gij slaapt. 

O die maar slaapt als zijnde een die 'k niet weeti 

Sta op o naakte I 

Laat van uw haren róUen 't gouden wier. 

Sta op o slaapster I 

Als gij zoo ver blijft waarom dan gekomen 

Dien avond toen 'k op 't strand u vond? 

En 't is in u dat de zon op moet g^an, 

U die 'k niet weet. 

En wezen zult 1 

Zij ontwaakt 

De zee vloedt weer: niet zingt nu meer 

Die man zijn zang waarnaar ge lachte in droom. 



Digitized by 



Google 



2i6 DE MAN EN DE SIRENE. 

Hij sprak van schaduw uit een breeden boom. 

Van druiven, bijen . . . 

Hij zingt niet meer 

Zijn lied aan 't dagen en de dag werd rood — 

Rijs rozerood, 

Glimlachend naakte en onbekende ziel l 

Uw vleesch moog vlijen 

Zich in zijn sluimer, maar kom gij mee? 

Kom uit u zelve mee I zie, de hemel is Idaar. 

Kom mee naar daar. 

Ver van 't dor strand en de onafzienbre zee. 

De zon verschijnt. 



Een open plek in een bosch. Een diepe bron 
spiegelt tusschen bloemen. Rondom, hooge boomen. 
Het weer is warm en met wind; zooeven regen; 
er vallen nog droppels van de bladeren. 

Op het mos gezeten houden weefsters stoffen 
ontplooid op hun schoot. Er zijn er drie die beurt 
om beurt spreken, de oudste rechtop; anderen 
arbeiden zwijgend, waarvan twee nog antwoorden. 



De Eene. 

Het lot weefde onze dagen, onze jaren. 
Mijn zusters, en wij zitten neven hen. 
En elk jaar weeft ons leven in zijn garen. 

De Andere. 

't Is me of ik in den wind hun vleugels ken. 
Want de tijd vluchtte heen voor ons, en de uren 
Vlogen, nu de uilen, dan de tortelen. 



Digitized by 



Google 



DE MAN EN DE SIRENE. 217 

Mijn leven, moet nog meer uw schreien duren? 

ledre drop regen is een traan van mij. 

Mijn leven, moet ge in dood uw lust bezuren? 

Want als uw snik klaagt in den wind voorbij 

't Verleen dat met mijn Schaduw ginder droomde, 

Van drank dof waardoor 't leed vergeten zij. 

Hun paar diep in mijn donkre erinring doomde, 

Rampgroep, helaas 1 sluimergraag opgewekt, 

Aan puin 't hoofd stootend dat de lichtspleet schroomde. 

Zie daar die beiden die nu met zich trekt 

Mijn Leven: samen komen zij genaderd, 

't Gelaat neerleunend, waar uw glimlach trekt, 

't Getouw toe, waar 'k in bloemen wier geadert 
Hun lijkt, laas I noodlot weef van list en logen 
Wier draên hand beven doen die hen vergadert. 

Eene Andere. 

Arbeidzame, vóór zwaardre draden 

Zit ik en weef en knoop met gouden pen 

Van 't lang bedrog de leenge en kronkle draden. 

Weer een Andere. 

Arglistge die schoone patronen ken 

Trek ik ze op naakte stof en splits met ijver 

De kleurschiftende zij der logenen. 



Digitized by 



Google 



2i8 DE MAN EN DE SIRENE. 



Zij die het eerst gesproken heeft. 

De stof is dof en vet als doode vijver 

En waardoor binnenin een beven vliegt, 

Als weeft een spin daar en spant draden stijver. 

Zij die daarna gesproken heeft. 

De zijde is zacht gelijk de huid, zij liegt; 
Er doemen trekken uit van noodlot- wreekster ; 
De zijde is ijdel als de ziel, zij liegt. 

Allen. 

Wij weven 't kleed der vrouw, der logenspreekster. 

De oudste die een spil draait. 

Gij dié het leven weeft in rustge werken. 
Wil nu van 't purper bloedende om mijn spil, 
Rod draad aan draad, de heevge wollen merken. 

Mantel of vuurge hemd. En de Dood wil 
Er eens en voor altijd 't leven mee stelpen, 
Daar 't woest zich voortweve of afgrijslijk spil'. 

Dan zal mijn ebben wiel mijn rood spil helpen. 
De Eene. 

Op moede handen vielen losse bladen. 

De regen floersde in 't bosch het blauw verschiet, 

Roset-festoenen weefden drop en draden. 

De Andere. 

De wind wart en mijn hand weerhoudt ze niet. 

De zij wier tinten schiften en bewegen 

Waar in de lucht een wolk verdiept of vliedt. 



Digitized by 



Google 



DE MAxV EN DE SIRENE. 219 



Allen. 
Nu schreit het windgelaat tranen van regen. 

De Oudste. 

Treedt in, de spil is stil, de taak gedaan. 

De Weefsters gaan nu huiswaarts met de Spinster. 

Hoor wind en regen die door 't boombosch gaan. 

Nu geen getouw meer hier, geen naaldgeglinster. 

't Regent op onze haren, de wind treurt. 

De angst van veilharten luidt als herfstbeginster. 

De boomen spreiden de armen beurt om beurt 
Den dollen wind te vangen die ontwijkend 
Bewogen blaren drijft en met zich sleurt. 

Regen is op 't bronwater nederstrijkend. 

Slagregen lacht al : Iris boog zich kromt. 

Sterk en ontembaar balsemt de aarde opprijkend 

Naar haar die tusschen bloemen schrijdend komt. 

Het koor is heengegaan. De zon schijnt weer, 
men hoort droppels die van de takken vallen ; 
de lucht wordt zoeler. Het paar komt het 
bosch in ; hij in een donkeren mantel. Zij lacheod 
en leunend loopt golvend; een licht gaas om- 
schemert haar naakte leden. Haar luchtig bij 
elkaar gebonden haren vallen half los op haar 
nek. In haar hand heeft ze rozen. 

Zij. 

Wilt gij mijn rozen ? 

Zij zijn frisch in mijn vochtge handen. 

Ik knielde plukkend ze op de heete landen. 

«5 



Digitized by 



Google 



220 DE MAN EN DE SIRENE. 

Wilt gij mijn rozen? 

Neem deze schoonste : 

Ik wensch dat gij haar geur aêmt gij die wandelt 

Niet naar hen nijgend. 

Dien bleeken handen wensch ik — die ommanteld 

Zoo zwaar, zoo zwart, — te zien ontstijgend 

Een zulk een bloem gelijk een vlam de schoonste. 

En 'k wensch dat waar gij gaat 

Vóór mijn heldre lachen de bloem in uw hand staat. 

Zij reikt hem de bloem die hij niet neemt en 
die valL 

Regen en zon weven in goud en zijde 

Uw donk'ren mantel en vervroolijken uw weg, 

't Licht doet zijn vréugde-stoffen rond u glijden. 

Waarom is ook uw kleed zoo droevig, zeg? 

Waarom hebt gij 

Die roos verworpen zonder zelfs glimlachen? 

Waarom woudt gij niet lachen 

Tegen die bloem van mij? 

Hebt gij liever mijn lippen? 

Mijn mond is nog vochtig en frisch 

Van bloemen te kussen vóór ik ze u schonk. 

O gij die de rozen niet mint die 'k vond 

Tusschen de doornen, 

Hater van bosch-aromen. 

Dien de vroolijkste dag versombren kon, 

Als hulst wier geblaart zwart wordt in de zon. 

Alles lacht en zingt: van blaren 
Dropt dauw op bloem en mossen, 
't Bosch druipt van dauwtranen, 



Digitized by 



Google 



DE MAN EN DE SIRENE. 221 

Diamanten reegnen in spiegelbronnen. 
Mijn lippen zijn zoet Proef ze. 

Gij wilt ze niet? — 

Boomen — een wolk bedroeft ze. 

De lucht wordt kilder. 

Het goudbosch dooft, wordt groen en stilder. 

Een rukwind. Regen. 

De zon schijnt weer. 

Ik wist wel dat ge mijn mond wilde. 

Waarom zijn koud uw handen die ik tegen 

Mijn lippen druk onder uw mantel 

Wanneer een glimlach uw gelaat begiet 

Zoodat ge schoon en blijde zijt, 

Al tracht ge alweer naar ernst en zwijgendheid, 

Ondanks dit bosch dat zingt en waar gij wandelt? 

Aanschouw dat woud reegnen van zon en ruischen 
Van heldre tranen die als oogen vonken 
Van emerald en goud gelijk een pauw aan 't pronken. 
Kwam niet een droppel langs mijn wangen bruisen 
En beeft en schuilt in 't hoekje van mijn lippen 
En gaat dan koel tuschen mijn borsten glippen 
Zoodat ik, heet, wat bleek, beef als gestreeld ? 
Mijn vocht haar stort of 't zich in stroomen deelt. 
Zoo zwaar is 't dat zijn wicht mij neer doet bukken 
Als heet gesmolten goud mijn hoofd te drukken. 
Ach, sluimren wou 'k in dat wat 'k in mij voel 
Van weelden, achter 't hoofd mijn handen. 



Digitized by 



Google 



222 DE MAN EN DE SIRENE. 

Voel 
Mijn bloote huid vol geuren en vol hette 
Van reuken die me in walm van wierook zette 
En adem in mijn adem 'theele woud. 
O mijn reine oogen zijn als bronnen koud, 
Ik heb huidplekken die fluweelig zijn als mossen. 
Mijn borsten lijken mij vandaag ontloken. 
Ik ween — zijn jonge twijgen uitgebroken 
Rondom me ? Ik lach — goudbijen gaan door bosschen. 
En in de zachtheid van de lucht waardoor ik ren 
Lijkt het me of ik grooter en schooner ben 
En wonderheerlijk van oneindig leven I 

Hoor ook den wind die zingt en lacht en waait. 

't Is of hij klinke-lachen 't bosch door zaait. 

Loover windt zich door loover 

En ginds, heel ginder, over 

't Groen pijnbosch — en een roodige eik ruischt mee — 

Klinkt wel de wind heel ernstig, dat 's de Zee. 

Herinnert ge u het strand, schelpen en wier 

Waar 'k naakt en rustig lag 

En hoe gij naar mij zag 

Terwijl ik sliep in 't zand bij schelp en wier? 

De wind zwijgt : zie nu in de bron 

Hoe mijn gezicht daar schijnt onder zijn kroon 

Van haar en woud. 

Zij spiegelt als de wind zijn adem houdt. 

Mijn sluier waait rondom mij ab een mist 

Van zon en wie 't niet wist 

Zou zeggen dat het de oude schuim was mij doend blijken 

Het zeekind dat ik ben, 



Digitized by 



Google 



DE MAN EN DE SIRENE. 223 

En heel mijn heet vleesch voelt zich naakt en wijken 

Kan 'k niet van 't water. 

Zie hoe het helder is in die fontein 

Tot spiegelen, 

En hoe 't voor wie er zich in baden koel moet zijn. 

Zie me aan de randen van dit heldre water 
En achterwaarts mijn haren vallend gaat er 
Een gouden waterval naar 'tzilvren veld. 
En zie mijn borst die zijn twee borsten zwelt 
Zal aan 't om my gevallen kleed ontgolven» 
En rechtop — naast wier voet is overdolven 
Door 't water: irissen, zwaardbloemen, rieten, — 
Zal 'k staan dien Nimfen Ujkend die men ziet en 
Niet ziet, in 't woud of als de zee-sirenen. 
Dan daalt mijn roze lijf in 't heldre nat 
En in zijn breeden cirkelplooi gevat 
Zal 'ku, o koud kristal der bronnen, voelen 
Mijn beenen, buik, borsten en schoürs bespoelen. 
Dan langzamer en lachig met toe-oogen 
Dompel ik 't hoofd onder en doe verdwijnen 
In 't groen gras van mijn haar de gouden schijnen. 
Zeg, wilt gij niet dat 'kzij ben die ontspringt 
Aan 't water, heel verblind, en opgetogen 
Begeert en reikt dat nu uw arm omringt 
Haar slanke naaktheid en haar sluimren liet? 



Zij wendde zich tot hem. In haar half open 
kleed staat ze naakt. Met de handen omhoog tilt 
ze haar haren op en verschijnt zoo een oogenblik 
tegen het verlichte bosch dat plotseling een wolk 
verdonkert 



Digitized by 



Google 



224 DE MAN EN DE SIRENE. 



Hij. 

Hij gaat tot haar met opgeheven vuisten drei- 
gend. Zij krimpt in elkaar. 



Ik wil het nietl 



O woud dat weidsch van goud en zonlicht lacht, 

Haar ziend die naakt van kruin tot voetzool pracht, 

Doof *t vlammen van uw waatren, boomen, rozen; 

Wees duister, diep, stilzwijgend, red van boozen 

Lust hem die in zijn zwarten mantel kwam 

Tot u, die wou dat hij nooit nooit vernam 

Uw eeuwgen kus die dof en dronken maakt, 

Gedurig stijgt, lachend zijn lippen raakt. 

Wind uit het duister, kom van grot en struik 

Ter Vreemde in bloei die met ontblooten buik 

En naakte borsten geil dorst openbaren 

Haar dronken-voorjaarsvleesch en zomerharen. 

Troebel 't nat dat spieglend meeplichtig is, 

Blaas in 't gelaat haar uw verdoemenis. 

Voer meê, dat nooit hen mijn gedacht hervond. 

De woorden die zij uitsprak met dien mond 

Dronken van haar vocht vleesch en donshaar heet 

Die lip aan lip den echo staamlen deed. 

En ik zoo 'kooit dat onrein naakt beminde, 

Aan 'tzeestrand eens bij 't dagen, zweer dat 'k wilde, 

Zwartmantelige toovnaar die de gaven 

Bezit van droefheid wetenschap en avond. 

Opwekken in haar wat een god eraan ontbrachte : 

Een ernstge ziel gelijk aan mijn hooge gedachte. 

Waarom zijt gij zoo op mijn weg gekomen? 

In slaap voel ik uw adem op mijn handen stroomen 



Digitized by 



Google 



DE MAN EN DE SIRENE. 225 

En uw mond weet van niets dan van lachen en zoenen. 

Een eeuwge zon schijnt u de wang te kleuren. 

Uw haren vallen los bij 't minst gebeuren, 

Uw borst dringt uit uw kleed: uw buik verheft 

't Doorzichtig gaas als gij 't nauw zelf beseft, 

Gij die in dierelijke loomheid droomen 

Ligt met ope oogen, lustloos, tusschen bloemen, 

Of tusschen rozen leunt op de ellebogen. 

'k Speur vreemde wildheid in uw geur en oogen. 

Ga, 'kjaag u weg, onreine, en 'khaat het guld 

Ambergegroei dat u in de oksels krult, 

Uw mond die als een vrucht aan mijn mond smolt, 

Uw haar waarvan de golf rondom u rolt 

En dat ik om mijn vuist wou slaan en rijten. 

Uw borsten waar mijn tanden ge in deedt bijten. 

Uw buik waaronder, leg 'k mijn hand daarop, 

'kEen sprong voel als van een wild beest zijn kop. 

En heel dien hijgende* en beestachtgen gloed 

Dien ge in den rooden zomer uit u dampen doet. 

De wind blaast 

'k Verjaag u — ga — word anders of word niet. 

'kBen zat van die zich als een beest geliet, 

Zich kromt en rolt, uitrekt en naakt is. Ga. 

Opdat ik niet in al mijn toom opsta 

Als de wind ginds die blaast en de eiken slaat 

Doof als mijn toom, scherp als mijn haat. 

En sla uw gemeen lijf met deze koorde. 

Dat met uw hooge haren die zich kronklen door de 

Twijgen, hoog op den storm, u nagesleept 

Door wind en regen, gij zult vlien, door mij gezweept. 

En ik ellendge met mijn twee verwoede handen 



Digitized by 



Google 



226 DE MAN EN DE SIRENE. 

(Zij droegen *t Boek, helaas ! de Lamp hielden zij branden) 
Slaande om 't nog ernstger noodlot, enkel leed, 
Den geheimzingen plooi van mijn zwaar zwarte kleed, 
Ik zal zien vlieden waar 't woest woud zich dringt 
Den wanhoopskreet die uit dien mond zich wringt, 
En krommen zich terwijl de wind haar manen strekte 
Het goudharige Beest dat mij de handen lekte. 

Gij schreit? — Ik zie uw tranen en 't is als 

Vergaert een ernstge hand de haren in uw hals. 

En zachter in uw tranen zijt gij nu. 

Een weinig maken ze al een vrouw van u. 

De nacht is zwart en 't vleesch schijnt zich verreinen, 

Het lijkt of heeft die schauw u nieuw geboren. 

Als een gewijde zuster zie ik uit u schijnen. 

Gezegend, snik, die u heeft weergeboren! 

Asch heeft haar haren minder rood gemaakt. 

Nu zij geknield ligt is zij minder naakt. 

De zomer sterft en dit is 't nieuw getij. 

Wilt gij nu in mijn hooge huis met mij? 

Wilt ge u nu bij de lamp aan tafel zetten 

En met den vinger aan de slaap stilzwijgend letten? 

Wilt ge de ballingschap des drooms met mij gedeeld, 

D'arm op het Boek geleund, kalm Afgodsbeeld, 

Gelijk aan mijn Idee, de hand aan 't boeke-slot? 

Wandelt ge in vree nu naar uw avondlot? 

Want gfij schreit en wordt weergeboren door dien rouw, 

En deze hier maken van u een vrouw. 



Hij wijst haarde weefsters, die langzaam tosschen 
de boomen naderen. Zij dragen stofTen, een van 
hen sandalen. Zij komen in een langen, bleeken 
zonnestraal tusschen twee wolkbanden. 



Digitized by 



Google 



DE MAN EN DE SIRENE. 227 

Sta op, want de uren zijn daar die zich haasten. 
Kleed haar. Geef haar den sluier, de sandalen, 
Den mantel die zich dichtgespt en het kleed dat sluit, 
Vlecht ordlijk haar zwaar haar dat ze als een bruid 
Onschuldig 't voorhoofd heeft omgeven door hun 

honing-goud. 
Haar halsband zij van zilver, haar sieraad van goud. 
Want schoon en êel moet de Gedachte wezen. 
Reik haar nu de gevlochten korf: in deze 
Den sleutel van de huisdeur en het brood. 
Ernstig en hoog is 't lot dat haar nu noodt. 
Nu dan, o Zuster die uw ziel hervondt, 
In regenvlaag en tranenstorm hervondt, 
Gij die lang liept op zandge en mosge wegen. 
Met naakte voeten op te zachte wegen. 
Klinken nu tusschen de harde cypressen uw sandalen, 
En weerklinken kuisch op het marmer van de zalen. 
Lang weg in 't donker stervend als in een gewelf; 



De weefsters hebben haar gekapt en gekleed. 
Zich omwendend neemt hij haar bij de hand. 



Vaarwel als aan u Zee, groen Woudl 

Zij. 

Hem volgend. 

Hij wUde 't zelfl 

De wind heeft opgehouden, de zon is verdwe- 
nen ; er vallen groote droppels regen. De weefsters 
bleven alleen achter. 



Digitized by 



Google 



228 DE MAN EN DE SIRENE. 



Een van de Weefsters. 

Zie nu hoe onder 't donker het bosch schreit, 
Zusters, de wind zweeg en de regendroppen 
Gieten zich éen voor éen uit of een schreit. 

Irissen reiken hoog hun kruikge koppen, 
Marmer is de fontein en steen de bron, 
Hun doornen-wrok spitsen de struike-toppen. 

De wind zijn moordwerk met de roos begon. 

De dag die komt zal alle bladen doemen. 

Om haar die stierf klaagt het bosch zonder zon. 

Haar lijfsbevalligheid groeide in de bloemen 
Der borsten uit: Natuur lachte uit haar mond, 
Heur haar plachten de groote boomen roemen. 

Zij was 't goed vleesch en weeldes zoetste vond. 
De lust der liefde en dronkenschap te leven, 
Zon op de bloem en hemel op de bron. 

Zij heeft om hem dit heele woud begeven. 

De oudste. 

Zij toch was de Natuur: hij wou de Vrouw. 
En hij begreep haar naaktheid niet en maakte 
Van deze die een vlam was een flambouw. 



Digitized by 



Google 



DE MAN EN DE SIRENE. 229 

Van dat wat daagraad wind en naakt was maakte 

Hy zweep regen en weefsel en hij zal 

Den dag vloeken waarop hij eerst haar raakte. 

Want die Lamp steekt in brand zijn woningwal. 
En nauwlijks zal ze over zijn drempel treden 
Of ook de dood woont in die woning al. 

Zij trok den rouw aan met de sombre kleeden, 
List kraakt uit haar bedachtgen muilentred. 
En haar gevlochten haren zijn trotsheden. 

Haar sluiers leugen ; 't ringen-goud lijkt net 

Haar eeden valsch waarom 'k haar zie glimlachen ; 

'tMarmren gelaat heeft wreeden trek gezet. 

O zuster, weenen zal hij straks om dat glimlachen. 



De eene. 

Het brood dat in die korf haar handen grijpen 
Is de asch der Hoop en voortaan wat hij eet. 
Nu zal de Smart haar wijn bij trossen rijpen. 

De andere. 

En die springt en blinkt aan haar gordel, heet 
Sleutel der schaduwdeur waarachter treuren 
Wantrouwen die bloed drinkt en leven vreet, 



Digitized by 



Google 



230 DE MAN EN DE SIRENE. 

Allen. 

Wellust die knauwt en de zorgen die scheuren. 

De oudste. 

Daar hij de goudharige Nimf niet wist 

Die zich in de fontein naakter wou baden, 

Daar hij de naakte aan 't strand niet heeft gegist 

Te zijn Sirene, die in zeeën waden, 

Daar hij de goudharige Nimf niet wou, 

Laat hij nu gaan waarheen hem 't Lot wil raden, 

En tot den Dood, helaas I leide hem de Vrouw 1 

De hemel is heel en al zwart. Een bliksem 
schittert en breekt als een zwaard. 



Bij ondergaande zon hetzelfde strand als bij den 
dageraad. Op het zand ligt hij dood, naast hem 
is zij in een lang soort kleed, groenig, waarvan 
de sleep slangachtig geschubd is en kronkelt 

Zij. 

O arme broer met uw oogen van droom en weten, 

Die waakte in 't donker en glimlachte niet. 

Droevige broer met uw oogen van droom en weten 

Die waakte in 't donker 

Van dat sterren rezen totdat ze zonken, 

Zijt gij zoo vol verdriet, 



Digitized by 



Google 



DE MAN EN DE SIRENE. 231 



Zoo vol verdriet, mijn broer, dat gij niet wilde leven, 

2^ moe mijn broer dat gij nu zijt gebleven 

Sluimerend op het strand daar mij de zon 

De gouden haren zoelt die als een bron 

Rollen ruischen en leven 

In gouden kwijningen als wier, 

Slaapt gij nu hier? 

De bloemen nochtans balsemden de heldre morgens, 

Er groeiden rozen in het bosch verborgen 

En iris bij de bron en stroomen, 

En langs de zee zag men te voorschijn komen 

Op 't duin uit roze zand het strandgewas. 

De blauwe distel en het bleekgroen gras. 

En ik was schoon en naakt en gloeiende. 

Zoet aan uw lippen, 

Met heel mijn lijf en met mijn lippen; 

Mijn mond was in kussen voor u ontbloeiende 

En aan mijn borsten kondt gij met uw handen raken, 

Geheel mij raken. 

Mijn haren daar moest gfij meê doen 

Zooals men geel wier, schelpen, grasjes raapt 

Waar goud in blauwen weerschijn slaapt. 

Mijn oogen daar moest gij meê doen 

Als met het water dat op 't strand in plassen ligt. 

Wang-zacht, — daar spiegelt ge uw gezicht. 

Mijn buik moest gij raken 

Zooals men speelt 

Met de hand op een golf, even te raken 

Haar boog en zwaai als zij zich schuimloos deelt. 

En glimlachend moest gij *t spoor van mijn stappen volgen, 



Digitized by 



Google 



232 DE MAN EN DE SIRENE. 

Lachen, zingen en spelen zonder zorgen, 

Zonder den tred van *t Noodlot na te spellen op het boek 

Van 't strand waar de zee schrijft en uitwischt wat 

[elk vruchtloos zoek 
In 't droef tooverboek van uw trachten. 

In uw gedachten 

Moest gij wind brengen, zon en liefde. 

Mijn levend vleesch 

Was uw geliefde 

En op uw ernstge' en bleeken droomenmond 

Mijn frissche mond. 

Ik heb in mij voor uw schim geen gestalte; 
Ik ben de schim niet die uw droom begeert ; 
Waarom verbergt ge in zware kleeren mijn gestalte 
En sloot over mijn vleesch den grauwen mantel 
Waarvan de gespnagels mijn hals bezeerden ? 
Waarom hebt gij den leugen me omgeworpen 
Dat ik andren vrouwen gelijk zou worden, 
Ik de levende, de reine, de naakte. 
Toen zóó mismaakte. 

O vlechten gemaakt van mijn haren 

Waardoor winden varen 

En die mijn heelen nek overdolven 

Met het rood goud van hun levende golven, 

O vlechten die maakt van mijn haren 

Gewonden en hoog die zich heft en buigt 

Den goudhelm van een boosaardige vrouw, 

Waar de chimère helaas in schuilt 

En schiet de spouw 



Digitized by 



Google 



DE MAN EN DE SIRENE. 233 

Van haar tong slingrend fluitend in een vuurge wrong, 

O haren zwaar die tot een helm hand dwong, 

Kleed dat beschelpt mij nasleept en nakruipt, 

Zeegroen, lenig en blauw, 

Aan mijn dubbelzinnige naaktheid een staart beduidt 

Fabelig. 

Gij wilde mij zoo geverfd, fabelig, — 

Mij de eenvoudige, mij de lachende 

Dochter der groene zee en van de vrool'ke zon ; 

Gij wilde dat ik kon 

Zoo zijn, ik die niet anders ben 

Dan naakt als de zee en de rozen; 

En daarom arme broer met oogen 

Van droom en weten, daarom droeve 

Vriend, doode en zoete. 

Die mij niet hebt herkend, 

Sterft ge, omdat ik lachte en gij mijn naakt niet hebt herkend. 

O broer, droeve broer, arme doode, 

Rust, rust zacht. 

De stroomen stroomen 

Naar waar de zee wacht. 

Door velden, langs bosschen, waar lacht 

Iris neven fonteinen. 

Rozen, vogels, bijen . . • 

De Begeerte voegt rieten aan zijn mond 

Tot dubble fluiten, verwondrend zingt 

Te zijn Het Leven, — 

En gij zijt doodt 

En saam zijn wij nu weer neven de zee. 
Uw ziel, helaas, herkende niet mijn vleesch. 



Digitized by 



Google 



234 DE MAN EN DE SIRENE. 

En tevergeefs ontrolde ik u mijn haren ; 
Vergeefs dat naakt voor u mijn leden waren: 
Gij gingt voorbij totdat u de avond vond, 
En 't Leven knielend kust uw bleeken mond. 

Zij staat op. 

En ik sta rechtop nog eens voor de zee. 

Zij blijft rechtop staan in haar zeegroene ge- 
schubde kleed in de stralen van de ondergaande 
zon. De zee stijgt, de golven storten op het 
strand en nemen het lijk met zich. 

O Soevereine, 

Die stijgt in schuimvlagen en rolt 

Op het strand de boog van uw golven, 

O Soevereine, 

Schuimende en ruischende moeder en voedster van mijn 

O Zee, — [vleesch. 

De gegane en gekomene 

Zij naakt door u hernomen. 

Wieg tusschen uw rood wier mijn haren goud. 

Mijn borstebloemen leg tusschen uw bloemen zout, 

Omgolf met uw golven mijn hoofd, mijn voeten, 

O Soevereine, o goede, o zoete, 

Bij uw schelpen mijn nagels. 

Mijn lippen bij uw kralen. 

Mijn ooren als zeehorens voor uw klank. 

O Soevereine, 

Ik u, gij mijne. 

Totdat ik weer eens uitrijs op een zandebank. 

En zóo verschijne 

Met aan mijn haren paarlen van uw blank. 

O Soevereine, 



Digitized by 



Google 



DE MAN EN DE SIRENE. 235 

Neem me in uw moederlijke en heiige stroomen, 

Ik ben herkomen, 

Ik de verdwenen 

Levende naakte, 

Herneem mij Naakte, 

Mij uw Sirene. 



Een hoogere golf neemt haar op en draagt haar 
met zich. De zee wordt kahn, rimpelloos. De 
schemering wischt de lijnen uit van strand en 
rotsen. Sterren gaan schijnen, en, uit de verte, 
van den steven van een schip dat men niet ziet 
hoort men, helderder naarmate hij nader komt, de 
stem van den waker. 



De Waker. 

Ik ben degeen die bloedt staande op den steven. 

Sommigen krabden me in 't gelaat met nagels. 

Anderen hebben me op de wang geslagen, 

Wijzeren bleven 

Drinken of twisten, spelen 

Mijn kleeren op 't kansbord — ik alleen in mijn wee 

Bloed op den steven. 

Bloed op de Zee. 

Ze is zeker schoon vannacht onder de sterren, 

De stijgende die 'k niet kan zien. 

O snijd me een lijkkleed uit het zeilenrood en laat mij 

Sterven en zoo ontvlien [sterven, 

Mijn bloedende oogen en mijn vleesch dat bloedt 

En 't schaatren dat gij doet 

Die me op den steven spijkerde en mijn ooren 

Stopte met was, 

16 



Digitized by 



Google 



236 DE MAN EN DE SIRENE. 

Opdat ik de Sirenen niet zou hooren, 

En mij blind maakte, als was 

Sirene er niet als ik ze niet kan zien, 

Die mij vastspijkerde met lachen en bij eiken 

Spijker uw lachen dubblen deê 

Om dezen gekken 

En die toch de eenige is die klaar kan zien, 

En zag dat er Sirenen zijn op zee. 

Want gij zeidet zij zijn er niet, 

Want gij zeidet zij kammen niet 

Hun wierehaar 

Glimlachend op de schuime-baar ; 

En die van de aard komen met rond 

Hun hielen 't klei van vetten grond. 

Met droge boschblaren en met 

Aan hun handen het doove eelt 

Van ploeg of bijl of eg. 

Die allen schreeuwden met u mee: 

»Die man is gek". 

En ieder zei dat er geen Faun meer in de velden schuilt 

Gehurkt in 't graan waaruit zijn horen duikt. 

En dat in bosschen dag na dag 

De takken storten op den slag 

Der bijlen. 

Zonder ooit bloed van de Dryaden aan de bijlen. 

En dat geen Centaurs rennen door de vlakte 

Met achter zich die in het donker lachte. 

De Bronnimf, en dat dood zijn de gelaten 

Die treurden in den storm of in het donker praatten. 

De holenmaskers waarin Echo roept. 

De rotsgezichten, wateroogen, stemmen 



Digitized by 



Google 



DE MAN EN DE SIRENE. 237 

En teekens die door wind en water zwemmen. 

Gij zegt dat alles dood is en geen vorm zich groept 

Voor het gelaat van onze ziel. 

Over de zeeën van golven en goud 

Heft de riemen 1 

Zingt in den nacht en vaart door den windi 

Ziet niet naar mij die bloedend en blind, 

Geheimvolle Argus met om iedren spijker 

Een oog dat bloedt, ik de Zee-pauw, 

Troon altijd rijker, 

Waairend mijn blauwge wonden op den steven. 

Want ik aanschouw er, 

Want ik aanschouw een, 

Ik hoor hun stemmen^ 

Ik hoor haar stem, 

Vlak voor den steven — 

Er zijn Sirenen op de Zee, 

Eéne Sirene op de Zeel 

(Vertaling van Albert Verwey.) 



Digitized by 



Google 



EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD O 

DOOR 

Mr. S. MULLER Fz. 



Ik voer u terug tot de eerste jaren der 13e eeuw, naar 
die straat in Utrecht, die thans nog, als de eerst-bestrate, den 
naam Steenweg draagt. In het begin der 13e eeuw was zij 
dat nog niet; maar haar naam klonk daarom niet minder 
aanmatigend : zij heette toen Stadsstraat (Platea civitatis). En 
terecht, want hier concentreerde zich tusschen parochiekerk, 
rechthuis en raadhuis het leven der stad, die onder de muren 
van den burg Trecht ontstaan was en die destijds nog niet 
haren uitgebreiden handel door het verzanden van den 
Krommen Rijn had zien verloopen. 

Indien het u hier te druk en te woelig is, dan verzoek ik 
u rechts om te slaan; weinige schreden verder ziet gij dan 
de muren van den burg verrijzen. Volg mij over de houten 
met huisjes bebouwde brug, de straat door tusschen het Bis- 
schopshof en de overblijfselen van het Keizerpaleis, en gij 
ziet op het tegenwoordige Domplein een geheel ander tafereel 
voor u. Daar verrijst de Dom, niet de tegenwoordige, maar 
een eenvoudiger, meer achterwaarts gelegen gebouw in 
romaanschen stijl met twee torens. En rechts daarvan ziet 
gij nog Willebrords ouden Dom, die zich als Oudmunster naast 
hare opvolgster heeft weten te handhaven. 

Het is doodstil op het uitgestrekte plein: een enkele kerk- 
ganger spoedt zich huiswaarts, maar overigens ontdekt uw 



i) E^nige gedeelten van dit opstel zijn door mij reeds opgenomen in de 
rede, waarmede ik onlangs de vergadering van het Provinciaal Utrechtsche 
Genootschap opende. 



Digitized by 



Google 



EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 239 

oog geene levende ziel. Is het plein dan onbewoond? Toch 
niet. Vrouwen zult gij hier niet aantreffen; maar er wonen 
hier twee gezelschappen of kapittels, elk van veertig mannen. 
Gij vindt ze in die twee groote gebouwen, die ge bij de 
kerken ziet, en in de enkele kleine huisjes ten noorden van 
den Dom en ten zuiden van den Oudmunster. In de twee 
grootsten houden de hoofden der kapittels, die d^n naam 
van iproosten" dragen, verblijf en voeren hunne afzonderlijke 
huishoudingen. 

Ik wil u van het leven dezer heeren, die kanunniken heeten, 
een en ander verhalen. Ik kan dat alleen doen van de heeren 
van den Dom, die mij daartoe in staat gesteld hebben door 
het aanteekenen van allerlei bijzonderheden voor in den ordi- 
narius hunner kerk. Te zamen geven ons die een duidelijk 
beeld van de levenswijze der heeren en van het zonder 
twijfel geheel gelijksoortige bestaan hunner broeders aan den 
Oudmunster. Ter aanvulling van de schets dienen mij iets 
jongere aanteekeningen uit de beroemde vrouwenabdij te 
Essen aan de Ruhr en uit de niet minder bekende abdij van 
St. Truyen bij Luik, die geheel gelijksoortige toestanden 
beschrijven i). 

Wanneer ik u mededeel, dat de heeren van den Dom 
uitgestrekte landerijen bezaten in het Nedersticht en in Gelder- 
land, dan zult gij, 19e eeuwers, waarschijnlijk van meening 
zijn, dat de Domproost, die voor het levensonderhoud van 
het gezelschap te zorgen had, eene uiterst gemakkelijke taak 
had. Immers hij kon eenvoudig de landerijen verhuren en 
zich met de pachtpenningen op de weivoorziene Utrechtsche 
markt, die op weinige schreden afstands gelegen was, van 
het noodige voorzien. Doch wie zoo oordeelt, houdt geene 
rekening met de tijdsomstandigheden. Het moet onwaar- 
schijnlijk heeten, dat de Nederlandsche boeren van het begin 
der 13e eeuw over het algemeen in het bezit waren van 



i) De aanteekeningen uit het Liber catenatus der Essensche abdij zijn mij 
welwillend ter kennisneming toegezonden door den heer F. Arens te Essen. 
Vgl. voor St. Truyen : Le livre de Tabbé Guill. de Ryckcl, uilg. d. H. Pirenne. 



Digitized by 



Google 



240 EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD 



geld, en het is dus niet in te zien, hoe de proost genoeg 
pachters zou hebben kunnen vinden, die in staat waren hem 
de noodige penningen op te brengen. En bovendien, al zou 
de proost te Utrecht denkelijk wel eenen slager gevonden 
hebben, het is minder zeker, dat hij daar ook bakkers en 
brouwers zou hebben aangetroffen, aangezien het nog in veel 
latere jaren de vaste gewoonte was, dat ieder zijn eigen 
brood bakte en zijn eigen bier brouwde. Zien wij dus, hoe 
de proost zich in deze moeielijkheid heeft weten te helpen. 

Onder de boven aangeduide aanteekeningen in den ordi- 
narius van den Dom trekt er éene onze bijzondere aandacht, 
omdat zij geheel verschilt van de andere, die bijna allen be- 
trekking hebben op de uitdeeling van eetwaren. Zij luidt 
vertaald aldus: »In het bisdom Utrecht geven zij, die de in- 
komsten van monniken en wereldlijke kanunniken beheeren, 
somtijds graan of verschillende dieren, somtijds ook geld of 
zilver." En dan volgt eene uitvoerige uiteenzetting van de 
wijze, waarop in de bisschoppelijke munt van Utrecht geld 
wordt geslagen, en van de zilverwaarde van het geld, zoowel 
hier als in de andere muntplaatsen van het bisdom, in Gro- 
ningen en Friesland. Het slot vormt de aanwijzing, dat de 
kanunniken, die schade lijden door het aannemen van slecht 
geld, de muntgezellen kunnen aanklagen bij den bisschop, die 
de overtreders dan straffen zal. 

De plaats heeft ontegenzeggelijk uitnemend belang voor 
de kennis van het muntwezen der 13*** eeuw. Maar hare 
opneming in dit verband schijnt zonderling: wie uwer toch 
zal er aan denken, wanneer hij een staat maakt van zijne 
jaarlijksche inkomsten, daaraan toe te voegen eene opmerking 
over de zilverwaarde van den rijksdaalder? Ook begrijpen 
wij volkomen, dat, naar gelang de ordesregelen der gestich- 
ten verschilden en naar gelang die gestichten al of niet 
vermogend waren, een abt of een proost bij de dagelijksche 
uitdeelingen aan zijne ondergeschikten meer of minder erger- 
nis kan hebben gegeven aan een vegetariaan. Maar wij 
begrijpen niet^ hoe zulk een dignitaris kan geaarzeld heb- 
ben tusschen de üitdeeling van brood en vleesch eenerzijds 



Digitized by 



Google 



EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 241 



en van geld of zilver anderzijds. Hier staan blijkbaar twee 
wijzen van handelen tegenover elkander, die elkander schijnen 
uit te sluiten. Door de eene toch stelt men den bedeelde 
onmiddellijk in staat zich te voeden ; de andere onderstelt, dat 
hij zich zelf voedsel zal verschaffen. Maar er is meer reden 
tot verwondering: zelfs ons, die toch met de uitdeeling van 
geld gemakkelijk tevreden zouden geweest zijn, herinnert de 
uitdeeling van eene hoeveelheid zilver op bedenkelijke wijze 
aan den vader, die zijnen kinderen steenen voor brood gaf. 
Uitreiking van zilver schijnt ons in alle omstandigheden on- 
praktisch, allermeest in eene eeuw, toen het verkeer nog weinig 
ontwikkeld was. 

Waarlijk, wij hebben moeite ons in deze toestanden in te 
denken. Blijkbaar was het standpunt van den steller der aan- 
teekening een geheel ander dan het onze. Hij gevoelde het 
onderscheid niet. Voor hem was eene munt nog werkelijk 
een stukje zilver, waarvan het gehalte en de hoeveelheid werd 
gewaarborgd door den daarop geplaatsten beeldenaar; voor 
ons daarentegen vertegenwoordigt een rijksdaalder niet meer 
eene bepaalde hoeveelheid zilver, maar (ik erken, zéér ten 
onrechte) eene waarde van 250 centen, die wij op goed geloof 
aannemen. 

Blijkbaar verkeerde men dus in het begin der I3''* eeuw 
in de goede stad Utrecht in een overgangstoestand. De sa- 
menwoning der kanunniken was reeds gedeeltelijk opgelost: 
sommigen woonden nog bijeen in een gemeenschappelijk ge- 
bouw, zooals hun regel vorderde; anderen hadden, evenals 
de proost, zich reeds afzonderlijke woningen daarbij gebouwd. 
De algemeene toestanden begonnen dergelijke verwildering 
mogelijk te maken. Immers twee economische systemen ston- 
den in het Domkapittel naast elkander : de betaling met voor- 
werpen in natura^ alleen bij samenwoning uitvoerbaar, was 
nog de gewone; daarnaast kende men echter eene andere, 
die afzonderlijk wonen mogelijk maakte : de betaling met het 
ruilmiddel. Maar dit ruilmiddel was nog zeer onvolkomen be- 
kend, of men was er althans zeer weinig mede vertrouwd. 
Men behoefde eene nauwkeurige opgave van zijne waarde en 



Digitized by 



Google 



242 EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 

zijne beteekenis. En men was ieder oogenblik geneigd te 
vreezen, dat men zich door de aanneming daarvan compro- 
mitteerde, — geneigd ook zich te beklagen bij den muntheer 
over de schade, die de behandeling van het vreemde goed had 
veroorzaakt. 

Deze opmerkingen mogen strekken, om ons het standpunt 
der Utrechtsche kanunniken in het jaar 1220 i) te verduidelijken. 
Zien wij thans, hoe zij, wier leven hen nog zoo weinig met 
het geld en zijne waarde had bekend gemaakt, toch in staat 
bleken zich van de gemakk^p en lekkernijen te voorzien, die 
de 13e eeuw den stadbewoner aanbood. 

Het was de vaste gewoonte der vroege middeleeuwen, om 
de goederen, die een grondbezitter in eene streek had liggen, 
hoe ongelijksoortig zij ook zijn mochten, te vereenigen tot 
één administratief geheel. Landerijen in de eerste plaats, 
visscherijen en tienden, kerken en lijfeigenen, rechten, per- 
soonlijke diensten en uitkeeringen van allerlei aard, die per- 
sonen of goederen aan hunne heeren bij verschillende gelegen- 
heden schuldig waren, werden gesteld onder een gecentraliseerd 
beheer; dit geheel noemde men een hof. De beheerder van 
dit alles was de hofmeier (villicus), die gevestigd was op den 
zadelhof, waar het centrum van de administratie gevestigd 
was en die de hofmeier in eigen beheer had. De overige 
landerijen waren steeds in erfelijk bezit van vrije of onvrije 
boeren. Het onderscheid tusschen deze beiden was niet zoo 
groot als het ons schijnen kan. Want al had de heer oor- 
spronkelijk recht op den geheelen arbeid van zijnen onder- 
hoorige, de gewoonte had diens verplichtingen allengs tot 
een vast bedrag teruggebracht: hij was schuldig eene 
zekere hoeveelheid uitkeeringen in natura, product van 
het hem in gebruik gegevene land, en verder eene zekere 



i) Ik stel dit bezoek op ongeveer 1220 om redenen, die hier niet gevoegelijk 
kunnen worden uiteengezet. De ontbinding van het gemeenschappelijke leven 
moet reeds zeer spoedig daarna, vóór 1243, hebben plaats gehad; want toen 
schonk de Domproost de begeving van vier ambten in keuken en kelder aan 
het kapittel, om ze aan priesters op te dragen. 



Digitized by 



Google 



EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 243 

hoeveelheid arbeid en diensten, vooral in den oogsttijd. De 
verplichtingen van den vrijen erfpachter verschilden vol- 
gens het dikwijls overoude contract slechts gradueel van 
die van den hoorige. De hoorige was niet vrij om te 
vertrekken; maar ook de vrije was toch steeds door een 
overoud contract» dat van vader op zoon overging, met den 
grond verbonden; tijdpacht was in die dagen denkelijk nog 
weinig bekend; in de abdij van St. Truyen vinden wij ze na 
het midden der 1 3e eeuw dikwijls, maar op de goederen van 
den Utrechtschen bisschop in Twenthe was zij op het laatst 
der eeuw nog iets geheel nieuws. Blijkbaar kon het geslacht 
dier dagen zich eene zoo losse en tijdelijke betrekking van een 
persoon tot den door hem bebouwden grond niet goed den- 
ken. Ook kerken werden veelal door de heeren geheel als 
eigendommen beheerd. Men liet aan den door den heer aan- 
gestelden pastoor gewoonlijk \/, van de bij de kerk behoorende 
tienden, of de heer behield alle tienden voor zich en gaf den 
pastoor eene vaste uitkeering. 

Dit systeem werd in de middeleeuwen het ideaal van land- 
beheer geoordeeld : wij hooren een schrijver uit de Essensche 
abdij klagen, dat zekere perceelen landerijen vroeger ver- 
eenigde hoven hebben gevormd, maar thans ter kwader ure 
uit elkander gevallen zijn. En inderdaad had het systeem 
ook veel aanbevelenswaardigs. De meier had dikwijls als loon 
cenige bunders land in vrij gebruik of was ook wel bij het 
beheer geïnteresseerd door de bepaling, dat het vee van den 
zadelhof jaarlijks half en half tusschen hem en den heer zou 
worden verdeeld. Ongelukkig had ook dit ambt, zooals de 
meeste middeleeuwsche, de neiging om erfelijk te worden, en 
moesten de heeren er soms wel toe overgaan het aan de 
bezitters in leen te geven, zoodat de band tusschen den heer 
en zijn grond zeer los werd. Maar onze Utrechtsche Dom- 
proost was ten dezen gelukkig : wel had hij reeds eene lange 
lijst van goederen in leen moeten geven, maar hij had er 
althans meer dan genoeg overgehouden, waarover hij de vrije 
beschikking had. De meiers werden door hen met advies der 
Domheeren aangesteld en konden, als zij niet aan hunne ver- 



Digitized by 



Google 



244 EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 

plichtingen voldeden, op klacht van den proost door den 
bisschop geëxcommuniceerd worden en zoodoende hun ambt 
verliezen. 

De Domproost bezat minstens acht hoven: te Doorn, 
Amerongen en Cothen in het Sticht, te Angeren, Afferden en 
Wadenoijen in de Betuwe en te Heze en Loon in het graaf- 
schap Zutphen. Op de in die plaatsen gevestigde zadelhoven 
brachten de tot den hof behoorende boeren in den loop van 
het jaar de massa producten hunner hoeven bijeen, die zij 
volgens oude gewoonte schuldig waren af te leveren. En de 
meier van eiken hof was nu, volgens eene gewis overoude 
regeling, verplicht, gedurende eene maand of eene halve maand 
van elk jaar de voeding der heeren van den Dom op zich 
te nemen. 

Niemand meene, dat zekere eigenzinnigheid der proosten 
aanvoer van levensmiddelen heel uit het Zutphensche deed 
verkiezen boven aankoop daarvan op de Utrechtsche weck- 
markt. De regeling was noch doelmatig, noch gemakkelijk, en 
zij was allerminst goedkoop ; maar zij was meer dan dit alles : 
zij was (althans in de oude tijden) noodzakelijk. Wanneer 
wij de Duitsche keizers met hunne hofhouding in de middel- 
eeuwen een zwervend leven zien leiden en van paleis tot 
paleis trekken, dan hebben wij de verklaring van dit ver- 
schijnsel niet te zoeken in zekere onbedwingbare onrust in 
het gestel der middeleeuwsche vorsten. Hen lokten de groote 
hoeveelheden levensmiddelen, die jaarlijks in de hoven der 
koninklijke domeinen werden opgestapeld. En zoodra het 
talrijke gevolg den aanwezigen proviand had verteerd, trok 
men verder, moest men verder trekken eldersheen, waar weder 
levensonderhoud te vinden was. Immers zoolang het plaat- 
selijk marktverkeeer nog weinig ontwikkeld was, moest het 
proviandeeren van een talrijk gezelschap op éene bepaalde 
plaats bij den gebrekkigen toestand der verkeersmiddelen op 
den duur uiterst bezwaarlijk heeten. En de vorsten schikten 
zich gemakkelijk in zulk een reizend leven, sedert op vele 
koningshoven paleizen waren verrezen. Maar onze kanunniken, 
door hun ordesregel aan het verblijf bij hunne kathedraal ge- 



Digitized by 



Google 



EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 245 



bonden, konden zich niet telkens naar hunne hoven verplaatsen. 
Hoe kostbaar het vervoer van de producten uit de afgelegene 
streken naar Utrecht dan ook was, zij moesten wel daartoe 
overgaan, op straffe van die producten soms nutteloos te zien 
bederven en zelven gebrek te lijden. 

Zoo werd dus aan eiken hofmeier op de rij af de last 
opgelegd te zorgen, dat op den eersten der maand de noodige 
proviand voor de heeren te Utrecht aanwezig was. Het jaar 
begon met i October, wanneer de oogst binnen was en dus, 
zooals het heet, »de dienst der nieuwe veld vruchten begon." 
Met dezen datum begint dan ook de ordinarius, die den kerk- 
dienst van den Dom regelde, evenals aan de kathedraal te 
Luik (waar het warmer was en dus de oogst iets vroeger 
afgeloopen kon zijn) de regeling van den kerkdienst met 
I September aanving. Het is wel bekend, dat Remigii en 
Victoris (i en 10 October) ten onzent zeer bekende termijnen 
zijn voor het betalen van renten en dat daarom de rekeningen 
niet alleen van den Dom, maar ook van tal van andere licha- 
men met die dagen beginnen. Dat deze termijnen samen- 
hingen met het afloopen van den oogst, als het geld in kas 
was gekomen, is duidelijk. Zeer merkwaardig schijnt het mij 
evenwel, dat in eene nóg vroegere periode, toen er van geld 
nog weinig sprake was en toen de kunst om zich van het 
noodige voedsel te voorzien nog zooveel moeielijker was dan 
thans, ook het kerkelijke leven zelf, dat het Paaschfeest als 
den aanvang van het jaar in eere hield, zoozeer onder den 
invloed der landelijke huishouding stond, dat de kathedraal 
haren kerkdienst met den i»**" October deed beginnen. 

Doch keeren wij tot onze hoven terug. De hof te Doorn, 
blijkbaar de belangrijkste, opende de rij en zorgde, dat op den 
isten October en den i*^®" April de noodige voorraad voor 
eene maand te Utrecht voorhanden was. De hof te Loon 
moest I November het noodige zenden. De hof te Amerongen 
zorgde voor December en Juni. En zoo ging het geregeld 
voort, totdat de hof te Afferden op i September de rij sloot. 

De regeling was geene speciaal Utrechtsche instelling. In 
de Essensche abdij vinden wij geheel hetzelfde; alleen ver- 



Digitized by 



Google 



246 EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 

wisselde men daar, waar voor het veel uitgebreidere gezin 
ook veel meer noodig was en waar men gelukkig ook veel 
meer grondbezit had, de diensten wekelijks. Ook daar had 
men, evenals te Utrecht, heele en halve hoven, zoodat somtijds 
twee kleine hoven te zamen voor eene week (te Utrecht 
voor eene maand) moesten zorgen. 

Het bedrag, dat de dienende meier (villicus procurator) te 
Utrecht moest afleveren, was natuurlijk nauwkeurig bepaald 
en voor alle maanden gelijk. En zoo kunnen wij ons dus 
voorstellen, dat op den laatsten September op den hof te 
Doorn eene lange rij wagens gereed stond, om naar den Dom 
over te brengen 65 mudden tarwemeel, 1800 roggebrooden 
en 82 mouder mout (samengesteld in vooruit bepaalde ver- 
houding uit */3 gerst en Ya haver), 135 kazen, 2 loop zout, 
30 kippen en 15 ganzen. Een schaapherder volgde met 
60 jonge schapen [vorschingen noemde men ze) of, als het 
seizoen het meebracht, 30 jonge varkens ; verder met i varken, 
2 vette varkens (specswynen) en 2 biggen, die als bijzondere 
delicatesse voor de keuken van den proost bestemd waren. 
De meier, die zeker zelf den stoet wel zal vergezeld hebben, 
moest bovendien aan den proost overhandigen de in die 
dagen niet geheel onbelangrijke som van 77» Utrechtsche 
schellingen, wier bestemming ons later duidelijk zal 
worden. 

Wij willen aannemen, dat de geheele stoet zonder onge- 
vallen op het Domplein zal aankomen : het gevaar is ditmaal 
veel geringer dan andere maanden, wanneer de proviand 
b.v. van uit het Zutphensche komen moet. Wij moeten ons 
thans bezighouden met de personen, die bestemd waren de 
eetwaren te Utrecht in ontvangst te nemen. 

De proost stelde met advies der Domheeren twaalf ambte- 
naren (ministri) aan, die zeker wel, evenals in de abdij van 
St. Truyen, den naam van huisgenooten zullen gedragen 
hebben. Het waren twee drosten, twee bakkers (de wittc- 
broodsbakker en de roggebroodsbakker), twee schenkers (de 
schenker van den proostenkelder en de bierambtenaar), een 
keukenmeester of opzichter van het vleesch en een timmer- 



Digitized by 



Google 



EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 247 

man, benevens twee bierdragers en twee kosters (bewakers 
van den munster en van den Domtoren). De bewaking van 
de gemeenschappelijke slaapzaal der heeren was opgedragen 
aan den jongste der Domheeren, die voor eene behoorlijke 
verlichting der zaal had te zorgen. 

Wij kunnen dezen jeugdigen koster (dien de proost hielp 
door den afstand van de hem door eenige kerken verschul- 
digde was) en zijne beide collega's, die eerst onlangs tot 
dezen rang opgestegen zijn, laten rusten. Ook de timmerman, 
de latere architect van den Dom, laat ons op het oogenblik 
koel, daar de dienende hoven niet (zooals in de Essensche 
abdij) belast waren met de levering der noodige materialen 
voor den Dombouw. Maar de andere ambtenaren trekken onze 
bijzondere aandacht. 

De toestanden waren aan onzen Dom blijkbaar betrekkelijk 
eenvoudig. De aanzienlijke abdis van Essen pronkte met 
vier zoogenaamde vorstambten: den kameraar, den maarschalk, 
den drost en den schenker, die wij aan alle vorstelijke hoven 
terugvinden en die, zooals het heet, waren ibcgudet vant 
sticht*', d. i. in het bezit van groote, aan hun ambt ver- 
bondene dienstgoederen, — eene bijzonderheid, die sterk zal 
hebben medegewerkt om deze ambten te brengen in handen 
van aanzienlijke personen, die zich slechts bij hooge plechtig- 
heden voor de leus een oogenblik met den dienst inlieten, 
maar dien overigens deden verrichten door personen van 
minderen rang met een vrij wat kleiner inkomen. Ook in 
de abdij van St. Truyen vinden wij deze vier ambtenaren 
genoemd aan het hoofd van de ministerialen ofhuisgenooten 
der abdij. Maar al was te Utrecht de zorg van den kameraar 
voor het meubilair en de;i staldienst van den maarschalk niet 
noodig, de positie der ambtenaren van den Domproost ver- 
schilde toch niet principieel van die in de beide genoemde 
abdijen. De beide drosten (dapiferi) voerden het bewind in 
de heerenkeuken (zooals deze inrichting heette in tegenstelling 
met de proostenkeuken, die afzonderlijke inkomsten had), 
evenals de bakkers in de twee bakkerijen en de schenkers 
in de twee kelders; onder hen waren enkele ambtenaars 



Digitized by 



Google 



248 EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 

werkzaam, die den weinig eervollen naam v^n jongens Ato^g'^n. 
Allen waren dus ook hier hoofden van eene bepaalde tak 
van dienst, al waren ieders ambtsplichten niet zóó streng 
afgescheiden, dat wij ons moeten verbazen, den timmerman 
te zien belasten met het reinigen der pasteivormen of den 
bakkersjongen te hooren bevelen, in zijn vrijen tijd in de 
keuken te helpen. 

Hoe werden nu al deze ambtenaars beloond? Een salaris 
in geld vinden wij slechts éénmaal vermeld en wel in een 
geval, dat wij dadelijk als eene nieuwigheid hooren aanduiden. 
Het gewone loon wordt uitgekeerd in eetwaren : de ambtenaars 
ontvangen dagelijks twee wittebrooden en drie stoopen bier 
en op feestdagen spekpannekoeken (panes lardorum); som. 
migen krijgen een stuk kaas of de beenen van het vleesch 
uit de keuken, enkelen zelfs een stuk vleesch en op vasten- 
dagen visch. Ieder ontvangt bovendien tien schapenvachten 
'sjaars, blijkbaar om zich te kleeden. Den schaapherder van 
den hof wordt, als hij in de stad is, eiken dag door den 
bakker een zemelenbrood en door den bierschenker een stoop 
bier uitgereikt. — Zoo gaat het ook elders: te Essen worden 
den bakker vijf brooden van zijn baksel, den molenaar 23 
ponden rogge ab maalloon gelaten; de keukenmeester ont- 
vangt vleesch, brood, boter, bier, schaapsvellen en waskaarsen. 
Gewoonlijk wordt dus elke ambtenaar met zijn eigen product 
betaald. Doch niet altijd: te St. Truyen worden alle amb- 
tenaars door de abdij gekleed, maar de kleermaker der abdij 
wordt (zeer praktisch!) geheel betaald in graan. 

Natuurlijk zijn niet alle ambtenaars in rang gelijk: wij 
bemerken dit aan hunne bezoldigingen. Maar in die een- 
voudige tijden, toen men wel betrekkelijk weinig kieskeurig 
moest zijn in de keus van zijn eten, bracht de hoogere rang 
den ambtenaar geene betere qualiteit, maar eene grootere 
quantiteit eten. Men was dus blijkbaar van meening, dat de 
eetlust toenam naarmate men in rang steeg. Zonderling 
niet waar? Doch wat wilt gij? Deze primitieve tijden gaven 
den heer geene gelegenheid, om aan zijne ambtenaars op 
andere wijze zijne tevredenheid te betuigen 1 Met dat al. 



Digitized by 



Google 



EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 249 

eenigszins lachwekkend wordt het geval toch, wanneer wij 
overwegen, dat op tal van feestdagen den ambtenaars nog 
bovendien buitengewone uitdeelingen worden gedaan, zoodat 
hun b.v. op St. Maarten een extra-brood en eene extra-portie 
vleesch wordt toegelegd, terwijl de bevoorrechte timmerman 
zelfs boven zijn rantsoen 2I/2 brooden en 2V2 porties vleesch 
ontvangt. Het treffendst is de regeling op den Zondag 
Esto mihi, wanneer den ambtenaars wordt uitgereikt het ge- 
wone middagvleesch, eene dubbele portie wittebrood, verder 
nog een wittebrood en een stuk vleesch, en eindelijk een 
zult, eene kip, een stuk zwoerd en twee pasteien, alles ge- 
kruid door 4 stoopen wijn. Niet anders ging het in de 
Essensche abdij, waar één brood per dag toereikend werd 
geacht voor eene adellijke kanones, terwijl toch den bakker 
eenmaal zeven brooden op één dag werden uitgekeerd. Hij, 
die bedenkt dat dit alles vooral destijds moeielijk verhandel- 
baar was, voelt gewis zijn eerbied voor den eetlust der middel- 
eeuwers stijgen 1 

Wanneer de Doomsche karavaan te Utrecht is aangekomen 
en de hofmeijer de verschuldigde spijzen en dranken aan de 
ambtenaars heeft afgeleverd, beijveren zich allen natuurlijk, 
die voor het gebruik te bereiden. Doch daarmede is hunne 
taak niet afgedaan: de toebereide eetwaren moeten verdeeld 
worden. De proost staat daar geheel buiten : hij leeft geheel 
op zich zelf in eene afzonderlijke woning met afzonderlijke 
huishouding, evenals te St. Truyen de abt en te Essen de 
abdis. Hem behoort het overschot van den proviand, die op 
zijne hoven voorhanden is, en wij mogen dus vertrouwen, 
dat hij zich daaruit van het noodige ruimschoots zal voorzien 
hebben. Uit den aard der zaak vernemen wij daarover van 
de kanunniken echter niets dan alleen terloops, dat de helft van 
het maandelijks geleverde zout voor de proostenkeuken be- 
stemd is (hetgeen op eene omvangrijke administratie wijst) 
en verder dat enkele lekkernijen, zooals de twee reeds ver- 
melde maandelijks gezondene biggetjes en twee keurige 
Engelsche kazen, die uit Wille geleverd worden, aan hem 
worden afgegeven. Wij houden ons dan ook niet verder 



Digitized by 



Google 



250 EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 

bezig met het onderhoud van den proost, maar alleen met 
dat van zijne veertig ondergeschikten. 

Onder hen zijn tien jongeren (pueri), die nog op de kapittel- 
school gaan en wier porties daarom (niet zeer menschkundig) 
kleiner zijn dan die van hunne dertig oudere medebroeders. 
Elke heer (dominus) ontvangt dagelijks twee wittebrooden, 
een roggebrood, drie stoopen bier, twee stoopen wijn en vier 
maal 's weeks 2 1/2 porties vleesch. De knapen (pueri) ont- 
vangen een wittebrood minder en slechts twee porties vleesch, 
geen wijn. Dit is de vaste dagelijksche regel; wij zullen 
echter zien, dat er bij verschillende gelegenheden nog vrij 
wat bij komt. Vooraf echter eenige bijzonderheden over het 
eten zelf, allereerst over het brood. 

Roggebrood is blijkbaar de gewone, algemeene spijs: te 
Essen heet de werkzaamheid van den roggebroodsbakker het 
eigenlijke »bacampt", terwijl zijn ambtgenoot meer bijzonder 
als »weitenbecker" van hem- onderscheiden wordt. Het is 
bepaaldelijk onvervalscht roggebrood, dat als » zwart brood" 
van het >witte" tarwebrood onderscheiden wordt. De hof- 
meier van Doorn geeft de rogge aan zijne hoorigen (litones), 
die ze malen en bakken en vóór i October de brooden naar 
de kloostermagazijnen voeren, die tot i November toe strek- 
ken moeten. Reizigers in Noorwegen weten ons tegenwoor- 
dig te verhalen van het wonderbaarlijk oudbakken brood, dat 
hun daar op het land geregeld wordt voorgezet; onze Domheeren 
moesten zich eeuwenlang met even droge broodjes tevreden 
stellen. Maar in de 13e eeuw blijken zij toch daartegen 
gerebelleerd te hebben. Immers wij vernemen, dat eenigen 
tijd geleden met de meiers van sommige hoven de over- 
eenkomst getroffen is, dat zij voortaan niet meer i8oorogge- 
brooden naar Utrecht zullen zenden, maar 45 mouders rogge, 
die in hoeveelheid met het bedongen roggebrood overeen- 
komen; de heeren zouden dan het roggemeel wel zelven te 
Utrecht laten bakken. Doch daartoe hadden zij natuurlijk 
een roggebroodsbakker noodig en wij weten reeds, dat zij dan 
ook tot de aanstelling van zulk een dignitaris overgegaan zijn ; 
ab bijdrage in zijn loon hadden zij nu van de meiers, die 



Digitized by 



Google 



EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 251 

van het bakken vrijgesteld werden, elk 7 1/2 Utrechtsche schel- 
lingen weten te bedingen. Inderdaad blijken de meeste 
meiers het schadelijke contract aangegaan te hebben; maar 
die van Doom en Amerongen hadden geweigerd en de 
Cothensche meier had het slechts voor de helft zijner leve- 
rantie aangenomen. Zoo was dus de nieuw aangestelde 
roggebroodsbakker van den Utrechtschen Dom zijnen tijd 
vooruit, in zooverre hij alleen onder al zijne ambtgenooten 
zijn loon grootendeels in geld ontving. En de heeren van 
den Dom profiteerden van de schikking nog op andere 
wijze : zij haastten zich, om in de maanden, dat zij het rogge 
meel ongebakken ontvingen; uit eigen vermogen nog wat 
daarbij te voegen, zoodat hun dagelijksch roggebroodje wat 
grooter werd. 

Het moge u niet verwonderen, dat de maatregel door de 
Domheeren alleen op het roggebrood werd toegepast: voor 
het wittebrood was hij niet nóodig. Want reeds van ouds 
blijkt het tarwemeel ongebakken naar Utrecht gevoerd te 
zijn: een klaar bewijs, dat men op het platteland, waar men 
geen wittebrood at, de kunst om dit te bakken ook niet 
verstond. 

Wij hebben den uit gerst en haver samengestelden mout 
met den overigen proviand naar Utrecht zien voeren: blijk- 
baar werd er dus aan den Dom gebrouwen, al wordt ons dit 
niet uitdrukkelijk gezegd. Trouwens het was zóó gewoon, 
dat het geene vermelding behoefde: te Essen, waar niet alle 
dagen gebakken werd, brouwde men toch dagelijks; en bijna 
ieder burger brouwde zelf. Wij zagen dan ook, dat de 
beheerder van den bierkelder van den Dom niet, als zijn 
ambtgenoot van den wijn, eenvoudig schenker heet, maar 
pronkt met den ietwat ridiculen titel van > bierambtenaar.** 
Denkelijk was hij dus tevens brouwer en staat daarmede in 
verband de aanwezigheid der twee bierdragers, die wij in den 
wijnkelder missen. Maar onze zwierig betitelde bierambte- 
naar had met dat al blijkbaar geen reden om zich bijzonder 
op zijne kunst te verhoo vaardigen. Hij bracht het niet verder 
dan tot de fabricatie van dun bier, en al trachtten de heeren 

17 



Digitized by 



Google 



252 EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 



zijn product te verbeteren door bij den geleverden mout 
weder uit eigen vermogen 200 mudden haver te voegen, 
>opdat het bier goed zou worden," het wilde niet gelukken. 
Goede raad was duur; maar gelukkig genoot de meijer van 
den hof te Heze zekere reputatie in het bierbrouwen. Hem 
werd dus gelast, bij zijne leverantie voor de maand Januari 
te voegen 18 kloosteramen dubbel bier, dat de Domheeren 
moest sterken in den vastentijd. Doch ook nu weder toonen 
zij zich bezorgd voor de goede zeden hunner jongere broeders : 
evenmin als de knapen dagelijks wijn kregen, ontvingen zij 
in de vasten dubbel bier; als troost legde men hun op ver- 
schillende feestdagen eene halve kaas toe, om het brood 
smakelijker te maken. 

Wij gaan thans over tot de vleeschspijzen der Domheeren. 
Te Essen was de verdeeling der aangevoerde varkens en 
schapen tusschen de adellijke kanonessen, de kanunniken en 
de bedienden uiterst nauwkeurig geregeld. Zóo nauwkeurig, 
dat, als het geslachte dier verdeeld was, niets hoegenaamd op 
de bank overbleef. Men at letterlijk alles: de milten en 
longen van de schapen, de lever, de maag en de hersens 
der varkens, ja zelfs de ingewanden, al was het zwijn als 
>vynnich*' voor de consumtie afgekeurd ; was er al te veel vet, 
dan diende dit tot verlichting der slaapzaal. Bij de verdeeling 
werd de rang van ieder persoon met de grootste zorg in acht 
genomen. Stipt hield men aan die regeling vast, zoozeer dat de 
hoogsten in rang blijkbaar de slachtoffers werden van de 
etiquette : immers de verdeeling begon bij den kop van het ge- 
slachte beest en eindigde bij de staart, zoodat de hoogste in 
rang werd begiftigd met een halven kop, die toch naar 
onzen smaak geenszins het smakelijkste gedeelte van het dier 
geacht wordt. 

Aan den Utrechtschen Dom kon van zóó nauwkeurige ver- 
deeling als te Essen geen sprake zijn; immers het vleesch 
werd in de hcerenkeuken gereedgemaakt. Dit schijnt vreemd, 
omdat sommige heeren in afzonderlijke huizen woonden; 
maar het feit wordt toch onwederlegbaar bewezen door de 
vermelding van warm vleesch en gebraden vleesch. De hee- 



Digitized by 



Google 



EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 253 

ren tafelden dus blijkbaar nog te zamen i). Trouwens zij 
wilden elkander gewis op de vingers zien ; althans zij hadden, 
naar het schijnt, wel eens geklaagd over onbillijke verdeeling 
der porties. Want een speciaal ambtenaar, de keukenmeester, 
was aangesteld met de instructie, dat hij zelf in de keuken 
zou gaan om toe te zien, dat de stukken vleesch van eiken 
heer noch te groot, noch te klein genomen werden. 

Allereerst dan werd aan eiken kanunnik viermaal 's weeks 
het zoogenaamde prebendale vleesch voorgezet, blijkbaar (de 
naam zegt het ons) de portie, die oorspronkelijk aan elke 
prebende toekwam. Zij bestond uit een halven varkenskop 
of twee varkenstongen met de longen, twee achterpootcn van 
het varken of twee schapenlevers, alles volgens goedvinden 
van den drost, die als keukenmeester dienst deed. Blijkbaar 
werd dit het beste gedeelte van het vleeschrantsoen 
geacht. Maar in den loop der tijden was er nog vrij wat 
bijgekomen, dat wel minder smakelijk was, maar grooter in 
hoeveelheid, namelijk eene halve portie 'gekookt vleesch, eene 
halve portie koud vleesch (meestal een zult) voor het avond- 
maal en eene halve portie gebraad. Het gebraad scheen 
weder schadelijk voor de gezondheid der jonge broeders, 
althans het werd hun niet uitgereikt. 

Niemand kan betwijfelen, dat de Domheeren zoodoende 
alle reden hadden tot tevredenheid. Maar toch was dit nog 
niet alles: op Zon- en feestdagen en krachtens bijzondere 
stichtingen werd het rantsoen zéér belangrijk vergroot volgens 
de tabel in den ordinarius. Behalve het prebendaal vleesch 
konden de heeren somtijds zelfs tot vijf porties toe ontvangen, 
die dan bestonden uit gekookt vleesch, zwoerd, eene halve 
kip, eene pastei en een zult En op ongeregelde tijden werd 
uit den afval van het vleesch (de »carnes pcjores") nog eene 
lekkernij vervaardigd, die blijkbaar zeer gewaardeerd werd en 



I) Eene oorkonde van 1139 van het kapittel van Oudmunster bewijst voor 
dien tijd duidelijk het bestaan eener gemeenschappelijke tafel. Daarentegen is 
het bestaan nog omstreeks 1220 eener gemeenschappelijke slaapzaal voor alle 
heeren van den Dom wegens het medegedeelde in den ordinarius onmogelijk. 



Digitized by 



Google 



254 EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 

die het Essensche register met komische deftigheid aanduidt 
als een >farcimen dictum windelwurst*', — kort en goed: 
een worst. 

Ik sprak alleen van varkens- en schapenvleesch. Toevallig 
was dit niet : men zal opgemerkt hebben, dat ook in de kara- 
vaan, dien wij van Doom naar Utrecht hebben zien trekken, 
alleen varkens en schapen aanwezig waren. Inderdaad voedden 
zich de Domheeren dan ook nagenoeg uitsluitend daarmede. 
Van I October tot i6 Mei aten zij onveranderlijk varkens- 
vleesch, van i6 Mei tot 8 September even geregeld schapen- 
vleesch. Dit stond muurvast, en jaar in jaar uit kwam in 
dit menu geenerlei verandering. Slechts ééne uiterst korte 
pauze kwam in de eentonigheid verpoozing brengen: drie 
weken in het jaar, van 8 September tot i October, werd 
ossenvleesch opgedischt. En wel was men zich bewust, dat 
dit weinig voorkomende vleesch eene delicatesse was, waar- 
mede zuinig moest worden omgegaan, want allemauwkeurigst 
stond beschreven, hoe in deze veranderde omstandigheden 
door de drosten moest gehandeld worden. Als prebendaal 
vleesch kreeg een Domheer dan twee levers, een knaap iets 
anders dat er toevallig was; voor het warme vleesch en 
het gebraad ontving men eene gewone portie vleesch en 
voor het avondmaal de ingewanden. 

De reden van zoo groote zuinigheid met het ossenvleesch 
kan niet gelegen hebben in de betrekkelijke armoede van 
het Domkapittel, die het gebruik van het duurdere ossenvleesch 
verbood. Immers in de schatrijke Essensche abdij vinden 
wij nog in veel latere tijden volkomen dezelfde regeling. Van 
de week, waarin het feest der Elfduizend maagden (2 1 October) 
viel, tot aan de week van Hemelvaartsdag at men daar 
steeds varkensvleesch ; van Hemelvaart tot Elfduizend maag- 
den werd schapenvleesch uitgedeeld. Alleen op Allerheiligen 
werden twee ossen geslacht, die de aalmoezenier (officiatus 
elemosinarum) als iets bijzonders verdeelde, terwijl ook de 
bedienden daarvan een klein stukje kregen. 

Vergis ik mij, of werpt deze bijzonderheid een verrassend 
licht op de bebouwing onzer landerijen in de 13e eeuw? Het 



Digitized by 



Google 



EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 255 

register van den Dom levert ons over dit punt geenerlei 
bijzonderheden ; wellicht vinden wij hier voor dit gemis althans 
eene kleine vergoeding. Schapen zijn gewoonlijk daar voor- 
handen, waar men heide aantreft. Vindt men eikenbosschen 
vermeld, dan verneemt men ook steeds van zwijnen, die 
daarin gedreven worden om de eikels op te eten. Alleen 
de aanwezigheid van koeien moet ons doen besluiten tot het 
voorhanden zijn ook van weilanden. Wat dunkt u ? Wanneer 
wij in twee rijke gestichten, ver van elkander verwijderd en 
wier landerijen nóg verder uiteen lagen, alleen op den hof te 
Afferden, die met den dienst van de maand September be- 
last was, eenig ossenvleesch vinden, bestaat er dan niet eenige 
aanleiding om aan te nemen, dat onze i3-eeuwsche voor- 
vaderen den door hen ontgonnen grond bijna uitsluitend 
gebruikt zullen hebben als bouwland, terwijl uitgestrekte ter- 
reinen met heide en bosch bedekt waren? 

Wij zijn in de gelegenheid, om althans tot zekere hoogte 
eene proef op de som te maken. Wij kennen den inventaris 
van twee hoven der abdij van St. Truyen uit de tweede 
helft der 13* eeuw: de eene bezat 98 schapen, 30 varkens, 
I koe en 4 kalveren, de andere 116 schapen, 30 varkens, 3 
koeien, i stier en 6 kalveren. Wil men tegenwerpen, dat 
uit deze feiten niet met zekerheid tot de bebouwing van den 
grond mag geconcludeerd worden, dan wijs ik op het feit, 
dat bij een der Essensche hoven behoorden 48 morgens 
bouwland, 18 morgens weide en 6 morgens bosch, terwijl de 
abdij van St. Truyen in het geheel naast 563 bunders bouw- 
land slechts 40 bunders weiland bezat. Het is waar, dat bij 
de steden toch reeds vroeg hare gemeene weiden behoorden. 
Maar wie zegt ons, dat niet de meer verfijnde smaak der 
stedelingen, die hoogere eischen stelden dan de bewoners 
van het platteland, in de buurt der steden veel vroeger dan 
elders den stoot kan gegeven hebben tot het aanmaken van 
weilanden op groote schaal? 

Wij hebben thans in hoofdzaak de geheele karavaan van 
den hof te Doorn zijn weg zien vinden naar de krachtige 
magen der Utrechtsche Domheeren. In het voorbijgaan heb- 



Digitized by 



Google 



256 EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 

ben wij ook de kippen en de kazen reeds op de feestdagen 
aan de heeren en de knapen zien voorzetten. En ook het 
zout, waarvan wij de helft zagen verdwijnen in de keuken 
van den proost, vindt gemakkelijk zijn weg : Vs van het over- 
schietende gaat naar de heerenkeuken, ^j^ naar de bakkerij. Maar 
wij herinneren ons, dat de hofmeier, voordat hij zich op weg 
begaf, 7 Vs Utrechtsche schellingen (d. i. 90 penningen) in den zak 
heeft gestoken : deze eischen nog een oogenblik onze aandacht 

De 90 penningen worden door den proost in drie deelen 
verdeeld; twee daarvan zijn bestemd om hout te koopen 
voor de keuken en voor de bakkerij. Dit schijnt bevreem- 
dend. Nog in veel latere jaren toch zien wij de Essensche 
hoven hout leveren voor de roggebroodsbakkerij en de hoorigen 
van den grootsten hof dienst doen bij het vervoeren van den 
houtvoorraad der verschillende hoven naar de abdijkeuken. 
Wij begrijpen niet, waarom te Utrecht eene andere regeling 
is ingevoerd. 

Werkelijk moet er iets gehaperd hebben. Zooeven zeide 
ik u, dat bij de hoven van den Dom waarschijnlijk behalve 
het bouwland uitgestrekte heiden en bosschen zullen behoord 
hebben. Was dit geheel juist, dan zou, naar het mij voor- 
komt, de hofmeier van Doorn er de voorkeur aan gegeven 
hebben, 60 penningen minder in den zak te steken en de 
betaling dezer belasting, die voor hem eigenaardige moeielijk- 
heden moet gehad hebben, te voorkomen door het beladen 
van een paar wagens met hout, dat hij door de hoorigen van 
zijn hof in zijne bosschen zonder bezwaar had kunnen laten 
kappen. Nu hij het niet deed, vrees ik daarin eene aandui- 
ding te moeten zien, dat de ontbossching onzer heiden reeds 
in de 13e eeuw bedenkelijke afmetingen had aangenomen i). 

Ook de laatste 30 penningen, die nog in 'shofmeiers zak 
steken, geven mij aanleiding tot eene opmerking. Zij waren 
bestemd voor de aanschaffing van ketels en ander keuken- 



I) Daarmede komt overeen, dat (zooals ik reeds boven zeide) de hoven van 
den Dom niet, zooals de Essensche, belast waren met de leverantie vau materialen 
voor den Dombouw. 



Digitized by 



Google 



EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD 257 

gerei. Geheel anders werd in deze behoefte voorzien te 
Essen. Ook daar behoefde men natuurlijk allerlei benoodigd- 
heden voor de keuken. En inderdaad brachten dan ook 
enkele hoven geld op voor de aanschaffing daarvan. Maar 
de meesten zonden toch voorwerpen in natura : de een moest 
jaarlijks een kleinen ketel leveren, de ander een kuip ; weder 
anderen zonden groote potten of schotels. Alleen de groote 
ketel en de bijl werden jaarlijks door de keukenmeesteres 
geschonken. Zoo kwam in die primitive tijden het keuken- 
gerei der vorstelijke abdij van Essen bijeen 1 Blijkbaar was 
men daar zóó vastgeroest in de gewoonte om alles in natura 
door de hofmeiers te doen leveren, dat men niet bedacht, 
hoeveel praktischer het was, dergelijke voorwerpen, die de 
hofmeijers zich toch grootendeels in de stad moesten aan- 
schaffen, allen tegelijk op de bestemmingsplaats te doen 
inslaan door hen, die ze behoefden. En wij gevoelen ons 
gedrongen den Utrechtschen Domheeren onze hulde te 
brengen, dat zij zooveel vroeger dan de vorstelijke abdis van 
Essen het geld, dat zij toch als ruilmiddel kenden, ook con- 
sequent wisten te gebruiken om de inrichting hunner huis- 
houding te vereenvoudigen. 

Thans is de geheele Doornsche karavaan besproken. Het 
wordt tijd, dat wij melding maken van de eetwaren, die in 
den geleverden voorraad niet voorhanden waren. In de eerste 
plaats vinden wij er geene groenten. Maar ik geloof ook 
niet, dat onze Domheeren die in noemenswaardige hoeveel- 
heid zullen gebruikt hebben. Het is waar, in latere jaren 
vinden wij te Essen een >gartampt", waarvan de bezitster 
verplicht was kool en moes te leveren voor de keuken der 
abdis, terwijl sommige hoven ook belast waren met de leve- 
rantie van erwten en boonen. En te St. Truyen is zelfs 
reeds in de tweede helft der 13e eeuw sprake van een 
>ortolanus qui dat olera.'* Maar wanneer wij de bisschoppe- 
lijke rekeningen van Utrecht uit de 14e eeuw raadplegen, 
dan blijken de ingekochte hoeveelheden groente steeds zóó 
uiterst klein, dat ze meer als toespijs bij het vleesch dan als 
voedsel schijnen gediend te hebben. 



Digitized by 



Google 



258 EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 

Maar hetzelfde geldt niet van een artikel, dat de proost 
dagelijks noodig had bij zijne uitdeelingen aan de oudere 
domheeren: den wijn. De aanschaffing van dit kostbare 
vocht leverde voor de gfroote grondbezitters der vroege 
middeleeuwen steeds een groot bezwaar. Zij hadden groote 
behoefte aan wijn; immers zij kenden slechts één anderen 
drank: bier, gewoonlijk dun bier i). Geen wonder dan ook, 
dat de rijke abdijen en kapittels er steeds op uit waren, 
goederen te verwerven aan Rijn en Moezel, van waar zij den 
wijn direct konden krijgen, dien zij nog bovendien niet konden 
ontberen bij het bedienen der mis. Goedkoop was dit zeker 
niet: in de rekeningen der abdij van St. Truyen vinden wij 
vermeld, dat in 1252 het vervoer van eene lading wijn van het 
goed Pommeren aan de Moezel naar de abdij eenmaal 224 
pond kostte, terwijl de wijn toch slechts 200 pond waard was. 
Maar het was althans zeker: men kon zoodoende ook daar, 
waar het moeielijk was wijn op de markt te koopen, er 
bepaald op rekenen het onontbeerlijke artikel tijdig te zullen 
ontvangen. Ook onze Domheeren hadden zich dan ook het 
bezit van een goed weten te verzekeren, dat speciaal belast 
was met de leverantie van den wijn der heeren en dat 
daarom vrijgesteld was van den gewonen dienst der overige 
hoven van den proost. Maar de heeren waren bij de keuze van 
dit goed niet bijzonder gelukkig geweest: het lag niet aan 
Rijn of Moezel, maar vrij wat noordelijker : te Groningen ! 
In 1040 had keizer Hendrik III, met den nood der heeren 
begaan, zijn goed in de villa Groningen aangewezen voor 
den dienst van den Dom, met de uitdrukkelijke bepaling, dat 
daaruit jaarlijks niet minder dan 30 karvrachten wijn aan het 
kapittel zouden geleverd worden 2). 



1) Nu en dan wordt echter nog een andere drank vermeld: most. De ordi- 
narius vermeldt enkele malen (b.v. op 31 October) eene uitdeeling van »stopi de 
musto," en ook in rekeningen van het begin der 13e eeuw wordt »vinum 
novum" vermeld. Het blijkt niet, van waar men zich deze moeielijk te bewaren 
drank verschafte. 

2) Op 2 Maart 1040 en 26 Mei 1046 deed keizer Hendrik geheel dergelijke 
schenkingen aan de kerken van Augsburg eo Abdinghof. 



Digitized by 



Google 



EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 259 

Het is bekend, dat in de middeleeuwen wijn geproduceerd 
werd op plaatsen, waar men nu niet meer daaraan denkt, 
bepaaldelijk ook in het noorden van België. En al geven 
de namen van dit vocht geene vriendelijke gedachten van 
zijne qualiteit, het is een feit, dat onze middeleeuwsche vade- 
ren het, zij het ook met een zuur gezicht, gedronken hebben. 
Het ligt dus voor de hand te meenen, dat ook op het 
Groningsche goed van den Dom in de iie eeuw wijn ver- 
bouwd zal zijn. Met zekerheid durf ik dit niet te beweren, 
omdat de bewoordingen der oorkonde er mij op schijnen te 
wijzen, dat de keizer bij zijne schenking van het goed wel- 
licht gedacht heeft aan het betalen van een cijns, waaruit 
de Domproost zich wijn voor de kanunniken zou kunnen aan- 
schaffen. Maar toch schijnt de regeling mij alleen door deze 
onderstelling geheel verklaarbaar. Want van tweeën een. 
Hebben de kanunniken, toen zij aan den keizer hunne begeerte 
naar het bezit van het Groningsche goed te kennen gaven, 
alleen gedacht aan de ligging daarvan, zoo gunstig omdat 
hun bisschop ook in het aangrenzende graafschap Drenthe 
den scepter zwaaide? Dan schijnt het toch vreemd, dat de 
keizer dit goed niet liever belast heeft met eene andere 
uitkeering dan met eene wijnleverantie, indien die in de 
iie eeuw voor de Groningers even bezwaarlijk was als het 
zenden van geld. En indien het van den anderen kant 
den keizer er werkelijk om te doen geweest is, de kanun- 
niken te helpen aan den voor hen onontbeerlijken wijn, 
waarom heeft hij hen dan begiftigd met een goed te Gro- 
ningen, indien daar geen wijn groeien kon, terwijl hij toch 
zeker beter gelegene domeinen tot zijne beschikking had? 
Eene opmerkelijke bijzonderheid verdient daarbij nog vermeld 
te worden. Indien de Utrechtsche Domheeren zich iets voor- 
gesteld hebben van de opbrengst hunner Groningsche wijn- 
bergen, dan kunnen wij gerust aannemen, dat zij bedrogen 
uitgekomen zullen zijn; verwonderen doet het ons dan ook 
niet, dat wij in het begin der 1 3e eeuw door den Groningschen 
meier geen wijn zien opbrengen, maar geld, waarmede de 
proost den noodigen wijn kocht voor zijn kelder, die bestemd 



Digitized by 



Google 



26o EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 

was het dagelijksch rantsoen voor de Domheerea te leveren. 
Te Groningen was dus in een tijd, toen de andere hoven 
van de Domproosdij hunnen dienst nog in natura deden, 
het geld reeds als ruilmiddel opgetreden ; in overeenstemming 
daarmede wordt dan ook de Groningsche meier bij uitzondering 
niet meer met producten van het goed, maar met geld voor 
zijne diensten beloond. Zeer merkwaardig nu is de wijze, waarop 
het geld te Groningen wordt opgebracht. Het goed is verdeeld 
in verschillende perceelen, die den zonderlingen naam van 
losleenen dragen en die door den proost in leen worden uit- 
gegeven aan personen, die een vast aandeel betalen van de 
aan den proost uit te keeren jaarlijksche bijdrage. Wij kun- 
nen niet nalaten ons daarbij te herinneren, dat de hof Godes- 
berg, die uitsluitend belast was met het leveren van wijn aan 
de Essensche abdij, ook in 15 >leenen*' verdeeld was, die 
allen jaarlijks 3 1/2 aam wijn aan de abdij leverden. 

Zoo kwam de Domproost, zij het dan ook langs een omweg 
dan toch zonder te groote moeite, in het bezit van den wijn, 
dien hij dagelijks aan de kanunniken moest uitdeelen. Zijne 
taak schijnt nu afgeloopen; immers de kanunniken schijnen 
thans alles te hebben, wat hun toekomt. Maar bij dit oor- 
deel is geene rekening gehouden met eene omstandigheid, 
die het hoofd van het kapittel waarlijk niet het minste hoofd- 
breken moet gekost hebben. De katholieke kerk verbiedt op 
de niet zeldzame vastendagen aan zijne leden het gebruik van 
vleesch. Het was dus bepaald noodig, de Domheeren op die 
dagen te voorzien van visch. En natuurlijk geschiedde dit 
ook: er was daarvoor zelfs een vast tarief vastgesteld. 

Hoe zou de Domproost voldoen aan deze laatste der op 
hem rustende verplichtingen? In latere tijden zou dit weinig 
bezwaar geleverd hebben. Sedert de uitvinding van het haring- 
kaken, die de gelegenheid opende om den in onnoemelijke 
hoeveelheden gevangen haring gemakkelijk te bewaren, was 
de visch zeer gemakkelijk en algemeen verkrijgbaar. Zelfs de 
Essensche hoven, veelal ver van het marktverkeer gelegen, 
schijnen dan ook geen bezwaar gemaakt te hebben, toen de 
abdis hun de verplichting oplegde, om bij hun gewonen dienst 



Digitized by 



Google 



EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 261 

voor de vastendagen behalve 1 300 eieren ook 1 800 haringen te 
leveren. Maar in het begin der 1 3e eeuw was het gewis al te 
bezwaarlijk, de beheerders van hoven op de heide of in het 
bosch te belasten met de leverantie van visch. Ook had de 
proost een ander middel tot zijne beschikking. Reeds in de 
Utrechtsche goederenlijst uit de eerste helft der 9e eeuw staat 
vermeld, dat de halve opbrengst van de visscherij in Uteromeri 
aan St. Maarten behoorde. Deze Utermere (thans de Uiter- 
meersche polder bij Weesp) was in de 13e eeuw in het bezit 
der Domproosdij gekomen. Natuurlijk maakte de proost van 
deze schoone gelegenheid gaarne gebruik. In de Palmweek 
en in de Kruisdagen zond de meester van het meer (magister 
lacus) twee zoogenaamde >vischvangstcn" uaar Utrecht voor 
de Domhceren, terwijl eene derde vangst voor den proost 
zelven bestemd was. Zulk eene zoogenaamde » vangst** was 
geene kleinigheid: zij bevatte 60 porties snoek, 300 porties 
brasem en 1000 vorens, terwijl de portie bepaald was op een 
halven snoek van middelbare grootte of een halven >stolbra- 
sem," 8 groote vorens of 10 eieren. De last, op den meester 
van het Uitermeer gelegd, was dus niet gering. Maar toch 
voldeed hij daardoor nog niet aan hetgeen billijkerwijze van 
hem verwacht kon worden, want het Uitermeer leverde veel 
meer visch. Trouwens de meester bleek ook niet onwillig om 
meer te geven. Maar hoe zou de proost deze reusachtige 
hoeveelheden visch behoorlijk bewaren totdat hij ze behoef- 
de? De varkens en de schapen waren, als zij op den eersten 
van elke maand te Utrecht afgeleverd waren, gemakkelijk in 
het leven te houden; maar met den visch stond de zaak 
anders. En toch was het van den Uitermeerschen meester 
niet te vergen, dat hij (gesteld dat hij steeds genoeg voorraad 
had) wekelijks — of in de vasten dagelijks — eene groote 
partij visch heel naar Utrecht zou doen brengen. 

Op deze moeielijkheid schijnt dan ook de geheele zaak 
afgestuit te zijn. De Domproost, dien wij tot nog toe getrouw 
aan zijne verplichtingen hebben zien voldoen, gaf het thans 
op. Hij nam op zich, op eiken vischdag aan een Domheer 
4 Utrechtsche penningen, aan een knaap 3 penningen uit te 



Digitized by 



Google 



202 EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 

keeren ; zij zelven moesten dan maar zien, of het hun gelukte 
zich op de Utrechtsche markt altijd van den noodigen visch 
te voorzien, dan wel of zij verkozen zich met eieren te be- 
helpen of geheel te vasten. De regeling schijnt aan de kanun- 
niken niet slecht bevallen te zijn : althans zij blijken die aan- 
genomen te hebben. 

Ook nu nog was echter goede raad duur. De proost had 
op zich genomen, op eiken vischdag aan de gezamenlijke 40 
kanunniken 150 Utrechtsche penningen uit te keeren, tot een 
maximum van 100 ponden *sjaars; hoe zou hij evenwel ieder 
oogenblik aan deze voor dien tijd hooge sommen komen? 
Merkwaardig is het te zien, hoe de proost dit moeielijke 
vraagstuk oplost. Als hij om zich heen ziet, waar hij een 
sommetje baar geld kan vinden, dan valt zijne aandacht aller- 
eerst op zijne landdekens. Het bisdom was voor de recht- 
spraak verdeeld in aartsdiakonaten, aan wier hoofd de proosten 
der oudste kapittelen gesteld waren. Deze aartsdiakens hadden 
de bevoegdheid, voor de lagere rechtspraak zoogenaamde 
landdekens aan te stellen, die op den send de overtreders der 
kerkelijke wetten indaagden en straften. Zoo stond ook de 
Domproost aan het hoofd van een uitgestrekt aartsdiakonaat, 
dat een groot deel der tegenwoordige provinciën Utrecht, 
Noord- en Zuid- Holland met geheel Zeeland omvatte. Het 
ontging den proost niet, dat de aan hem rekenplichtige hoof- 
den der dekanaten zoodoende in het bezit moesten zijn van 
kleine geldsommetjes, die het product waren der op den send 
opgelegde boeten. Aanstonds legde hij nu daarop beslag en 
belastte de dekens met vaste jaarlijksche uitkeeringen voor 
zijne meest dringende behoeften. Zoo kwam het, dat de 
recognitiën, door de lagere geestelijke rechters aan den opper- 
rechter uitgekeerd, door de eeuwen heen prijken met den 
raadselachtigen naam van »vischpenningen." 

Zeker was dit wel de avontuurlijkste greep van den Dom- 
proost. Overigens schraapte hij het geld bijeen, waar hij 
het vinden kon. Verschillende aan den proost onderhoorige 
kerken waren hem als recognitie uitkeeringen in zilver schuldig : 
dit metaal kon voor het doel dienen. De schepenen van 



Digitized by 



Google 



EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 263 

Utrecht betaalden van ouds aan den Domproost jaarlijks 10 
pondy die weder eene welkome bijdrage vormden voor het 
fonds. Natuurlijk moest ook de meester van het Uitermeer, 
die niet genoeg visch had geleverd, het ontgelden: hij werd 
belast met de betaling van 20 vischpenningen. Te Jaars- 
veld bezat de proost een tiend, die hem vrij wat graan op- 
leverde: in overleg met de Domheeren besloot hij dit graan 
te doen verkoopen, wanneer zich daarvoor eene gelegenheid 
opdeed, al moest hij erkennen, dat de opbrengst geheel on- 
zeker was. Eindelijk trof het gelukkig, dat de meier van Hagestein 
(Gaspewerde), dat blijkbaar later verkregen was dan de andere 
hoven, zijne uitkeeringen aan den proost in geld voldeed : ook 
een gedeelte daarvan werd voor de vischpenningen bestemd. 

Zoo kwam bij stukjes en beetjes het geld bijeen. En 
geregeld eiken Zaterdag (natuurlijk weder te beginnen met 
October) zond hij nu voortaan zijnen bode aan den kameraar 
van het kapitttel om te informeeren, hoeveel de Domheeren 
volgens de tabel van den ordinarius de volgende week aan 
vischpenningen behoefden; het bedrag werd dan aan den 
kameraar voldaan. 

Eindelijk was dus de tafel voor de heeren van den Dom 
geheel gereed 1 En wij weten reeds, dat zij (voorzoover zij 
niet aan eene eigene woning de voorkeur gaven) bij den 
Dom eene gemeenschappelijke woning met slaapzaal hadden. 
Slechts aan ééne zaak hadden zij dus nog behoefte: aan 
kleeding. Maar ook daarvan werden zij op zeer voldoende wijze 
voorzien. Het is ons reeds gebleken, dat de proost uit de 
gemeenschappelijke huishouding was gescheiden. Geraakte 
hij reeds daardoor van zijne medebroeders wat vervreemd, 
het beheer zijner uitgestrekte proosdijgoederen gaf hem de 
handen zoo vol werk, dat hij zich met de overige belangen 
van het kapittel kwalijk meer kon bemoeien. Zoo kwam er 
allengs een zekere afstand tusschen den proost en zijne onder- 
geschikten, en naarmate die afstand zich vergrootte, werd 
het voor dezen ook onaangenamer, zfch van hem afhankelijk 
te weten: de wensch naar zelfstandigheid werd begrijpelijk. 
Het eerst uitte zich deze begeerte in het streven naar een 



Digitized by 



Google 



204 EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 

eigen vermogen, beheerd niet door den proost maar door de 
heeren zelven. Allengs gelukte het dit te verkrijgen i), en 
zoodra door de mildheid van voorname begunstigers eenig 
geld bijeen was, zien wij dit dadelijk door de Domheeren 
aanwijzen voor de vervulling hunner eenige nog onbevre- 
digde behoefte: voor hunne kleeding. Daar een uniform 
ordegewaad niet voorgeschreven was, scheen het bezwaarlijk, 
voor dit geld (dat men »waerscat" noemde) kleeding- 
stukken aan te koopen en uit te deelen. En het lag dus voor 
de hand, om voor deze nieuwe instelling niet den ouden vorm 
van uitdeeling in natura te gebruiken, maar zich aan te sluiten 
aan de nieuwere, die, naar wij zagen, ook reeds op de later 
verkregene hoven van den proost zelven was ingevoerd en 
die meer vrijheid van beweging Het aan elk individu. Het 
geld werd dus in den vorm van zoogenaamde »kleedpenningen'* 
tweemaal 'sjaars aan de heeren uitgedeeld, die het zelven 
voor hunne kleeding konden besteden. 

Uit de voorgaande schets blijkt duidelijk, dat het Dom- 
kapittel zich in de eerste jaren der 13e eeuw op een keer- 
punt bevond van zijn bestaan. De vormen en gewoonten, die de 
levenswijze der heeren regelden, dagteekenden stellig uit over- 
oude tijden en waren sedert eeuwen onveranderd gebleven. 
Want destijds leefde men langzaam en traag: wat eenmaal 
door het voorgeslacht doelmatig en proefhoudend was be- 
vonden, werd door de nazaten eeuwen lang in eere gehouden 
en nagevolgd. En geestelijke stichtingen, gebonden door den 
ordesregel en door de kracht der dagelijksche gewoonte, waren 
gewoonlijk nog iets conservatiever dan andere. Nu eindelijk 
begon echter het oude systeem te wankelen. Het geld, dat 
over het geheel in de betrekkingen van den proost met zijne 
hoven eenerzijds en met zijne ambtenaars en kanunniken 
anderzijds nog geene rol speelde, had toch reeds op enkele 



i) Zie b.v. eeae schenking van een tiend aan het kapittel van St. Pieter 
(1139), «ita ut decimam fratemitas libere et sim respectn frepositi sui io quos 
voluerit usus deputet ac disponat." 



Digitized by 



Google 



EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 265 

punten zich baan gebroken ; en zijne tusschenkomst had de 
invoering mogelijk gemaakt van enkele nieuwigheden, die zich 
als doelmatig aanbevalen. Maar het was een nieuwe lap op 
een oud kleed gebleven; men scheen er nog niet aan te 
denken, eene geheele hervorming in te voeren en het oude 
gewaad weg te werpen voor een ander, meer overeenkomende 
met de behoeften van den tijd. Toch moest het daartoe 
komen, nu eenmaal bres geschoten was in de oude wallen. 
Want in de handelsstad Utrecht, die op weinige schreden 
afstands lag, was zeker reeds sinds langer dan eene halve 
eeuw het geld de beheerscheres der toestanden, en het was 
dus nauwelijks denkbaar, dat de kanunniken, dagelijks getuigen 
van de voordeelen der nieuwe levensvoorwaarden, zich op den 
duur tevreden zouden gevoelen in hunne ouderwetsche toe- 
standen. Niet onwaarschijnlijk had zelfs eerst de drang naar 
verandering aanleiding gegeven tot het opteekenen van de 
bijzonderheden van het oude systeem, die ik u mededeelde. 

Doch niet alleen in hunne economische levensvoorwaarden, 
ook in een ander opzicht waren de kanunniken juist toen op 
een keerpunt van hun levensweg gekomen. Om dit begrij- 
pelijk te maken, moet ik u verder inwijden in de bijzonder- 
heden van hun leven, u spreken van hunne levenstaak, 
waarover ik tot nog toe zweeg. 

Wilt gij weten, waarin de dagtaak der heeren van den Dom 
bestond f Welnu (luistert goed 1) zij hadden volstrekt niets te 
doen. Het is waar, als geestelijken móésten zij dagelijks de 
mis bijwonen en op de kanonieke uren eenige gebeden ver- 
richten. En werkelijk, de praal, waarmede die bidstonden, 
vooral op feestdagen, in hunne prachtige hoofdkerk georgani- 
seerd waren, deed ze iets langer duren dan strikt genomen 
noodig was. Maar met dat al was alles toch in een paar 
uren daags gemakkelijk afgeloopen. En niet daarvoor trokken 
zij de ruime inkomsten hunner prebenden; immers ook op 
hunne niet-gebeneficiëerde broeders rustten volkomen dezelfde 
verplichtingen 1 Derhalve: om die inkomsten te verdienen, 
behoefden ze werkelijk niets te doen. Men zegge niet, dat 
toch aan het kapittel in den loop der tijden het verrichten 



Digitized by 



Google 



266 EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 

van eenige lijkmissen was opgedragen; want tot deze bezig- 
heid, in het begin der 1 3e eeuw nog zeer weinig tijdroovend, 
waren de heeren strikt genomen niet verplicht. En bovendien 
werden zij daarvoor nog afzonderlijk beloond : vele der buiten- 
gewone uitdeelingen van pasteien en stoopen wijn, die ik ver- 
meldde, waren toch daaraan te danken. Dus nogmaals: de 
kanunniken hadden niets, volstrekt niets te doen, om hunne 
rijke bezoldiging te verdienen. In volkomene ledigheid brach- 
ten zij hun leven door. Uit niets blijkt dit duidelijker dan uit 
den ordinarius, die hunnen dienst regelde en die de dagtaak 
van een kanunnik in het kort ongeveer aldus omschrijft: »0p 
St. Andries worden uitgedeeld 3 porties vleesch en S stoopen 
wijn; de knapen krijgen i kaas, de kosters 4 brooden. 
*s Avonds worden op het altaar geplaatst de drie vergalde boeken 
en de pel met de leeuwen. Bij het completorium wordt de 
groote klok geluid. Bij de mis draagt men 3 winteralben en 
3 kasuifels.** Derhalve : de heeren schenen genoeg gedaan te 
hebben, indien zij hadden toegezien, of gedurende den dienst 
de pel met de geeuwen of die met de pauwen wel behoorlijk 
op hare plaats lag, en als zij bovendien gezorgd hadden, dat 
niet bij vergissing de kleine klok werd geluid! Geen wonder, 
dat voor hen allengs het begin van de dienstaanwijzing, die 
hun eenige bekers wijn qf eene andere lekkernij beloofde, de 
hoofdzaak werd! 

Hoe kan men er dan toe gekomen zijn, zonder eenig doel 
dit gezelschap van 40 krachtige mannen bijeen te brengen? 
En wie ter wereld heeft zich toch geroepen gevoeld, voor het 
onderhoud dezer volkomen nuttelooze personen geld en 
goederen te schenken? De vraag acht ik verklaarbaar; ik 
zal haar gaarne^ beantwoorden. 

Het kanonikaat had, toen wij daarmede kennis maakten, 
reeds eene ontwikkeling van meer dan vijf eeuwen achter 
zich. Van de oudste tijden af bevonden zich in de omgeving 
van eiken bisschop tal van klerken, die hij behoefde om 
hem te helpen bij het vervullen der vele plichten, die op hem 
rustten: priesters voor den dienst in de kathedraal en voor 
de zending, lagere klerken voor het beheer van het bisdom. 



Digitized by 



Google 



EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 267 

de correspondentie, de rechtspraak en andere ambtsbezigheden. 
De overlevering verhaalt dan ook, dat reeds dadelijk onze 
Willebrord niet minder dan tachtig zulke klerken bij zich had 
gehad. Sedert de 8e eeuw leefden deze personen veelal 
volgens den door bisschop Chrodegang van Metz (+ 766) vast- 
gestelden regel, die in 818 door de synode van Aken ge- 
wijzigd en verplichtend gesteld was. Met den bisschop te zamen 
woonden zij als broeders in een munster bij de kathedraal, 
levende van het gemeenschappelijke kerkegoed. De bisschop 
was het hoofd der broederschap, die als zijn raad fungeerde. 

Maar op den duur voldeed deze toestand niet. Al was 
het gezelschap hiërarchisch georganiseerd, de bisschop moest, 
naarmate hij, door grondbezit en positie rijk en machtig, 
allengs een kerkvorst werd, minder behagen scheppen in dit 
samenleven met zijne ondergeschikten in één gebouw en 
volgens denzelfden regel. De gemeenschappelijke kerkgoe- 
deren werden dus verdeeld en de bisschop verhuisde naar 
eene eigene woning, eerlang een paleis, waar hij, vrij in de 
keuze zijner raadslieden, eene eigene hofhouding inrichtte, 
hem liever dan zijn oude officiëele raad, op wiens aanvulling 
hij weinig invloed kon oefenen. Zoo bleef die oude raad, 
tuk op zijne privilegiën, op zijn recht van mederegeering, 
waarvoor hij toch niet langer de noodige ervaring bezat, 
alleen staan onder zijn nieuwen heer, den Domproost. Eén 
bleef hij zich voelen ; maar niet meer mety veeleer tegenover den 
bisschop ; uit den aard der zaak moest de verwijdering steeds 
grooter worden. Het kapittel leed van dit isolement het 
meest. Het had zijn bestaansreden verloren ; het leven zijner 
leden was geheel doelloos geworden. Het naleven van den 
ordesregel, bedoeld als nuttige aanvulling van een bezig leven, 
was voortaan voor hen levenstaak geworden. 

In die gedwongene ledigheid ontwikkelden zich allerlei mis- 
bruiken. Te Utrecht bood de claustrale tucht langer weer- 
stand dan elders; maar reeds in het beg^n der 12e eeuw 
uitte de Echternachsche abt Theofrid toch bittere klachten over 
de ontaarding van het leven ook van de Utrechtsche geeste- 
lijkheid. Hoe kon het ook anders? Want wat is meer ont- 

18 



Digitized by 



Google 



268 EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 

zenuwend dan een bestaan, dat alle materiëele behoeften 
bevredigt zonder plichten op te leggen? Zou de kanunnik 
voldoening vinden in de vervulling zijner godsdienstplichten? 
Immers neen 1 de vrome, van harte geneigd tot het contempla- 
tieve leven, trok liever ten klooster dan zich een ordesregel 
te kiezen, die er alleen op berekend was, door een weinig 
knellenden band te zorgen, dat de mannen der praktijk niet 
van den godsdienst vervreemdden I Maar ook de man der 
praktijk vond in het kapittel toch niet den werkkring, dien 
hij begeerde; want de bisschop, dien hij met raad en daad 
had moeten steunen, verlangde die niet en schuwde veeleer 
de bemoeiing der leden van het op zijne rechten naijverige 
kapittel met de zaken zijner diocese. En als de kanunnik 
bezigheid zocht in de drukke handelstad, wier grachten en 
straten hij uit zijne doodsche immuniteit met weinige schreden 
kon bereiken, dan bond hem zijn regel, hoe weinig knellend 
ook: want handeldrijven was hem verboden. 

Op den duur werd het gemakkelijke maar geestdoodende 
leven voor de leden van het gezelschap dan ook ondragelijk. 
Reeds bleken enkelen het nut niet in te zien van een verblijf 
te Utrecht, waar hunne tegenwoordigheid volkomen onnoodig 
scheen. Reeds lieten zij de vleeschpotten van Egypte in den 
steek en veroorloofden zich elders te gaan leven op plaatsen, 
waar zij een nuttiger of een aangenamer leven meenden te 
kunnen leiden, terwijl zij eene overeenkomst troffen met eenen 
plaatsvervanger, die voor hen de gewone gebeden verrichten 
en aan de dagelijksche maaltijden deelnemen zou, waarschijnlijk 
tegen eene uitkeering in geld aan den reislustige. Maar toen 
dit misbruik zich uitbreidde, was men er, kort voor ons 
bezoek, toe overgegaan, om deze vrijheid, die den spot dreef 
met de toch zoo gemakkelijke verplichtingen der kanunniken, 
te straffen door het inhouden van eenige der gewone uit- 
deelingen. 

De meesten bleven dan ook. Maar de vrijheidszucht van 
den wereldling rebelleerde tegen de doelloos geworden op- 
sluiting in den gemeenschappelijken munster. Enkelen waagden 
het reeds, met een klerk of koorknaap als bediende, te gaan 



Digitized by 



Google 



EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 269 

wonen in eigene woningen binnen de immuniteit i), en zij 
leefden daar veeleer als wereldlijke renteniers dan als de 
geestelijken eener kathedraal. Zoo was het leven van doelloos 
geworden dwang en van sleurzieken lediggang althans eenigs- 
zins dragelijk. Toch, de besten moeten het noode uitge- 
houden hebben, moeten gesnakt hebben naar bevrijding; de 
middeleeuwsche zucht naar avonturen — zoo begrijpelijk in 
de middeleeuwsche gebondenheid der toestanden — moet 
hen ongeduldig, wanhopig hebben gemaakt. Hoe zou het 
jongen, krachtigen mannen niet te eng geworden zijn binnen 
die benauwde muren, waaraan geen enkel belang hen meer 
bond en waar niets was om hunne hoofden en harten te 
vervullen? Hoe zouden zij tevreden hebben kunnen zijn op 
die plek, waar hun zelfs de voldoening werd ontnomen te 
zorgen voor eigen onderhoud en waar niets de duldelooze 
eentonigheid van het leven brak dan nu en dan . . . een 
lijkdienst? O het ewige Einerlei van het schapen- envarkens- 
vleesch ! de kleurlooze leegte van den langen, langen dag 1 
Van hier 1 weg van dit oord van sleur en verveling l vèr weg 
in het drukke en woelige leven 1 Iets tot stand brengen in 
de wereld, iets zijn, iets meer en iets beters dan een niets 
doende doodeter! 

Waarom zouden zij ook niet gaan? er was geen reden om 
te blijven l Even goed als te Utrecht konden de heeren 
hun brevier lezen op elke andere plaats daarbuiten. En als 
het Domkapittel hen daarvoor wilde beloonen, kon het dit 
even goed elders doen, wanneer zij meenden dien godsdienst- 
plicht daar beter te kunnen vervullen. Waarom ter wereld 
moesten deze veertig mannen, door geen belang ter wereld 
meer verbonden, eenige malen daags uit hunne huizen komen 
om samen te eten? 

Maar met dat al: men bleef samen. Al was uit dezen 
boom het leven verdwenen, de holle schors hield de kanun- 
niken nog besloten. Zoolang men de hun verschuldigde uit- 



i) Volgeos den ordinarius werden de heeren op den dag yoor Paschen 
's morgens vroeg gewekt, ctam in dormitorio qvam in domibusy 



Digitized by 



Google 



270 EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 

deelingen in natura bleef doen, was het kort en goed onmo- 
gelijk, dat de heeren zich verwijderden, als zij hunne inkomsten 
niet wilden prijs geven. En juist daarom hield men vast aan 
de zinlooze gewoonte. Opheffing der gemeenschappelijke 
tafels? Maar dat beduidde eene revolutie! dat was iets on- 
gehoords, dat streed met wat de regel sedert eeuwen gevorderd 
had: dat was heiligschennis! En zoo bleef men voortleven 
in den ouden sleur, die eene caricatuur geworden was, in 
scherp contrast met de geheele omgeving. Men bleef bijeen, 
omdat men nu eenmaal gewoon was samen te leven, samen 
aan te zitten om de oude vleeschpotten, die op de oude 
tafels in de oude eetzaal werden opgedischt. 

Eindelijk toch, kort na ons bezoek, is de oude band 
gebroken. Hoe het gegaan is, weten wij niet; maar het 
geld heeft zich een weg gebaand in de oude, conservatieve 
immuniteit. En slag op slag is toen alles anders geworden: 
in enkele jaren zijn de oude vormen veranderd, is alles ge- 
schoeid op de nieuwe leest. Maar de ontaarding der toe- 
standen, die, door die oude vormen besloten, nog was opge- 
houden, heeft zich toen ook getoond aan de oppervlakte; 
de ontbinding der oude regels, de verwereldlijking van het 
kapittel zijn nu spoedig een feit. 

Als wij ruim eene eeuw later (omstreeks 1340 i)) den 
Utrechtschen Dom weder bezoeken, dan zijn alle zaden van 
ontbinding welig opgeschoten : wij zien een geheel ander 
tooneel voor ons. De gemeenschappelijke huishouding is 
sedert lange jaren opgebroken. De uitdeelingen van vleesch, 
visch, spek, kaas en wijn zijn afgeschaft en vervangen door 
uitkeeringen in geld, die nog altijd maandelijks geschieden 
en daarom maandpenningen heeten. Alleen het brood en 
het bier worden nog aan den Dom bereid en dagelijks rond- 
gedeeld; maar den kanunniken is het toch vergund, ook in 
plaats daarvan geld te verlangen. Door deze ruime uitdee- 



i) Zie den nieuwen toestand beschreven in Wstincs rechtsboek van den 
Dom van 1342. 



Digitized by 



Google 



EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 271 

lingen in geld zijn thans alle kanunniken in staat gesteld te 
verhuizen naar eigene woningen binnen de immuniteit. Zij 
leven ook onder een zelfgekozen hoofd, hunnen deken; 
want hun oude hoofd, de Domproost, heeft hun thans geheel 
den rug toegekeerd. Sinds men hem te Utrecht niet meer 
behoeft, is hij vertrokken naar zijn hof te Doorn, waar hij 
een kasteel heeft gebouwd en het leven leidt van een edel- 
man aan het hoofd zijner talrijke leenmannen. Zijne hoven 
heeft hij grootendeels verpacht om geld te krijgen voor zijne 
uitdeelingen i) en aan twee plaatsvervangers heeft hij de 
zorg overgelaten voor zijne rechtspraak en voor de afreke- 
ning met de Domheeren 2). 

Zoo had het geld zijne intrede gedaan ook in dit lang 
gesloten toevluchtsoord van het oude, en had het dadelijk 
de administratie belangrijk vereenvoudigd. Ook de ambte- 
naren van den Dom, nu niet meer noodig voor de bereiding 
van het eten, zijn dan ook wel niet ontslagen (dat verbood 
het eigenaardige conservatisme der middeleeuwen I), maar 
men heeft hun, terwijl men hen in het genot hunner inkomsten 
liet, iets anders te doen gegeven : zij verrichten eenige kerke- 
lijke diensten in den Dom en zijn van gewone vicarissen 
nauwelijks meer te onderscheiden. En de besten onder de 
kanunniken, de mannen in wie pit zat en leven, zijn ver- 
trokken met de opbrengst van hun kanonikaat als reisgeld 
op zak; zij studeeren aan eene hoogeschool of leven als 
ambtenaars aan een hof, als geleerden in eene groote stad. 
Zij hebben weder een levensdoel gevonden, zij het ook een 
leven, los van de kathedraal, die hun wel voedsel voor het 
lichaam kon schenken, maar niet voor den geest. Slechts 



1) AUengs zien wij in de cartularia der proosdij de goederen overgaan in erf- 
pacht aan groote grondbezitters: reeds in 1254 en 1265 drie hoven, ia 1381 het 
Utermeer, in 1381 en 1382 de hoven Heze en Angeren. In 1263 achtte het 
Domkapittel gewenscht hiertegen te protesteeren door te eischen, dat de proost 
vóór de verpachting zijne toestemming zou vragen. 

2) Zie eeoe uitspraak in de geschillen tusschen Domproost en kapittel dd. 
1263: het kapittel eischt, dat de proost te Utrecht zal resideeren, de proost 
weigert. 



Digitized by 



Google 



272 EEN HUISHOUDEN ZONDER GELD. 

de onbeteekenenden, de zielloozen, de mannen zonder onder- 
nemingsgeest zijn gebleven. Zij zijn blijven slenteren door 
de stad, blijven praten over hetgeen anderen deden. Hun 
geestelijke horizon is beperkter geworden, hun gedrag 
slechter, hun humeur gemelijker. Eten en drinken zijn thans 
hunne dierbaarste belangen: reeds de tijdgenoot stempelde 
hun bestaan door het spotwoord, ontleend aan de beginletters 
van hunnen ambtstitel: »Canonicus -^git iVihil Omnino Nisi 
In Curam C/entris 5uil*' (De kanunnik doet volstrekt niets 
dan ten bate zijns buiks.) 

Wilt gij weten, wat zoo spoedig, in enkele jaren, de eeuwen- 
oude inrichting van het Domkapittel geheel heeft doen wijzi- 
gen ? Het was de nabijheid van de stad Utrecht en het voort- 
durend verkeer van de Domheeren met de handeldrijvende 
inwoners. Want wanneer wij bijna twee eeuwen na onze 
eerste kennismaking ook een tweede bezoek brengen aan de 
Essensche abdij, rijker en machtiger dan de Utrechtsche Dom 
maar gelegen ver van het »wereldsch gewemel," dan vinden 
wij daar integendeel alles uiterlijk nog bij het oude gebleven. 
Ook daar heeft de gemeenschappelijke samenleving plaats 
gemaakt voor afzonderlijke huishoudingen; maar nog altijd 
eet men onveranderlijk 's winters varkensvleesch en 's zomers 
schapenvleesch, dat ouder gewoonte drie maal *s weeks aan 
de dames wordt uitgedeeld. In een tijd, toen buiten de muren 
der abdij het geld overal den scepter zwaaide, was men daar- 
binnen nog altijd niet op het denkbeeld gekomen, dat het 
praktischer was, aan de afzonderlijk wonenden geld voor hunne 
huishoudingen uit te deelen dan vleesch. En nog altijd trokken 
daarom de karavanen, die wij van Doorn naar Utrecht hebben 
zien gaan, wekelijks heen en weder tusschen de afgelegene 
hoven en de Essensche abdij. 



Digitized by 



Google 



AUS «DER TEPPICH DES LEBENS» '^ 

VON 

STEFAN GEORGE. 



VORSPIEL. 
I. 



Ich forschte bleichen eifers nach dem horte 
Nach strofen drinnen liefste kümmerniss 
Und dinge rollten dumpf und ungewiss. 
Da trat ein nackter engel durch die pforte: 

Entgegen trug er dem versenkten sinn 
Der reichsten blumen last und nicht geringer 
Als mandelblüten waren seine finger 
Und rosen • rosen waren um sein kinn. 

Auf seinem haupte keine krone ragte 
Und seine stimme fast der meinen glich: 
Das schone leben sendet mich an dich 
Als boten • wahrend er dies lachelnd sagte 



i) Ons die wenschten dat hoe langer hoe meer de oogen van onze dichters 
zich over de grenzen richtten omdat alleen in den wedijver met het vreemde 
het eigene gedijen kan, dunkt het geen verontschuldiging te behoeven dat wij 
dezen op het eerste na onuitgegeven verzen van den duitschen dichter in het 
hoUandsche tijdschrift een plaats geven. Zij maken deel uit van een dit najaar 
te drukken bundel, waarvan tot nu toe in géén tijdschrift verder iets verscheen. 

De Redactie. 



Digitized by 



Google 



274 AUS »DER TEPPICH DES LEBENS». 

Entfielen ihm die lilien und mimosen 
Und als ich sie zu heben mich gebückt 
Da kniet auch Er • ich badete beglückt 
Mein ganzes antlitz in den frischen rosen. 

II. 

xintsinne dich der schrecken die dir langst 
Verschollen sind seit du mir eigen bleibst 
Und nur durch mich der gluten kelch empfangst 
Der dich berauschen wird solang du leibst. 

Du danktest damals mir als grösste gunst 
Das dich mein friede nicht mehr schauen Hess 
Der trocknen sommer wilde feuersbrunst 
Die heimatlos dich in die wüste stiess. 

Als dir mein haus — so hoch — verachtlich war 

»Nur diesen einen kurzen bliek der wahl 

Und ich verleugne lehre und altar» 

So zischte durch die nacht dein ruf der qual. 

Das opfer baumte sich am herde auf 
Der purpur zündete wie leichtes stroh 
Und floss in flammen um der saule knauf 
Der ganze tempel wankte lichterloh. 

III. 

Ich bin fiihrer dir und freund und ferge. 
Nicht mehr mit zu streiten ziemt dir nun 
Auch nicht mit den Weisen • hoch vom berge 
Solist du schaun wie sie im thale thun. 



Digitized by 



Google 



AUS »DER TEPPICH DES LEBENS». 275 

Weite menge siehst du rustig traben 
Laut ist ihr sich mühendes gewimmel: 
Forscht die dinge nützet ihre gaben 
Und ihr habt die weit als freudenhimmel. 

Drüben schwarme folgen ernst im qualme 
Einem bleichen mann auf weissem pferde 
Mit verhaltnen gluten in dem psalme: 
Kreuz du bleibst noch lang das licht der erde. 

Eine kleine schar zieht stille bahnen 
Stolz entfernt vom wirkenden getriebe 
Und als losung steht auf ihren fahnen : 
Hellas ewig unsre liebe. 



IV. 



Wicht forsche welchem spruch das höchste lob 
Und welchem sang der kranz gebührt am fest - 
Was gestern sturm durch herbe felder schnob 
Ist heut im lorbeerbusch geweihter west. 

Bald war es leuchtende und reine saat 
Kristalle die durch klaren morgen schien 
Bald finster-adrig fliessender achat 
Dann wie ein heftig sprühender rubin. 

Was als ein rieseln kam gelind und lau 
In der verlassenen welkenden allee 
Und mehr nicht als ein tropfen duftiger tau 
Der von der blume fiel zum tiefen see: 



Digitized by 



Google 



276 AUS »DER TEPPICH DES LEBENS». 

Ward volle feuchte die den berg durchbrach 
Und die in dunkelsten mittnachten dann 
Als jaher strahl ins herz der felsen stach 
Wie eine rote quelle sprang und rann. 



»jL)u sprichst mir nie von sünde und von sitte» 
Ihr meine schuier sprossen von geblüt 
Erkennt und wahlt das edle unbemüht — 
Auch heimlich bin ich richte eurer tritte. 

So Heb ich dich: wie früher lehren spruch 
Als marchen ehrend du in mittaglicher 
Umgebung vor dich hin schaust wegessicher 
Nicht weisst von scham von reue oder fluch. 

Du wohntest viel in enger wahl-gemeinde 
lm lieben ohne mass und ohne lass 
Vorm schicksal wenig klage wenig hass 
Doch lange rache nahrend wider feinde 

Und bei den thaten denen weder lohn 
Noch busse die du strahlend rühmst vor freien 
Und die nach volkes wahn zum himmel schreien 
Da zuckte ich nur lachelnd: sohnl o sohnl 

VI. 

i^eit jenem marchen wo ihr meine mündel 
An leicht bewölktem sonnigem gestade 
Geleitet wart auf schmale weisse pfade 
Und lilien trugt und kom- und traubenbündel 



Digitized by 



Google 



AUS »DER TEPPICH DES LEBENS». 277 

Ist dir die EINE liebe unverganglich . . . 
So oft es auch in toll verschlungne aste 
Und nebel lockte schwankender moraste 
Und in das dickicht düster und verfanglich : 

Du fühltest scheu wie vor dem ungestümen 
Des wimmelnden und kampfenden getreibes 
Wie vor dem falschen mass unedlen leibes 
Und übergliedern an den ungetümen. 

Die frühe liebe blieb zum licht zu holden 
Gelanden sanfitem berg und schlanker pinie 
Zur reinen farbe und zur klaren linie 
Und zum geflüster aus den garten-dolden. 



VII. 

ilLinst werden sie in deinen schluchten spüren 
Was noch darin von deiner stimme dröhne 
»Ist dies der ort von klagen thranen schwüren 
O kleine tiefe» und der eine höhne: 

»Sind dies die so gelobten hügelspitzen 
Mit ihrem freudenblick in fabellande? 
Sind dies die wellen die verderblich spritzen 
Wir reichen mit dem finger bis zum sande» 

Und jener wende sich von dir verdrossen; 
»Er gab uns nur zu staunen und zu schenen 
Wie fernab diese menschentage sprossen 
Wie könnten wir uns ihrer früchte freuen» 



Digitized by 



Google 



278 AUS »DER TEPPICH DES LEBENS». 

So sind dir trost und beispiel höchste meister 
Die attischen die reinsten gottesdiener 
Der Nebelinseln finstrer fürst der geister 
Valclusa's siedler und der Florentiner. 

VIII. 

Der darf nun reden wie herab vom ather 
Der neue lichter zündete im nachten 
Erlösung fand aus dumpfen lebens schmachten 
Der lang verborgen als ein sichrer thater 

Die toten erden hob durch neue glanze 
Und seinen brüdern durch sein werk bedeutet 
Wo sie vor allen wahren ruhm erbeutet 
Und das geheimnis lehrte neuer tanze. 

Ihm wird die ehre drum wie keinen thronen 
Dem sich in froher huldigung ergaben 
Die seherfrauen und die edlen knaben 
Die herscher denen künftig völker frohnen. 

So steigt allein den göttern opfer-brodem 
Wie ihm der heiligen jugend lobesstimme 
Die über seine stufen höher klimme 
In ihrem odem viel von seinem odem. 

IX. 

Uu stiegest ab von deinem hohen hause 
Zum wege • manche freunde standen neben 
Du suchtest unter ihnen deine klause 
Und sahst dich um gleich wie in andrem leben. 



Digitized by 



Google 



AUS »DER TEPPICH DES LEBENS». 279 



Dich werden deine gipfel nicht mehr schützen 
Doch wie zuvor in lauterstem gewande 
Wirst du an deines nachsten arm dich stützen 
Und bleibst wie vormals gast von femem strande 

Den vielen die du fiirder meiden möchtest. 
Vergeblich ware wenn sie dich umschlangen 
Und thöricht wenn du zwischen ihnen föchtest 
Sie sind zu fremd in deines webens gangen. 

Nur manchmal bricht aus ihnen edles feuer 
Und offenbart dir dass ihr bund nicht schande 
Du sprichst: In starker schmerz-gemeinschaft euer 
Erfass ich eure brüderlichen hande. 



JL/ein geist zurück in jenes jahr geschwenkt 
Beg^eift es heut nicht welche sternenmeilen 
Vom ort ihn trennten wo die menschen weilen 
So dass sich deine stirne staunend senkt. 

Als du die tempel bautest für das Vliess 
Die bleiche pracht der erde übertrafen 
Und alles stumm war im verwunschnen hafen 
Und gold die farbe aller traume hiess 

Da fiihrte dich durch felsiges gerill 
Bekannten pfad ein fruchtbeladner sommer 
Die hange lachelten dem frohen kommer 
Gesichter grüssten wenn auch srheu und still. 



Digitized by 



Google 



28o AUS ^T>ER TEPPICH DES LEBENS». 

Dies sind die wiesen mit geblümtem sammt 
Die schweren ahren auf den schwanken stengein 
Gesang der schnitter die die sensen dengein 
Dir ruft die erde zu der ihr entstammt. 

XI. 

Oolang noch farbenrauch den berg verklarte 
Fand ich auf meinem zuge leicht die fahrte 
Und manche stimme kannt ich im geheg 
Nun ist es stumm auf grauem abendsteg. 

Nun schreitet niemand der fiir kurze strecke 
Desselben ganges in mir hoffnung wecke 
Mit noch so kleinem troste mir begehr — 
So ganz im dunkel wallt kein wandrer mehr 

Und mit des endes ton dem lied der grille 
Geht auch erinnrung sterben in der stille 
Ein fahler dunst um kalte walder braut 
Verwischt die pfade ohne licht und laut. 

Ein grabesodem steigt aus feuchtem bühle 
Wo alle schlummern mussen • doch ich fiihle 
Dein wehen noch das neue glut entfacht 
Und deine grosse liebe die noch wacht. 

XII. 

oo werd ich immer harren und verschmachten ? 
Die sonne steigt noch • melne fahrt wird schlimm 
— Gepeinigt warest du von gleichem trachten 
Auch wenn ich heut dir sagte: komm und nimm. 



Digitized by 



Google 



AUS >DER TEPPICH DES LEBENS». 281 

Denn du gedeihst in kampfen die dir ziemen 
Du weisst dass stets ein linder balsam fliesst 
Von meinem munde auf die blutigen striemen 
Doch ist dir niemand der sie dauemd schliesst — 

Und die verehrend an mein knie getastet 
Und die ich ienke mit dem fingerzeig 
Und deren haupt an meiner brust gerastet? 

— Die jünger lieben doch sind schwach und feig — 

So ring ich bis ans end allein? so weil ich 
Niemals versenkt im arm der treue? sprichl 

— Du machst dass ich vor mitleid zittre . freilich 
Ist keiner der dir bleibt . nur du und ich. 



XIII. 

Juyx wem als dir soll sie die blicke wenden 
Die glühend Suchende der du zuerst 
Die höhen wiesest und d^s glück bescherst 
Das diese bunten tage nimmer senden. 

Du giebst den rausch • sie schwebt zum ewigen thore 
Erhoffter stralen jauchzendem gemisch 
Sie gleitet durch den saai zum göttertisch 
Erfüllung leuchtet . lösung schallt im chore. 

Die unerreichte flur scheint ihr gewonnen 
Sie überschwebt die klüfte mit dem aar 
Sie schaltet mit der kleinen sterne schar 
Und stürzt entgegen vaterlichen sonnen. 



Digitized by 



Google 



282 AUS »DER TEPPICH DES LEBENSs^. 

Nun musst du sie im irren hasten zügeln: 
Du beugest dich aus deiner wolkenstadt 
Und hüllst die zitternd ist und freude-satt 
Getreuer geistl mit schweren traumesflügeln. 

XIV, 

^Vir sind dieselben kinder die erstaunt 
Vor deinem herschertritt doch nicht verzagt 
Uns sammeln wenn dein waffenknecht posaunt 
Dass in dem freien feld dein banner ragt. 

Wir ziehn zur seite unsres strengen herrn 
Der sichtend zwischen seine streiter schaut 
Kein weinen zieht uns ab von unsrem stern 
Kein arm des freundes und kein kuss der braut. 

In seinen blieken lesen wir erfreut 
Was uns erkannt ist im erhellten traum 
Ob ehre oder dunkeln zug gebeut 
Sein abgeneigter sein erhobner daum. 

Was uns entzückt verherrlicht und befreit 
Empfangen wir aus seiner hand zum lehn 
Und winkt er: sind wir stark und stolz bereit 
Für seinen ruhm in nacht und tod zu gehn. 

XV. 

Uns die durch viele jahre zum triumfe 
Des grossen lebens unsre lieder schufen 
Ist es gebühr mit würde auch die dumpfe 
Erinnrung an das dunkel vorzurufen . . , 



Digitized by 



Google 



AUS »DER TEPPICH DES LEBENS». 283 

Das haupt gebettet folgte noch in stummer 
Ergebung alten ehren siegen straussen . . 
Blumen der frühen heimat nickten draussen 
Und luden schaukeind ein zum langen schlummer 

Und jenes lezte schone bild ist sachte 
Zurück gesunken in der winde singen 
Kein freund war nahe mehr • sie alle gingen 
Nur er der niemals wankte blieb und wachte. 

Mit der betaubung wein aus seinem sprengel 
Die dichten schatten der bedrangnis hindernd 
Des endes schwere scheideblicke lindemd — 
So stand am lager fest und hoch: der Engel. 



Digitized by 



Google 



UIT »TOM'S DAGBOEK" 



DOOR 



W. L. PENNING JR. 



Broer Just doet examen. 

Pas zestien jaar, nog groeiende uit zijn kleêren, 

Kwam Just op de* inval om ter paaiing van de maag 

(Die 't hardste groeide, zei hij) bij de Alwijze Heeren 

Een onderwijzersrang te halen in den Haag; 

Maar Tom moest mee, zich ginds - ook handelsvrienden maken, 

Veel moois zien . . . 

— Topl en mijn kantoorstoel uit, 
Met Just de postkoets in, vergat ik reeds de zaken. 
Weldra den regen ook, die stroomend langs de ruit 
Met ons verijdeld wandelplan bleef spotten. 
Maar onder 't rijden praatstof uit deed botten 
Bij vreemden in 't begin, bij vrienden tot besluit. 
De conducteur deê *t aardigst deuntje hooren — 
Ziedaar Den Haag I en mij . . . God 1 Bertha's groet beschoren? 
Ik sta verbijsterd, en houd sprakeloos 
Die gulweg uitgestoken hand in mijne beide: 
»0f 'khaar niet ken?" 

>>Maar Berthar*" juich ik, en niet boos 
Blijkt ze om 't vrijpostige verblijden — 
Blij' blozend blikt ze op hare beurt verward; 
'k Stel Justus vóór (die, de oogen vragend open. 
Mijn regenscherm haar hoed en kleed zie doopen), 
Verklaar onze overkomst, verneem met jagend hart 
Waar Bertha en haar vader hier een week te gast zijn, 



Digitized by 



Google 



UIT »TOM'S DAGBOEK." 285 

Ontvang verlof tot een bezoek 

En zie dan, vol muziek, vol dank voor zulk verrast zijn, 
De twintigjarige verdwijnen om den hoek. . . 

— Just vraagt dan of 'k blijf staan om weg te drijven? 
Verbazend rijkelijk guds' het regen-nat — 

Wat deert het mij? Een slijkpoel zij ons pad — 

De zon HIERBINNEN doet het beeld beklijven 

Der bloeiende wier hand, als 't ware, ik houd omvat I 

En als de jong're broer voor zooveel strenge heeren 

Met opgekregen proefwerk zit gekweld, 

Heeft (met gepoetste laarzen en gedroogde kleêren) 

Bij Bertha*s tante de oudre zich gemeld: 

lik ken u door mijn zwager.... en mijn nichtje," 

Was *t streelend Welkom ; dra met alle drie op dreef. 

Valt Tom zichzelf 'res mee ; en wie 'k daar eer van geef? 

— De' aanmoedigenden lach, den blos van *t reinst gezichtje 1 

Op haar bevel kom *k *s avonds weer, met Just. 

— En u al paedagoog? vroeg, immer welgemutst. 
Onze oud-majoor, den knaap de groote hand opleggend; 

— In spel klonk 't antwoord; en het zeggend 
Keek (dacht me) 't jongske spijtig, eer dan ongerust; 

— In spey majoor; 'k heb morgen mond'ling nog examen. . . 

— En zakt ge, dan?. . . 

— Verlies 'k een veldslag, nooit den moed I 

— En treedt in 't leger?. . . 

— Met dien opgetrokken voet?... 

— Die spaart u kogels 1 troostte hart'lijk de oude dame. 



Digitized by 



Google 



286 UIT »TOM'S DAGBOEK." 

Op straat had Bertha 't klein gebrek al opgemerkt, 
Was 'k overtuigd. Te kiesch om medelij' te toonen, 
In den bescheid'ne een schalkje ziende wonen, 
Lokt ze hem vroolijk uit, en Justus* ongewone, 
Gezellige aanleg ook, blonk onbeperkt. 

Mijn lieven broer behand'lend als den hare^ 

Liet, ze arg'loos me in een toekomst zien 

Vol mooglijkheên; het Mooglijke scheen 't Ware, 

Lang vóór Waarschijnlijkheid zich aan kwam biên . . . 

't Was me of er tusschen ons een stil verbond gesloten — , 

Iets voor het Leven overeengekomen was, 

En liefdes heimlijkheid haar heerlijkheid vergrootte — 

Met derden sprekend, men ELKAÊR in 't harte lasl' 

De regen kletterde, en de wind ging dreigen 

Met storm, — wat feest'lijke uren sleten wijl 

Men had den goeden smaak van 't kwade weer te zwijgen, 

Een houtvuur te doen knappen als bij wintertij', 

En geen dan weldoende onderwerpen aan te roeren; 

Ver in de kunst én zelf het woord te voeren. 

En 't onderhoud te leiden tusschen oud en jong, 

Zorgde onze gastvrouw ook dat ik met Bertha zong; 

Knap begeleidde ons Just; mij deed het samenzingen 

De wolken dóór-, de heem'len binnen dringen 1 

— Er uit te vallen op haar vraag naar Gijsbert-neef, 
Daarvoor geen noodl Te blijde om iets te vreezen, 
Vertelde ik dat hij me over Bloemendaal pas schreef, 
En — mocht ik te avond er of morgen wezen — 
Zijn besten groet verzocht. . . 

> Eerst kwam hij nog al vaak," 
Zei de oude heer; jonkvrouw'lijk bloosden Bertha's wangen, 
Maar rustig bleef haar blik en onbevangen. 
Ook toen men 't nieuwtje van me hoorde dat de zaak — 
Door Gijs met de' aller-rijksten onzer stadgenooten 
Op grooten voet gesticht — hen thans 



Digitized by 



Google 



UIT .TOM'S DAGBOEK/' 287 

In Rusland deed vertoeven — »om met glans 
Connecties aan te knoopen, en gesloten 
Verbindtenissen in persoon gestand te doen; 
Gestaêg van vierspan wiss'lend, deden 
Ze in eigen koets (ook wel gebruikt ak slede) 
Een reis van drie-kwart jaar — 

En reisden met fatsoen, 
Zooals het past aan groote Klazen; 
En lepelden uit diepe borden hun beschuit 
Met chocolaad, en dronken thee uit glazen..." 
En daarmee was neefs briefjen uit, 
Op htt postscriptum na: »Mijn PELS zal u verbazen 1 ... ** 



Onwillekeurig legde ik in mijn toon wat spot; 

Spot speelde in Bertha's — fonkelde in haars vaders oogen : 

— >Wie met de groote armee naar Rusland was getogen, 

En met de kleine rest den hond vond in den pot, 

Was zelf verbaasd bij 't weerzien zijner vrinden. 

Zich (op wat gaten na) nog in zijn HUID te vinden I . . . " 

Een smakelijke lach schoot om den dito disch; 

De veteraan aan *t woord, boeide — >om er van te droomen,*' 

Zei tante zachtjes met bewondVend schromen . . . 

Nog zie 'k dien grijskop, nog die breede borst; zoo frisch 
Daarnaast die kleinere figuur! dat aanschijn, stralend 
Uit donkVe lokkenpracht 1 . . . 

Als op mijn bruid 
Veste ik den afscheidsblik, hoorde eens nog 't zoet geluid 
Dier stem, droef trillende . . . 

Diep ademhalend 
Vermande ik mij voor Just uit alle macht. 
Ontroerd, vol heil, vol trots, niet wetend wat we zeiden. 
Ging *k naast hem zonder éénen plas te mijden — 
Ging 'k, als in zonneschijn, door 'n tweeden Zondvloed-nacht- 



Digitized by 



Google 



UIT »TOM'S DAGBOEK." 



Rumoer ontving ons in de herberg die we dachten 
In rust te vinden: 

Op een hooger rang belust, 
Of naar den laagsten dingend zooals Just, 
Verborgen minder goed geslaagden hunne klachten — , 
En luchtten de andVen hun aanvank'lijk geluk 
In *t zelfde koor van liederen en grappen ; 
Een algemeen Hoezeel begroette ons binnenstappen, 
Ter eere van den jongsten adspirant- 
Collega . . . 

— » Aspirant-professor r* schertste deze, 
En stelde een dronk in »0p de School, het best geprezen 
Als minne-moer der Hoop van *t vaderland!" 

Al dwazer, doller, bruiste in hem het leven: 

iGeen zier (zwoer Just) hoeft onze duf geheeten stand 

Dien van pastoor en predikant 

In levens-LENGTE en LUST en WIJSHEID toe te geven. 

Bij leeken deftig, om een hoekje mal, 

Stemme oude wijn de geestelijke heeren, 

— De jeugdige adem, daar wij daaglijks in verkeeren, 

Verzorgt die 't hart, ook 't lijf, niet bij geval ? . . . 

Door beide gilden laat de Pijp zich druk hanteeren — 

Eerwaarde hersens zou ze kunnen deren . . . 

Maar vastendagen zonder tal 

Bewaren óns een helder hoofd, meneerenT' 

Troon werd de tafel waar zijn overmoed op stond; 

Met dond'rend juichen droeg men Just den kweekling rond. 

»>Wat rang dien hij niet haalt!" hoorde ik benijdend zuchten. 

Heel goedig ook, maar zóó aandoenlijk diep 

Dat zich mijn geest het beeld van een gewoog*ne schiep — 

Te licht bevonden in de schaal der zeer geduchten; 

En me ommekeerend zag *k een lang en knoldg man. 

Van rug gekromd, en kaal van kruin en kleêren. 

Zijn brood der smarte met een kluitje boter smeren — 



Digitized by 



Google 



UIT »TOM'S DAGBOEK." 289 

>Hml winkelwaren . , .'* ginnegapte een Jan; 

En daar getuigden ook de Peperhuizcn van, 

Dienst doende als schaal en bord, servet, en zakmes-veger, — 

Oud schoolschrift, met zijn hanepooten-leger 

Den eenzame* eter al nog manende aan zijn vak: 

Hoe tusschen 't maal en 't schrift zijn aandacht zich verdeelde? 

Een zuivVe haal zijn kenners-oogen streelde 1 

Een aangedikte hem deed hunkVen naar zijn plak! 



De laatste bete. En dan, na 't kruimels gaêren : 
> Meneer ook vóór geweest?. . . veel kans?. . ." 

Die dubb'le vraag. 
Gesplitst door 't droge toegiftje aan de maag, 
Was zoo natuurlijk uit een mond die alle jaren 
Een kans waagde — en verloor 1 . . . 

Ook heden »vóór geweest," 
Had de arme zich weer zóó verward getoond van geest, 
Dat hoop op hooger rang dan de' ééns ter nood gehaalden — 
Den laagste? — ook thans hem tegen morgen faalde. 

Wat brave man! wat droevige figuur 1 

Gehuwd en vader, ging hij op in die tentamens, 

Ach 1 er in ónder ook, maar steeds herleefde 't vuur — 

Volharder was zijn eer- en schandnaam bij de examens; 

Volharder l klonk 't ook mi uit eiken hoek. . . 

Volharder schudde 't hoofd, en liet het schaamrood zinken. . . 

Dra deed een goed glas wijn volharder's oog weer blinken — 

't Vuur rakelde ik snel op . . . 

Weer onder de asch ging 't zoek I 

Af — droop hij 's and'ren daags, te dof voor jammerkreten. 

Maar 'k zag den blik waarmee hij Just, > die de akte had," 

Geluk wenschte, en doodsbleek zijn pad 

Der wanhoop ging, — volhardende in het weten, 

ƒ n 't willen uiten, en verbaasd — vergeten 1 



Digitized by 



Google 



290 UIT »TOM'S DAGBOEK." 

Veel bezienswaardigs vonden we in den halven dag 

Na de' afloop van *t examen ons gelaten ; 

En *t donker viel al toen we de ongastvrije straten — 

Waar duimen dik de modder lag 

En *t »pijpesteelen regende — ** verruilden 

Voor de, gelukkig I leêge roef der schuit ... 

Dood-moéde strekten, rekten we ons lang-uit. . . 

Just hoorde al gauw den wind niet meer die huilde. .. 

Den regen niet, die kletste 1 . . . 

En luist'rend naar *t geluid 
Van 't roer ook, en op dek, klonk me alles allengs zwakker — 
Vaag — dommelig — ALS UIT DE VERTE in 't end . . . 
Iets. . . niets meer. . . 

Toen — gestommel . . . 

Had ik me omgewend? 
Was ik gevallen ? . . . Bijna wakker, 
Strééd ik. . . gaf me over. . . maar ongaarne, onmachtig, — óp 1 

En 'k droomde van een laarzenwinkel ; lucht van leder 
Slaat me op de keel, en rusteloos geklop 
Op zooveel zolen wekt me bijna weder. . . 
En ik wil slapen ... 

En de laarzenwinkel nu 
Verandert in een laarzenwéreld, dampend 
Van traan en smeer en met de hakken stampend 
En óm zich schoppend onder 't ruw 
En twistende gekrijsch van laarzenstémmen . . . 
En laarzenkappen zie ik, die een stok met staal — , 
In lompen dans zoowaar een zeis omklemmen, 
En dreigend er mee zwaaien ! . . . 

En *k versta de taal — 
Slecht Duitsch — maar heb het Woordenboek verloren 
Dat in mijn plaats kon praten; want ikzelf ben stom, 
En lood ligt me op de borst. . . 



Dien last afwerpen kan ik niet. . . 



Hóe ik me krom — 
Een mijner ooren 



Digitized by 



Google 



UIT >TOM*S DAGBOEK." 291 

Verwart zich in een laarzenlüs. . . 

Met woesten ruk 
Góói 'k me eind'lijk óm — — 

En naar de laarzenbende 
Rolt van mijn borst — geen LOODl slechts de eerste druk 
Van Hooft*s Herscheppingen'. 

Terwijl 'k mijn vondst herkende 
Van 't boekenstalletje op het Haagsche Binnenhof, 
En snakkende naar lucht van onder een der banken 
Te voorschijn kroop langs modderige planken, 
Hoe mij, slaapdronken nogl *t uitbundigst lachen trof — 
Dat razend brullen werd toen zich aan de and*re zijde 
In de' eigen toestand Just ontwaren liet 1 . . . 
Was 'k onder gekken? Leken ook wij-beiden 't niet?. . . 

— Lucht 1 schreeuwde ik; Lucht! — ook Just; 

Want wat zich hier verspreidde. 
Was smook van kleppermanstabak; 
Was foezelstank; was damp uit natte en vieze kleêren 
Waarin 't gezelschap maaiers stak ; 
Was aankleve ook dier laarzen, waar 't paar iheeren" 
Recht tegen-aan gekeken had,. 
En van gedroomd, zoolang de horde zat 
Wier hand ons > afgelegd" had tusschen hun pakkage 
Met toebehooren . . . 

Wat een stiklucht ! . . . 

En de deur 
Van 't lage, smalle roefje uitstormend, met een keur 
Van aarts-verwenschingen en met de handbagage, 
Verslonden wij met haal op haal de buitenlucht, 
En met booze oogen onzen schipper I . . . 

> — Ik bin minsch'lijk, 
(Begon hij) 't roim was vol, de lading winsch'lijk. . ." 

— Zet ons hier afl gebood ik, met een zucht: 
Stil in den stuurstoel, was niet uit te houden; 
En twee uur gaans in 't hondenweer, geen pret! 



Digitized by 



Google 



292 UIT »TOM'S DAGBOEK." 

Op 't droge niet, maar toch aan wal gezet — 

Terwijl het jagertje nog riep: >wordt niet verkouden T* — 

Weêrvoer ons van den ingetreden nacht 

Niets ergers dan een natte dracht. 

Nooit sedert hoorde ik zeissen kloppen, zeissen wetten, 
Nooit sedert toefde ik bij dat schilderachtig doen, 
Of rijker werd mij *t rijp seizoen l 
Of land en landvolk, — alles zette 
De erin'ring aan dat zeissen wetten in de schuit 
(Met zolen-klopperij verward in droom-benauwdheid) 
Nog feestelijker tinten bij, dan ziels-vertrouwdheid 
Met schilderes Natuur uit haar penseelen buit; 

Want met de pret verzoend, in 't roefje waargenomen, 

Wat blijdschap na zulk varen schonk ons 't gaan ! 

Belemmerde ook de storm het spreken en verstaan, 

Gezellig was de wensch, de haast om thuis te komen; 

Warm onze stemming onder kille stroomen; 

Opbeurend elks gedachte op glibberige baan: 

Die van mijn broeder, aan zijn bijna spelend slagen! 

De mijne, aan Liefdes buitenkans 1 . . . 

Ofschoon we soms geen hand voor oogen zagen, 

Toch in de toekomst wierp 't verledene zijn glans. 

Gezonde jeugd bemint den strijd met de elementen ; 
Geen lichaams-harding, of den geest ook doet ze goed ; 
En komt daarbij een rein-verliefd gemoed 
Waarin de hoop het liedje zingt der lente. 
Wat smaakt der ziele dan zoozeer als eigen zoet? 
Wddr boeit dan 't oog een schat gelijk Hierbinnen ? 
Aan 't al' daarbuiten leent dit allerschoonste een schijn I 
En liet zich des-ondanks geen afkeer overwinnen, 
Weldadig kan de tegenstelling zijnl 

> Ontsnapten" prezen we ons bij eiken blik terzijde 

Waar >ba! dat kerkerhol" door 't klotzend water glijden — , 



Digitized by 



Google 



UIT .TOM'S DAGBOEK." 293 

De zang der maaiers voor ons hoorbaar bleef; 
Door de aangeslagen rujt de vetkaars óns ook diende; 
En, aan zijn lijn, de iknol** meetelde bij de vrienden 
Der worstelaars op den weg door huizelooze dreef. 

Gegroet, o dorpl o tolbaas, tapper tevens 1 
O tolhuis, waar — bij vuurl — hij nog op rijtuig wacht. 
En iets verwarmends ons toe-geurt, toe-lacht, 
Toe-vloeit 1 . . . 

Verlenger van twee levens 
Werd de oude kennis, hij — wien ^slapen op één oor'' 
(Der vakgenooten listl) het uitgediend gehoor 
Al jaren had BELET, vriend Hein eerlang BESCHOOR. 

Ontsnapt was óns nu weer 't gezellig trapp'len, glijden 

Ter rechte; maar voor gids-licht, mee verbeurd. 

Zorgde af en toe een hoeve links; en fraai gekleurd 

Bleef me in den zwarten nacht des minnaars best geleide — 

Zoolang de minnares ontbreekt — 

Een heir van plannen om naar eisch den boei te smeden . . . 

Een bonzen tegen Just herinnerde ter snede 

Aan ménschlijk bijzijn ook — 

»Ge denkt meer dan ge spreekt," 
Vraagt de oud're ; wat de jongste ook hem had kunnen vragen ; 

»>Ik maakte een plan, Toml"" 

» Welk f" 

>>Dat hoort ge thuis. En gij?"" 
»Véél plannen maakte ik, Justl" 

»»En welker" 

> Eerst als ze slagen. 
Broer- lief I staat mij het spreken vrij." 



Digitized by 



Google 



294 UIT >TOM'S DAGBOEK." 

Hij stak me een hand toe, juist op stads-grens, waar het kleppen, 
Twaalf heit de klok! verschrikt zich 't paar nog meer deed 

reppen. 

Vol van een uitstap, en nog stralend van genot, 

Thuis komende alles donker — , geen gehoor te vinden 

Voor warme ontboezeming; u voort aan bed te binden — 

Aan slaap 1 vergetelheid 1 die doodsche vrinden 

Van zwakken en bedroefden — achl hoe plomp een slot. 

Welgaame, tusschen zaken in en zorgen, 

Gelieft men deel te nemen de' and'ren morgen, 

Den and'ren dag: helaas! bedachtzaam (wijl het sliep) 

Mengt zich uw hoofd in 's harten mededeeling — 

Niet langer maagd'lijk is ze I . . . En mooglijk blijvend-diep, 

Wekt uw genot allicht vermoedens van verveling. 

Groet daarentegen, zooals mij gebeurde en Just, 

U 't licht der versche kaars, vindt ge alle kolen 

Des levens in den haard der oogen ongebluscht, 

Wacht me' — om den disch 1 — u op, hoe gééft ge u onverholen 1 

Hoe prent in 't meegevoel, gelijk in warme was. 

Zich iedere indruk over, eer hij af kon slijten. 

Of uit het alledaagsche ook maar een zweem van asch 

Het zondagsmerk bestoof, iets wrangs het uit kon bijten I 

Den stempel des vermaaks kreeg aller aangezicht; 
Gedeeld met velen, steeg de som van onze vreugden — 
Al moest wat mij het méést verheugde 
(Uit lieflijk oogenpaar een albelovend licht I) 
Met vrekkigheid nog opgeborgen . . . 

Maar, Berthal hoe beloofde ik mij 

Van zulk een broer- en zust'ren-rij 

Een kring, U waard, op 't feestgetij' 

Als eind'lijk de ure sloeg van de' openbaringsmorgen. 



Digitized by 



Google 



UIT »TOM'S DAGBOEK." 295 

>En hoe Toms kennisje er wel uitzag?" 

Bloosde Tom? 
^^Kijkl (lachte 't jongste ding) tot achter de oorenl"" 

— Verrassing, Bertha's naam uit and'rer mond te hooren; 
En haar die 'k zoolang eerde» aanbiddend stom 

Of fluisterend in 't geheim, in klanken af te malen 1 

— Verrassing Just aan 't werk te zien 

Om van de schoone op slag een potloodschets te biên, 
Die hij in kleuren morgen bij zou halen — 
En mettertijd na-schilderen op doek I . . . 

— Verrassing was geweest, in 't plaats van 't wand'len 't rijden ; 
In stede van bij handelsvrienden, dat bezoek 

Bij Bertha's... > tante 1" plaagde weer Aleide! 

— Verrassing, die Herschepping in de roef der schuit I 
Niet minder 't regenbad, afwiss'ling van zulk varen I 
Onze aankomst, opgeluisterd door de schare — 

Ons wachtend met het maal I . . . 

»En daarmee is 't niet uit," 
Sprak Just bedaard, zijn onderwijzers-akte 
Uit Janbroêrs hand terug verzoekende, en 't papier 
In stukken scheurend met een vastheid I met een zwier I . . . 

Op — sprongen wij, en zes paar handen pakten, 
Te laat ! naar 't uit de kaarsvlam hoog opgaande vuur . . . 
> Just ! I klonk 't ontzet uit zes eerst sprakelooze monden — 
ijustl... Justl..." 

Een ander woord werd niet gevonden; 
Hier scheen de taal — , hier goede raad ook duur. 

iiEerst zwart op wit,"" wees onze grappemaker — 
i>Nu wit op zwart..."" 

Diep, over het verkoolde, boog 
(Nog letters lezend met droef duist'rend oog) 
Bijziende Konstantijn, zijn mentor en bewaker . . . 

>Te schande zou 'k u maken, wijze broer 1 

Wat driftig is mijn bloed om Idnd'ren te regeeren; 



Digitized by 



Google 



296 XHT .TOM'S DAGBOEK." 

Schoolmeester af alzoo ; 'k ga » »teren op den boer," " 

Hem, zijn gezin, zijn vee ook portretteeren 

Ik zie mijn weide . . . 

»»A1 't land bestelt mij voêrl"" 

Daar kon men tegen pruttelen, niet praten. 

»Uw golven," hield Just staande, ibreken op een rots!" 

En aan de examen-gril, uit dwaasheid of uit trots, 

Dankte ik meer dan genoeg om hem zijn zin te laten; 

Dankte ik de wetenschap ook, dat mijn neef 

Een poos de Bloemendalers druk bezocht had. 

Maar sinds hij aan dien rijken hand'laar zich verknocht had — 

Er was één kind, een dochter, — naar Bosch-Hoek niet schreef. 

» Haast zou me één zaak (de liefste) NIET verrassen," 
Droomde iemand in dien nacht, en liet den regen plassen. 
Met al meer duurte dreigen, al meer misgewassen — 
En droomde nog toen de ochtend hem kantoorwaarts dreef l 



Digitized by 



Google 



EEN KONING^) 



DOOB 

ALBERT VERWEY. 



I. 

Een vochtge stilte, 
Die 'k teer begeer, 
Lokt me in uw kilte, 
Nevelenheir. 

Ik zag 't tafreel, 
Den kleurgen stoet, 
Waar een koning eêl 
Mee zijn intocht doet. 

Huizen als hoven, 
Begroend omheind. 
Vooruitgeschoven 
Waar 't wiegt en deint 

Van banieren. 
Ballon-guirlanden 
Hangen en zwieren 
Langs de grachtranden. 



i) Uit den bundel Het Brandende Braambosch die dezer dagen verschijnt. 



Digitized by 



Google 



298 EEN KONING. 



De volten bewegen 
Als straks door het donker 
De lichten geregen 
Kralen geflonker 

In *t water, tot iedre bnigboog, 
Zwaar en zwart van de menigt, 
Zijn gewelvennacht steenigt 
Op dien ijdelflikkerenden toog. 



IL 

Een vochtge stilte, 
Die 'kteer begeer, 
Lokt me in uw kilte, 
Nevelenheir. 

Ik stond en schreed 
Waar een koningskind 
Zijn intocht deed 
Door zon en wind. 

Zijn wang was bleek. 
Zijn oog was droef; 
Hoe meer hij keek 
Hoe dieper groef 

Langs zijn mondzoomen. 
Hij had zoolang 
Gehoord in zijn droomen 
Een welkomstzang. 



Digitized by 



Google 



EEN KONING. 299 



En nu was 't een joelen 
Uit straat, uit woon, 
Maar hij kon er niet voelen 
Dien eenen toon. 

Zijn wapenherauten 
In blauw en goud 
Liepen voor hem uit en 
*k Werd. heet en koud 

Van hun blazen. 
Maar hij keek stil, 
Als achter de glazen 
Een kind soms wil. 



III. 

Een vochtge stilte, 
Die *kteer begeer. 
Lokt me in uw kilte, 
Nevelenheir. 

Een koningskind 
Ben ik laat gegaan 
Door de zon en de wind. 
Ik wou verstaan 

Mijn volk en meer 
Niet dan dien toon. 
Die kwam van zoo veer, 
Die klonk zoo schoon. 



Digitized by 



Google 



300 EEN KONING. 



Die klonk in mijn hart. 
Die weerklonk in mijn droom; 
Och of uit hun hart 
Hij mij wederkooml 

Nu heb ik verspeeld 
De zon en de wind, 
Den lach niet gedeeld 
Met dien ik bemind'. 

Nu moet ik wel staan 
Waar het leven mij laat, 
In een neevlige laan, 
In een ledige straat. 

Een vochtge stilte. 
Die 'kteer begeer, 
Ix)kt me in uw kilte, 
Nevelenheir. 



Digitized by 



Google 



Reinaert de Vos in Griekenland 



DOOR 



D. C. HESSELING. 



De produkten der byzantijnsche literatuur zijn, in tegen- 
stelling met de telkens op nieuw vertaalde werken der oud- 
Grieksche auteurs, in het Westen van Europa weinig bekend. 
Veel verliest men bij die onbekendheid niet; langdradigheid 
•en smakeloosheid doen de schrijvers van Byzantium gewoonlijk 
alle aanspraak verbeuren op de belangstelling van beschaafde 
lezers, al valt het ook te betreuren dat diezelfde eigenschap- 
pen hen al te lang aan de nauwgezette studie der geleerden 
hebben onttrokken. Toch zijn er onder de niet zeer talrijke 
stukken die niet in het nageprate Grieksch eener vroegere 
periode geschreven zijn, enkele die een beter lot verdienden ; 
ze toonen duidelijk dat men te Byzantium voor nog iets 
anders dan theologie, politiek en handel gevoel had. Een 
voorbeeld hiervan vinden we in een paar gedichten die groote 
overeenkomst vertoonen met onzen Westerschen Reinaert. 

Het is bekend dat uit de oud-Grieksche letterkunde geen 
xiierenepos over is. De Muis- en Kikvorschkrijg, door Bilderdijk 
zoo aardig in het Nederlandsch vertaald, is meer een goed- 
aardige parodie op het heldendicht waarin menschen bezongen 
worden, dan een gedicht waarin de dieren optreden in hun 
eigenaardigheden. De muizen en kikvorschen zijn menschjes 
in dierengedaante; beide partijen strijden als menschen en 
gebruiken dezelfde hoogdravende uitdrukkingen. Een poging 
om de strijders te karakteriseeren blijkt alleen uit de namen, 
aan het bedrijf der dieren ontleend. In de fabels van Aesopus 
mogen sommigen de grondstoffen zien, waaruit het dierenepos 



Digitized by 



Google 



302 REINAERT DE VOS IN GRIEKENLAND. 

is ontstaan, niemand zal tegenspreken dat deze korte verhalen 
niet meer dan ruwe schetsen zijn van 't karakter der dieren, 
die, ten minste in de gedaante waarin wij ze kennen, geheel 
van didactischen aard zijn. Uit sommige dier fabels en uit 
enkele gedichtjes van Babrius blijkt wel dat oorspronkelijk 
niet anders dan uitspanningsliteratuur bedoeld was, maar de 
school heeft al spoedig die amusante wijsheid van het volk 
tot 1 leerstof ' gemaakt en daarmee er het frissche aan ont- 
nomen. Bij de g^eksche jeugd zullen die fabels, vrees ik^ 
dezelfde gevoelens hebben opgewekt die wij eertijds koester- 
den voor Vader Jacob en de Honderdtal, 

Van den Spinnenoorlog en den Kraanvogeloorlog, die Suidas 
vermeldt, kunnen we alleen vermoeden dat ze navolgingen 
van jongen datum zijn van den zooeven besproken Muis- 
en Kikvorschkrijg, die in de middeleeuwen veel gelezen werd 
en meer dan eens in de taal van het volk is overgebracht. 

Eerst in de byzantijnsche literatuur vinden wij gedichten 
die, gelijk onze Reinaert, de dieren doorloopend typeeren» 
Het zijn: 

1°. Een verhaal voor de jeugd over de viervoetige dieren^ 
geschreven tot nut en vermaak. 

2**. De Pulologus, d. i. het Vogelenboek. 

3°. De Legende van den eerzamen ezel. 

4°. Een fraaie geschiedenis van den ezel, den wolf en 
de vos. ^). 

Deze gedichten behooren tot de volkspoëzie, dat wil zeggea 
zij zijn gemaakt door ons onbekende dichters, die onder het 
volk leefden en zijn opvattingen deelden, waardoor hun werk 
later gemakkelijk kon aangevuld of gewijzigd worden door 
andere bewerkers die in gelijke omstandigheden verkeerden. 
De eerste drie gedichten zijn voorzien van een paar stichte- 
lijke of leerzame opmerkingen die er kwalijk bij passen, en die 
blijkbaar te wijten zijn aan dezelfde byzantijnsche zedemees- 
ters die de spreekwoorden van het volk als teksten voor hun 



I) Het woord voor vos is in het Grieksch vrouwelijk. Ik zal, tot recht begrip 
van het stok dat ik wil meedeelen, in den loop van dit opstel aan het dier dat 
geslacht laten. 



Digitized by 



Google 



REINAERT DE VOS IN GRIEKENLAND. 303 

theologische bespiegelingen gebruikt hebben, en van de naïve 
verhalen over vreemde dieren en planten allegoriën hebben 
gemaakt ter aanprijzing van kerkelijke deugden. De inhoud 
van het verhaal der viervoeters en van het vogelenverhaal 
komt, in een paar woorden gezegd, hierop neer, dat er een 
bijeenkomst wordt gehouden van dieren, waarbij al spoedig 
twist ontstaat die — en dat is echt Grieksch — begint met een 
vloed van scheldwoorden. Zoo ontstaat een reeks woorden- 
duels, waarop bij de viervoeters een bloedig gevecht volgt, 
dat eerst ophoudt bij het vallen van den nacht ; aan 't getwist 
der vogels wordt een einde gemaakt door hun koning, den 
adelaar, die dreigt dat hij den valk en den havik op hen af 
zal zenden. Het verhaal van de viervoetige dieren is hoogst- 
waarschijnlijk ontstaan in de I4<^« eeuw; de strijd der vogels 
is vermoedelijk van iets ouderen datum ^). 

Met uitzondering van een enkele episode in het eerstge- 
noemde verhaal kan ik in geen dezer beide produkten letter- 
kundige schoonheid ontdekken. De scheldwoorden zijn plomp, 
de verwijten die de dieren elkander doen, hebben meestal 
betrekking op uiterlijkheden ; datzelfde kwajongensachtige 
genoegen in *t zeggen van onbehoorlijke dingen spreekt 
er uit, waardoor Aristophanes, meer dan door zijn groote 
eigenschappen als schrijver, gedurende vele eeuwen, zekere 
populariteit geniet bij de onrijpe jeugd en den machteloozen 
ouderdom. Kenschetsend voor de lekkerbekkerij der Byzan- 
tijnen is de uitvoerigheid waarmee de dieren uitweiden over 
de groote waarde die hun vleesch heeft voor de tafel der 
aanzienlijken. Van tijd tot tijd vinden we een parodie op 
maatschappelijke toestanden; slechts hier en daar wordt de 
modderstroom der scheldwoorden onderbroken door een kort 
fabeltje. 

Belangrijker dan deze gedichten is de iLegende van den 
eerzamen ezel" en de > Fraaie Geschiedenis van den ezel, den 
wolf en de vos,'* die twee verschillende redacties zijn van 



I) Krumbacher, Geschichte der byzantinischen Litteratur, blz. 877 vlg. Beide 
gedichten zijn uitgegeven door Wagner in zijn Carmina graeca medii aevi 
(Leipzig, 1874.) 



Digitized by 



Google 



304 REINAERT DE VOS IN GRIEKENLAND. 

hetzelfde verhaal. Den tijd waarin de beide gedichten zijn ont- 
staan, kan men, gelijk bij schier alle middelgrieksche produkten 
't geval is, niet met zekerheid bepalen. Vermoedelijk is de oudere 
redactie, die uit 393 rijmlooze verzen bestaat, niet jonger 
dan 't begin der 1$^^ eeuw; de berijmde bewerking, die iets 
uitvoeriger is maar slechts in enkele onderdeden afwijkt van 
de andere, kan niet ouder zijn dan 't begin der i6<^« eeuw i). 
De taal waarin beide stukken geschreven zijn is de taal van 
het volk, maar staat sterk onder den invloed der schrijftaal; 
de oudgrieksche woorden en wendingen die er in voorkomen,, 
schrijf ik niet toe aan de zucht om te pronken met klassiek 
schoon, maar aan het onvermogen van de schrijvers om, 
gelijk hun streven was, de taal van hun eigen tijd weer te 
geven. Ik zal hier den inhoud meedeelen naar de meer uit- 
voerige, waarschijnlijk jongere redactie, geschreven in 540 
rijmende verzen, en daarbij trachten den toon en de kleur 
van het oorspronkelijke te behouden. 

> Hoort eens, edele heeren, hoe de wolf en de vos er in 
liepen, wat de aanleiding was, hoe ze gevangen werden, 
welke rare dingen ze ondervonden en hoe ze werden be- 
schaamd. 

De ezel, dat verachte, ongelukkige dier, was bij een dood- 
armen meester terecht gekomen, die altijd honger en nooit 
rust had, maar dag en nacht in zijn groentetuin aan het werk 
was. Eiken morgen belaadde hij zijn ezel met groente, andijvie, 
latuw, prij, rapen, uien en knoflook, om die in de stad aan 
de markt te brengen. Hooi, stroo of gierst kreeg het dier 
niet; met de bladen die afvielen bij het schoonmaken van 
de groente moest het zich vergenoegen, 's Avonds droeg de 
ezel hout op zijn afgebeulden en met schurft bedekten rug. 
Maar op een Paaschmorgen kreeg zijn meester medelijden 
met hem, hij liet hem vrij weiden om zich eens te goed te 
doen aan 't jonge gras en zich uit te rollen. Bij de wei was 



i) Bij Krnmbacher (t. a. p. blz. 883) vindt men de motieven voor deze dateering^ 
Zie ook Psichari, Easais de grammaire historique néo grecque II (Parijs, 1889) 
blz. 245. 



Digitized by 



Google 



REINAERT DE VOS IN GRIEKENLAND. 305 

een groot bosch en daar waren de wolf en de vos, die juist 
overlegden hoe ze op jacht zouden gaan. Ze besloten bij 
elkaar te blijven. De vos kreeg al gauw den ezel in het oog 
en zei tot den wolf: » Vriend, daar is een goede prooi, 
laten we oppassen dat ze ons niet ontgaat." De ezel hoorde 
dat, zuchtte en zon op een middel om hen te foppen. 
Intusschen kwamen de wolf en de vos naderbij; ze groetten 
vriendelijk en beleefd en noodigden hem uit met hen op te 
wandelen en naar een mooi huis te gaan om daar den nacht 
door te brengen. De ezel antwoordde: »Ik ben een arm, 
ongelukkig dier, dat een hard leven leidt; ik ben zwak en 
kan me nauwelijks op de been houden, geen dokter kan me 
helpen." Zoo sprak hij om er hen van af te brengen hem 
op te eten. En toen hernam hij: > Geachte Heeren, ik wensch 
wat het beste voor U is, want ik zie hoe vriendelijk, hoe 
mooi en hoe zacht gij zijt. Daarom een goeden raad: mijn 
meester is in de nabijheid op de jacht; geen jager is er als 
hij, hij heeft grooten moed en geweldig sterke honden, Lom- 
bardijsche hazewinden, die vlug zijn als haviken en arenden; 
wolven en leeuwen verscheuren ze. En als mijn meester 
met den boog schiet, dan trillen de wolven als visschen." 
Maar de vos begreep alles; zij werd boos en zei: »Geen 
dwaasheden, je bent een lompe boer; houd-je daarom stil en 
denk niet dat we boerenvlegels zijn. Ik ken astronomie, ik 
lees de toekomst uit de sterren en ik ben een leerling van 
koning Leo den Wijze. Ik ben meesteres van het woord en 
den nomokanon i) ken ik van buiten. En durf-jij met ons 
spotten? Je hebt verstand noch kennis. Profiteer van deze 
gelegenheid : leer met eerbied spreken tot je meerderen, lieg 
nooit, spreek altijd de waarheid, opdat je een goeden naam 
als het hoogste leert waardeeren. Een geluk voor je, dat 
je ons gevonden hebtl Leer onzen aangenamen omgang 
kennen; we zullen je benoemen tot onzen zaakgelastigde. 
Doen wij iets verkeerd, dan mag-je het zeggen; leer-je iets 



I) De nomokanones beTatten de bepalingen van het kanonleke recht der 
Byzantijnen. Zij zijn ontstaan nit de vereeniging ran wereldlijke en geestelijke 
rechtsbronnen. 



Digitized by 



Google 



3o6 REINAERT DE VOS IN GRIEKENLAND. 

van ons dan is het tot je bestwil, voor alle partijen zal 't een 
genot zijn. Ga nu mee naar 't Oosten; daar zullen we zaken 
doen. De winst zullen we samen deelenl" De ezel gaat 
mee, hij voorziet dat het hem 't leven zal kosten en hij 
denkt: >Wee 't uur, waarop ik deze twee ontmoette." Zij 
gingen nu naar zee, zochten en vonden een schuit en gingen 
aan boord, niet om te visschen maar om naar het Oosten 
te varen. Zij hijschen de zeilen, kiezen zee en loten er om 
wie kapitein en wie stuurman zal wezen. De wolf wordt 
kapitein, de ezel stuurman. De vos blijft als raadgeefster 
bij beide staan. Den ezel zegt ze, dat hij goed op het kompas 
moet letten om hen veilig in de haven te brengen. Maar 
weldra neemt ze het roer van den ezel over en zegt: iHond 
van een ezel, ga roeien, want je stuurt ons verkeerd. We 
moeten naar 't Oosten en jij houdt op 't Westen aan." 
De wind was gunstig, het weer was goed en ze zeilden 
vroolijk verder. Toen verzon de vos een list; ze begint 
te schreien en vertelt dat zij gedroomd heeft van eenvreese- 
lijken storm; voordat die droom in vervulling zal gaan 
en de zee hen verzwelgen zal is het 't beste te biechten. 
De ezel berust er in: itoen ik bij U kwam sloeg mijnonge- 
luksuur.' De wolf ontstelt hevig, maar begint : » Alle schapen, 
geiten, herten, kalven, koeien en varkens die ik vind dood 
ik en eet ik; als er wat overblijft verstop ik het voor den 
volgenden dag, nooit geef ik er aan iemand een hapje van. 
Ik heb er berouw over, dat ik dat alles alleen eet Daarna 
ga ik naar mijn donker hol; ik word een monnik en steek 
me in zwarte kleeren, als een abt ga ik, als bisschop keer 
ik weer. Ik kan alleen kwaad doen; nooit heb ik iemand 
gehad om me van mijn fouten te genezen, noch een biecht- 
vader om me de biecht af te nemen." De vos prijst den 
wolf om zijn nederigheid. Zij bidt voor hem, zegent hem en 
geeft absolutie. Dan biecht ze zelf: »Ik ga in 't dorp als 
iedereen aan 't avondeten is, en alle eenden, kippen en ganzen 
die ik vind maak ik dood; ik keel ze om het kakelen te 
voorkomen ; met vier of vijf in mijn bek loop ik weg. Als 
ik honden hoor, ga ik er van door en ik leid ze door mijn 



Digitized by 



Google 



REINAERT DE VOS IN GRIEKENLAND. 307 

loopen om den tuin. Ja, ik moet wel stelen om te leven, 
want bedelen ligt niet in mijn aard en werken ook niet. Zoo 
hebben mijn ouders mij opgevoed en zoo leefden ze zelve 
ook. Het stelen en de listen heb ik van mijn moeder zaliger, 
de handigheid en de vlugheid van mijn vader. Ze hebben 
den Heer geloofd, dat ze in mij zulk een kind kregen; door 
hun gebeden leef ik gelukkig. Mijn brave ouders hebben 
me gezegd : »Mijn dochter, vermijd de huizen der aanzienlijken, 
want ze hebben sterke honden; wie de huizen der armen 
versmaadt en die der rijken zoekt, hem zit de duivel op de 
hielen." Daarom heb ik het meest arme weduwen geplaagd. 
Een ongelukkige oude weeuw, die bijna blind was en zich 
haast niet bewegen kon, had een groote kip, die ze Kavaka 
noemde en die eieren met 2 dojers legde. Op die kip had 
ik het gemunt, 't Oudje had ook een kater, rood van haar 
met een langen staart. De vrouw noemde hem Perditzis 
(Patrijsje); hij geleek in haar en staart precies op mij. De 
oude vrouw hield van die twee als van een zoon en een 
dochter. Op een avond toen de kater weg was gfing ik op 
zijn plaats zitten ; de vrouw streelde me en knikte me toe, en 
toen ik de kans schoon zag greep ik de kip en vloog er mee 
weg. *t Vrouwtje riep: >Maar Patrijsje, wat is dat nu voor een 
spelletje?" Toen ze het begreep, was ik lang weg en ik 
hoorde haar den geheelen nacht treuren. De vloek van die 
oude vrouw weegt me zwaar; ik zeg de onrust van de wereld 
vaarwel, ik ga boete doen voor al mijn zonden. Naar den 
Heiligen Berg (den Mont Athos) ga ik om mijn ziel te redden ; 
ik neem een pij, een kruis en een paternoster." Toen de 
wolf die oprechte vroomheid zag, weende hij, opende zijn 
armen, en schonk volle absolutie. Toen kwam de beurt aan 
den ezel. De wolf neemt de wet, pen en papier om aan- 
teekening te houden. >Eens," zegt de ezel, iwas ik zoo 
zwaar beladen en zoo afgeranseld, dat ik de macht over mijn 
spieren verloor en toen — met Uw verlof — iets zeer onwel- 
voegelijks gedaan heb. Nu hebt gij mijn zonden gehoord, 
schenkt me vergiffenis." iWat zijn dat voor leugens," zegt 
de vos, » vooruit, vertel de waarheid. Geen praatjes meerl" 



Digitized by 



Google 



3o8 REINAERT DE VOS IN GRIEKENLAND. 

De ezel weet echter niets meer, dan dat hij eens een blaadje 
latuw van zijns meesters voorraad heeft gegeten. >Wat/' 
schreeuwt de wolf, >heb je dat gedaan?" Dadelijk moet de 
vos in de wet nazien wat daarop staat. De vos: iDriewerf 
gevloekte ezel, ketter en bedrieger, onreine hond, *t is een 
wonder dat we niet reeds verdronken zijn door toedoen van 
jou, die dat blaadje latuw hebt gegeten zonder azijn. In *t 
Vlle Hoofdstuk vind ik dat je hand moet worden afgehakt 
en je oog uitgestoken, en in het Xlle dat we je moeten 
ophangen." Nu zegt de ezel: >Heer wolf, een paar woorden t 
Nu de dood nabij is, wil ik U deelgenoot maken van een 
groot voorrecht dat ik bezit ; mijn talent wil ik niet begraven, 
maar 't een armen broeder geven, opdat ik niet ook hier- 
namaals gestraft worde. Weet dan, dat het achter op mijn 
hoef staat; wie het kent, dien ontvluchten al zijn vijanden; 
hij ziet alles wat tegen hem beraamd wordt." De wolf gaat 
er met de vos over spreken; deze begrijpt het niet goed,, 
maar raadt den wolf aan 't geheim te onderzoeken. Ze hebben 
het plan om van die gelegenheid gebruik te maken, aan den 
poot van den ezel een steen te binden, hem in zee te gooien 
en hem als hij verdronken is naar 't land te trekken, daar 
hem te verscheuren en met alle dieren feest van hem te 
vieren, te eten en te drinken tot ze dronken zijn. De ezel 
zegt aan den wolf dat hij naar den achtersteven moet gaan» 
geknield drie uur daar moet blijven en zijn paternoster aflezen, 
terwijl hij bidt: lO ezel, U vertrouw ik, geef mij 't voorrecht 
waarom ik vraag." Alles gaat naar wensch. Op 't beslissende 
oogenblik geeft de ezel een trap en raakt den wolf niet eens, maar 
twee, maar drie keer en schopt hem ten slotte in zee. De 
vos springt hem van schrik na. Nu juicht de ezel en jubelt 
op zijn manier. Hij huppelt, springt, rolt zich op den grond, 
en bedrijft allerlei onwelvoegelijkheden. De drenkelingen 
komen intusschen aan wal. Ze verhalen elkaar hun ontstel- 
tenis. De wolf zegt: >De ezel heeft een arsenaal van gewel- 
dige wapens, een vreeselijken knods, bronzen mortieren, ge- 
laden geweren en kogels, twee zakken vol. 't Is nog een 
wonder, dat wij het leven er afgebracht hebben. Ik mis 



Digitized by 



Google 



REINAERT DE VOS IN GRIEKENLAND. 309 

mijn tanden en éen oog, en het andere doet me pijn. Midden 
voor 't hoofd trof hij mij; ik dacht dat de wereld verging. 
Ik heb altijd op je vertrouwd, vriendin, en geloofd dat je 
alles wist en veel verstand hadt; je hebt gezegd dat je een 
leerling van koning Leo den Wijze bent en een wichelaarster, 
maar niet dat je een gemeen, dronken vrouwspersoon bent,, 
dat me er in heeft laten loopen. Moest die ezel ons bedrie- 
gen!" De vos antwoordt: >'t Verstand is overal in de 
wereld verspreid. Al is de ezel een veracht, ongelukkig dier, 
hij heeft ons bedrog en onze schelmerij doorzien; zonder 
boekenkennis te hebben is hij rhetor geworden om ons er 
in te laten loopen en van ons te worden bevrijd. Hij heeft 
getoond, dat we zotten waren; met schaamte heeft hij ons 
overladen. Heil U, ezel, geluk gewenscht met Uw verstand 1 
Ezel, ezel, je bent geen ezel meer; om 't geen je bestaan 
hebt, noemen de menschen je eervoller Nikos ^). Dien naam 
heb je door je list verdiend en je leven gered van de wilde 
dieren." 

Hiermede eindigt het gedicht. De avonturen die ik hier 
meegedeeld heb komen ook voor in een kort grieksch 
sprookje 2), waarvan het begin alleen een paar afwijkingen 
vertoont. Daar lezen we, dat er eens een wolf was die 
Nikolaas heette en die tot vrouw een (moer)vos had, Maria. 
Ze waren al lang getrouwd, maar kregen geen kinderen ; 
toen besloten ze een pelgrimstocht te doen naar het Heilige 
Land. Verder bevat het verhaal, dat niet meer dan éen 
bladzijde druks beslaat, niets dan de hoofdtrekken van het 
hierboven behandelde stuk; alleen bekent de ezel van het 
sprookje niet een blaadje latuw, maar een augurk te hebben 
gegeten. 

Ons gedicht is in West-Europa het eerst uitgegeven door 
Jacob Grimm in zijn >Sendschreiben an Karl Lachmann" 



i) Een toespeling op 't grieksche werkwoord nikot ik overwin. 
2) Von Hahn, Griechische nnd Albanesische M&rchen, Leipzig, 1864, II. 
biz 164. 



Digitized by 



Google 



310 REINAERT DE VOS IN GRIEKENLAND. 

(Leipzig, 1840), daarna in 1874 door W. Wagner in zijn 
>Carmina graeca medii aevi (Leipzig, 1874). Reeds in 1539 
was het uitgegeven als Venetiaansch volksboek en in dien 
vorm heeft het grooten opgang gemaakt ; nog thans worden 
herdrukken in de straten van Athene te koop aangeboden. 
Die volksboeken blijven echter zoo goed als onbekend in 
West-Europa. De uitvoering is ongelooflijk slordig ; de ortho- 
graphie is meestal slechter dan van een slecht handschrift : 
telkens zijn woorden aan elkaar gekoppeld of middendoor 
gesneden, van interpunctie is bijna geen sprake en alle fouten 
die een onwetend zetter maken kan, zijn er te kust en te 
keur in voorhanden. De lectuur is dan ook even lastig als 
<lie van een slecht manuscript. Jacob Grimm heeft in een 
korten epiloog de literaire waarde van het gedicht besproken, 
en ook een enkel woord gezegd over den tijd waarin het 
is gemaakt. Hij meent dat het uit de ï6^^ of IS^« eeuw 
dateert en dat de inhoud uit Italië naar Griekenland is 
gekomen i). Dit laatste vermoeden steunt op den naam der 
hen, kavaka of kovaka, dien hij van het italiaansche covare^ 
broeden, afleidt en op dien van den kater, Perditzis^ waarin 
hij een afleiding ziet van perdice, patrijs, .... omdat een kat 
jacht maakt op patrijzen 1 Ook de vermelding van lombar- 
dijsche windhonden deed hem aan Italië denken. Deze 
argumenten zijn, — ik zeg het met al den eerbied aan zulk 
een groot man als Grimm verschuldigd, — stellig zeer zwak. 
Wat Kavaka beteekent valt niet met zekerheid te zeggen, 
maar dat deze eenzaam levende kip, hoe groot hare eieren 
ook mogen wezen, wel geen specialiteit in het broeden, 
ten minste in het uitbroeden, geweest zal zijn, is ook voor 
leeken in de zoölogie vrij duidelijk. De naam van den 
kater, Perditzis, is gemakkelijk te begrijpen. Patrijs, pérdika 
of perdikiy is nog thans een zeer bekend »Kosewort'* in 
het grieksch. In de erotische gedichten wordt dikwijls de 



I) De vraag waar de grieksche redactie, die wij kennen, is ontstaan, blijft 
hier builen bespreking. Krumbacher (Gescbicbte der byz. Litteratur, blz. 883) 
denkt aan Creta of aan een der Jonische eilanden. 



Digitized by 



Google 



REINAERT DE VOS IN GRIEKENLAND. 311 

geliefde een patrijsje^ kalkoentje^ ja zelfs, evenals in het 
Zuid-Afrikaansch, gansje genoemd. De uitgang -itzis is van 
slavischen oorsprong en komt in grieksche teksten veelvuldig 
voor tot het vormen van verkleinwoorden, Het is niet twijfel- 
achtig dat men bij dezen naam niet aan eenige voorkeur van 
den kater voor patrijzen behoeft te denken, maar dat zijn 
meesteres, wanneer ze op die wijze haar lieveling toespreekt, 
hem eenvoudig met een zoet naampje noemt. Dat wind- 
honden uit Lombardije vermeld worden kan evenmin veel 
gewicht in de schaal leggen, daar door den tocht over zee 
naar den Mont Athos duidelijk is aangegeven dat het tooneel 
in Griekenland wordt gedacht. Lombardijsche windhonden 
beteekenen hier niet anders dan ^voortreffelijke" windhonden. 

Na Grimm heeft Gidel in zijn » Etudes sur la littérature 
grecque moderne'* (Paris, 1866) de kwestie behandeld, of 
liever zij was voor hem reeds uitgemaakt ten gunste van de 
herkomst uit Frankrijk. De sous-titre toch van zijn boek 
luidt: limitations de nos romans de chevalerie depuis Ie 
douzième siècle.'* Na een analyse van het gedicht noemt 
hij als argumenten van den Franschen oorsprong : het identi- 
ficeeren van de dieren met menschen, de doorloopende satyre 
op kerk en geestelijkheid, waardoor de auteur dikwijls zeer 
profaan wordt, het karakter der dieren, dat volkomen over- 
eenstemt met dat in den Roman de Renart en eindelijk den 
naam van de kip Kovaka die volgens hem niet anders is 
dan Copée, Koppe. 

Krumbacher heeft in zijn Geschiedenis der Byzantijnsche 
Letterkunde (blz. 882) in hoofdzaak dezelfde meening geuit; 
hij hecht vooral aan de identiteit der karakters en aan de 
profane en satyrische strekking. De laatste blijkt reeds uit 
den titel van het gedicht : Synaxarion, d. i. Legende, van 
den eerzamen ezel. Synaxarion toch is de naam van de 
grieksche Heiligenlevens, de Vitae Sanctorum der latijnsche 
volken. Deze titel heeft aanleiding gegeven tot een koddige 
vergissing, die Krumbacher ons meedeelt i). Lambeccius,. 



I) Geschichte der hji» Litteratur, blz. 882. 



Digitized by 



Google 



312 REINAERT DE VOS IN GRIEKENLAND. 

«en duitsch geleerde uit de 17^^ eeuw, die blijkbaar geen 
Nieuw-Grieksch kende en dus niet wist dat gadaros het 
gewone woord is voor ezely heeft in de beschrijving van een 
weenschen codex waarin ons stuk voorkomt, het volgende 
aangaande den inhoud gezegd : » Legende van een onbekend 
schrijver, of kort verhaal omtrent zekeren Gadarus, beroemd 
door de heiligheid van zijn leven." Zoo is de ezel gekanoniseerd I 

Intusschen komt het mij volstrekt niet zoo waarschijnlijk 
voor dat het grieksche gedicht >une page détachée du grand 
roman de Renart*' is, gelijk Gidel meende. De omstandigheid 
dat een gelijkluidend sprookje nog thans onder het volk 
leeft, doet dit reeds dadelijk betwijfelen, doch de zeer groote 
overeenkomst van dat sprookje met het gedicht zou men 
kunnen aanvoeren als een argument voor de stelling dat het 
sprookje niet anders is dan een uittreksel in den loop der 
tijden uit het gedicht gemaakt. Daarom is het beter de 
verschillende gronden te onderzoeken waarop het vermoeden 
•dat een westersch model gevolgd is, berust. 

Het spotten met geestelijkheid en godsdienst behoefden 
<le Byzantijnen waarlijk niet van de Franken te leeren. 
Michael Psellos, die zelf monnik geweest was, dichtte in 1054, 
dus anderhalve eeuw voor den latijnschen kruistocht, een ruw 
«n gemeen schimpdicht geheel in den vorm van een kerklied, 
met aanwijzing van motief, toon en melodie. Zoogenaamde 
didactische gedichten over allerlei platte onderwerpen in 
denzelfden vorm zijn in de Byzantijnsche letterkunde niet 
zeldzaam i). In de I3<l« eeuw is hoogstwaarschijnlijk ontstaan »de 
Mis van den man zonder baard" 2), een door en door gemeene 
bespotting van de liturgie der Grieksche kerk, waarin alle 
kerkelijke handelingen worden geparodieerd. Dat dit stuk 
het werk is van een Griek blijkt uit het opschrift ; het eigen- 
lijke doel der satyre is het beschimpen van menschen zonder 
baardgroei, die voor de Grieken een voorwerp van verachting 
«n wantrouwen zijn. 



1) Knimbacher, blz. 681 vlg. 

2) Krumbacher, blz. 809. 



Digitized by 



Google 



REINAERT DE VOS IN GRIEKENLAND. 313 

De overeenkomst van de karakters der dieren is m. i. niet 
zoo absoluut als Gidel beweert, maar buitendien geldt deze 
redeneering niet meer voor het grieksche stuk dan voor de 
dierenverhalen uit alle oorden der wereld. Het is gemakkelijk 
tal van bewijzen te vinden, dat overal de leeuw en de vos 
of hun remplaganten, de beer, de jakhals, het dwerghert en 
de aap, zich zelven gelijk blijven. Bc meen zelfs dat men nog 
wat verder mag gaan dan de heer Sudre, die van Reinaert 
zegt: iFrangais et rien que Frangais est eet espiègle mali- 
cieux et narquois pour lequel Ie vol est un amusement plutót 
•qu* une nécessité'' ^). Mij dunkt dat die malice en die wellust 
in bedriegen een karaktertrek is van den universeelen Reinaert, 
die bij de Fransche trouveurs alleen hierom sterker uitkomt, 
omdat zij aan het dierenepos een zooveel ontwikkelder literairen 
vorm hebben gegeven. Laat ik b.v. eens mogen verwijzen naar 
een der afleveringen van het tijdschrift, uitgegeven door het 
Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van 
Nederlandsch Indië 2), waar in het opstel getiteld Pakëwasche 
teksten de volgende fabel door den heer JuynboU wordt mede- 
gedeeld: >Het hertzwijn heeft gedroomd dat het de antilope 
zal opeten en dreigt te doen naar zijn droom. De zaak komt 
voor den vorst; deze schijnt het hertzwijn in het gelijk te 
zullen stellen. Op dat oogenblik laat de aap, die medelijden 
heeft met de antilope zich te midden der vergadering vallen 
en zeg^ tegen den vorst: >Ik heb gedroomd dat ik de dochter 
van den vorst zou huwen." Hierdoor krijgt het proces een 
andere wending. De antilope en de aap worden nu vrienden. 
In *t woud zien zij eens vele bijen en de aap haalt de antilope 
over om, na zich eerst het ooglid met modder te hebben be- 
dekt, op een trommel te slaan die ze gevonden hebben. Het 
gevolg is dat de arme antilope geducht door de bijen ge- 
stoken wordt, en niets meer van den aap wil weten.'* Spreekt 
uit deze fabel, die ik zeer verkort heb medegedeeld, niet 



1) Sudre, Les sources du Roman de Ren art, blz. 342. 

2) Bijdragen tot de Taal-, Land en Volkenkunde van Nederl. Indië, 's Graven- 
^SP i^5f ^le Reeks, Ie Deel, Ille aflevering. 



Digitized by 



Google 



314 REINAERT DE VOS IN GRIEKENLAND. 

precies hetzelfde karakter van een listig wezen, dat het nu 
eenmaal niet laten kan iedereen te plagen, ook zijn beste 
vrienden. De aap is hier een waardig plaatsvervanger van 
den vos. Van een list om zich uit gevaar te redden, *t geen, 
naar men gewoonlijk aanneemt, een eigenaardigheid zou zijn 
van den oorspronkelijken Reinaert, geen spoor. 

Het anthropomorfisme eindelijk waarvan Gidel spreekt vindt 
men even sterk in sommige fabels van Aesopus, om niet te 
gewagen van het voorbeeld dat de Grieken hadden in de 
Batrachomyomachia, het gedicht waarvan een bewerking in 
de volkstaal o. a. in 1539 te zamen met onze Geschiedenis 
van den ezel, den wolf en de vos te Venetië is uitgegeven. 

De argumenten die er vóór pleiten dat, hoewel een direct 
model onbekend is, >die Idee des Werkes aus abendlandischen 
Thiergeschichten stammt,*' gelijk Krumbacher (blz. 462) zegt^ 
zijn dus niet zeer overtuigend te noemen. Nog zwakker wordt, 
dunkt mij, de hypothese door de volgende overwegingen. 

In de eerste plaats zijn er in ons verhaal een paar trekken,, 
die aan een primitiever opvatting doen denken. In onzen 
Reinaert krijgt de wolf een trap van het paard, op wiens 
veulen hij het gemunt had, een scène die, zij *t ook in eenigs- 
zins anderen vorm, door Lafontaine (Fable V. 8 en XII 17) 
een ieder bekend is. Is het gewaagd te veronderstellen, dat 
in het oorspronkelijke Oostersche verhaal een ezel het dier 
was, dat den schop gaf? En dat in het Westen een paard 
den ezel vervangen heeft, het domme dier wien men buiten 
het Oosten, zijn eigenlijk vaderland, niet licht een mooie rol 
laat spelen? Om de onwaarschijnlijkheid dat één enkele wolf 
zulk een groot dier als een paard tot zijn prooi zou kiezen 
weg te nemen, zou dan in sommige redacties het 

volen 

dat so swert was als een cole, 
ende vet, vier maende groot i) 

er bij gevoegd zijn. Als analogon zou men kunnen aanhalen 



i) Reinaert n ed. Martin, v. 3997. 



Digitized by 



Google 



REINAERT DE VOS IN GRIEKENLAND. 315 

het volgende : Het bekende spreekwoord, dat men een gegeven 
paard niet in den bek mag zien, bestaat in het Nieuw-Grieksch 
in twee varianten. De eerste, die geheel en al den vorm heeft 
van een spreekwoord zooals het Grieksche volk ze gebruikt, 
den >anekdotenhafte(n)" vorm, om de definitie van Krum- 
bacher te gebruiken, is: Men gaf iemand een ezel en hij 
bekeek zijn tanden. De andere lezing is blijkens den vorm 
niet oorspronkelijk Grieksch, maar aan de andere Europeesche 
talen ontleend en langs literairen weg ingevoerd. Hierin luidt 
het spreekwoord als volgt: kijk het paard dat men U geeft 
niet naar zijn tanden i). 

Maar er zijn nog andere, als ik het zoo noemen mag, his- 
torische redenen waarom ik meen dat in de bekende fabel 
van het verscheurende dier dat getrapt wordt, het oorspron- 
kelijk een ezel is, die hem de baas blijft. 

Bij de Latijnsche fabeldichters, — doch niet bij Phaedrus, 
bij wien het ontbreekt, — heeft het verhaal den vorm dien 
de beoefenaars van onze letterkunde kennen uit den E&opet 2). 
Daar lezen we hoe een leeuw in het veld een paard zag en 
dacht hoe hij dat beest het best kon bemachtigen. „Ik ben, 
zeide hij, een goed dokter.'* Het paard hoorde dit en begreep 
de list van den leeuw. Hij zei: > Meester, help mij, ik heb 
een doom in mijn poot." De leeuw wil dien doom er uit 
trekken, en krijgt tegelijk een schop van het paard. Toen de 
leeuw weer tot zich zelven kwam zeide hij: >Dat verdien 
ik, ik ben een leeuw en wilde me dokter maken." Moraal: 
Zoo moet het hun gaan, die door list willen schijnen wat ze 
niet zijn. 

In deze fabel is het onverklaarbaar waarom de leeuw be- 
gint met te zeggen: »ik ben dokter," en hoe het paard uit 
die woorden de list van den leeuw kon begrijpen is zelfs niet 
te gissen. Het ongemotiveerde van die woorden schijnen 



i) Krumbacher, Mittelgr. Sprichw. (Mttochen, 1893) blz. 24. 

2) Esopet ed. J. te Winkel (Groningen, 1881), blz. 54. Zie Toor de Tenchil- 
lende lezingen der Latijnsche fabeldichters Henrieox, les Fabulistes Latins (Paris, 
1884) n, blz. 159, 202, 265, 300, 320. 348, 747, 800. 

21 



Digitized by 



Google 



3i6 REINAERT DE VOS IN GRIEKENLAND. 

sommige bewerkers van het Latijnsche origineel gevoeld te 
hebben. In den Romulus van Marie de France i) wordt de 
leeuw voorgesteld als het slachtoffer van zijn edelmoedigheid. 
Lafontaine (Fables, V. 8) heeft zich meer aan het oorspron- 
kelijke Latijn gehouden. Hij laat een wolf optreden als dokter, 
die aan het paard vraagt wat het schort : 

Car Ifc voir en cette prairie 

Paitre ainsi, sans être lié, 

Témoignoit quelque mal, selon la médecine. 

Het is duidelijk dat deze regels dienen moeten om de vraag 
van den pseudo-arts te motiveeren, maar die poging komt 
mij niet zeer geslaagd voor en nu we het Latijn kennen 
blijft de moeielijkheid bestaan. — De Roman de Renart heeft 
een geheel andere lezing, die volgens Sudre 2) van populairen 
oorsprong is. Zij wordt verhaald in de I9<1« branche. Nadat 
de wolf het avontuur met den priester in den valkuil heeft 
beleefd, waarvan hij, — bij uitzondering, — eens goed is afge- 
komen, loopt hij er over te peinzen, dat het niet goed is 
alleen te zijn en dat een makker dikwijls kan helpen in ge- 
vaar. Hij ziet een merrie en verzoekt deze vriendschap met 
hem te sluiten; hij zal zorgen dat ze niet meer behoeft te 
werken en dat zij steeds rijkelijk voedsel heeft. De merrie 
antwoordt dat ze niets liever wil, maar dat een doorn in haar 
poot haar verhindert meê te gaan. De wolf biedt zijn dien- 
sten aan als chirurg en ontvangt dan den schop. Noch uit 
zijn alleenspraak vooraf, noch uit hetgeen hij tot de merrie 
zegt, blijkt iets van een booze bedoeling om het paard te 
verscheuren ; men moge die er bij willen denken, in het gedicht 
staat er niets van. De wolf wordt hier voorgesteld als de dupe 
van zijn domheid en goedhartigheid en hij heeft het recht 
om, als hij weer bijgekomen is, te zeggen: »Ik weet niet, op 
wien ik me zal verlaten, bij niemand vind ik goede trouw." 



1) Herrieux, II bU. 517. 

2) Sudre, blz. 338. 



Digitized by 



Google 



REINAERT DE VOS IN GRIEKENLAND. 317 

Ne me sai mes en qui fier, 
Ne puis en nuli foi trover. i) 

Dit verhaal is dus een illustratie van de onnoozelheid van 
den wolf; een bijzonder gedicht, >de lupo pedente'* 2) gehee- 
ten, bevat een geheele reeks van zulke staaltjes. Dichter dan 
de latijnsche fabeldichters staat deze geschiedenis bij het 
origineel, maar ik geloof toch dat vergelijking met een griek- 
sche Aesopische fabel 3) zal aantoonen dat deze laatste verre- 
weg het oorspronkelijkst is. In die fabel toch is alles even 
eenvoudig en goed gemotiveerd. Men oordeele: Een ezel had 
een doorn in zijn poot (waardoor hij niet vluchten kon). Toen 
hij nu een wolf zag, zeide hij : O wolf, ik sterf van den pijn 
en het is beter dat ik door u verslonden word dan door de 
gieren en raven. Maar één gunst vraag ik: haal eerst dien 
doom uit mijn poot, opdat ik een zachten dood sterve. De 
wolf haalt met zijn tanden den doorn uit den poot en krijgt 
een geduchten schop, waarop de ezel zich uit de voeten 
maakt. De wolf zegt: dat is mijn verdiende loon, ik ben 
slachter van mijn ambacht en nu heb ik dokter willen worden. 

In een andere lezing veinst de ezel, die den wolf ziet aan- 
komen, dat hij een doorn in zijn poot heeft, waarop de wolf 
zijn diensten als dokter aanbiedt. Deze afwijking doet echter 
weinig ter zake. De bespiegeling van den wolf aan het einde, 
dat hij een slachter en geen dokter is, wordt door sommige 
Latijnsche versies goed weergegeven, doch andere, die het 
woord lanio of laniuSj slachter, in dit verband niet goed be- 
grepen, hebben er lenius, zachter, van gemaakt, 't geen ver- 
moedelijk de reden is geworden dat sommige redacties hebben : 
gessi speciem pacis ^. In éen woord vorm en inhoud getuigen dat 



1) Roman de Renart ed. Martin, II. p. 250 (XIX, 86). 

2) Te Tinden bij Grimm, Reinhart Fuchs, biz. 429. Vgl. Hervieux II, biz. 
690 vlg. 

3) Halm, Fabnl Aesop. (Leipzig, 18S9) biz. 164, no. 334. Ook in een ander 
grieksch verhaal krijgt de wolf een trap van een ezel (Rhetores graeci ed. 
Walu I p. III). 

4) Voorbeelden bij Hervieux II, biz. 404. 

21* 



Digitized by 



Google 



3i8 REINAERT DE VOS IN GRIEKENLAND. 

de westersche fabel verder van het oorspronkelijke staat 
dan de g^eksche en van die grieksche fabel is een ezel 
de held. 

Een onomstootelijke waarheid mag het zeker genoemd 
worden dat het karakter van den ezel in ons gedicht niet een 
copie is van den >arceprestre'* Bemard uit den Roman de 
Renart noch van onzen Boudewijn. Deze is stellig niet in staat 
tot zooveel list en slimheid als de Grieksche Nikos. We weten 
dat hij eens beproefde »de forcer son talent,** gelijk Lafon- 
taine zegt; hij wilde te kwader ure doen als de hond van 
zijn meester maar hij deed het zoo onhandig dat 

met sinen vorsten voeten voren 
vedelde hi sijns heren oren, 
dat hi hem maecte grote buien. 
Een geducht pak slaag was het gevolg. 

Doe liep hi weder op sinen stal, 
ende at distels in sijn ongheval, 
netel, kaerden ende gras, 
ende bleef een ezel als hi was i). 

Hoe anders is de grieksche ezel, die geen oogenblik de 
dupe is van de listige vos, maar in slimheid en onoprecht- 
heid den grootsten diplomaat een lesje zou kunnen geven 1 
Neen, in het Westen zijn geen ezels die zoo geslepen zijn 
als deze ezel uit Byzantium, de hoogeschool van bedrog en 
veinzerij. Hij dwingft de vos eerbied af en vervult hem van 
de bewondering, die slimme vossen voor groote schelmen 
plegen te hebben 2). 



1) Reinaert ed. Martin EL, w. 5721—5723 en 5733—5736. 

2) Eén fabel is mij uit het Westen van Europa bekend, waarin de ezel als 
slim wordt Toorgesteld, nl. die van den ezel die zich door den wolf aan dezen 
jaat vastbinden als zijn lijfeigene en daarop Isengrim meesleept naar 1 dorp, 
waar hij afgeranseld wordu VgL omtrent dit wonderlijke verhaal, waarvan de 
herkomst onbekend is, Hervieux I, blz. 695 en II, blz. 73a Onder de Aesopiscbe 
fabels vindt men, behalve de hierboven vermelde, nog eene, waarin de ezel 
wordt voorgesteld als een verstandig, levendig en slim dier. Het is n*. 281 der 
verzameling van Halm, blz. 138. 



Digitized by 



Google 



REINAERT DE VOS IN GRIEKENLAND. 319 

Is het, in de tweede plaats, ook niet eigenaardiger en 
klinkt het niet oorspronkelijker dat op den hoef van den ezel 
een tooverteeken staat dan de koopsom van het veulen of 
de naam der merrie op den hoef van het paard? 

De episode van de oude vrouw wier hen gestolen 
wcH-dt, komt niet in den > Roman de Renart** voor en is ook 
volgens Grimm niet van elders bekend i). Men kan nu 
wel aannemen dat deze episode in een voor ons verloren 
branche stond, maar dan blijft het toch vreemd dat dit ver- 
haal nergens in West-Europa bekend is. 

Laat ik ten slotte nog twee afwijkingen vermelden, die 
desnoods als accomodaties te beschouwen zijn. De wolf en 
de vos spreken er niet van om naar 't Heilige Land te gaan 
als pelgrims, maar zij willen naar den Heiligen Berg, naar 
den Mont Athos en die reis zal geschieden over zee. Ook 
beroemt de vos zich er op, dat zij een leerling is van Koning 
Leo den Wijze, den vorst wiens orakelspreuken nog in de 
i6<ï« eeuw een geliefkoosde volkslectuur waren. 

Men moet, meen ik, na dit alles tot de conclusie komen, 
dat, ofschoon stellig niet bewezen kan worden, dat het 
grieksche gedicht naar zijn inhoud ouder is dan de westersche 
Reinaert (verschillende onderdeden doen aan invloed van 
elders denken), het toch evenmin aangaat te beweren dat 
de grieksche dichter eenvoudig een bewerking van een fransche 
branche zou hebben gegeven. Ook de vernuftige maar zeer 
gewaagde verklaring van een griekschen geleerde van onzen 
tijd, Sathas, schijnt mij onaannemelijk. Volgens deze is het 
gedicht een politieke allegorie, waarin de wolf den Keizer 
van Byzantium, Alexius Komnenus, de vos Rome en de 
arme ezel het Hellenisme voorstelt, waarop beide het gemunt 
hebben 2). Bewijzen voor deze stelling kan ik in het stuk niet 
vinden. Me dunkt dat we verder komen door toepassing 
van de theorie die de heer Sudre ontwikkeld heeft ter ver- 
klaring van het ontstaan van den Roman de Renart. Een 



1) Grimm, Sendschreiben an Karl Lachmann, blz. 103. 

2) Bibliotheca graeca medii aevi Vu (Parijs 1894), blz. 11 der Inleiding. 



Digitized by 



Google 



320 REINAERT DE VOS IN GRIEKENLAND. 

nadere uiteenzetting van die theorie kan noch behoef ik hier 
te geven i); welken weg de fransche schrijver heeft ingeslagen 
zal immers in hoofdzaak voldoende blijken, wanneer ik ten 
slotte zijn zienswijze volg bij het schetsen der geschiedenis 
van het grieksche gedicht gelijk ik die mij voorstel. 

Verhalen die van oudsher onder ^et.volk leefden zijn door ^ 
een ons onbekend dichter tot een geheel gemaakt, onder 
den invloed van modellen uit het westen. De rol die in de 
romaansche en germaansche landen de fabels der Clerici 
hebben gespeeld, zal dan in het Oosten van Europa vervuld 
zijn door de branches der trouveurs, die door de fransche 
baronnen na den 4^^^ kruistocht in Griekenland mondeling 
bekend werden 2). Het is niet te bepalen hoeveel uit die 
westersche liederen overgenomen is door de grieksche auteurs, 
maar men mag aannemen, dat die invloed minder den inhoud 
dan den vorm ten goede is gekomen, die zich gunstig onder- 
scheidt van de overige produkten der byzantijnsche literatuur. 
Het aandeel dat de literatuur van het Westen in het ontstaan 
van ons gedicht heeft gehad, kan men het best waardeeren 
door den onbeholpen en fragmentarischen verteltrant van het 
Vogelen- en Viervoetersboek te vergelijken met de inkleeding 
van onze Geschiedenis. Waarschijnlijk mag het genoemd 
worden dat de episode van de hen Kavaka aan een inheemsch 
vertelsel ontleend is en dat ook het optreden van den ezel 
een navolging is van een grieksch volksverhaal, waarvan we 
een andere lezing bezitten in de aesopische fabel die ik 
besprak. Moeilijker kan men in bijzonderheden aangeven 
hoeveel van de inkleeding van 't verhaal te danken is aan 
een model uit het Westen, vermoedelijk een fransch model; 
dubbel moeilijk omdat het grieksche volkskarakter van ouden 
en nieuweren tijd zooveel trekken met het fransche gemeen 
heeft: Alcibiades is zeker niet de eenige Griek geweest van 
wien men met Multatuli kan zeggen, dat hij een te vroeg 



i) Belangstellenden verwijs ik naar een opstel van Dr. J. W. Maller in »Taal 
en Letteren" (1895, afl. 3): De oorsprong van den Roman de Renart. 

2) Evenzeer mondeling werden in het Westen de fabels der Qerici verbreid, 
volgens Gaston Paris, Lc Roman de Renard (Parijs 1895), ^^2* ^ ^'S* 



Digitized by 



Google 



REINAERT DE VOS IN GRIEKENLAND. 321 

geboren Franschman was. Hoe het zij, indien mijn conclusies 
juist zijn, geeft het grieksche gedicht van den wolf, den 
ezel en de vos ons een zeer verkleind maar duidelijk beeld 
van de wijze waarop in den grooten Roman de Renart 
bouwsteenen van zeer verschillende herkomst vereenigd zijn 
tot een groot monument, waaraan men eenheid van stijl niet 
kan ontzeggen. 

Leiden, November 1898. 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



GROEIKRAC H'|^ T-?* 

DOOR "* 

STIJN STREUVELS. 



De zonne was al vroeg opgestaan en heel den langen dag 
had zij, van daar hoog in heuren blauwen hemel, ombarm- 
hertig gelaaid en gesteken over heel het land. 

Peter voelde die hitte zinderen op zijn hoofd en schouder- 
blaars en 't zweet dropte hem overal langs het lijf; zoo fel, 
dat, meende hij: al de dingen door het inwoclende zonne- 
vuur zouden opvlammen en verbranden. Lijvelijk, met ge- 
stadigen slag dreef hij zijn houwe in de mulle zandaarde en 
hij boog den kop en Het het vrij gloeien rondom hem. 

— De nieuwe zomer is ontstaan; en daar voelde de vent 
iets, even met 't gewarmde land en de vruchten die weelde- 
zot uitgroeiden: een lust en blijheid om het nieuwe leven, 
't doordaveren van de kracht die, overgeweldig, het jonge 
sap omhooge sloeg. De groote zonne, zij zit nu voor goed 
uit en laat ze heur gensters maar gieten; alles wat leeft 
snakt op en groent door die felle hitte. Hij schudde de lamme 
moeheid van zijn lijf en dwong zijn alm in d'eerde en sloeg 
er lange voren in van ends tot ends. Onderwijle keek hij 
eens op over 't blakerende veld, naar verre, zonder te zien 
al die witvlekte huizekes tegen den einder en al de uitlig- 
gende velden, wijd volgekleurd met nieuwe vruchten. Weerom 
voortgewrocht — en nu dacht hij aan Roze en aan de jongens, 
aan den kost en de geplante aardappels, en zijn oogen volg- 
den altijd 't blinkend ijzer van de heul-houwe en 't rollen 
van de aardkluitjes over zijn houten blokken. Dat stuk land 

22 



Digitized by 



Google 



324 GROEIKRACHT. 



was heel groot en 't werd in lange ploegvoren gekapt — een 
dure arbeid — links, waar hij dezen morgen begon, lagen 
de toppen reeds witgebekt en gedroogd door de zon. Nu 
dacht hij aan niets meer en zijn annen hieven en vielen ge- 
regeld op zijn achteruitterdenden stap; en hij voelde noch 
kracht meer noch vermoeienis. Na langen tijd was de dag 
rondgedraaid en dat machtig vuur verbluschte in 't westen- 
waart wegzinken en er viel een lauwe frischheid, een wellige 
en deugddoende zoelte zoodat Peter zijn zweet zoo stilaan 
voelde opdrogen en van louter genot verademde en den rugge 
rechtte en keek hoe die zonne wegvoer bij d* aarde ginder 
ver achter de verste boomen, vlak-rond nu zonder stralen, 
ontdaan van al heur geweld en goed aanschouwelijk voor 
d* oogen. Heel de hemel was eraf rood gekleurd 1 

Tot t* enden nog éen vore gebraakt en nog eens weer en 
dan nog eens om, eer 't avond en donker was zou 't aard- 
appelveld gereed zijn. Hij sloeg de houwe met nieuw ge- 
weld en verdapperde zijn schreden. Het jonge aardappelloof 
stond nu opgebalkt in rechte groeven gedekt tot aan de 
toppen: 't was als een nieuwe groeite, een herbeginnen, 
steviger en vast, ze stonden lijk herplant. 

Hij overkeek zijnen akker en hij zag met voldoening dat 
het goed was. De reken lagen recht en 't stond alles zoo net 
nu dat al het kruid geweerd was tusschen de planten, 't Werd 
avond ook ; hij kuischte met zorg zijn alm af, klopte de eerde 
van zijn kloefen, trok zijn vest aan en ging huizewaarts. Hij 
schuifelde een deuntje. Overal waar zijn oogen wendden was 
't vlak uitdeinend land, geakkerd of brakeveld. Er vlotten 
groote vlaken smoor. En het deemster viel lijk een groote 
droefmare over die wijde oneindigheid. Daar bezgds stond de 
zwarte hoeve zoo dreigend groot en de scherpscheunsche strooi- 
daken groeiden hoog tegen den hemel. Nu werd het Peter 
Schemel eng en hij voelde zich ineens een vreemd klein bemel- 
ventje worden te midden heel die ontzaglijkheid. De groote 
schuren en hoving en gebouwen van boer Knudde's pachthof 
en al dat land errond was éen groot gedoen en boer Knudde 
werd een sterke, machtige man en hij had veel kloekgegroeide 



Digitized by 



Google 



GROEIKRACHT. 325 



zonen; die werden nu even een bende reuzen die stilaan 
alles inpalmden en woonden op een wereld die hen te 
kleine wierd. 

— Mijn huizeke ginder, neuzelde Peter, en hij gekscheerde 
zijn eigen, mijn huizeke is ne molhoop en mijn hoekje koom- 
land, ge kunt erover springen, en 't aardappelveld een tafel 
groot maar en mijn twee armen alleen heb ik om 't te be- 
drichten; 't is te groot nog om 't te overpurmen met mijn 
macht — ik beul mij dood. De jongens eten 't op al dat er 
groeit en ze zijn nog zoo klein, de dutsen. 

't Was zoo goed van avond, en het duister kwam zoo 
traag. Peter wandelde en wachtte drentelend over 't zandig 
voetpad. Bij 't leuterpruttelend beekje bleef hij wat staan 
haaien en kijken in 't helder water en hij bezag hoe de vei- 
groene waterkarse, daar diepe en zoo traag wriemelde en 
lijk geruste vischvimmen onder den stroom meêkronkelden. 
Zie, hij kreeg lust naar die malsche beeksala. Hij sloofde 
hoog de broekbeenderen op, daalde twee drie stappen langs 
den grasoever en waadde tot aan de knieën in 't water. Zijn 
handen zochten en hij haalde groote groene ranken op, die 
druppelleekten. Hij wond ze tot een dikke vracht opeen, 
spoelde ze duchtig af in den stroom en klom ermee naar 
boven. 

Ginder kwamen er twee van zijn jongens gegaan van 't 
grazeveld en zij hielden de geit aan een leizeel. Drie, vier 
andere kwamen met bundels klaver en lisch geladen en voor 
de deur van de leemen hutte robbelden de anderen in 't zand. 
Tegen dat vader thuis kwam, zaten ze allen rond de tafel te 
hankeren naar 't avondeten. Moeder keerde een dampende 
pot aardappels die rolden heel de teile vol. De waterkars 
werd haastig geplukt en verlezen en de groene blaars boven 
op den hoop eten gestrooid. Alleman begon nu duchtig te 
stekken met de vork elk aan zijnen kant. Vadqr ontstak het 
lampke en hij keek rond over tafel. 

— Zijn de jongens hier al? 

Een veeldubbel >Ja vader" met veel nieuw geschreeuw. 
Moeder zette haar ook bij, zij hield het jongste kind op den schoot 



Digitized by 



Google 



326 GROEIKRACHT. 



en stak het gedurig kleine aardappelstukjes in den mond. 
De jongens raasden overhoop, van de kermis in *t dorp, van 
hun drinkgeld, en zij hernoemden bij heele reken al de dingen 
die zij koopen gingen. Vader en moeder en verstonden daar- 
door niets van wat ze zeggen wilden. 

— Ge moet, sakker, zwijgen, jongensbucht, we'n hooren 
malkaar nietl 

Dat duurde wat en ze aten stille en stekten om 't zeerst 
naar de grootste aardappels en verzwolgen heele ranken groen. 

— Ik zei u. Peter, dat de aardappels zoo dapper uit zullen 
zijn, dees jaar; we komen er voorzeker te kort. 

— Zijn kl die aardappels reeds op ? — der waren er veel, 
waar zijn ze? 

— Nog een klein klutske, is de overschot, baas, de jongens 
eten lijk de beren. 

— *t Zou de eerste keer zijn, dat we niet toe geraken tot 
den nieuwen oegst. 

— Ik zeg : de jongens groeien en ze eten meer ; maar der 
is nog koom, we zullen brood bakken. Peter knikte heel 
ernstig. 

— *t Is nog lang eer de nieuwe rijp zijn, zei hij, na een 
tijdeke peinzen. Hij bezag elk stuk dat hij in den mond 
stak, en hij monkelde om al die jonge armen die zoo dapper 
met de vorke wrochten in de teile en heele brokken verzwolgen. 

— We moeten ze wat sparen, moeder, de geiten hebben 
er dezen winter ook veel gegeten 1 

De jongens vochten onder tafel en schopten naar malkan- 
ders beenen als 't gebeurde dat er éen zijn makkers deel 
wegsnapte; ze schreeuwden weerom overluid. 

— We zullen moeten de doening vermeerderen, willen we 
later geen honger hebben. 

En hij stond daar nu recht voor zijn droombeeld: met de 
jongens op 't land werken en nieuwe velden bedrichten en 
éen, twee, . . . drie veerzen — later koeien — houden en 
boer worden 1 een boer lijk Knudde 1 Stillekes aan, heel stillekes. 

In korten tijd was de teile geruimd en eikendeen schar- 
relde naar 't laatste kruimelke. 



Digitized by 



Google 



GROEIKRACHT. 327 



— O, ter ligt zooveel land onder den blooten hemel 1 en 
hij stond recht om te gaan kijken aan *t venster. — Zie eens 
hoe wijd, Rozel hoe wijdl 

Het veld lag wit gehelderd door een heerlijk glanzende 
maneklaarte en de weifelende deemstering in de verte zette 
de oneindigheid nog verder uit. 

— Zonder verbeiden gaan we aan den gang ; Jan en Peterke 
gaan mee naar buiten en we spitten een nieuw stuk. De 
wereld is zoo groot en 't ligt daar al voor 't grijpen. 

Roze had de tafel afgekuischt en nu kwam ze ook aan 't 
venster zien naar die nieuwe wereld. 

— Daar, vóór de beek in 't groene, is 't vette grond, 
Peter, raadde zij. 

— Neen, wijf, Knudde steekt daar in 't najaar zijn koeien 
op en die beesten zouden 't allemaal afeten ; meer links 
blijven we, noordwaarts, — 't is harde grond, bot, en de 
jongens zullen veel keien te rapen hebben, maar taaie pezen 
trekken veel kruid weg. 

Uit den donkeren hoek bezijds den schoorsteen ging 
een gekriep en vader en moeder keken om en al de jongens 
zwegen, 't Was Loti, die dat alles had zitten afluisteren 
en zich dan verveelde; zijn groot-ronde ernstige oogen 
glaarden dom uit, heel verduldig maar omdat moeder bleef 
staan zien door 't venster gevoelde hij dat 't honger was die 
neep en hij kriepte. En als zijn kreunen verloren ging in 't 
luidruchtig spel, van de vechtende jongens opende hij wijder 
den mond en er kwam een schrillen schreeuw uit en hij 
zwenkte wanhopig rond met zijn lange armen. 

Moeder en de jongens sprongen toe en ze paaiden hem. 
Het aarden panneke werd op den heerd gezet met brood 
geweekt in geitenmelk en als 't warm kreeg staken zij hem 
de geweekte brokken in den mond. 

— Ja, mijn dutske, 'k was u vergeten, vleide moeder, gaap 
wijder en, effenaan het eten achter die magere lippen weg- 
dook, stak zij er opnieuw heele lepels brood en melk in. 

Loti dat was de oudste van de jongens, maar 't was een 
zieketierige vemeukeling : al veertien jaren lang zat hij tusschen 



Digitized by 



Google 



328 GROEIKRACHT. 



kussens en dekens in dat zelfde kinderzetelke op hooge pikkels 
met een planktafeltje vóór den schoot en nu nog, gelijk den 
eersten dag, was 't altijd dezelfde misvallen boorling. De 
jongen en steitte niet en hij was leelijk om zien. Zijn lijveke 
zat, om de ellendige magerte, in veel kleeren gedoken ener 
stak op zijn rug en borst langs weerkanten een groote bult. 
Daarnevens hongen zijn dunne armpjes slak lijk twee koorden 
en daaraan zijn roerloos lamme vingertjes. Zijn groot lang- 
gerokken leelijk hoofd zat driehoekte ingestuikt tusschen de 
schouders en 't zwemelde aan een fijnen vezelhals zoo zwaar 
dat 't dreigde af te vallen. En hij zat daar in zijn stoelken, 
heel de lange dagen en zijn groote oogen draaiden lijk matte 
bollen, zoo kinderlijk dom en toch zoo tragiek-ernstig rond 
en mede naar al wat er in huis beweegde of roerde. Soms 
trok hij zijn groote lippen open zoodat er twee reken ongelijke 
en vervallen zwarte tanden blootkwamen en al de plooien 
van zijn grauw oudemanswezen versnakten en grijnsden. 
Moeder en de jongens zegden dan dat Lootje loech en leute 
had. — Ze zagen hun broerke zoo geern. Vader bezag dat mis- 
boren schaap met meelijden en telkens voelde hij dan iets lijk 
een beroerte voor onverdiende straf van een niet-begane misdaad. 

De jongen knabbelde traag en als hij genoeg had neep hij 
de lippen toe en de oogen en liet zijn hoofd naar de linker 
schouder vallen. 

D'andere knapen lagen nog op den grond te vechten en 
te krauwwoelen tot dat moeder hen hiet te gaan slapen. Zij 
tinsten nog wat en kneezen om te mogen opblijven, maar 
omdat vader beslissend zijn voorhoofd in rimpelingen trok 
klauterden zij, rap lijk de katten, de ladder op en kropen 
achter een gescheurden voorhang van drolgoed in een lang, 
donker hol onder 't stroodak, elk in zijnen polk. 

Vader en moeder gangen in 't achterkamertje hun vermoeide 
lijf laten rusten; en Loti bleef alleen in d' huiskeuken 
zitten glarieën, zonder vaak, naar het pinkend oliepitje, dat 
een schemerdag op de dingen hield. 

Peter lag lang nog te denken aan de velden buiten en 
aan 't werk en aan al dat hij later zou doen in den blijden 



Digitized by 



Google 



GROEIKRACHT. 329 



tijd eens dat de kinders groot zouden zijn en stevige armen 
hebben. Die jongens nu en sliepen ook niet maar zij vezel- 
rulden onder elkaar over al het schoone speelgoed van den 
kermisgang, morgen; van al de leute, en wat ze al koopen 
gingen en ze wenschten wel duizend keeren dat 't haast 
weerom klaar en dag zou zijn om seffens te mogen opstaan 
en vertrekken. 

En eindelijk kwam de rustige slaapvrede over het huizeke 
en over al die menschen. Buiten dreef een witglimmige 
maan in een waterblauwen hemel, zoo eenig. 

*t Was de jonge zon met al haar schitterschichten en de 
merels en de leeuwerikken en veel andere vogels die 't eerst 
de lamme dood uitschudden en met groot geweld den nieu- 
wen dag verwekten. Overal kwam het volk naar buiten en 
het stage werken herbegon. Peter kwam met nieuwsgierige 
oogen zijn veld bezien en hij liet zijn blikken gaan over de 
uitgestrekte landen errond; hij gevoelde zich vol overwel- 
digende krachten. Hij stapte langs het koornstuk en tenden 
aan den hoek, draaide hij rond alwaar hij zijnen eigendom 
ging uitwijden. Ho! 't lag daar zoo groot een veldl maar 
hoe ongehavend en woest: een vlak uitliggende dorre hei 
vol groote keiklompen. Overal waar hij er met de spade in 
wilde kritselde en schrampte 't staal op de harde steenstukken. 
En bezijds langs alle kanten lag het weelderige groenland 
en de vette weiden vol bloemen zoo jeugdig en buitengewoon 
kleurschaterig van den morgen. 

— Dat ik hier twee sterke peerden aan de hand had en 
een staalijzeren ploeg die snijdt, meende Peter en nu zag hij 
in dat het veel lastiger, doodlastig, zou gaan, dat inne- 
men en 't zijne-maken van een nieuw plekje kweekgrond. 
Toch sloeg hij den krauwel met sterken arm in den grond 
en stapte gestadig voort tot de zon hem 't zweet uitduwde. 

Tegen den noen kwamen de jongens voorzichtig bij en ze 
vroegen aan vader — : of hij nu meeging naar de dorps- 
kermis. — Hij kwam met hen mede om te eten maar hij 
zei dat ze konden alleen uitzetten. — Ik blijve werken, jon- 
gens, — en hij keerde weer naar zijn land. 



Digitized by 



Google 



330 GROEIKRACHT. 

Zij moesten nu alleen naar de kermis; *t was de eerste 
keer dat ze zonder vader naar 't dorp gingen. Hunne 
schuchterheid van al die menschen ginder ver miek de jon- 
gens wat verlegen en toch waren zij er blij om, eens zooveel 
't hen lustte, te mogen kijken en slenteren waar vader anders 
met volle schreden, zonder ommezien, zou zijn voorbijgegaan. 
Uit de meest verstolen hoeken haalden zij hun spaargeld; 
maar eer ze voortgingen vermaande moeder hen duchtig: 

— Rechte deure gaan, kerels 1 nievers lang haperen, tijelijk 
thuis zijn, en geen geld verkwisten 1 Perterke, waar is uw 
muts? — en gij Jan, uwe broek afkuischen. Pietje, neem 
gij Feriks hand, goed zien dat ge malkaar niet verliest; Jan 
en Pol moet zorg dragen voor de drie kleintjes. 

Nu kwamen ze allen rond Lotis zetelke staan en ze vroegen 
wat ze hem best zouden meebrengen van de kermis. Zij 
staken hun hoofd dicht bij 't zijne en ze monkelden om hem 
te doen lachen. 

— Een rinkeltop? Lootje. 

— Een leuterkraam? — Amandelnoten? — Een houten 
peerd? — Een snokvent? — Koeken en suikerbollen? 

Loti's lam leelijk hoofdeke knikte naar elk end een, hij 
trok weer zijn lippen op en loech. De jongens waren nu 
gerust. En heel de bende was de bane op, zij keken nog 
om en schreeuwden luide en zwaaiden met de armen in de 
lucht omdat moeder en broerke zouden zien dat ze heel blij 
waren. 

— Bij tijden thuis zijn! — Vóór dat 't avont, schreeuwde 
zij hen nog achterna. 

Zij gingen altijd voort, door 't vlugge van den dag, en 
z'en letten niet noch op de strave hitte, noch op de ver- 
moeienis van den eendlijk langen weg. Zij volgden altijd 
mede den drijf van de menschen die haastig toezetten of 
trage wandelden, allen in dezelfde richting naar gindschen 
kerktoren, waar een groene mei opstak. 

Zij telden elk bij zich de langgespaarde zondagcenten en 
hielden 't geld, even een groote schat, met veel zorg gedoken, 
diepe in den broekzak. Ondereen vertelden zij hun verwach- 



Digitized by 



Google 



GROEIKRACHT. 331 



tingen van al 't geen ze zien zouden en koopen gingen, en 
ze kwamen overeen den overschot eraf te doen om een feeste 
te koopen voor Loti» die nu thuis bij moeder zat. Zij namen 
de eene den andere zijn hand, en lieten de kleintjes in 't 
midden want, hoe dichter bij 't dorp hoe meer de menschen 
bijeen op de bane kwamen en elk keek rond en werd angstig 
om toch niemand te verliezen. De jongens hun herte klopte 
van verlangen en blijheid omdat 't nu zoo nakende was; ze 
hoorden reeds allerhande geruchte dooreen en groot gedruisch 
overal en z'en wisten nu niet waar 't eerst de oogen wenden. 
Zij werden gedrumd en gestooten door de menigte waaruit 
zij geen enkelen mensch en verkenden. Elk ging zijn eigen 
gang en allen schenen om 't even beslommerd en verlaan 
om weg te zijn. 

— Hier, Ko, hier, Karelke, hier mijn handl riep Jan. 

Ze stonden nu hoog op de teenen.met uitgereikten hals 
tusschen veel volk vóór een groote kermistent waar een ge- 
leerde geit op een bolle voorttrappelde en witgemaakte venten 
hoog opsprongen en elkaar klinkende kletsslagen gaven. Al 
hun oogen vol, overal was 't nieuws en om ter schoonst: al 
kleur en goud en blijheid en trompmuziek en orgels — een 
razen — z'en wisten niet door wat straten eerst, en zij moesten 
't al zien. Zij lieten hen op goedgeluk meêdrijven met den 
volkstroom vast besloten en overtuigd alzoo niets te verliezen, 
van al wat er te zien was — dan konden zij later nog twee, 
drie keers den ommegang herbeginnen. Voor de toogtenten 
met speel- en suikergoed bleven zij beramen en telden hun 
geld gedoken in den broekzak. Z'en waren Loti wel niet 
vergeten, maar z' hadden nu nog zoo veel tijd en ze wilden 
eerst alles, alles zien en dan koopen waar 't schoonst en best 
was. Plots kregen zij een nieuwen, goeden reuk in 't wezen en 
zij werden gewaar dat hij uit het groot wafelkraam kwam. Zij 
kregen nu ook op den zelfden stond grooten honger en die 
reuk kittelde hen dubbel aangenaam en ze dachten bij hun 
eigen: dat die bruingele ballen daar, met wit suikerstrooisel 
d'rop iets moest zijn waar ze van hun leven nog aan gero- 
ken of naar getast en hadden, zoo goed! — En z'n 



Digitized by 



Google 



332 GROEIKRACHT. 



weerstonden hun eigen niet en kochten elk een warmen olie- 
koek. Zij proefden, tastten eerst met de tanden en dan met 
volle grepen. 01 dat was iets, — zij kochten er nog elkeen. 
Zij hertelden weerom hun geld. Aan een peerdenmolen 
zagen zij veel jongens lustig rondschij veren scharreling op een 
houten peerd met gouden zadelriemen en een lederen teugel. 
Ze bekeken dat een toelang tot dat Jan aan een jongen 
gevraagd had hoeveel het kostte om een ronde rijdens. En 
als 't maar éen cent was, sprong hij erop. Juu 1 haroe 1 en 
allemaal mee op een peerd en zij werden rondgeslingerd in 
den slibberenden rondedraai dóór veel muziek en tromgeroffel. 
Zij haalden cent voor cent uit hunnen zak en betaalden altijd 
voort een nieuwe ronde. 

— Noch nooit zoo*n leute 1 riep Peterke en zij keerden rechts 
en links op den breeden peerdenrug en zij loechen naar malkaar. 

Dat duurde tot dat Jan een ernstig teeken deed en met 
een wip weer op de werkelijke wereld sprong. Nu was *t 
tijd iets te koopen voor Loti, al hun centen waren bijkans 
verreden en de arme jongen zat nu thuis zoover van den 
peerdenmolen! en hij zag er niets af van al die kunsten- 
doeners en die venten en meisjes in goud gekleed en al die 
gekleurde kermishuizen. O ! ze gingen 't hem allemaal ver- 
tellen en wijs maken 1 

Karelke, Bertie en Fonze, ze zagen dat al hun centen 
bijkans op waren en dat ze nu niets meer koopen en konden 
voor broerke dat 'ttoogen weerd was. Al de dingen waren 
hier zoo razend duur en eiken keer zij iets vroegen noemde 
de kramer een prijs dat ze er versteld af stonden. 

— Ik koope mij drie suikerstokken voor Loti, zei Ko. 

— En ik een vliegbal. 

— En ik een snokventje, een heel kleintje, daarvan zal 
Loti lachen als ik aan het touwtje trek. 

— Waar is Peter? vroeg Jan. 

En al de jongens rondom uitkijken, vragend, verlegen. 

— Waar is Peter? 

Peter was nievers te zien. Z'en durfden geen stap van hun 
plaatse roeren om malkaar niet te verliezen. 



Digitized by 



Google 



GROEIKRACHT. 333 



— Zie, raadde Jan, blijft gij gedrieën hier bijeen tegen 't 
schietekot staan, ik en Miei en Jef zullen gaan zoeken waar 
hij is en we komen hier dan al te zamen terug. Zij zetten 
uit elk aan eenen kant. Zij zochten door al de straten, keeken 
bij al de kramen en doorkronkelden al de menschen waar zij 
bij drommen opeen stonden. 

Eindelijk keerde Jan weder naar 't schietekot. 

— Peter niet gezien. 

De jongens stonden daar vol angst en wachtten. Miei kwam 
ook terug. . . zonder Peter. Wat later Jef — ook niemand 
gezien. 

Maar ginder was hij; mede met Ko en hij zag er heel 
blij uit. Van ver deed hij teeken met de armen dat hij veel 
te vertellen had. 

— Ho 1 gasten, nu is 't gedaan, 'k heb ze zitten jongens 1 — 
en hij woelde met de hand in een heelen zak rinkelende 
munte. We koopen heel de kermis op, 't overige liet hij hen 
voorzichtig hooren, heel zoetjes : 

— Hoor, jongens, kom mee met mij en we zullen geld 
winnen. 

Z' en wisten nog niet wat Peter wilde maar ze volgden 
hem toch en kropen door kronkelwegen tusschen *t volk. 

— Laat ons eerst koeken koopen met uw geld, vroeg Jef, 
ik heb honger, en zij kochten elk twee groote wafels nu en 
Peter betaalde. 

En zij kwamen in een donkere steeg, tusschen twee ker- 
mistenten bij een tuischtafeltje waar veel menschen rond 
stonden. 

Peter legde een hoopke centen op het klaverblad en de 
teerlingen rotelden in het houten bakje , . . . de vent raapte 
Peters centen op en stak ze in den zak. 

— Ander liefhebbers 1 ? — 

De broers stonden met uitgerokken hals dat spel af te 
zien, en dan naar Peter, heel verwonderd hoe die vent de 
opgelegde centen wegnam. 

— 't Is niet jongens, zei Peter, en hij deed hen den gang 
van 't spel uiteen : als 't klavers gevallen was, moest de vent 



Digitized by 



Google 



334 GROEIKRACHT. 



me *t dubbel uitkeeren. — Speel maar. Toe Bertie, leg gij 
hier uw stuiver op schoppenaas en ge winti 

— 't Is mijn laatste, dacht Bertie. Hij legde hem met een 
hand die beefde en hij staroogde op de dansende teerlingen ; 

ze vielen en de vent snapte Bertie' s stuiver ook weg, 

De jongen ging bedremmeld achteruit, hij was afgespeeld. 

Ko en Karelke en Fonse en al de andere waagden ook 
hunnen stuiver en éen voor éen verloren in't spel. Miei won 
eenige keeren en hij keek heel preusch naar de broers die 
angstig dat waagstuk stonden af te zien. 

— Zie, gasten, we zullen nu in eens veel geld hebben, en 
hij zette een heele handvol stuivers in twee hoopkes op ruiten- 
aas en op den anker. Hij verloor. Hij bleef nog wat gapen 
naar de gevallen teerlingen en dan gingen zij, zonder 
spreken verder. — De menschen bekeken hen daar te ge- 
weldig. Nu gevoelden en wisten zij eerst dat ze 't al kwijt 
waren en niets meer te koopen hadden ; al de koeken waren 
opgeëten en de houten peerden, kaatsballen, snokventen en 
al 't ander kermisgoed, ja 't lag daar voor 't grijpen in 
bonte veelheid opeen. 

Zij wilden weg nu en een groote mismoedigheid kwam in 
hen op. Ze voelden de tranen uitloopen en zij verwelen bij 
hun eigen Peter die de schuld was van dat ongeluk en Peter 
legde al het kwaad op den leelijken vent met zijn tuischtafel. 

Zij haastten zich weer naar den eenzamen aardeweg die 
naar huis leidde ver van het groot gewoel; maar die plotse 
stilte vermeerderde nog hunne triestigheid. 

Loti zit nu bij moeder te verlangen tot we thuiskomen, 
zei Bertie. 

— En vader zal slaan en kwaad zijn. 

Zij bleven onderweg staan mijmeren op eene uitkomst en 
z'en wisten niet of ze voort naar huis wilden. 

— Vader mag het niet weten van het ankerspell niet 
zeggen, hoorl Jef, en gij Kol dreigde Peter. — Maar wat 
zullen we zeggen? — 

Ze zetten hen langs den gerskant om iets te vinden en 
wat uit te rusten. Z'en spraken geen woord en keken ver- 



Digitized by 



Google 



GROEIKRACHT. 335 



drietig over de velden die nu doodvlak en zoo ijl lagen 
uitgemeten zonder leven en verre van huis. 

— Kijk, zei Miei, we moeten voort, het zonneke gaat reeds 
ter go, en 't is nog zoo ver te gaan. 

Zij en besloten nog niet te vertrekken en Karelke bleef 
lijvelijk schoppen vol inwendig spijt op de holle kopwilg die 
beneden in de gracht stond. En zie, de jongens verschrikten, 
daar sprongen éen, twee, drie beestjes uit het binnenste van 
den boom en zij liepen met groote sprongen in 't koom. 

— Staat 1 riep Ko, 't zijn hazejongskes, en hij hield de 
opene handen omzichtig voor 't hol in den boom, stak ze 
dieper en tastte . . . Zijn herte klopte, en d'andere jongens 
stonden gespannen en kijken of er nog iets zou inzitten. Ko's 
handen gingen dieper in 't hol en hij liet een blijden schreeuw 1 

— Hier, zie, jongens! en hij haalde zijn handen boven, 
stevig gesloten en hield een beestje dat geweldig spartelde. 

Al 't verdriet was uit; ze trokken aan Ko zijn schouders 
en armen: 

— Laat zien! Laat zien! wat is 't, Ko? — en als ze 't 
zagen: 

— Hol we hebben een haasje, een schoon klein haasje! 
we brengen het Loti voor zijn kermis! 

— Nu vraagt vader voorzeker niet naar ons geld en we'n 
krijgen geen slagen, nu. 

Ko zette het beestje op den grond en hield het bij de 
ooren. Al de jongens moesten het van dichtbij bezien en 
overstreelen. 

— En nu naar huis! Al wat ze loopen konden naar huis. 

— En aan niemand zeggen van de teerlingen, vermaande Peter. 

— Loti zal lachen en zoo blijde zijn om zijn schoon haasje ! 
't Was donker avond en de jongens waren heel in zweet 

als ze thuis kwamen. Zij zetten 't hazejong bij Loti op zijn 
schootbankje — maar jongen verschrikte eraf en schreeuwde 
benauwelijk. Zij vertelden aan vader en moeder hoe zij koeken 
gekocht hadden om den grooten honger en dat ze al de 
dingen zoo overdanig duur vonden en niets dan het haasje 
kosten medebrengen. Zij verzwegen de doening van Peter 



Digitized by 



Google 



336 GROEIKRACHT. 



met den tuischbak maar ze herhaalden gestadig hoe Karelke 
op de wilge schopte en ze toonden hoe al die hazejongen 
eruit wegwipten tot dat Ko het laatste op zijn nest nam. 

Het haasje werd voor den nacht in eene oude vogelkooi 
gesloten en de jongens loechen in den vuist als ze zoo goed 
in bedde lagen zonder slagen krijgen. 

's Morgens heel vroeg kwamen zij van de ladder gestormd 
naar de kooi en ze bleven daar lang op de hurken zitten 
kijken, 't Was een liefelijk beestje met vlijtige oogen en zij- 
achtig haar, — 't stond in witte duivevluwe onder den hals 
en bezijds op de kanten, met bruine toppen bespekeld op 
den rug en geringeld en roskleurig op den nek. 

— Zie, ter staat een schoon wit sterreken op zijnen kop, 
riep Fonse. 

— En zwarte topjes aan de ooren. 

— Hol 't Was een schoon, schoon beestje. 

Maar vader zei ineens dat hij gereed was en hij hiet hen 
allemaal meegaan naar 't veld om steenen te rapen. 

Daar was 't heel den dag kappen en kerven dat de zwarte 
eerde in stukken spleet, werken zonder opzien in een taai 
volhouden door al de vermoeienis en hitte voortgejaagd en 
gedwongen met den sterken wil om den akker te vermeer- 
deren. De jongens vonden dat de dagen hier zoo lang waren 
en 't zoo geweldig heet was op het barre land en ze voelden 
groote pijn in den rug en zeer aan de handen van 't gebogen 
staan en 't wroetelen in 't zand en de keien. Langs den weg 
groeiden de steenhoopen traag en 't nieuw omkapte land 
werd stilaan uit te wijden. 

— Dan houden we een koetje, trooste vader als hij zag 
dat de jongens afgebeuld waren en niet meer voort en konden, 
en ge moogt er mede uit gaan grazen, en we krijgen alle 
dagen melk. — En later houden we nog veel koeien erbij, 
en peerden ook en als ge groot zijt dan woont ge op een 
hoerenhof lijk dat van Knudde ; dan kunt ge uit gaan jagen. 

De jongens wrochten met nieuwen moed en eiken avond 
dat ze met vader huiswaarts keerden vroegen zij : 

— En wanneer komt nu het koetje, vader? 



Digitized by 



Google 



GROEIKRACHT. 337 



Maar ze moesten eerst nog veel, veel steenen rapen. 

Thuis zat Loti in de lange zomerdagen te verzonnen buiten 
aan den voorgevel en vóór hem op 't hof tusschen de palmen- 
tronken in *t gras speelde het haasje. Het beestje was veel 
gegroeid en heel tam geworden, 's Morgens vroeg zette het 
uit naar 't veld op een uchtendloopje en met den dag was 
het weer aan de deur tegen dat moeder Loti in zijn zetelken 
buiten in den zonnesching bracht. Het zat daar eerst ernstig 
recht op de geplooide achterpooten en kuischte metdevoor- 
klauwkes zoo net zijn snuitje af, dan kwispelde het de lange 
ooren, luisterde naar een geruchte met scheefloerende oogen 
en dan proeste het uit in een spartelspringen zoo zot rond 
al de tronken en duizend keeren kronkelwippend over en over 
het grasweidje. Loti zat daar met lamhangende armen en 
de oogen groot open met bewondering al die zotternije na 
te gaan. 

Hij en schreeuwde nooit meer en was ook niet verdrietig. 
Zelfs als het haasje een kromme spartelpert gedaan had en 
nu op den buik uitgestrekt te slapen lag, begon de jongen het 
dan eerst te peinzen : zijn groote lippen rekten open en heel 
zijn lijveke schudde van een vreemden lach. 's Avonds kwam 
het haasje mede in huis en bij hem op het schootbankje 
zitten, zij aten uit het zelfde schotelke den melkpap en als ze 
allen slapen gingen, legde de jongen zijn koude beender- 
handjes op het haasje dat ingekrompen daar zitten bleef, 
heel den nacht. 

Moeder en de broerkes waren blij omdat Loti nu ge- 
lukkig was en vader ook glimlachte soms ab hij dat lief 
kinderspel doende zag. 

Hoe verder de dagen draaiden hoe hooger de zon groeide 
en heur hitte stookte altijd meer, zoodat de vruchten in hun 
veien grond opsnakten in ongewone weelde. Elkende een 
die buiten ging, stond en bewonderde die belofte van een 
grooten rijkdom. 

En 't gebeurde eenen dag dat boer Knudde op jacht zijnde 
den gang nam door Peter Schemels veld waar hij den man 
heel bezweet zag staan arbeiden samen met zijn tien jongens. 



Digitized by 



Google 



338 GROEIKRACHT. 



't Verwonderde hem dat Peter met zulk geweld het brake 
land ontgon en hij vroeg bij zichzelf: waarom Schemel zich niet 
tevreden hield met het oud aardappel- en koomstuk. Zijn 
jongens groeien lijk de wolven, dacht Knudde» hij zal beesten 
houden en willen boer worden, ... we zullen moeten ons land 
in palen zetten. 

Hij wandelde voort met zijn zwaren stap en kwam voorbij 
Schemels huizeke waar Loti en zijn haasje hun plezier hadden. 
Eer 't iemand gewaar werd speurde Knudde's hond het wild, 
maar 't haasje liep niet en de hond bleef staan bassen, 
't Was dan dat de boer het beestje zag; hij legde aan en 
schoot. De haas rolde omver werd van den hond opgesnapt 
die hem ruwgezind beet en slingerend ermede wegvluchtte. 
Loti liet een geweldigen schreeuw en moeder stormde buiten, 
't Eerst zag ze haren jongen lijk dood : zijn hoofdeken hong 
afgeknakt neer en zijn oogen waren toe ; dan keek ze rond 
en daar liep de hond met Loti's hazeken en boer Knudde stapte 
gezapig verder. Ze bleef versteld en verschrikt en 't viel haar 
dan in dat de jongen doodgeschoten was ; hij hong daar even 
een schamel martelaarken zonder leven met dien schreeuw 
gesmoord nog in den open mond. Ze rechtte tusschen heur 
handen dat bleek hoofd en de oogen draaiden verweerd 
open, 't waren twee witte, verglaasde ballen. 

Nu kwam er een razernije in haar op en zij look de 
vuisten. 

— Hij is dood, mijn jongen 1 Knudde heeft mijn arm 
schaapken vermoord 1 en ze zakte heel ineen nu dat ze 
wist en daar stond vóór een onverbeterlijk ongeluk en ze 
schreide. Zij nam het kind op uit zijn zetelke en zie, 't viel 
slak lijk een slunsken en 't geleek de dood van magerte en 
ellende. 

Knudde hoorde het lawaai en hij dacht : de jongen, hoe 
komt dat, hij moet een hagelzaad in den kop gekregen 
hebben, maar ze zullen er blij om zijn, de menschen, dat het 
leelijk kinderschuw dood is en hij nam den haas uit den hond 
zijnen muil en stak hem in zijne weitasch. 

Vader en jongens schrikten op door dat geweerschot en 



Digitized by 



Google 



GROEIKRACHT. 339 



ze kregen plots de voorbedachtheid van een benauwelijke 
beroerte en ze liepen in der haast naar huis. 

Zij vonden moeder op den drempel van de deur zitten 
huilen en ze hield nog altijd haar kind in de armen. Met 
den eersten blik zagen zij hoe Lx>ti's hoofd zoo slak, zoo zwaar- 
dood zwemelde aan dien mageren hals. Zij schoten bij en wilden 
die lamme leden oprechten en die moede oogen open doen. 

— Knudde heeft den jongen doodgeschoten 1 tierde Schemel. 
Ze bleven allen in angst en verbaasdheid rondeen gedrumd 
bij moeder en zij keken nu eens op hun leelijk broerke dat 
nu voor altijd dood was en dan weer wendden zij gezamenlijk 
het hoofd al den kant waar Knudde was weggegaan, om te 
zoeken naar iets . . . naar de oorzaak van dat groot ongeluk. 

Geen éen die vertord of roerde en ze begonnen eenbarig 
te weenen» heel stil, ingehouden. 

Later legde moeder het kind op een beddeke en ontkleedde 
het. Ze zocht met vader over heel zijn mager lijveke maar 
vond nievers geen kogelwonde, 's Avonds in 't donker- 
worden zaten zij allen rond in huis met stilte en moeder 
vertelde hoe de hond het haasje in den muil greep, van het 
geweerschot en dien ecndlijken schreeuw van Loti en toen 
zij buiten kwam en den ineengevallen jongen zitten vond 
lijk een dood vogelken. Achter ieder woord was het nieuw 
weenen en zuchten. 

Dien avond en vroeg niemand naar eten en de jongens 
zagen verlegen naar vader en moeder en ze verlangden om 
naar bed te gaan. Ze moesten eerst nog in de kamer en 
kijken naar Loti die daar nu lag onkennelijk : een zoo vreemd 
uitgerokken ding zonder leven ; zij gingen heel voorzichtig bij 
en keken en klauterden dan zonder spreken naar den zolder. 
De wissen kinderzetel stond nu ledig achter de schouw en 
daar brandde geen lichtje meer in de keuken. 'sAnderdaags 
wiesch moeder het lijkje, ze duwde nog eens die mager witte 
handjes in de hare om 't uit te snikken en dan naaide zij het 
in een linnen kleed, nam den dooden schat op, en vader met 
al de jongens volgden den droeven doodgang. Ze begroeven 
Loti in eenen put ver achter 't huis, en Schemel plantte een 

23 



Digitized by 



Google 



340 GROEIKRACHT. 



jongen eik op het graf en stampte hard de aarde toe rond het 
jeudig scheutje; hij verzwolg zijn leed en zei tegen de jongens 
die weenden : dat takje wordt later een groote boom en als ge hem 
later ziet, eens dat ge groot zijt, dan zult ge denken dat we hier 
onder, Loti begroeven, uw arm broerke door Knudde vermoord. 

Zij keerden weer naar huis en begonnen opnieuw te werken. 
Moeder werd het zoodanig eenig zonder haar ziekelijk kind 
en die nieuwe stilte woog even een zware benauwelijkheid 
overal waar ze rondkeek. Als zij *t begon te herdenken dat 
het schaapke nu zoo plots de dood in was, liet ze heel heur 
bezigheid vallen en ze zette zich met het hoofd in den schoot 
gebogen, te weenen. Binst het werk vielen haar oogen ge- 
durig op dat zetelke dat zoo ongelukkig ijl stond op zijn 
hooge pikkels en dat bracht heur altijd nieuw verdriet. Met 
een vast beraad nam ze ineens al Lotis kleeren verlegde 
en bestastte de stukken éen voor éen nog een laatste 
maal : zijn rokje, het gestreept slaaplijf. de woUe muts en al 
de lieve, lieve kleinigheden die hij zoo geem op zijn schoot- 
bankje liggen had, ze wond het al te samen in een grauwen 
doek en droeg *t naar den zolder. Maar t' halven de trap 
en kon zij niet meer verder, zij zwakte ineen, wilde hier 
nog een tijdeke wachten en zij duwde die dingen met een 
genegenheid tegen het hart : dat onnoozel brolgoed was nu 
*t eenige wat er haar van den jongen nog overbleef en dat 
was nu een dierbare schat geworden. Toch moest zij voort 
en ze stak dat alles met veel zorg in een diepen donkeren 
hoek onder *t stroodak, en zij miek het vast besluit daar 
nooit meer naar om te zien. Beneden gekomen voelde zij 
dat Loti nu eerst voor goed weg en begraven was. Bij 't 
eten en sprak zij geen woord maar als vader met de jongens 
weer op stonden en weg gingen, zei ze: 

— Peter, g*en zult mij hier alleen niet meer laten; *k ga 
meê werken naar buiten ; *k ben vergruwd hier in huis. Zij 
greep een krauwel en ging mede naar 't land. 

Het groot stuk nieuw ontgonnen veld lieten zij nu onver- 
richt liggen en gingen dweers over het koornstuk werken 
links, in de nabijheid van Knudde's hofstede. 



Digitized by 



Google 



GROEIKRACHT. 341 



Daar bedrichtten zij het brake weiland waar de boer in 't 
najaar zijn koeien liet grazen. Dat was als een spokende 
bezetenheid, een snakangstig voornemen in Peter Schemels 
geest gekomen : dat reuzengedoen van Knudde, al die groote 
gebouwen met al die beesten en al dat uitgestrekte land dat 
er rond lag, stak hem in de oogen lijk een foltertuig, dat 
alles wilde hij met kranigen moed te keer gaan ; de taaivaste 
wil van zijn sterke armen en de piepjonge, maar opkomende 
krachten van zijn tien knapen zou hij richten op den vijand, 
traag maar zeker. Er ging in hem iets aan 't stormwoeden 
telkens hij dacht aan dien zwaarlompen dwingeland die hem 
wilde inslokken en met zulk ruw gebaar zijn schamel zoontje, 
hoe barsch, kwam wegsnakken zonder ommezien. Knudde 
zelf, de boer van de hofstede, die vent met zijn zwaren kop 
zijn vleezige romp en korte beenen, 't was eigenlijk dkt 
niet welk hij 't meest haatte en hij zou hem gerust kunnen 
laten voorbij gaan zonder kwaad te beleggen; 't was heel 
't gedoen met al wat erover liep, heel dat groot zwart 
en dreigend gevaarte dat ginder zoo zwaar tegen den hemel 
stond, dat wilde hij overweldigen en er heel zijn overkrachtig 
werk tegen stellen. En 't ging er op los met woede, 's Morgens 
met den vroegen dag waren zij allen op 't veld. Moeder stond 
bij, in hard stilzwijgen, gebogen en zij wroetelde en wrocht 
in de aarde. De jongens weenden soms van de vermoeienis 
en om de bijtende zonhitte die vlamde over hun leden ; zij 
waren geneigd erbij te vallen en toch wrochten zij voort uit 
vrees voor vaders kwaden blik. 

En de eene bendschroode brake veld achter de andere 
werd in purpergUmmend ploegland gekeerd. Schemel over- 
ging dat wijd en zijd en wierp er met grrooten zwaai het 
zaad op dat overwelig groeien moest in dien maagdelijken 
grond. Zoo bleef het dan liggen, wel toegerold, overgelaten 
aan de broeikracht van de zon en aan de vochtigheid van 
de nachtlucht tot er, na korten tijd overal nieuw groen 
kwam en versche vruchten uit opschoten. 

Heele nachten lag Schemel te overwegen het werk van 
morgen. Hij bouwde en timmerde in zijn gedachten, traag, 



Digitized by 



Google 



342 GROEIKRACHT. 



een ding *t eenegader, tot er daar op den donkeren muur 
vóór hem een heele doening groeide: een vierkant omsloten 
hof, het nieuwe boerenhuis en stalling en schuren daar te 
midden, bezijds de messing, de groote eik stond en prijkte — 
een groote boom, zou 't dan geworden zijn met wijde kruin en 
zwaren stam. En hij voelde weer een nieuwen wrok en versch 
herteleed om den dutsachtigen krensejongen die dood was. 

Nu moesten zij toch beginnen met eene stalling want het 
groen stond hoog buiten en 't was tijd voor een vaarsje te 
kweeken — het eersteling van de groote koeibende. Schemel 
ging met de jongens naar het bosch en zij kapten er spillen 
en takken die zij naar huis sleepten, in d'aarde plantten 
en toedekten en afslooten met klei, wissewerk en bladeren. 

Binst dien tijd wandelde Knudde voort lijk vroeger overal 
dweersdoor de landen en vertrapte met zijn zware voeten onge- 
nadig de jonge vruchten. Het verwonderde hem toch al dat nieuw 
bedrichtte land te zien zoo nabij zijn goed en hij monkelde 
om al het pijnwerk van Schemel en zijn knapen. Schemel 
en zag hem niet, hij was thuis aan 't werk en gelukkig: 
Hij had het eerste koeiken op stal en de zaken waren nu 
tot een zekere weldoende oplossing gekomen. De vruchten 
lukten goed en in *t afgaan van dien geweldigen zonnetijd 
kreeg Schemel het deugdelijk gevoel van overwonnen moei- 
lijkheden. In zijn werkijver kwam een verslapping : hij voelde 
zich eigenaar op zijn zelfbewrochte goed; de verdere ver- 
weldiging zou nu staag opgaan en veel gemakkelijker, hij 
kreeg hoop in zijn knapen. Die waren nu wilde opgeschoten 
magertaaie werkers geworden met knokige beenen en onge- 
sloten leden nog die wakelden, gasten met stevige armen en een 
gladbruin aangezicht verbrand door al die zonnelucht. En 
buiten, buiten rond het huis stond de belofte van een veien 
oogst, een heele rijkdom met veel, goed eten en leefte voor 
een grooten huishoud; en verder overal uit, lag de onein- 
digheid van veel land om nog bij te winnen. 

Schemel was dat alles aan 't overdenken en *t bewonderen 
een avond dat hij lang was blijven spitten als de jongens 
reeds naar huis waren. *t Ging zoo goed nu buiten na dien 



Digitized by 



Google 



GROEIKRACHT. 343 



zomerlangen dag, als een lavenis die koelte te voelen neerregenen 
over het uitgebrande veld. Hij wandelde traag en genoot van 
de weelde van zijn eigendom; — 't was vreemd nu: voor 't 
eerst was die angstige gejaagdheid over en er kwam iets bij 
hem op als een verzadiging, een ongekend geluk. Hij weerde 
hier een kruidstaal, stak daar een mierennest uit en keek 
vorschend in den hemel naar de uitgesleepte witte sluier- 
wolken hooge tusschen de uitpiepende sterren, om te raden 
naar 't weertij van morgen. Bij zijn koornveld greep hij een 
handvol auwen nader en keek hoever het koorn gespeend was. 

— Een volzware oogst, schoon jong graan zal *t zijn dees 
jaar, meende hij. *t Is een zegen zulke vruchten! 

Maar zie, wat verder, wat een verwoesting 1 Heele straten 
lagen in 't korenstuk gedreven, platgestampt ; 't was een 
jammerlijke schade en zijn goed was moedwillig vermoord. 
Hoe jammer; Schemel voelde dat zoo pijnlijk, even een 
gekkende schimplach om zijn zuurverteerden arbeid. 

— 't Zijn de jagers, morde hij, en zijn oogen wendden kwaad 
naar het gedoe van Knudde. Die versterking en zag hij nu 
niet meer als een gelaten, rustende log^reus wiens overmacht 
hij met zijn schamele peesarmen had af te weren, — maar 
het ding was aan 't roeren gegaan en kwam zijn pogen 
vermooschen. 

Hij bleef wat staan dubben en staroogen op de verkrookte 
koornstalen, ... en daar verder hoorde hij de ruisching van 
een tred die naderde. In de laagte zag hij den grooten 
Knudde die gezapig en zonder achterdocht het koorn door- 
wandelde. De zware vent had zijn schietroer op den schou- 
der en hij keek met een voldane wellust rond over de halmen. 
Schemel rok zich uit in een geweldigen toorn en 't werd 
overal in de wijdte om hem heen, als een hoog water aan 't 
zieden. Daar was Knudde, en die vent — die romp, gedoken 
in koorn, met zijn groote armen en dikken kop, dat was nu 
ineens de eigenlijke Knudde niet meer, de opperbaas van 
de hofstede, maar hij werd heel de doening zelf, de over- 
macht in persoon, die Schemel kwam teisteren. — Loti's 
onbarmhartige moordenaar 1 Hij bleef gespannen staan zien. 



Digitized by 



Google 



344 GROEIKRACHT. 



Maar de vijand vertrapte voort het koom. Zie, de dwingeland 
die hij met zoo'n langlastigen arbeid van zich moest houden, 
die kon hij nu met éen armzwaai omwerpen. Hoe meer hij 
hem zag gaan door het koorn, met die onversaagde beweging 
bij eiken tred die al die kostelijke halmen vernietigde, voelde 
hij den spijt opkomen, er ging iets lijk een mes dat Schemel 
stak als eene uitdaging naar een geweldigen haat. En nu moest 
het uit zijn 1 Hij wierp de spade van zijn schouder en met een 
grooten sprong, wipte hij in 't koorn recht op Knudde toe. 
De boer keerde zijn wezen en daar stonden zij voor elkaar 
lijk twee kwade beesten te kijken in eikaars oogen; Knudde 
met groote verachting en Schemel hakend naar bloed en 
naar wraak. Tegelijk voelden zij het aankomen; Knudde 
wierp het roer van zijn schouder op den grond, maar Schemel 
sprong toe, wrong de dikke boer krampachtig in de armen 
en ze worstelden lijf om leven te midden 't koornveld. Zij 
schoorden en schampten de beenen vast in den g^ond, torden 
en scherrelden en ploften eindelijk zwaar neer. Zij hielden mal- 
kaar altijd omsloten in woede ; en grolden. Knudde wrong met 
kracht zijn leden op in die twee stalen armen, die Schemel 
niet en verpakte omdat hij 't voordeel wilde houden. Zij 
raasden beiden om hunne onmacht en hun grijnsende aan- 
gezichten lagen tegeneen lijk gebonden. Met een nieuwen 
ruk boomde Knudde den buik op, maar Schemel spande zijn 
spieren en sloot de armen lijk twee stalen koorden. Zij 
rolden om en met dat Schemel de rechterarm loskreeg van 
tusschen het lijf en den grond, wentelde hij zich met een 
machtigen draai naar boven, doog met schouder en knie 
op Knudde's zijde, greep al over zijn lijf en hield den 
anderen arm weerloos omsloten. Nu had hij éene hand vrij ; — 
die sloeg hij met overwinnende razernij, tot een klauw-vuist 
gehaakt in Knudde's wezen — maar dat vorderde weinig: 
het taai boerengezicht werd peers en blauw en zijn tanden 
snauwden gedurig om die vuist te kunnen grijpen. Schemel 
werd woedend ; zijn oogen zochten rond naar iets — een stuk 
alm of steen, iets dat hard was en diep zou kwetsen. Daar 
vond hij onder de hand het schietroerl Nu zou 't gedaan 



Digitized by 



Google 



GROEIKRACHT. 345 



zijn. Hij greep het en stootte met de kolf herhaalde keeren 
dien leelijken kop te pletter en heel in smoes. Dan liet hij 
al zijn krachten los. Knudde roerde niet, hij was dood I dood l 
dood 1 De groote reus, de ontzaggelijke groote reus, de groote 
Knudde was dood, hij roerde niet meer en zijn eendlijk hoofd 
was vermorseld heel onkennelijk en zijn lijf lag daar uitge- 
strekt met ontspannen armen, de beenen wijd open, en veel 
bloed, over al veel bloed. Nu was het .... en Schemel 
hoorde, met groot gedruisch het ratelend ineendonderen van 
de groote hoeve. Hij rechtte zich, en hij stond alleen, als 
de sterke meester op zijn land, triomfantelijk in zijn machtige 
overwinning en niemand meer tegenover hem. Hij wilde 
opspringen en dansen in zijn vreugde maar dan kwam 
een vreemde vrees in hem op, die de groote voldaanheid 
uit zijn handen kwam stukslaan en uiteengooien. Knudde 
lag daar zoo deerlijk gehavend, zoo gruwelijk en ellendig, 
dat hij nu lijk deernis kreeg om *t gedane. Knudde, de 
gezapige, goedgeaarde reus. — Schemel, g'hebt gemoord, 
Schemel, g'hebt kwaad gedaan, ging het overal en hij hui- 
verde. De sterke vent, hij stond daar in heel zijn groote 
kracht, en moest hem hier nu iemand zien, hij lutterbeende 
onder een flauwe kinderkoorts. Ten allen kante zag hij 
Knudde's zonen komen toeloopen en zij zwaaiden in groote 
verbolgenheid de armen. Hij liep, vluchtte lijk een radelooze 
zot over en door de velden. 

Thuis bleef moeder met de jongens ongeduldig wachten 
naar vader om 't avondeten. 

— Toe, Fonsie of Karel, ga kijkt of vader voortkomt, zei 
ze. En de jongens gingen; maar schaars waren zij buiten 
daar zagen zij al die kerels op jacht met knuppels en verder 
peerdegasten die draafden verwoed, achter een vent die 
vluchtte en jammerlijk schreeuwde om hulp. Die vent sprong 
over de beek en draaide rond in 't veld, dook zich, en weer 
opgejaagd kwam hij afgestormd naar huiswaart. Moeder en 
de jongens kregen een geweldigen herteslag, ze bleven spra- 
keloos en keken angstig. 

— Houdt heml houdt den moordenaar, tierde het volk. 



Digitized by 



Google 



346 GROEIKRACHT. 



Nu was 't heel zeker ; ze verkenden hem : die verjaagde 
vent was vader. Zij liepen naar hier, naar daar, om hulpe 
te bieden en zij stoven uiteen voor de wreede vervolgers, 
lijk een bende verschuwde musschen. Vader keek verweerd 
naar hen op, deed een zijsprong achter den koestal maar 
een knecht gooide hem daar een knuppel tusschen de beenen 
die hem deed vallen. Ruiters en volk 't kwam nu al bijeen en 
zij bonden den vent en sloegen hem met vuisten. 

— Maar hij heeft Knudde vermoord 1 schreeuwden zij, naar 
't gevang moet hij. Naar 't dorpl 

Zij sleurden hem over de straat en heel de bende volgde. 

Moeder drumde om nader en de jongens en bekwamen 
niet van de angst. Roze wilde en moest bij haren vent en 
hem vragen wat hij misdaan had of ze hem zoo schuldeloos 
de dood aandeden. Zij liet de jongens en trok zich los, 
ijlde vooruit en keek hem in 't wezen als hij daar gebonden 
tusschen de beulen voorbijging. Hij had haar verkend, alleen 
lijk ze daar stond langs den weg; en met een blik van zijn 
oogen kwam de droefheid over haar en de zekerheid van 't 
geen zij vreesde. Nu zocht zij weer haar jongens, nam het 
kleintje op den arm en een ander aan de hand en zij volgden 
nu gezamenlijk den luischaterenden stoet. Alhier en aldaar 
hoorde zij eenige vlugge woorden uitleg over den moord 
die zij in haren geest verbond en er heel de g^roote gebeur- 
tenis naar raadde. 

De weg was lang en alsaan keerden er menschen weer 
naar huis. Aan den omdraai sloeg Schemel schuchter de 
oogen op en als hij Roze en de jongens nog bij de volge- 
lingen wist, liet hij het hoofd weer zinken en stapte voort, 
gewillig tusschen zijne geleiders. Door den langen avond was 
't altijd gaan, gestadig over denzelfden langen weg. De jon- 
gens vroegen vergruwd aan moeder waar men vader naartoe 
leidde, of 't nog ver was, — wat ze daar met hem zouden 
doen en of zij dan weer al te zamen naar huis keerden. 

Zij kwamen in 't dorp, eenige kerels klopten aan een huis 
en dan leidden zij Schemel in een klein, steenen kot en sloten 
hem te wege achter een ijzeren deur. Hij keek eerst nog rond 



Digitized by 



Google 



GROEIKRACHT. 347 



en zocht naar Roze en de jongens. Al de menschen hadden 
't oog op hem en niemand die sprak. Roze weende en de 
jongens ook en Schemel stond en dubde heel verlegen ; 
— hij wilde, hij moest iets zeggen of iets doen en eindeling 
stak hij de hand naar heur uit: 

— Roze, is dat nu kl om niets gedaan^ .... 't Andere 
bleef hem in de keel steken. Roze sloeg de handen voor de 
oogen en toen zij weer opkeek stond zij daar met de jongens 
alleen voor een gesloten deur en de late avond lag over 't 
land. Zij bleven nog wat staan en weenden. Later zetten zij 
zich rond malkaar op den grond — z*en wisten niet wat 
aanvangen. Roze klopte nog op de ijzeren deur om Schemel 
te doen spreken, zij vroeg, zij smeekte, wilde weten van hem 
wat ze met de jongens moest beginnen — maar geen letter 
geluid kwam uit het donker kot. Hij moest daar nu zitten 
lijk verstaald; hij hoorde en wist misschien niet dat ze daar- 
buiten nog stonden, of hij wilde het niet weten. 

Zij bleven daar heel den nacht, als 't helder werd in den 
hemel keerden zij weder naar huis. 

Door de blijblauwe lucht en 't blinkend zongekertel met al 
dien vogelzang over dat wijde, bontgekleurde veld voelden 
zij hun wat verhemd; er kwam een nieuwe opbeuring en 
moeder zei: dat ze nu stille naar huis gingen voortwerken 
tot dat vader weerkeerde en dat 't toch goed was en wel zou 
gaan omdat Knudde, die Loti de dood aandeed nu ook, en 
voor goed, dood was. 

— Wij zullen goed ons best doen en veel werken, zegde 
zij nog, als vader thuis komt zal hij verwonderd zijn en te- 
vreden dat allemaal goed te vinden. En zij regelde voort en 
schikte het werk voor den aanstaanden oogst en 't inhalen 
en dan zouden zij, met 't uitschieten van 't loof, een tweede 
koetje houden en te uitkomende, een os ook om 't land te 
ploegen. 

De knapen stapten dapper aan en waren gauw getroost 
en blij van weerom thuis te zijn. 

Maar zie 1 waren zij den weg verloopen of wat was er hier 
gebeurd en veranderd ? 't Was alles verbloot op de streek en 



Digitized by 



Google 



348 GROEIKRACHT. 



onkennelijk waar zij rondkeken. Doch zij verkenden te haas- 
telijk en zagen spoedig heel hun ongeluk — : daar lag, in een 
woeste verwarring van afbraak en heel overrompeld, het 
huis, platgetrokken en de stal, zoodat er geen stake meer 
recht hield. Onder den hoop lag het koetje vermoord en de 
geit brokke vaneen gescheurd en al het land in 't ronde, 
heel de oogst, vertrappeld lijk een woestenij. Het eikeling 
alleen stond nog recht en ongeschonden. 

Roze en jammerjankte niet omdat er ietwat in haar keel 
stak, die 't al toestopte en van binnen hield. 

In heur weerlooze onmondigheid zag zij hoe Knuddes zonen, 
in hun bralle driestheid het geweld gepleegd hadden en ze 
wist nu dat zij stil haten moest en zwijgen, dat er hier geen 
mogelijk leven of bestaan meer was. Zij zette heur en be- 
raamde; zij stilde en verkalmde Peter en Jan en Miele die 
opraasden in grooten toorn en elk ende een wilden ver- 
ongelukken. Dan stond zij op. 

— Jongens, waar gaan we nu ermen, kloeg zij ; hier zullen 
ze ons vernijpen en dooddoen, we moeten ver weg bij ander 
menschen. En haar keel kropte van ingehouden leed. 

— Vader en zien we nooit meer misschien. Kijk, jongens 
daar staat de boom die vader plantte en hij is reeds veel 
gegroeid. We gaan voor een tijd naar 't vreemde, bij ander 
menschen kloekte halen ; we gaan ons getienen, maar. . . we 
keeren met tien maal tien terug en dan, dan herwinnen we 
ons land. Zij stak haar magere vuist en dreigde naar de 
groote hoeve die te westen tegen den goudgloei geklonterden 
hemel stond. 

— Kom jongens 1 Zij wierp een doek op het hoofd en zij 
togen uit, voor de tweede maal nu, langs den grooten weg, lijk 
uitgejaagde kwaaddoeners. Voor 't dorp sloegen zij de linkske 
baan op en gingen nu, langs de oneindigheid van den een- 
tonigen weg, stoutmoedig door 't onbekende — een heelen 
langen dag. 

Met den avond kwamen zij in eene vlakte die uitdeinde in 
eene onoverzienlijke wijdte met hier en daar, verzaaid op de 
hoogten, een klein kerkje en wat huizen en boomen errond — 



Digitized by 



Google 



GROEIKRACHT. 349 



lijk gewonden in een zonnewarmen zomerslaap onder den 
hoogen hemel die vol sterren stond. Binst den nacht legden 
zij hunne vermoeidheid uit te rusten op den blooten grond 
en zij herkauwden in eenigheid en triestig hunnen honger. 
Moeder overpeinsde altijd en zocht maar vond nievers geene 
uitkomst : alle dingen lagen daar sprakeloos en koud vreemd. 
De jongens zwegen en hunne oogen keken wat moeder zou 
zeggen. 

— Kom, jongens, hier nog deug^ het niet, later zullen wij 
ons zetten en rusten. Zij gingen nog twee, drie dagreizen 
verder. Zij aten van de vruchten die zij vonden onder weg 
op 't begroeide land. Maar met een nieuwen avond kwamen 
zij op eene hoogte voor een gruwelijke streek van effen aarde- 
vlakken die breed open lagen zonder een spierken groen 
daarop. Overal was het dofbruin land in eene verwenschte 
barre dorheid. De lucht hong er zwaar laag over en de 
wolken stonden rond en rond den einder gezet in reien, alzoo 
de steenen zerken op het kerkhof. De wind schoer vrij en 
geruchteloos daar over. En *s nachts, tot eenige klaarte in 
den afgebleekten hemel, een oud stuk mane levers. Daar kwam 
een groote angst bij de jongens en moeder keek heur oogen 
uit om iets te vinden aan den overkant. 

— Hier hebben we niets meer om t* eten en 't land ligt 
zonder einde, waar zullen we uitkomen, klaagden zij allemaal. 
Zij gruwden om die onvoorziene benauwdheid van misschien 
in lang nog nievers uit te komen. 

— Moeder, da's hier zeker 't einde van de wereld? Laat 
ons terug keeren, kermde de kleine Karel. 

— Luitert hier, besloot moeder ineens. Peter, en gij Jan 
en Ko, gij zijt de oudsten ; als we hier samen blijven, moeten 
we dood van honger. We slapen hier voor de laatste maal 
bijeen en met den uchtend neemt gij elk een klein broerken 
en ge zoekt uwen weg en bestaan. Zij hiet hen neerzitten 
en daar vertelde moeder en deed hen nauw uiteen hoe zij 
in 't vreemde te leven en te werken hadden om veel goed 
en beesten en wijsheid samen te scharrelen, om later — en 
zij wist hen met streepjes in 't zand, juist de tijd te bepalen 



Digitized by 



Google 



3SO GROEIKRACHT. 



wanneer en hoe zij allen weer samen zouden komen, elk met 
*t geen hij vergaard en gewonnen had, naar 't oud plekje, 
weer bij vader om daar het oud goed op te richten en 
hun daden te doen tegenover Knudde's volk die hen nu 
verdreef en den dood aandeed. Dan sliepen zij. Als 't weerom 
dag wierd deelden zij den laatsten voorraad en de jongens 
gingen twee en twee uiteen elk langs eenen eigenen weg. 
Heel ver keeken zij nog om naar moeder die nu alleen bleef 
en 't deerde hun zoozeer, maar omdat zij niet weende en 
altijd goede teekens deed van afscheid, vertrokken zij elk al 
eenen kant tot zij d'een d'andere niet meer en zagen en elk 
alleen door de wijde wereld liep. 

Moeder keerde nu op heur stappen terug en ging gezapig 
den langen weg af tot aan het dorp. 

Zij was tenden alle macht en zij zette en rustte uit bij het 
zelfde zwart huisje waar men haren Peter in opgesloten had. 
Zij klopte op de deur maar en kreeg altijd geen teeken 
weder. De voorbijgaanders vroeg zij om nieuws van den 
moordenaar, die wezen haar den weg naar stad en zegden 
dat hij naar ginder was overgevoerd om gehangen te worden. 
Zij ging en zocht haar eten en vroeg en wachtte gelaten. 

Eenen dag kwam er veel volk door de straten gestormd 
en zij zag op eene kar haren Peter aanvoeren. Zij zocht erbij 
te geraken en zij loech door al haar wee om hem te toonen 
dat 't allemaal wel was en de jongens goed voorwaart wilden. 
Maar 't en ging niet om met hem een enkel woord te wis- 
selen; ze werd weggedromd weer in 't volk en ze moest nu 
kijken van ver hoe men Peter op de ladder leidde en aan 
de koord opknoopte. Al de menschen reikten hoog uit om 
te zien en toen 't gedaan was keerden zij weer naar huis even 
als van een kermis. Roze ging ook en recht op 't oud gedoen 
nu dat lag afgebroken. Daar hield zij heur gescholen achter 
wat planken zoolang als zij vermoeienis in haar leden gevoelde. 
Dan begon zij met de gebroken stukken uit den weg te 
weren en zij bouwde eene hutte: een schamel dak op vier 
staken met berdels ertegen. Zij vond hier en daar een stuk 
alm onder de puinen en bedrichtte een klein hoekje land, 



Digitized by 



Google 



GROEIKRACHT. 351 



genoeg voor heur onderhoud. Nu en dan, als de nood 
praamde, bendelde zij naar *t dorp en schooide er wat eten 
of kleergoed. 

Zóo leefde zij een lange langen tijd. Zij telde de dagen 
tot weken, teekende de maanden en zag de zonne wenden 
in een oneindigheid van kort en lang open gaan, van 
donkerte en zonnelicht en warmte en koude: zooveel jaren, 
zooveel streepjes sneed zij in de schors van den jongen eik. 
Zoolang tot zij zich voelde oud worden en vreesde allicht 
te sterven daar in die vereenzaming zonder dat heur iemand 
zou komen zeggen hoe 't met de tien Schemels in 't vreemde 
vergaan was. In de verte stond, altijd even zwart, de groote 
hoeve en op 't welig land werkten heel den zomer door, de 
groote kerels met hun grooten blonden kop en breede 
schouders, in goedmoedige gezapigheid menden zij de zware 
ossen over 't land. Zij zat en mijmerde dan en 't werd op 
't laatst als in een droom: ze zag dat volk daar als hare 
eigen zonen die sedert danig lang waren weergekeerd en 
vaders plekje gerond beboerden. En weer ging zij naar den 
eik — die groote zware boom nu, langstammig opgeschoten, 
schoon van takken met blaardonkere kruin — zij telde de 
streepjes in de schors, maar hoofdschuddend keerde zij weer 
in haar hutte. De tijd wachtte lang. 

Daar miek zij versch geduld door 't herknagen van al het 
verleden leed en dan gebeurde 't dat Loti, het bleekzieke 
kind in heur verbeelding voor kwam lijk levend en zij koutte 
en vleide en troetelde het tot zij weer gewaar werd dat 't 
droomen waren en dat ze oud onnoozele manieren kreeg. 
Achter een tijd nog begon zij tegen alle hoop in, te gelooven 
aan de terugkomst van haar zonen en zij deed nu alle dagen 
den langen bedegang naar ^t hooge veld waar zij wijd uitzien 
kon in de verte naar al wat er eens zou opdagen. Maar 
altijd even ontmoedigd keerde zij ijdelhands terug en zij 
zette zich te jammeren in heur drukkelijke, oude eenigheid. 

Knuddes volk en kenden in haar niets tenzij een oude 
heks en zij lieten het wijf met vrede in haar spookkot. Zij 
zegden dat zij daar in den duik haar dranken kwam stoken 



Digitized by 



Google 



352 GROEIKRACHT. 



en z*en naderden maar zelden haar huis. Een kleine jongen 
had heur eens zien zitten gehurkt bij een houtlaai en hij 
hoorde de heks heur liedeken zingen : 

Brandt wrokvlammeken 

Brandt wrokvlammeken 

De eikel wordt 'nen eik. 

Ze gingen getienen 

Maar keeren met tien maal tien gelijk. 

Ze rechten, 

Ze vechten 

lijf om leven 

Om Loti, om Loti, 

Om den armen Loti zijn lijk. 

De jongen vluchtte als voor den duivel. 

Bij haar zelven telde zij soms hoeveel jaren zij nog te 
leven had. Zij zag haar grauw magere armen en handen en 
voelde haar schrompelig aangezicht en een stramme verklem- 
ming daar binnen rond heur herte. De adem versteegde in 
haar keel en z*had alle moeite om hem op te halen. Zeker, 
zij was de helling aan 't afloopen, z*en kon zoo krachtig niet 
meer werken, heur voet en betrad zoo vast den grond niet 
meer en zij subbelde en zag onklaar door heur gedachten, 
't Was zoo jammer om al dien schoonen leeftijd die hier om 
niets verging. Maar moesten zij eens weerkomen 1 

En zij kwamen. 

Z*ontwaarde menschen op een bane waar zij er nooit geene 
gezien en had, veel menschen met alm geladen en groote 
vrachten; zij naderden haar toewaart. Zij voelde 't bloed 
opjagen en heur herte kloppen. Zij liep en wilde zien of 't 
nu eindelijk, na zoolang, waar was. Zij moest hen toonen 
dat zij nog leefde en wie weet en verdoolden zij niet zonder 
haar en sloegen een slechten weg op om weer te verdwijnen. 

— Zie, daar staat de eik gasten, en wij telden goed 
den tijd! 

Zij zocht onder al dat onbekend volk, maar 



Digitized by 



Google 



GROEIKRACHT. 353 



— Peter, Bertiel z*had hen gevonden 1 

— Peter, Bertiel twee groot uitgegroeide volleefde men- 
schen waren't, bruin van vel en kloek van leden, met hunne 
wijven mede en groote kinders en veel volk om te werken. 

— Moeder, moeder 1 leeft ge nog? hol gasten, zie Mene, 
Zale, zie, jongens, da's moeder, — moeder Schemel, de oude 
moeder Schemel, God, moeder 1 wat zijt ge een oud mensch 
geworden, maar dat ge nog leeft, da's goed ; en alleen waart 
ge hier zoolang ? — En d'ander knechten, Ko ? Karel ? Fonse ? 
nog niemand terug? In zoolangen tijdl Zie nu is 't uit, — 
ze komen voorzeker; kijk moeder da's hier Zale mijn wijf en 
de jongens loopen gruisdik ; ze riepen en tierden om te meer. 

— En da's hier Mene, moeder, Mene, en al mijn jongens 
en 't volk hebben we mede om voor elk een huis te bouwen 
en we ... . 

— Waar is vader? is vader nog niet terug? 

— Vader keert weer, zei moeder heel ernstig en zij deed 
haar best om *t gezegde door haar subbelend hoofdschudden 
niet te verneenen. 

Zij stonden op de kale vlek rond den eik en zij bezagen 
moeders ellendig dak, zij bleven staan in beraad en wachtten, 
alzoo een krijgsbende eer ze voor goed heur neerzet om te 
legeren. 

Later tijd kwam Jan thuis met Karel en een heele familie, 
wijven en jongens en zij dreven een heele kudde vee. En 
voorts bijna elke week kwam een of andere zoon op met 
zijn volk. Telkens wen een nieuw aangekomene zijn ingang 
vierde ging er luid vreugdegeschreeuw op en ze tierden hun 
welkom dat 't galmde over 't land. 

En Knudde's knechten kwamen buiten kijken en zij stonden, 
groote reuzen, gerugleund tegen de standers van de schuur- 
poort en keken donker in de verte op al dat nieuw gewoel. 

— De Schemels zijn in 't land gekomen, zegden zij onder- 
een, en dat nieuws was als de kwade mare die veel onge- 
lukken achterbracht. Zij keken kwaad op het werk en doen 
van den nieuwen vijand en door al hunne benauwdheid beraam- 
den zij onder hen vreeselijke dingen van wraak en tegenweer. 



Digitized by 



Google 



354 GROEIKRACHT. 



Naar dat Roze*s zonen met nieuw volk aankwamen ver- 
meerderde het gerucht en gewemel rond den eik. De jongens 
en wijven spoeterden door malkaar, het vee loeide en de 
mannen hadden het druk genoeg hunne gevaarten en werken 
te vertellen, die zij in de wereld ontmoet en gedaan hadden. 
En iedereen viel aan 't werk. Er werd gegraven en gebouwen 
aan een buitengewoon groot gedoen waar niemand klaar door 
zag en zij wilden het omheinen door een sterken muur. 

Miei en Jef keerden 't laatst terug ; zij kwamen af met hun 
volk allen te peerde en zij brachten veel kloeke werkers bij. 

Moeder weende van geluk en z'en vond geen woorden om 
haar blijheid uit te zeggen. 

— Waar is vader? Wanneer komt hij, vroegen de zonen 
gestadig. En moeder vertelde dat z'hem met veel moeite 
gezien had en dat hij zou weerkeeren eens de groote hoeve 
er stond en al het land was ingenomen en beploegd, als zij 
even een sterk en machtig volk, voor goed en wel zouden 
neerzitten met heel den omtrek tot eigendom: dat hij dan 
zou komen en helpen zijn deugd scheppen in hunne groote 
overwinning. 

— Vader zal zien wie we zijn en wat we kunnen, riepen 
zij allen en zij bouwden en ploegden onversaagd met taai 
geweld; z'en voelden geen einde aan hun zware macht en 
in korten tijd keerden zij heel het uitzicht van den omtrek. 
Ondertusschen wezen zij elkaar op Knudde's hofstee en zij 
vertelden hun kinders van den ouden Boer Knudde en al de 
gebeurtenissen met vader en Loti en zij voelden opnieuw den 
ouden haat weer opkomen met meer geweld. 

Als moeder zag dat 't nu alles een goede gang ging 
kroop zij in bed en kwam er niet meer uit. De stonden dat 
zij bij 't verstand was maande zij eikendeen aan alles in 
gereedheid te houden tegen vaders komst; en als zij met 
heur versleten zinnen in de war gerocht, vooisde zij van het 
oud heksenliedje. 



Avelghem, Bloeimaand '99. 



Digitized by 



Google 



DE HEILIGE TOCHT 



ARY PRINS. 



II. (Vervolg.) 

Zij liepen langzaam voort, totdat zij aan een vijver kwamen, 
waarin het groen sloeg fulpen schaduw, als was in diepte 
gobelijn. 

Door wind het water-donker deinde in luchte blauw-en-blank, 
dat onder blank van zwanen schoof, die statiglijk de koppen 
hoog en achterop de stijve halzen-in-sierelijken-draai het water 
zacht doorzeilden en sneden golfjes op, die rimpel-rolden 
naar den kant, waar bloemen op haar stengels beefden. 

Daar zaten zij ter neer, en hoorden lang een vogel, die 
kweelde onder lommer ver. 

De ridder had haar hand gevat» en stille beiden waren. 

Hij zag in nevel-van-geluk de têere weelde van haar borst, 
die was in waas verholen; goud-lichten het blonde haar in 
zwakke zonnestrook, die streele-danste door het groen, dat 
werd door wind bewogen. Zij had het hoofd gebogen met 
wimper-beven over hare oo^en, die zacht geloken, als zat zij 
nederig neer, en wachtte wat haar lot zou zijn. Maar toch 
een wensch van haar, die niet gesproken werd, en weder 
leven in hem bracht. 

Hij beefde in een wondering, en de ijlheid van zijn zijn, 
teer hulsel van het vleesch, gebroken — hij zag niet meer 
in droom, met droom-in-oogen, maar werkelijk de vrouw met 
wie hij was alleen. 

Zij drukte warm-zacht zijn hand, die koud en beefde; zijn 



Digitized by 



Google 



3S6 DE HEILIGE TOCHT. 

tanden sloegen op elkaar, alsof hij was door koorts bevangen, 
en het bloed, dat in zijn hoofd gestegen, deed starren voor 
zijn oogen twinkelen. Doch dit slechts was één oogenblik. 

Hij boog zich tot haar over, en zijne lippen op haar mond, 
die beefde tot hem op. Haar oogen stonden diep en als 
gebroken door genot, hij voelde het zwellen van haar borst, 
en zacht zij enkele woorden sprak, die vreemd in zijne 
ooren — maar alles slechts een droom was in een droom 
voor hem. 

Op eens zij met een luiden schreeuw hem weerde van haar 
lijf. Haar oogen helder-koud geworden; wreed lachte hare 
mond, en trotsch zij zat rechtop, als tartte zij zijn pogen. 

De ridder week terug, het hoofd gebogen, en wat gebeurd 
een stilstand in zijn leven bracht. 

Zijn handen lagen open neer, en strak hij voelde zijn 
gelaat, dat was heel bleek geworden. 

Zwoel nu de lucht als vóór een storm in zomer. Het 
volle wolken-zeilen was voorbij, en het blauw, als lei ver- 
grijsd, was laag en strak gespannen, met eene open plek, 
een scheur gelijk, waardoor men verren hemel zag, oud- 
groen van doode kleur. 

De zon was groot, en scheen door nevelen met vetten glans, 
die rooie glimmering op water bracht, en vurig tintte kruinen, 
die heuvelden in zacht beweeg — maar een grauwe bank 
trok uit het Westen hoog, gesloten als een muur, die grillig 
gekanteeld als waren stukken uit gebeten, en daaruit onweers- 
wolken woelden op, die saam door koppeling van grimmig 
kruingerol, dat blank als hooge sneeuw, waarop rood-koperen 
schijn. • 

Ook zwarte vlerken schoten uit, die laag in snellen vlucht 

De zon verdween. 

Toen sidderden zijn handen van wellust en van woede. 
Zijn oogen balden uit, zijn borst ging op en neer, en hoor- 
baar was zijn adem, die uit den mond gestooten. 

En als een beest hij op haar viel; met sterke hand om- 
snoerde hij haar hals, de andere scheurde weg haar kleed. 



Digitized by 



Google 



DE HEILIGE TOCHT. 357 

en blanke rondingen ontbloot. Doch met meer kracht dan 
hij in hoogste wildheid had, zij zich wist los te wringen, en 
met een lach vol hoon haar hand sloeg zijn gelaat. 

Een rauwe kreet kwam uit zijn keel, waarin de woede 
opgekropt Zijn oogen diep en strak van licht-blauw donker 
werden, schuim aan de hoeken van zijn mond, en het rood 
in zijn gezicht geslagen, kreeg kleur van donker bloed. 

Geen aarzeling — het groote zwaard plots opgeheven, 
gleed ganschelijk in haar lijf. Zij, luideloos, viel achterover, 
de oogen open zonder schrik, de slappe armen uitgespreid, 
en het wapen door haar rug gegaan stak als een kruis uit 
bloed, in wankeling omhoog. 

De ridder liet het stille staan. Hij eensklaps groote loom- 
heid voelen; een zware last op zijn schouders drukte en 
kromde zijne rug, lood in zijn voeten was als na heel lang 
en modelijk loopen, en zwaar zijn hoofd, dat knikte naar 
de borst. De daad als lang geleden scheen in het grijs van 
jaren diep verzonken, en voelen wroeging niet door flauwe 
heugenis. 

Hij zag in slaap, die kwam, dat donkeren de lucht, die 
was één grijs geworden, daaronder wolken joegen voort: 
nacht-nevel-sluijeren door wind gereten. Het water somber 
als op looden grond met korten slag van stijve golven, die 
schuimend aan den kant, alsof er koking was door hitte. 

Reet-krijten de wind bij poozen, stijf ritselden de blaare- 
boomen hoog, en hooger nog er vlood gekrijsch van onrust- 
vogelen bij naderend gevaar. 

« 

De ridder wakker door een slag, die dreuning bracht in 
grond, als stortte hoog en ver een rotsblok in den afgrond 
neer. Hij uit een zoeten droom ontwaakt, zag plotseling bij 
sulfer-schijnen, dat nevelde achter boomen op, als gloed van 
verren brand, die hoog ging en weer daalde, de kruinen 
door den storm rollen als grijze heuvelen, die werden voort- 
gezweept. 



Digitized by 



Google 



358 DE HEILIGE TOCHT. 

De lucht woest bruin in grauw bij het aldoor stille lichten, 
dat eene groote dreiging was, had monster-wolk vormen, die 
even schimden op in vlucht als dromden gniwelingen hoog 
in eene helle-vaart. 

Kreune-kraken stammen in het snerpen van den wind, 
die arm-takken brak als twijgen, en zweepte het water op 
tot golven van een zee. Kreten in de lucht als bij een 
moord of van een vrouw in barensweên, en doffe roffelingen 
als op omfloersde trommen, die werden hoog geroerd. 

Een lans van hei-wit vuur, die slangde aan de punt, gleed 
in het verre donker neer. 

Heldering van den nacht in bleeken tooverschijn ; de 
boomen blauw-in-donker vol wilde statigheid zich bogen, en 
het water-zonder-diepte was bleekend vuur-kristal, dat door 
de golven gebroken. 

De ridder zag ook schaduwen om zich komen, maan-ijle- 
donker, die van stammen vloden, en in de onrust van het 
even-licht hij eensklaps stond te beven, want eene ledige 
plek waar dat zij had gelegen. 

Een harde slag, die van metaal scheen op metaal, en diep klonk 
als een klokkegalm. Geen licht, en zwart de duisternis, waarin 
de ridder was met vreezen, die grooter in het donker werden. 

Geritsel hoorde hij, dat niet van blaaren was, en zachte 
schreden ook, waardat geen menschen konden zijn. Voelen, 
dat niet zijn alleen, en dat uit donker oogen naar hem zagen, 
die niet door gloed te zien. In het omme was beweeg als 
sleepten donkere gewaden, en handen, die door nacht ver- 
borgen, als klauwen naar hem grepen. 

Met angst in wilden moed de ridder schreeuwde luid — een 
holle klank in storm verloren, en daar hij niet zijn zwaard 
meer had, sloeg hij de armen om zich heen als ware hij 
beschonken — 

Maar stil de ridder stond op eens: schrik-vol-hevigheid 
zijn lichaam maakte kil, dat kromde neer als onder zwaren 
last gebukt, en beven laag zijn handen uitgespreid. Bloed- 
oogen zagen zijne oogen, die staarden in een krans van 
huiverwekkend licht, dat toonde donker van de boomen. 



Digitized by 



Google 



DE HEILIGE TOCHT. 359 

Hij hoorde zelfs den storm niet, en vóór een slag, die was 
als rateling van zwaar-geklonken ketenen schoot in den nacht 
een hoorn op, die blonk als elpenbeenen speer in gulden 
gloed geheven. 

De ridder stak zijn arm uit in wering, alsof hij droeg een 
schild. Zijn lippen beefden om te bidden, toen hij bij weder- 
lichten groot-donker voor zich zag een vorm, die zacht 
bewoog en lange haren had, die zwart en geel getijgerd waren. 

De oogen grooter en nabij, schijn zweefde op zijn hand, 
die het hoofd moest dekken — maar toen de hoorn dreigend 
daalde, de hand viel met het lijf ter neer. 

(Wordt vervolgd.) 



Digitized by 



Google 



ZEVEN DRIEVOUDZANGEN 



DOOR 



F. VAN EEDEN. 



I. Jezus. 

Geen God, maar mensch, God's kind gelijk wij allen, 
door waan omfloersd maar stralend als niet één 
gestaag van overmensch'lijk licht inwendig, 

met stille, vaste schreen 
wandlend op steile wegen, waar wij vallen, 
zijt gij mijn broeder, Jezus, en mijn vrind. 
D'eeuwe' overbrugt uw lichtend woord bestendig, 

altijdig vind 
ik uw gestalt, erbarmrijk, nabij allen. 



Digitized by 



Google 



ZEVEN DRIEVOUDZANGEN. 361 



-II. Jezus. 

Het is mij heden dat gij zijt gekruisd. 

Ik raak uw hand aan en ik zeg: «vandaag 

leden wij veel" — en zie! tweeduizend jaren 

staan als een stad omlaag; 
hierboven wij, in wolken wijd-behuisd. 
Lieve gestorv'ne, doe van mij die leeft 
de liefde in deze stille sfeer bewaren. 

Ginds onder zweeft 
mijn wil als wind, die door de heide suist. 



III. Jezus. 

Wat hebben ze u, mijn vrind, niet aangedaan 1 
Het kruis was zwaar, de haat om liefde wreed, 
maar wreedst van al: de lasterlijke hulde, 

't om u bedreven leed, 
't ijdele en 't kwade in uwen naam begaan. 
Ach, arme eénvoud'ge, die maar 't godsrijk wou, 
moet nu uw pronldg spotbeeld in 't vergulde 

tempelgebouw 
met alle wereldgoden samenstaan? 



Digitized by 



Google 



362 ZEVEN DRIEVOUDZANGEN. 



IV. Jezus. 

Uw woord scheen als een witte bloem te ontgroeien 
noodwendig, uit een ondoorgrondb'ren grond. 
Schoon duizendwerf vertrapt, verplet, versmeten, 

den wortel niemand schond 
en elke lent zag 't ongerept ontbloeien. 
Maar wie 't herspreekt uit eigen kracht, helaas l 
elk nieuw geslacht zal hem weer smalend heeten 

te grooter dwaas 
naarmaat hij 't helderder in zich vond gloeien. 



V. 

Stillende zegen, dat ik leven mag! 

Nu stijgt mijn levensweg in hoogsten bocht 

en 'k overschouw de schatten mij gegeven. 

o dat ik kennen mocht 
de lust van zonlicht, 't droef van regendag. 
o vreugde der ontwaring van God's pracht l 
hoe heb 'k zoo angstig, met kleinmoedig beven 

de smart betracht, 
toen 'k haar dit kleed van weelden weven zag. 



Digitized by 



Google 



ZEVEN DRIEVOUDZANGEN. 363 



VI. 

Klein keverken bewandelt 't blanke blad 
waar mijn gepeins kristalt in stille schrift 
en ziet niet dan wat donkere figuren 

waar ik met trage stift 
te bergen zoek onschatbre klankenschat. 
Kruipt niet het menschken, als een beesken kleen, 
blind over groote, heilige schrifturen 

en kent niet Een 
dien hij te aanbidden of te danken had ? 



VIL 

't Park staat met zacht groenglanzig mos bevloerd, 
gansch met Mei-looverkens bleekgroen besprinkt, 
Mei-klokjes staan weerszij van bocht'ge paden, 

in 't donker slootjen blinkt 
de varenstengel, langzaam losgevoerd. 
Wel duizend, duizend vogelen rondom 
zingen om 't schoonst en ritslen in de bladen, 

boomreuzen stom 
weren den wind, die even 't bosch beroert. 



Digitized by 



Google 



AAN DEN BLINDEN DICHTER 
W. L. PENNING Jr. 



DOOR 



ALBERT VERWEY. 



Doof stil uw oogen, vriend : het schijnsel van uw oogen 
Schijnt binnen in. Wat deert u *t of der zon 
Gij doode bollen toont: schoon glanst en onbewogen 
De wereld die ge u won. 

Ik heb als kind de zon, de dijk, den polder 
Bemind en speelde in huisgeworden stad; 
De dageraad vond me eenzaam op den zolder 
Waar 'k tusschen bladen zat; 

En school en kerk en huis en buurt bestonden 
Wel in 't heelal maar eerst toch in dat land 
Dat zwaar van helden schudde als op zijn gronden 
*t Geschut barstte en zijn brand. 

o Droom l de wimpels van den toren wekten 
In mij ook 't lachen met een schrei daardoor: 
o Kleuren die de besten dekten, vlekten 
U mindren met hun sloor? — 



Digitized by 



Google 



AAN DEN BLINDEN DICHTER W. L. PENNING Jr. 365 



En 't vroom gezang wekte me uit andre kamer 
Als jong ik sliep en schertsend half, half blij, 
Den psalm ik meezong: in zoo nieuw gestamer 
Zoo oude melodij. 

o Droom, 't ontwaken in den nacht verbeeldde 
Mij 't andre niet toen nuchtrer morgen look, 
En ik erkende als droom wat jong me omspeelde. 
Een damp, een kleurge rook. 

Toen van mijn Idnderstad naar zee gevloden 
Ik Holland zag, klaar in den morgenwind: 
Geen stemmen klaagden van vergode dooden, 
Geen vroomheid zong me ontzind. 

Klein lag het land, een kleine en schoone gaarde. 
Een vlekje aan zee, en over zee een rijk, 
Maar schal van leven klonk niet over de aarde 
Als eertijds, koninklijk. 

In 't groot tumult van volken gingen needrig 
Broeders en vrienden hun bescheiden weg — 
Wddr blinkt de nieuwe pluim die blank en veedrig 
Den nieuwen roem .voorzegg' ? — 

Hoor, broeders strijden op bestronkte rotsen. 
Op weiden onder afrikaansche zon — 
Ik zit aan 't strand, hoor de kohorten botsen, 
Wenschte of ik helpen kon. — 



Digitized by 



Google 



366 AAN DEN BLINDEN DICHTER W. L. PENNING Jr. 



Droom-rijk, droom-roem, zijt ge als een stad verzwolgen 
Onder de golven spoelende om mij heen? 
De klank van 't diep klinkt droef en nauw verbolgen 
Om 't krachtloos langs hen trêen. 

De klank klinkt droef; o vriend, geen zeeën houden 
De droomen machtloos nu en zonder daad: 
Zij zonken diepst in wie er diepst om rouwden, 
Wier hart hun schoon verstaat. 

Uw hart, mijn vriend, houdt als een zee verslonden 
Het land dat stierf, den wimpel en de zon 
Die over Holland scheen toen vast verbonden 
Een helden-volk verwon. 

Wif dwaalden heen : wif staan op hooge duinen, 
En nieuwe schal voorspelt ons nieuwen roem; 
Maar niet als de oude, en geen hoUandschen tuinen 
Zoo vaderlandsche bloem. 

Een wereld wenkt. Heil ons. Een koor van menschen 
Zingt over de aard een algemeener zang — 
Maar, eens terug voor 't laatst, zien wij uw wenschen 
Leven in stervensdrang. 

Leven in u. o Blinde ; doof uw oogen : 
De wereld die gij liefhadt leeft in u — 
De haten sterven. Voor het laatst gebogen 
Nijgen we onze' eerbied nu. 

15 Sept. '99. 



Digitized by 



Google 



VERZEN 



DOOR 



W. L. PENNING JR. 



BRUIDS-WIJDING. 

>Hoe oud al?" vroeg aan 'tarme bestje, 
Dat in den rolstoel buiten zat, 
»Hoe oud al?" vroeg haar 't bloeiend bruidje 
Wie de ander toegelachen had. 

> >Ruim tachtig, en gezond van harte, 
Maar heel-en-al verlamd van leen; 

En geen bestaanden van bloedswege — 
Toch beste menschen om mij heen."*' 

» Getrouwd geweest?" 

> >Drie volle jaren, 
En 'kweet mijn man in 't Hemelrijk 1"" 
>Kort was uw vreugde in 't lange leven. ..." 
»»Kort? Wie dat zegt heeft ongelijk.'"' 

> >Den braafsten man gehad te hebben. 
Wil zeggen voor een weduwvrouw 

Dat zij het leven nóg zou prijzen 

Na niet meer dan drie-daégsche trouw 1"" 



Digitized by 



Google 



368 VERZEN. 



Bruidshanddruk liet wat zeldzaams achter, 
Bruids-blik wat beters nog misschien. . . . 
Wat stil schijnt zij van daag haar bruigom — 
Nooit heeft ze er zóó lief uitgezien. 



OP DE DORPSKERMIS. 

Aan W. N. J. V. 

De poffers rieken, en de mallemolen draait; 

Elk jurkje pronkt, elk petje zwaait; 

En dicht om 't draaiend kringetje gesloten, 

Staat, naar den avond hunkerend, de kring der grooten. 

Een vrouw in rossig zwart blijft zoekend achteraf; 
Verlêe jaar weigerde, om den vader pas in 't graf. 
De moeder aan haar knaapje een omgang met den molen. — 
Waarom, nu *t kind hém volgde, komt de weêuw hier dolen ? 

fGevoelloosl" oordeelt de ééne — , >simpell" de éndre haar. 
Nog wordt ze alleen haar stumpertje gewaar 
Zooals het door ginds ruitje naar de kermis staarde; 
Hier, waar vlakbij, Gods wil het borg in de aarde.... 

Nu vindt ze, wat ze zocht, zijn kameraadje staan; 
En lachend, droomt ze, ziet het doode kind haar aan; 
>Voor poffers, (zegt ze) en voor den mallemolen" — 
En stopt in 't handje een schat, aan eigen maag ontstolen. 



Digitized by 



Google 



VERZEN 369 



En als hij, *t mondje vegend, weerkeert uit de kraam, 
Knikt ze uit haar hut den smuUer toe door 't raam, 
Waar vreugdloos eens haar kind naar al die vreugde blikte — 
Dan bergt haar schort het hoofd, dat ook naar 't kerkhof 

knikte. 



EEN VRAAG EN EEN ANTWOORD. 

» 't Zoete leven (sprak Hij) was al gauw vergald; 

Toen is de verdeeldheid gekomen; 

En het liefelijk slot 

Van een martelend lot — 

Verslimmerd door dwaas-doen, den menschen een spot • 

Is onze armoe, zelfs armoe aan droomen. 

Maar engel of duivel heeft hoflijk den dood 

Gelegd in onze eigen handen : 

Eén dronk uit dit glas — 

Een dronk, diep en ras, 

Van het vriendelijk vocht dat al velen genas. . . . 

En los zijn de knellende banden. . . . 

Eén dronk — en wij mijden elkander niet meer: 

Haat noch onheil zal ooit meer ons vinden! 

Vergeten zijn wij 1 . . . ." 

> >Vergeten, (vroeg Zij) 

Hoe mijn zwakkere hand in uw sterke zich lei? 

Hoe we eenmaal elkander beminden?"" 



Digitized by 



Google 



370 VERZEN. 



En daar blikten elkaar weer in de oogen, in 't hart, 

Die samen den dood zouden drinken; 

En van wroeging vervuld overzag hij zijn schuld 

Aan haar inniger lijden bij dieper geduld, 

En hun liefde zag *t leven weer blinken. 

Na dien heb ik lang nog dat paar gekend, 

Veel slagen van *tlot nog zien vallen 

Op die rijken van hart, 

Die moeden van smart, 

Onbegrepen veroordeeld, koelzinnig gesard. 

Gemeden allengs door schier allen. 

Maar ze wisten weer, leidend en steunend elkaar, 

Vakjes blauw in de wolken te ontdekken. . . . 

En de groeve, ééns gezocht 

Als het eind van den tocht, 

Toont geen naam, toont de Bede aan hun sterfbed verknocht : 

Moge ons samen het betere wekken 1 



MUSICUS. 

>De zon moet al ónder wezen", 

En haastiger stapt hij aan; 

Hoe lang nog door 't bosch in den regen. 

Het beklemmende bosch moet hij gaan? 



Digitized by 



Google 



VERZEN 371 



Maar hem tegemoet, met een klokslag, 
Bruischt een blijde belofte door 't hout; 
Dra druppelt alleen nog het loover 
En wemelt het Westen van goud. 

En achter hem méér en méér stammen 
Zich teekenend, blinkend gebronsd, 
En vóór hem het lichtende boschplein, 
De linde, weer bezig omgonsd. 

Daaronder een bank en een tafel 
Vóór 't vriendelijk boschwachtershuis ; 
De schenkster al op den drempel; 
Reeds voelt zich de wandelaar thuis. 



Hoe weerklinkt in die glanzige stilte 
Haar groet na zijn eenzamen tocht; 
Hoe lokkend klokt in den beker 
Het vervroolijkend lavende vocht. 

Geen geluid nu, dan kindergebabbel. 
En neuriën binnenshuis; 
En gekoer uit de geurende linde, 
En af-en-toe dennengesuis. 

En boven de toppen drijven 

Als rozen de wolkjes heen; 

En zacht wiegende schaduwen grazen 

In 't heldere schijnsel beneên. 

25 



Digitized by 



Google 



372 VERZEN. 



Ongezien, voor hem zelf óók onzichtbaar, 
Maar trouwer dan jonkheid en min, 
Kust bij iedere teuge den droomer 
Zijn levensgezellin. 

En bij het gewiek van een vogel, 

Hoog over het aanslaand woud. 

Wordt klank — in des kunstenaars ziele — 

Al wat hij gevoelt en aanschouwt. 

Muziek wordt de rust en de ruimte, 
Muziek de scheidende gloed. 
Muziek de plechtige stenmiing. 
Muziek heel zijn dankbaar gemoed. 

Ziel over het dorp aan den boschzoom 
Wijz' de avondstarre het pad 
Naar de wenkende kunstenaarswereld 
. Der lang begeerde stad. 

Vriend blijft hem dit plekje in den vreemde, 
Waar 's werelds woeling verdween; 
En hem een korte wijle 
Een lange feesttijd scheen. 

Na een groet, gewisseld door 't venster. 
Kraakt onder zijn tred weer het mos; 
En fluitend zoekt hij de noten 
Voor zijn » Avondlied in het Bosch.'* 



Digitized by 



Google 



VERZEN. 373 



En wat duizenden nog zullen zingen, 
Als hèm geen muziek meer wekt, 
Dat hoort, wie hem langs komt en nakijkt, 
En de hemel, met starren bedekt. 



DE KOSTBARE VIOOL. 

Gebroken vazen boven de ingang eener laan 
Opmerkende in den vreemd, was 'k even blijven staan, 
Had uit zijn breede gracht een oud kasteel zien rijzen, 
Doch ging mijns weegs om bloei van berg en dal te prijzen. 

Op mijn terugtocht in den nacht en onverzeld 
Moest ik wel langer toeven, diep ontsteld 
Door tonen nooit zoo van een speeltuig opgevangen. 
Was 't werklijk spel waaraan mijn ziel bleef hangen? 

Een vreemde, een zwarte kunst beheerschte die viool: 
Een gillend hoongelach, maar waar toch smart in school, 
Doorhuiverde heel 't oord ak met vervloekingswoorden, 
Die, door een schrik gestuit, in smeekend schreien smoorden. 

In wilder klaagtoon hief het wreede spel weer aan ; 
Een martlend zelfverwijt scheen in de ziel ontstaan 
Die angstig en vervolgd zich in zichzelf wou bergen, 
Maar, 't lot beschuldigend, het trotsen bleef en tergen. 



Digitized by 



Google 



374 VERZEN. 



Ja, spel eens lijders was het wat mijn voet weerhield 
De plek te ontvluchten waar in tranen werd geknield, 
Een heerlijk heil, verruk*lijk schoon bezongen, 
Door duldloos diepe smart en waanzin werd besprongen. 

En loeiend van de snaren wervelde de wind. 
En zweepte en hief de golven op, tot mee ontzind 
Als door een schok getroffen bij het plotsling zwijgen 
Mijn hart aan d'afgrond hing waar booze geesten hijgen. 



Gewageode in den omtrek van dat vreemde spel, 
Vernam 'k hoe jaren al als spooksel uit de hel 
De slotbezitter 's nachts om zijne woning dwaalde, 
Aan eenzaamheid en storm zijn lot, zijn leed verhaalde: 

Van de eigen kunstreis keerde eenmaal een broederpaar, 
Strandde op de kust, — en de 'oudste, een oogwenk het 

[gevaar 
Vergeten waar de jongre broeder in verkeerde, 
Redde. • . enkel de Viool wier toon ik kennen leerde. 

En toen 'k in 't volle zonlicht, nu de lijder sliep. 
Bij de opgehaalde valbrug mij dien nacht herriep. 
Zag 'k hof en huis verwilderd, tot den grond verworden. 
En keek het bosch mij aan alsof er *t leven dorde : 

Want droef-fantastisch had de kunst zich daar vermoeid 
Met namaak, bouw- aan bouw-val zoo hoog overgroeid 



Digitized by 



Google 



VERZEN. 375 



Dat torens en terras en zuilengang en muren 
Een prooi der eeuwen scheen wier puin door 't groen kwam 

[gluren. 



Toen 'k jaren later weerkwam in het vreemde land, 
Vond ik de plaats geslecht; en sprak geen steen, geen plant, 
Van den bezetene die voor de Kunst nog blaakte, 
Nadat hij, om de Kunst, den broederplicht verzaakte. 



EEN TUD VAN VERZEN. 

Aan Albert Verwey. 

O tijd van verzen, van moeizaam werk. 

Wat benauwende wereld herschept ge in een kerk 

Vol statige stilte I vol demping van stap 

Om 't warend gefluister en 't geestengesnap I 

Als peinzende pijlers, koel en blank, 
Rijzen gedachten nog zonder klank; 
En als pijler-vertakking naar welvenden boog 
Ontstijgen ze in droom-verdieping het oog. 

Al grootscher van lijnen, al warmer van kleur, 
Tooit zich verbeeldings tooverkeur: 
Door het kleurige ruiten beeldend gedicht 
Speelt er een gulden avondlicht. 



Digitized by 



Google 



376 VERZEN. 



Daar ruischt het orgel, en voert den zin 
Het schemerend hoog, 't hoogheilig in, 
Waar alles gevoel is en harmonie. 
En het wezen zetelt der Poëzie. 

Maar omlaag, in het schijnsel van hemelvuur, 
Heft zich een eenzame vrouwenfiguur: 
Goud zijn haar tressen, zacht bloeit haar wang: 
En het orgel, verstommend, beluistert haar zang. 

Zij zingt wat den dichter vervult en bedroeft 
Daar hij vruchteloos uiting van indruk beproeft; 
Hier van al wat hem aandoet verneemt hij verrukt 
Het waardige lied, dat geen stervling gelukt. 

Nog luistert de ruimte, wen Echo lang rust. 
En 't star-licht het marmer van 't zangplekje kust; 
Elke oopning beroerend der tempelzaal 
Lispelt het loover zijn eerbieds-taal. 

En gezaligd keert uit bezielende sfeer 
Des dichters geest tot zijn poging weer; 
En rust niet, eer de arme menschentong 
Iets nazegt van al wat zijn Muze hier zong. 

En al glanst in zijn kunst maar een enkel atoom 
Van zijn goddelijk-heerlijken scheppingsdroom, 
— Toch, o feesttijd van verzen, van dankbaar werk, 
Kent zijn wereld geen schooner, geen troostender kerk. 



Digitized by 



Google 



INTERLUDUS 



DOOR 



KAREL VAN DE WOESTIJNE. 



Adonis. 



Deze avond is gelijk een stil-verlicht paleis, 

o wondre vrouw, in 't trage schaüwen-gaan der boomen... 

— Ik ben beklemd in vreemden slaap, hoor gaan en komen 
uw stem, o vrouw, als eene sussend-zoete wijs 

die ik eens hoorde in vaders tuinen, grijs van peis... 

Venus. 

Adonis, uw effen haren zijn als zacht-neigende bronnen. 
Ik weet niet hoe mijn mond uw teer lijf streelen moet . . . 
De avond is wijd. — Ontwaak, en toon den doffen gloed 

van uw jonge oogen, goude' als mat-gedoofde zonnen. 

Ik weet niet hoe mijn hand uw leden streelen zal. 
Adonis . . . 

Adonis. 

— Een ver, stil lied, in 't vaderlijke vrede-dal; 

het wast, en sterft, in smachtend-zachte en helre klanken... 

Vrouw, ge zijt vreemd ; ik vind u vreemd . . . Als roze-ranken 

om jonge boomen, zijn uw woorden om mijn hoofd 
met kleine, blijde wonden... Was het waan? 'k Geloofde 
in vreemden slaap dat mijne moeder zacht me streelde... 
Ik slaap vreemd — 



Digitized by 



Google 



378 INTERLUDUS. 



Venus. 

— De avond is groot van ongeweten liefde-weelde 
nu dat mijn lijf dit jonge lijf beminnen gaat. — 
Adonis, als een rechte bloem is uw gelaat, 

en stille vruchten voor mijn mond zijn uwe leden... 

Ik wou de nieuwe blijheid uwer liefde lijden, 

o lieve Adonis, die uw oogen open laat 

als schemeringen naar een liefde-dageraad, 

o mijn Adonis, die ik moet... die 'k wou beminnen. 

o Adonis... 

Adonis. 

— Ik weet niet, hoe uw woord in mij doet angst beginnen, 
vrouw, daar *k u niet versta . . . Deze avond is 

gelijk een stervens-huis, hoog-stil in treurenis... 
Zoo wist ik huizen, en de vrouwen hadden tranen 
in zwijgend oog, — en ik was vreemd als thans... 



Venus. 

o Wanen, 
Adonis, wanen dat we zijn in eeuwigheid 
de éenige liefde, als gij de éenige lievling zijt, 
en dat we heel den Tijd in ónze min doorbranden! 
— Adonis, vlij mijn slapen, vlij mijn handen; 
Adonis, raak mij aan; ik wordt gelijk een groot vuur. 



Adonis. 
Vrouw, vrouw, gij maakt mij bang... 

Venus. 

— Het schravend uur 
is loom van al het bloed dat liefde-menschen droegen 



Digitized by 



Google 



INTERLUDÜS. 379 



in zware slagen die door hunne borsten ploegen 
als groote mokers. — ...o Adonis, voelt ge niet 
hoe' *k zonder uwe min, bezwijk; hoe 't leven vliedt 
van haar die mensch werd om te minnen als de goden? 
Adonis . . . 

Adonis. 
Vrouw, ik ben zeer bang... 

Venus. 

Zie hoe mijn lijf u wacht en trilt op lauwe zoden, 

— en deze nacht zal zijn als de éérste liefde-nacht. 

— Kom, mijn Adonis; wfjd is de avond, en de pracht 
van al de zomer-dagen rust in deze liefde-schonken. 
Gij zult gelukkig zijn, Adonis, stil gezonken 

in dezen schoot, Adonis, die uw min verbeidt 

en lijdt van sneller drift en noest-brandend verbeiden . . . 

— Adonis, leg uw handen op mijn heete zijden 
en voel hoe ik u hebben moet . . . 

Adonis. 
o Vrouw, ik ben zoo... 

Venus. 

Zie, ik gevoel hoe ik moet sterve' in mensche-dood 
als gij niet zijt aan mij, Adonis, o mijn lijden... 
o Kom, ik moet u hebben, 'k móet u... 

Adonis. 
Vrouw, vrouw, zijt gij de Dood? 



Digitized by 



Google 



BOENDALE'S LEKENSPIEGEL 



DOOR 



J. KOOPMANS. 



I. 



De stille veer drijft het verborgen werk; de slinger-bewe- 
ging regelt de zichtbare gang. Rechts reikt hij te ver; links 
te wijd; stilstaan kkn hij niet. *t Is de óver-tred, die de 
bewegingen aaneenrijgt tot één daad, de verschijnselen brengt 
onder één wet. Zo ontstaat *n leer. Maar 't is de veer, 
die 't hem toch doetl 

Een casuïstiese vraag in de ME. was: wat is beter, goed 
èn kwaad te doen, of geen van bei. Want wie niets mis- 
daan had, had toch ook nooits iets goed te maken i). En 
't antwoord was? »In 't doen en laten van de mens paste 
geen stilstand. Stilstaan deed het vee; dat wist óók van 
geen goed of kwaad. Maar 'n mens kende 't goed en 't 
kwaad, en deed het ook. Eerst 't een, dan 't ander. Op 
't goede 't kwade, en op 't kwade 't goede. Dat hoorde 
zo; zo was hij geschapen." Volmaakte mensen konden geen 
christenen wezen. Er moest bij 'n mens beweging zijn, op en 
neer, of heen en weer. » Vallen" in de duistere ruimte; 
irijzen" op de vleugelslag. Of ook wel, slingeren heen en 
weer; links, door de Adams-neiging, de zonde-lust; rechts, 
door de zelfvernietiging, de Christus-kracht. Als er maar 
twee polen waren, en *n beweging er tussen. In 't Christen- 



I) Die Lekenspiegel (uitg. De Vries), Hl, c. 27. 



Digitized by 



Google 



BOENDALE'S LEKENSPIEGEL. 381 

dom toch zweeft de mens even zo goed in de ruimte, als de 
wereldbollen, bij ons weten, door wat voor krachten dan ook, 
heen en weer slingeren, zonder veel plaats te verliezen. 

In Vondels Lucifer wordt de voorstelling gegeven, als zou 
'n deel van de engelen tegen God zijn opgestaan uit jaloezie 
over de heerlikheid van de aardbewoner. De Middeleeuwers 
echter zoeken Lucifers drijven in hovaardij. Bij hen, begint 
gelijk met de schepping, het dualisme. God kon niet oproepen 
het licht, of meteen heerste de duisternis; en geen stof kon 
worden gecreëerd, of de schaduw volgde de gestalten. 2k>dra 
de engelen geschapen waren, — tegelijk met de hemel op 
de eerste dag, — vervielen ze tot hoogmoed, en zodra ze 
tot hoogmoed vervallen waren, werden ze er voor gestraft. 
Ta> ze waren gebleven als God eerst wilde dat ze moesten 
wezen, — dan was er geen recht geweest i). 

Dit rechtsgevoel nu is 't, wat in 't Christendom de slinger- 
beweging regelt. Maar in de diepe verborgenheid werkte 'n 
andere kracht: de voorstelling van God als de Goede, de 
Hoge, de Vader, de Barmhartige. Voor 'tjuridies gevoel van 
de massa bouwde de mens de leer van Schuld en Verzoening. 

Het begrip van Grod als Liefde- en Genade-bewijzende 
Vader kon er toe leiden, het scheppingswerk voor te stellen 
als 'n louter spel en Goddelik vermaak 2). Niet *n werk uit 
noodzaak dus, om b.v. Gods aanwezigheid te getuigen, of 
iets anders. Want zonder daden was God toch óók machtig, 
zonder roem z'n naam toch óók groot. Daar had hij geen 
mens en geen schepping voor noodig. Neen, 't was enkel 
maar *n vermaak, om eigen goedheid om te zetten in daden 
en gaven, in hemelruimten en op wereldmassaas. En dat deed 
God in z'n lustig spel op velerlei wijzen. Hij gaf zo maar aller- 
hande gestalten en eigenschappen. Hij deelde zelfs 't eeuwig 
leven uit, aan engelen en mensenzielen. En ook hierin bracht 
hij noch verscheidenheid. Zo schiep hij de engelen uit 't 
niet, en de mens uit de vier elementen. Niet omdat daardoor 



I) I. c. 4. 2) I, C. I. 



Digitized by 



Google 



38a BOENDALE'S LEKENSPIEGEL. 

de mens minder zou zijn dan de engel. Wel neen, want 
Gods adem blies de mens de ziel in. En daarmee kreeg hij 
behalve het eeuwige leven, ook noch de rede en de God- 
delike geest met God gemeen. Ook alweer niet, om God 
gelijk te worden. Volstrekt niet, want God heeft géén begin 
en de mens wel; 't begin van de mensenziel dag^tekent van 
de schepping der wereld. 

Doch ondanks dit casuïsties verkneuteren in de hoogheid 
van God, wiens daden louter *n spel en vermaak zijn, staat 
de Middeleeuwer, in de grond van de zaak, even goed voor 
'n onvoltooid epos of 'n onopgelost raadsel als wij. De eerste 
generatie, die van de engelen, kwam door de waan ten val, 
dat ze meenden aan God gelijk te zijn. Een twede generatie 
was nu nodig, om de opengevallen plaatsen van de verworpen 
engelen in te nemen. God doet nu anders ; hij genereert niet 
uit het niet; hij neemt de elementen, en blaast er z'n 
adem in i). Ook deze twede generatie blijft niet rein en 
edel. De gevallen engelen-wereld brengt ook het kwdad op 
de twede generatie over. Getrokken in de dualistiese kamp, 
wil hij ook aan God gelijk zijn, en hij valt. Wat nu, 'n derde 
generatie? Neen, geen nieuwe; maar het twede geslacht zal 
gered worden; en God zal dit zelf doen. Zal God dit doen 
tegemoetkomend, omdat hij zag, dat z'n werk onvolmaakt was, 
en niet gehard genoeg tegen 't kwaad van 't gevallen engelen- 
dom i Neen, God die toch zelf almachtig is, draagt na de val de 
schuld van de val over, op de feilbaar aangelegde mens. Zo 
zwak is deze zelfs, dat hij zich niet eens uit z'n val kan oprichten. 
God richt hem op, en bewijst daarmee z'n Liefde en Genade. 
Juist de Barmhartigheid en de Genade zijn 't, die het dualisme 
en de zondeval eisen; om te verlossen, had God de mens nodig; 
om zich in z'n ganse grootheid te tonen, moest hij, de Volmaakte, 
't dualisme scheppen, en in z'n geslachten de kiem van 't verderf. 
Wat blijft er zo over van 't >spel," — waar niet eens de mens 
nodig toe was, — bij de Middeleeuwers, dezelfden, die zich 
het diepst gevallen voelden tegenover de verlossende God? 



I) I. C. I. 



Digitized by 



Google 



BOENDALE'S LEKENSPIEGEL. 383 

En nu de alles-beheersende Verlossingsleer. God zelf wordt 
mens, om als mens te doen, wat de diepgevallene niet bij 
machte was te volbrengen, God offert zich op, geeft zich 
prijs, vernietigt zich. De schuld der ongehoorzaamheid, die 
voorkomt uit hoogmoed en waan, wordt met het berustend 
geloven en 't zich volledig overgeven gekweten. Het rechts- 
gevoel is bevredigd. 

De Lekenspiegel van Boen dal e heeft als nationaal litte- 
rair produkt veel meer eigenaardigs dan de grote werken van 
hem, die hij de » vader der Dietse dichteren al te gader" 
noemt. Ofschoon Maerlant, opdat hij gelezen zou kunnen 
worden, veel uit de door hem geraadpleegde bronnen heeft 
moeten weglaten, is hij toch in z'n hart een compilator, die 
de levenlose massa's tot in 't oneindige optast, en alleen daar, 
waar hij z'n stof door de christelike idee laat inspireren, een 
nauweliks merkbare verheffing in z'n eentonig verhaal brengt. 
Hij is de encyclopediese wetenschaps-man, die geleerde hand- 
boeken bewerkt voor de begaafde mannen en vrouwen van 
de Dietse vorstenhoven. Geheel anders doet Boendale, die 
'n volksboek wil schrijven. Hij overziet op 'n afstand, — hij 
leeft *n eeuw later dan Maerlant, — beter, dan het de andere 
kon doen, de tans meer eigendom geworden » wetenschap," 
en gaat na wat als dood kapietaal goed is voor 't geleerden- 
dom, en wat van prakties nut is voor de volksvorming. Nu 
zondert hij af en gaat ordenen. De vraag is nu bij hem, 
wat voor kennis bij een ieder die horen wil en lezen, noodig 
is om wèl te leven en zalig te sterven; met wat voor doel 
de wereld is geschapen en wat voor lijn er door de geschie- 
denis loopt, opdat elk in die lijn en tot dat doel mee kan 
werken. Die lijn nu houdt hij vast in 't oog, en slingert er 
z'n verhalen los en smaakvol om heen, vastsnoerend die histo- 
riese feiten en volksverhalen {'n keur uit M.E. Bijbels, Summa, 
Vitae en Passionalen,) met overvloedige en bevallige moraal aan 
die weg die leidt tot het Behoud. Zo construeerde hij z'n Spiegel, 
zo mooi, dat wat er in staat, de dingen die hij zegt, en de 
manier waarop hij het zegt, — het werk tot 'n sieraad van 



Digitized by 



Google 



384 BOENDALE'S LEKENSPIEGEL. 

de M.E. maken, en de man zelf, om z*n ernst en z*n smaak, 
z'n soberheid en z'n degelikheid, z*n onuitsprekelik grote 
liefde voor het volk en z'n ijver om in hem te geven wat 
hij kon, aanspraak kan maken op de naam van een der beste 
Leidsmannen geweest te zijn van 't Nederlandse volk. 

De geschiedbeschouwing bij Boendale nu, typies midden 
eeuws, is deze. Het leven van de mensengeslachten vormt 
'n feitenrij, die met Adams val begint, z'n glanspunt krijgt in 
de menswording Gods, en voortgezet wordt tot het einde der 
dagen met de stichting van 'n algemeen Koninkrijk Gods. 
De historie is 'n Spiegel, 'n Openbaring van God aan het 
mensdom. Het Joodse volk, dat de belofte ontving, dat onder 
hen de Christus zou opstaan, is in de oudheid het volk. De 
Christus zelf echter wordt door hen verworpen ; daarom eindigt 
hun geschiedenis met Jeruzalems val. Het Godsvolk is voortaan 
het Christenvolk, de Kerk, met Rome als middelpunt en met 
'n heidense vóórgeschiedenis. Van dit duistere Grieks-Romeinse 
vóórhistories tijdperk is 't haast de moeite niet te spreken. 
Alleen Augustus wordt even genoemd; dit komt omdat de 
legende in hem iets meer dan enkel de tijdgenoot van Christus 
ziet. Dragers van de Katholieke idee worden eerst de Romeinen, 
daarna de Franken : beide heldenvolken. Wel verbrokkelen 
het Romeinse, en daarna het Karolingiese rijk, en schijnt het 
met een Godsrijk onder een zelfde wereldlik regime uit te 
zijn; maar de dichterlike gedachte werpt zich op 'n nieuwe 
taak voor de Christenheid, die nieuwe eenheid brengt in de 
Katholieke wereld: de felle kamp vangt aan tegen de Anti- 
krist, opkomende in het Oosten in de voortschrijdende Islam, 
waarbij het Westen zich in fiere zelfbewustheid opwerpt als 
de vaandrager van 't Kruis. 

Zo loopt de geschiedenis-draad door 't Jodendom en 
de worstelende Kerk naar de Overwinning, 't Verloren Paradijs 
is 't begin ; de intocht in de Godsstad het eind. Ook hierin 
is pragmatiek ; maar 't meest naar voren treedt de moraal. 
Elk feit is 'n spiegel voor 't Leven, een richtsnoer voor 't 
Geloof en voor 't Leven. Hij, die bij Boendale historie leert, 
wordt omschanst met veilige wallen, waarop waakzame engelen 



Digitized by 



Google 



BOENDALE'S LEKENSPIEGEL. 385 

de omtrek verkennen. De leerling moet rustig kunnen wan- 
delen langs betrouwbare wegen en uit het hoge blauw zendt 
'n vogeltje de zoete tonen van 'n lovend Lied. 

>Lieve kinderen," — want allen die leren willen, groot en 
klein, noemt hij kinderen, en hij reept ze wat vaak om hem 
heen, — »kijk nu eens," zegt hij dan, »nu sloeg Kaïn Abel 
dood om z'n rechtschapenheid. Maar zo gaat het in de 
wereld gemeenlik. De slechte mensen verdraaien altijd wat 
ze van de brave mensen horen, en maken er iets lasterliks 
van. Zo tasten zij ze in hun goed, in hun eer, hun rust en 
hun leven. Alleen van hun deugd kunnen zij ze niets ont- 
nemen, omdat de brave voor z*n deugd opgetekend staat bij 
God in 't boek van de Roem. Nu heeft die nijd van Lucifers 
en Kaïns tijd altijd bestaan, en in die lange eeuwen zeer veel 
mensen ongelukkig gemaakt. Maar weet nu wel, dat hij die 
er het meest mee achteruitgaat, niet de man is, die benijd 
wordt, maar wel de benijdcr zelf. Die de nijd het meeste 
draagt, wordt er V meeste door geknaagd, kan men wel 
zeggen, en z'n kwaadste lot is een lang leven. Want je 
begrijpt, wat *n onzalig leven iemand moet hebben, die een 
hart vol kwaadheid heeft tegen iemand, die hem nooit iets 
gedaan heeft, alleen maar hierom, omdat het hem goed gaat I 
Wil je wel geloven, dat het iemand noch tot *n eer is, door 
de bozen belasterd te worden ? Want 't is net contrarie, zooals 
zij het zeggen. God weet het dan ook wel, en daarom 
wordt het kwaad, dat de lasteraars de goede mensen aandoen, 
dan ook dubbel en dubbel door hem beloond. En de brave 
mensen zelf weten ook wel, dat dit loon van God het ware 
loon is, en dat alle eer en loon van de wereld er bij achter 
staat Zij doen dan ook niet het goede om het loon van 
hier, dat toch maar achterblijft bij de dood. O neen, ze 
doen het om in de gunst van God te staan. God is 
alles; een mens, al is hij koning, is niets. Een koning kan 
immers m'n leven niet eens met 'n uur verlengen, kan de 
ziekten niet eens van me afhouden, m'n verdriet niet 
eens tegengaan 1 Hij heeft genoeg aan z'n eigen, staat dik- 



Digitized by 



Google 



386 BOENDALE'S LEKENSPIEGEL. 

wels maar zo zo, en met z'n heerlikheid is *t gauw ge- 
daan." 

sDus kinderen, doe wel en geef niet om achterklap. Niets 
wordt rechtvaardiger gewroken dan nijd. Vooreerst verteert 
de boze zich zelf. En na al dit knagen moet hij noch branden 
in 't eeuwige vuur. Een straf, die nooit ophoudt.'* i) 

Op deze toon gaat het door, 't hemelse en eeuwige ver- 
heffende, 't aardse en sterfelike kleinerende, bestaande toe- 
standen en instellingen verklarende of berispende, al naardat 
ze gebaseerd zijn op algemeen christelik-morele waarheden 
of naardat ze voortvloeien uit louter-menselike vonden en 
wereldse ijdelheden. 

»Ziet nu eens kinderen, wat er van Adam terecht kwam, 
de wijste, schoonste en beste man die er ooit heeft geleefd. 
Zo goed en nederig was hij, dat hij geen levende schepselen 
at; hij leefde enkel van fruit en van zuivel, en dronk alleen 
maar water. Ja, sommigen beweren, dat hij blootshoofds en 
barrevoets ging, *n geitevel als z'n kleed droeg, en maar 
hoogst zelden onder 'n dak sliep. De enigste zonde van hem 
was de noodlottige beet in de appel. En nu moest hij tot 
z'n straf, om in z'n nooddruft te voorzien, de grond bewerken 
in 't zweet zijns aanschijns. Hij en Eva, ze lachten nooit 
meer, ze bleven altijd even bedroefd, want ze wisten wel 
hoe zeer God hen haatte, hoe ze de dood in 't gemoed 
droegen, en ook, al wat er door hun schuld nk hen zou komen. 
Aan niemand konden ze hun leed klagen, want ze waren 
met hun beiden maar alleen op de wereld, en hadden nie- 
mand anders dan elkaar^ om te helpen en te troosten. Maar 
dat deed Adam dan ook, en hielp en troostte Eva, ook in 
de dagen van haar zwangerschap, en in de ure van haar 
smart. Zo zullen altijd de mensen in dit leven elkander 
bijstaan, en vooral moeten de man en de vrouw dit doen, 
omdat ze een zijn van vlees en van wil." 

»En kijk nu eens aan, lieve kinderen! Als nu Adam, die 
slechts éénmaal zondigde tegen God, daarvoor met de hel 



I) l. c. 27. 



Digitized by 



Google 



BOENDALE'S LEKENSPIEGEL. 387 

gestraft werd, hij en z*n nakomelingschap, 5000 jaar lang, 
hoe moet God óns dan niet straffen voor de vele hoofdzonden, 
die we herhaaldelik bedrijven 1" 

>En nu noch iets. Zoo we nu allen van deze Adam 
komen, wie van ons is dan wel het edelste! Toch zeker 
niet, die 't meeste geld en de meeste macht heeft. Dan 
toch zeker eerder die de meeste deugd heeft en 't hoogst 
in Gods gunst staat. Maar die gunst moet dan zeker wel 
bij God verdiend worden, en altans niet gekochtl En 
toch heet adel voor geld te koop te wezen. Zou dat dan 
wel adel zijn? Wel neen; voor al 't geld van de wereld, 
zeg ik, is er geen druppel adel te koop. De ware adel 
komt op, van de bodem van 't hart. En al dat soort adel, 
dat de vorsten er tegenwoordig, hier en elders, op na houden, 
en dat naar schatten gaapt, er desnoods eer en schaamte, 
barmhartigheid en rechtsgevoel voor laat lopen, dat zijn geen 
heren en prelaten, maar lui als Pilatus, die God lasterde en 
kruisigde, omdat hij er van de Joden geld voor kreeg." i) 

Evenmin moeten de geestelike congregaties denken, dat 
hun leven het ware heiligenleven is. > Willen ze niet trouwen, 
goed ; maar dan moeten zij ook zoo eerlijk zijn, te bekennen, 
dat hun heilig leven alleen mogelik is met de hulp van die 
wèl trouwen, en die in 'n arbeidzaam leven de kost voor de 
kloosterlingen verdienen. Als allen Minnebroeders werden, 
kon niemand 't land bebouwen. Als geen kooplui de waren 
opkochten en ter markt brachten, konden de heren niet eten. 
Ze zouden dan net zo moeten gaan sloven als de huweliks- 
mensen. Daarom alleen al gaat 't huwelik boven alles. Het 
houdt de wereld in stand. Mensen moesten er wezen, — de 
aarde was er voor, — om de hemelkoren te vullen. Vandaar 
die blijdschap hierboven, als er 'n kind wordt geboren. Maar 
laat nu God die kinderen uit maagden geboren worden ? Als 
dat beter was geweest, was dat zeker zo bestierd : God heeft 
tot alles de macht. Maar dat is nu eenmaal niet zo. God 
stelde het huwelik in. — Zeker, 'n maagdelik leven, in 



i) I. c. 24. 

26 



Digitized by 



Google 



388 BOENDALE'S LEKENSPIEGEL. 

kuisheid gesloten, — maar is dit wel veel zo? — is heel 
goed. Maar, — de heren kunnen boos kijken, dat ik het 
huwelik zo voortrek, — als man en vrouw goedwillig tegen 
elkaar zijn, rechtschapen leven, en hunne kinderen opbrengen 
in de ere Gods, dan prijs ik met menig ander Abrams 
huwelikstrouw boven de zuiverheid van Sint Jan." i) 

Niettemin staan de kuisheid en de ootmoed in de ME. 
hoog. Maria werd er de moeder Gods door. In al wat 
onthouding in heeft, armoede, soberheid in leven, groeit de 
heiligheid. Adam, de matige fruiteter, was 'n voorbeeld. De 
tijd tot Noach, toen *t vlees-eten en 't wijn-drinken in zwang 
kwam, was de beste, omdat hij de eenvoudigste was. 2) Men 
at kruiden en vruchten, rustte in *t gras onder de boomen, 
droeg kleeren zonder verf en snit, zuiver als de wol pas van 
*t schaap, liep allemaal eender, wist van geen arm of van 
geen rijk, kortom, men was, — terecht had Boëtius het 
gezegd, — nooit zo verstandig en deugdzaam geweest. En 
dan ging 't in sermoenstijl: »Niet in 't geld en 't gewaad 
ligt de wijsheid en 't heil." — » Rijkdom brengt licht tot 
hoogmoed, maakt traag voor een nuttig leven, gierig op aards 
bezit, slap in het zoeken van God." — »Wie voorspoed 
heeft, denkt wel aan z'n voorspoed, maar niet aan zich zelf." — 
»Wat de Fortuin geeft, kan ze weer nemen. Geluk geeft 
geen blijvend bezit." — »'t Goed vergroot, en de zinnen 
gaan zorgen. Het wereldse vraagt, wat aan 't eeuwige hoort." — 
»Wijs is 't woord: est modus in rebus." Enz. Enz. Boëtius »die 
wise here" had wel gelijk: de genoegzaamste tijd was de 
beste. 3) 

Zolang nu de ophemeling van de ascese uitsluitend het 
onderricht in de Christelike moraal op 't oog had, was de 
voorstelling van de gouden eeuw op zich zelf 'n onschuldig 
iets. Maar tegenover de op deze eeuw volgende tijdperken 
van toenemende ontaarding^ 4) werd de eeuw van geluk het 
beeld van 'n sociaal-politiese Ideaal-staat, die men 



i) I. c. 25. 2) I. c. 30, 31. 3) I. c. 31. 4) Aid. Zie ook c. 29. 



Digitized by 



Google 



BOENDALE^S LEKENSPIEGEL. 389 

niet naliet, behendig als de feitelike rechtstoestand, onder 
de bestaande en corrupt geachte verhoudingen te schuiven. 

De Kerk zelf had er toe meegewerkt. Als aards instituut wil 
ze de mensheid, bij éénheid van zin, leiden tot 't zelfde doel. 
Gelijkheid voor God werkte nivelleerend op 't standverschil ; 
dlfèbele overgave aan 't winnen van 't toekomstig heil, eiste 
tenydeatdüng van tijdelijke belangen en goederen. Van zelf 
kon de Kerk de konsekwentiën van haar leer niet ontkomen. 
Wanneer ascetiese naturen afstand predikten van genot en 
van goed, en op de nietigheid wezen van de aardse machten, 
konden ze allicht in botsing komen met de gestelde over- 
heid, in wier rangen de zin voor wereldse genietingen door- 
drong, en waaronder zich velen veeleer vorsten over 'n 
wereldlijk gebied, dan dragers van kerkelike waardigheden 
voelden. Maar wat het zwaarste was, moest ook het zwaarste 
wegen. De priesters waren er voor de gemeenschap, en de 
gemeenschap niet voor de priesters. Meer dan als 'n ge- 
willig ondergeschikte van 'n aards potentaat, was de mens 
als burger van 't Godsrijk. De bisschoppen mochten klagen, 
in de grond van de zaak waren de boetpredikers, zo 't bij 
prediken bleef, en ze de Kerkleer niet aantastten, volkomen 
in hun recht: armoe, onthouding, zelfvernietiging waren de 
veiligste wegen, om deze wereld af te sterven, en zich het 
loon te verwerven, dat Christus aan hen, die z'n passie 
droegen, voorlang had beloofd en beschikt. 

Trouwens, de Kerk deelde in de voorstellingen, die volken 
op volken in hun litteratuur en hun overleveringen hadden 
bewaard. Het toekomstig geluk, dat de slovende aardling 
zich zo gaarne droomde, was het spiegelbeeld van de aloud- 
heid; de gouden eeuw, die door eigen schuld verloren was, 
was eerst in strenge plichtsbetrachting bij onthouding en 
boete te herwinnen ; en 't Christendom, dat z'n leer opbouwde 
uit menselike waarheden en historiese gegevens, wees naar 't 
verbeurde en beloofde langs 'n weg, die samenviel met de 
richting, waarin ten allen tijde de hervormers van 'n ver- 
basterde maatschappij de gouden heilstaat achter zich zien 
verzinken, en in de toekomst zien gloren. 



Digitized by 



Google 



390 BOENDALE'S LEKENSPIEGEL. 

Vandaar de communistiese beschouwingen in de ME. » Vorsten 
en wetten zijn een noodzakelijk kwaad. De gouden eeuw 
weet er niet van. De mensen bebouwen de grond, eten wat 
ze oogsten op, en houden niets over. Er is dus geen bezit 
Dat duurt net zo lang, tot er schelmen komen, die niet ver- 
kiezen te werken, en om te eten, hun handen slaan aan 't 
goed van *n ander, en hem die 't niet goedwillig wil afetaan, 
eerst 't leven benemen. Ze brengen de roof en de moord op 
de wereld. Nu moet er in de eerste plaats op die rovers 
en moordenaars gepast worden, en in de twede plaats moet 
er uitgemaakt worden, wat eigen en wat niet eigen is. 
Dingen die vroeger van zelf spreken, moeten nu nauwkeurig 
vastgesteld worden. Eigen bezit zal nu voortaan wezen: de 
vrucht van eigen arbeid, en verder: gewezen onland, dat 
door eigen arbeid produktief is geworden. Ook 't leven krijgt 
» prijs;" die het iemand afneemt, moet er zelf het zijne voor 
geven. Zo ook krijgt 't bezit »prijs " Om nu aan wat vast- 
gesteld wordt, kracht te geven, stellen de mensen samen 'n 
toeziener of voogd aan, die na moet gaan, of ieder wel 
houdt, wat het zijne is. De man die dit nagaat, kan van 
zelf niet werken, en ieder moet hem dus wat geven om er 
van te leven. Zo komt ook de » cijns" op de wereld. Er 
komen noch meer » wetten," die ze hem alle ter handhaving 
opdragen, tegen wie ook. De voogd krijgt hoe langer hoe 
meer werk, heeft helpers noodig, wordt iemand die veel heeft 
te zeggen . . . Deze mannen worden nu de h e r e n van 't 
land. Let nu goed op: die heren zijn er niet uit hun-zelf 
gekomen, maar ze zijn aangesteld door 't gemene volk. Aan- 
gesteld dus, om op te passen, 't volk te beschermen, 't geweld 
te keren, 't bezit te verzekeren ; voor zóveel in 't jaar, dat op- 
gebracht wordt door de mensen, die 't zelf met hun arbeid 
verdienen; en als iemand nu meer mocht nemen, dan hem 
toekomt, dan moet hij natuurlik terecht gezet worden door de 
lui, die » recht" en »wet" hebben vastgesteld, en hem hebben 
opgedragen om er naar te kijken. Zo zit dat in elkaar." i) 



I) I. c. 35. 



Digitized by 



Google 



BOENDALE'S LEKENSPIEGEL. 39» 



De »heren" weten dus waar ze zich aan te houden hebben. 
Juist omdat ze de wet moeten uitvoeren, zijn ze de eerste 
onderdaan van *t recht Zo z ij misdoen, is het veel erger, 
dan wanneer het gedaan wordt door de lui die zij moeten 
nagaan en vonnissen. Dit geldt van keizers of koningen. 
Recht is recht, en kent geen hoog of laag. Boven ons 
troont de Heer, die alles hoort en ziet ; hij zal met dezelfde 
maat meten, als waarvan zij zich bedienen, i) 

De lezer houde in 't oog, dat we 't hier over 'n volksboek 
hebben van grote beroemdheid, algemene bekendheid en 
lange nawerking, eenvoudig, aangenaam en nuttig. In kinder- 
taal haast, zo gemakkelik geschreven, met vermijding van 
geleerdheid en overlading, vol levenswijsheid voor jong 
en oud, kernachtig mooi soms, zelden aangelengd. Een 
boek met klem en kleur, volksaardig tot in de diepte ; de 
koren uit Hooft 's dramatiese werken hebben geen andere 
inhoud ; Vondel en De Groot herhalen dezelfde dingen ; 
Huygens schijnt soms bij Boemdale te borgen. Wat hij 
inhoudt, blijkt gemeengoed te zijn van 'n brede schaar, in 
lengte van tijden. Van opzettelik opdringen van nieuwe 
denkbeelden, van revolutionair propageren is dus geen sprake. 
Integendeel, men vindt het nodig de waarheid te spreken, 
en doet het zonder schroom. Desnoods noemt men man en 
paard, zoals wij in 'n dagblad. De aanschouwelikheid maakt 
soms 'n voorbeeld uit eigen omgeving nodig ; en we verwon- 
deren er ons zelfs over, wat de schrijver in 'n boek voor jong 
en oud, in die dagen kon zeggen van Vlaanderen-land : 

>Kijk kinderen, toen 't bezit in de wereld kwam, kwam 
ook de nijd, de twist en de oorlog. Zolang toch alles 
gemeengoed was geweest, kon niemand iets kopen of schatten 
ophopen. Maar nu er schatten kwamen, steeg de waarde 
van de mens öm de schat. Wat er toen gebeurde, zien we 
aan de Romeinen. Toen ze rijk werden, trokken ze zich 
zelf vóór boven anderen ; vergaten, dat de een om en voor 
de ander bestaat ; en met dat ze zich als gemeenschap losser 



I) Aid. 



Digitized by 



Google 



392 BOENDALE'S LEKENSPIEGEL. 

voelden, verloren ze in kracht en aanzien naar buiten. Dan 
komen de vreemden, en met de vrijheid is 'tuit. Kijk maar 
naar Vlaanderenland. De heren hebben nu net zo lang uit 
naijver gevochten, dat 'n ander volk de grenzen is overgetrok- 
ken, aan de steden de vrijheid, en aan de hoogsten des lands 
het leven heeft benomen. En hoe lang duurt dit licht noch... 
Zo gaat het, als *t nut van 't gemeen moet wijken voor zijn 
eigen belang. — Twee dingen werden vergeten : i®. het al- 
gemeen belang; 2^. een spaarzaam gebruik van de gelden 
die de gemeenschap toebehoren. De eer en de wijsheid van 
'n regent moeten vooral op die twee punten gericht zijn." i). 

De volledigheid vergt, dat we behalve de landsheer 
en de w ij n, — die de blode moedig, en de kwaadaardige 
moordziek maakt, — ook noch 'n derde macht noemen, 
waaronder de man staat, n. 1. de vrouw. Hierom, omdat 
zij bijwijlen de macht heeft, 'n man, hoe sterk hij van lichaam 
en geest mag zijn, totaal te beheersen, en wel in die mate, 
dat hij z*n zelfkennis kwijt raakt, niet meer weet waar hij 
staat en gaat, en de dag niet meer van de nacht onderscheidt. 2) 

»Maar wie zich zo gevangen geeft, heeft geen oor meer 
voor God. Adres aan Adam. 3) Hij luisterde naar . . . ja, 
naar wat voor een 1 Wat Lucifer niet op hèm vermocht, 
vermocht hij op de vrouw, die nauweliks 'n 2 van 'n 3 
onderkent. 4) Hij viel. Dat komt er van, Adam, als de man 
de vrouw boven de maat liefheeft 1 Eigen welzijn en Gods 
wil gaan immers boven. Zorgen we dus niet in vrouwen- 
strikken te vallen. Wijze mannen zijn er met ziel en lichaam 
door ten onder gegaan. Goeie vrouwen, ja, kan men lief- 
hebben, mits met voorzichtigheid en verstand. De rest schuwt 
men natuurlik. Hoe meer omgang er mee, hoe meer schande 
men er mee inhaalt." 5) 

Dit liefhebben-met-verstand is iets specifiek-M.E. Vooreerst 
was de man de meerdere : liefde moest hij kunnen onder- 
drukken. Dan, — zie bij Maerlant, — moest hij zich kunnen 



I) h ^' 34- 2) I, c. 32. 3) I, €. 22. 4) aldaar. 5) aldaar. 



Digitized by 



Google 



BOENDALE'S LEKENSPIEGEL. 393 

geven aan de vrouw die hem liefhad. Niettemin, de oude 
Germaanse verhouding werd sterk gesteund door 't Paradijs- 
verhaal. En ook, evenzeer als de vrouw in *t Germaanse 
leven èn dienares van de man, èn moeder van 't huisgezin 
was, evenzeer blijft de vrouw in de M.E., behalve de 
trouwloze en listige dochter van Eva, die de ongemakken 
des levens over ons brengt, toch ook de vredestichtster 
tussen de vertoornde Vader en de gevallen mensheid : de 
reine en ootmoedige, op wie in Maria met welbehagen het 
Goddelik oog moet rusten, i) In de schuldige vrouw triomfeert 
de zegenrijke moeder. Door de tranen van boete, die de 
eenzame verstotene, knielende over het lijk van Adam stort, 
breekt de blijde glimlach van de rijke en ontroerde, die, 
met het kindeke omhoog geheven, aan de verslagen wereld 
een nieuw Geslacht en een eeuwige Toekomst belooft. 

IC * 

»Bij Bethel," zegt Boendale, »beginnen de fieguren 2), die 
de Heilige Kerk voorspellen. De steen, die Jakob er oprichtte, 
is Christus, *t begin en de grondslag van Gods Kerk, waarin 
de engelen, als op 'n ladder, dageliks op en neer gaan, om 
de priesterlike gebeden voor de troon van de Allerhoogste 
te brengen." 3) 

»Het oude geslacht begint, volgens Matthaeus en Lukas, 
bij Adam, loopt over Jacob, Juda en David, en eindigt in 
Christus. Met hem begint het nieuwe geslacht: z*n kinderen 
zijn de Christenen. Dit nieuwe geslacht is veel talrijker noch, 
en ook veel beter don *t oude geslacht. Tot David ging het 
noch: Abraham was *n Godsman; Mozes gaf de Wet, die 
door Christus bevestigd werd; David, begenadigd met de 
profetiese geest, voorspelde in de psalmen de Godszoon, — 
maar na die tijd werd het voorvaderlik leven hoe langer hoe 
goddelozer. Men maakte afgoden nota bene, van binnen hol, 



1) I, c. 23. Ook met deze tegenstelling. 

2) Zie over de typiek van 't Parad ijs: c. 21. Van c. i — 15 wordt de 
kosmologie verklaard. 

3) I, c. 39. 



Digitized by 



Google 



394 BOENDALFS LEKENSPIEGEL. 

Van zelf gingen daar duivelen in huizen, om aan de mensen 
taal en antwoord te geven. Dat deden ze zo bedriegelik 
goed, dat al de lui, die de afgoden raadpleegden, de verkeerde 
weg op gingen en in de hel terecht kwamen, 't Ergste was, 
dat dit kwaad in de wereld overal was. Alleen *n deel van 
de Joden maakten 'n uitzondering; die hielden zich aan de 
Wet en aan de God van hun vaderen. Maar ze kregen 
daarentegen weer dit eigenaardige, dat ze het in voorspoed 
wel zonder God meenden te kunnen stellen, en als er dan 
weer onspoed kwam, — en ze zijn er zo noch wel, — ze hun 
God weer opzochten. Langer dan dertig jaar duurde dit 
nooit. Tegenwoordig zijn de joden *n twistziek en trouweloos 
volk, vol ondeugden. Waar ze komen, worden ze gesmaad, 
gehaat en uitgesloten. Een eigen koning en vaderland hebben 
ze niet: hun lot is, onderdaan van alle heren te zijn. Ze 
hebben de Bijbel, met de Psalmen en de Profeten er in, 
maar willen niet toegeven dat de Christus gekomen is, al 
heeft hij gedaan, wat hij volgens de Profeten heeft moeten 
doen. Maar ze zijn zo verstokt, dat ze het niet willen zien. 
't Mooiste is, dat Josefus, die zelf 'n Jood is, van hem 
geschreven heeft, en ze z'n eigen getuigenis niet eens willen 
geloven. Alexander heeft in z'n tijd 'n deel van hen opge- 
sloten tussen de bergen, en als die loskomen, — want dat 
geloven ze zeker, — zullen ze de wereld veroveren. Toch 
moeten we naar 't bevel van de Kerk, de Joden met rust 
laten, omdat i^ de Joodse Wet de moeder is van de Chris- 
telike, 2^ niemand gedwongen mag worden in te gaan, al 
houden we de deuren open, en 3^ omdat op de Oordeelsdag 
ze toch allen ons toe zullen vallen", i) 

De fantasie der volken heeft nooit evenwicht kunnen vinden 
tussen de voorstelling van de Christus als de bedwinger van 
't Boze beginsel, en de rondtrekkende en onderwijzende 
Heiland uit de Evangelieën. De zoon van de Almachtige 
God oordeelde men tot alles in staat; kracht vooral, 'n 



I) I, c. 48. 



Digitized by 



Google 



BOENDALE'S LEKENSPIEGEL. 395 



alles-overheersende en verpletterende Godskracht vroeg men 
allereerst in z'n demonen-verdelgende daden. Lijder zou hij 
ook zijn, zeker, maar als 'n mens die z'n Godheid aflei, 
om als nietige aardworm, in den vleze armzalig te sterven. 
Maar zoveel te meer vroeg dan ook die in hulpeloosheid 
doorgestane smaad en marteling, een vergoeding in wat er 
volgde en voorafging, toen de Goddelike kracht in hem 
werkte. En dat beslist-sterke vond men niet in de afgebroken 
dwalende lijnen van de Evangelieën-schets. Nu trok men ze 
zelf, fors en vast, de synopten-trekken dóór en óver, 
dubbellijnen verbergende achter zware en breede halen. Niet 
het wijsgerige trok aan; niet de reinheid en de diepte van 
leer en gedachten; dat sprak toch van zelf; z'n woorden 
vroeg men niet, maar z'n daden; z'n wijsheid niet, maar z'n 
slagen; hij zou geen meester zijn, maar 'n held. Alexander 
Jupiter-Ammons zoon, had de wereld bedwongen tot aan de 
poorten van 't Paradijs; wat daden moest hij niet leveren, 
die de zoon was van de waarachtige Godl Karel en zijn 
paladijnen hadden de Moren teruggeworpen, de scharen van 
de Antikrist gestuit; Godfried had met z'n Christenheiren in 
't O. hun benden verpletterd ; volkssagen schiepen de Rolands 
en Tancreds om tot heroën en reuzen ; dichters, lang daarna, 
gaven de epiese stof in noch mooier groepering weer ; •— zou 
niet de Goddelike stichter van 't Christendom, wiens helden 
de Heidenen in zulke tochten bedwongen, zou hij zelf niet 
bij machte zijn geweest, de Satan te overweldigen, z'n 
demonen-scharen met eeuwige schande te slaan en de toe- 
vende geslachten uit de macht van de hel te bevrijden? Zo 
is dan in ons ME. volksboek de Christus 'n heros, boven- 
natuurlik begaafd, tegennatuurlijk geboren, — omdat gewoon- 
heid iet menseliks zou zijn, en verstoorde natuurwetten Gode- 
like inwerking onderstellen, — een Herkules en een Alexander, 
een van omhoog gezonden bedwingende gesel Gods, maar 
dan ook onovertroffen en onovertrefbaar in Vorstelik ver- 
mogen en Koninklike goedertierenheid. In de Christus der 
ME. spiegelt zich de tijd; zn leven is 'n heiligenleven, 
vol Godsopenbaringen; z'n dood en Verlossingswerk, en de 



Digitized by 



Google 



396 BOENDALE'S LEKENSPIEGEL. 

nederdaliDg ter helle, vormen 'n e p o s, slepend zwaar en boom- 
sterk als 'n Arthur-reus en als 'n Montelbaens Bayaert-ros. 

Gemakkelik zocht het redenerend verstand de bronnen voor 
wat de fantasie ter aanvulling behoeft. 

»Een kind toch kan begrijpen", zegt Boendale, i) »dat er 
meer gebeurd is dan de Evangeliën ons vertellen. Wat 
daarin geschreven staat: de geboorte van de Zaligmaker, de 
aanbidding van de herders, het bezoek van de Koningen, de 
besnijdenis, het bezoek in de tempel, de woorden van Simeon, — 
dat is, zover m*n kennis reikt, zowat alles wat de Kerk van 
Christus tot z*n twaalfde jaar voor vast aanneemt. Nu is 't 
duidelik, dat God in hem, vóór z*n twaalfde jaar, meer in 
hem heeft moeten verrichten. Hij zal toch z*n tijd niet door- 
gebracht hebben met slapen, hij heeft toch als kind ook met 
andere kinderen geleerd en gespeeld. En dan heeft er veel 
meer moeten geschieden dan de Kerk ons meedeelt We 
moeten immers niet vergeten, dat hij God zelf was, en dus 
op de dag van z'n geboorte al even wijs en machtig was 
als toen hij naast z*n Vader in de hemel troonde. En heel 
z*n mens-zijn door is hij niet van z*n Goddelike volmaaktheid 
gescheiden geweest, en is hij dus als kind even zo goed in 
staat geweest om te doen, als hij dertig jaar oud er toe in 
staat was, en zooals hij noch altijd doet. Waarom zou ik 
dan die wonderen uit z'n kinderjaren niet vertellen, nu ze 
even goed beschreven zijn als de Evangelieën. Want 't is 
Jeronimus geweest die ze rechtstreeks uit 't Hebreeuws, — 
want 't was *n buitengewoon knappe man, — in 't Latijn 
heeft vertaald. Let nu wel, dat de Kerk de Evangelisten 
alleen, — die trouwens goed op de hoogte waren, — voor 
vaste en onbetwijfelbare waarheid aanneemt 2). De Kerk wil 
namelik, voor ze iets voor vast aanneemt, sekuur weten, wie er 
de schrijver van is. Is dat nu 'n man van gezag, dan wordt 
de zaak er geloofwaardiger op. Is 't geen man van gezag, 



i) II, c. 10. 

2) Zie II5 c. 35 (M a 1 1 h a e u s en J o h a n n e s, Christus z'n jongeren schre- 
ven wat ze zagen, Markus en Lu kas zagen 't zo goed niet. Nochtans 
hebben ze 't zo goed beschreven, dat het weinig verschil geeft). 



Digitized by 



Google 



BOENDALE'S LEKENSPIEGEL. 397 

of is hij in 't geheel niet bekend, dan staat de zaak in 'n 
zwakker vertrouwen. Niet, dat de Kerk verbiedt, zo iets 
sprekend of zwijgend te geloven. Volstrekt niet. Als *t 
maar niet tegen het vaste Geloof in gaat. En daarom kan 
ik ook gerust vertellen, wat onze heilige Jeronimus heeft 
nagelaten" i). 

De afkomst, de geboorte en het leven van Maria en de 
kindsheid van Jezus, is wegens de kinderlik naïeve toon 'n 
hoogst aantrekkelik verhaal. Met 'n rustige gemoedelikheid 
en 'n aanschouwelike klaarheid zit 'n aangenaam verteller 
in 'n ongestoorde omgeving z*n aandachtig gehoor te boeien, 
nut en vermaak zaaiende zooveel hij maar wil. Er is wel 
niet veel verheffing in, er gaat ons geen schok door 't gemoed. 
Maar van platheid is evenmin sprake. Gedragen door de 
Christelike idee, welke in het leven en de lotgevallen van de 
Moeder en de Zoon Gods 'n reeks van Goddelike interven- 
tieën ziet, vraagt de inhoud voor zich het recht gehoord te 
worden door oren, die. in *t verhaal de wijding onderkennen 
van een devoot geloof en van 'n ernstig streven om mede 
te bouwen aan het Sion Gods. 

>Ten tijde dat Maria in de verwachting was, ging er van 
Keizer Augustus *n gebod uit, om de geslachten te beschrij- 
ven. Een ieder trok toen naar z'n geboorteplaats; Jozef ging 
dus naar Betlehem en Maria ging met hem mee. Ze hadden 
'n ezel bij zich met mondbehoeften en andere benodigdheden. 
Onderweg zei Maria: >Ik zie voor mij tweeërlei mensen: 
volken vol blijdschap en volken die wenen." Maar Jozef, 
die niets zag, zei: »Dat schijnt maar zo Maria; praat nu 
niet te veel, maar ga liever op de ezel zitten en wat rijden." 
Onmiddellik verscheen er nu *n schoon jongeling in 'n wit 
gewaad, die aan Jozef vroeg : » Waarom zeg je tegen Maria, 
dat ze te veel zegt? Want het is waar: ze ziet tweeërlei 
mensen. Het schreiende volk is 't Joden geslacht dat van 
z'n macht en luister beroofd zal worden, omdat het zich van 



1) II, c. 10. 



Digitized by 



Google 



398 BOENDALE'S LEKENSPIEGEL. 

>Een andere vrouw, die dit hoorde, betwijfelde het en zei: 
God heeft afgekeerd. En die volken vol blijdschap zijn de 
volgelingen van *t ware geloof, hetwelk God aan de ge- 
slachten van Abraham, Isaak en Jacob beloofd heeft. Die 
tijd nu is gekomen, dat allen in Abrahams zaad gezegend 
zullen zijn". Dit zeggende, verdween de witte gedaante. 
In Betlehem aangekomen, ging Jozef vooruit, om naar *n 
geschikt verblijf om te zien. Hij vond 'n verlaten huis, en 
liet daar Maria afstijgen. Achter in het vertrek kwam 'n 
krocht op uit, welke Jozef *n geschikt verblijf voor Maria 
vond, omdat het daar donker, en uit het gezicht was. Terwijl 
dan z'n knaap Maria de voeten wies, maakt Jozef 'n ligplaats 
voor haar gereed. Nu ging Maria in de krocht, en zie, van 
stonden af aan werd het licht als de dag. Op eens verscheen 
er 'n vrouw, die zei: »hier is *t, dat ik wezen moetT' Jozef 
zette grote ogen op, en vroeg haar wie ze was en wat ze 
zocht. Toen zei ze, dat haar 'n jongeling was verschenen, 
die haar geboodschapt had, dat ze hier 'n groot wonder zou 
zien, en dat zij zelf *n vrouw was, die andere vrouwen in 
haar nood bij stond. Dankbaar aan God, bracht Jozef ze in 
de krocht. Eerst was de vrouw wel wat bang voor het 
heldere licht, dat zij er zag, maar zij ging toch naar Maria 
toe en vroeg haar: »Hoe is het mijn liefste, heb je m*n 
hulp ook nodig?" En terwijl Maria daar zo lag, werd het noch 
lichter, en in eens vervulde 'n onuitsprekelik zoete geur de 
ruimte. Toen besefte de vrouw, dat er 'n kind geboren was." 

cNu ging de vrouw weer naar Maria, en vroeg haar, of 
ze haar nu van dienst kon zijn. En toen Maria dit goedvond, 
en de vrouw zich over haar heenboog en haar aanraakte, en 
kwam te weten wat er geschied was, werd ze verrukt van 
zinnen en riep ze: »Here God van 't hemelrijk, nooit zag ik 
zulk 'n wonder 1 Dit kind is geboren uit 'n reine maagd, 
want 't is zonder smet en zonder teken, geheel afwijkend van 
wat de natuur pleegt te doen; en ook de moeder voelde 
geen pijn en geen wee. Zij heeft ontvangen als maagd, en 
zij heeft ge5aard als maagd. God zij geloofd, dat ik het wonder 
gezien heb, zoals ik 't nooit te voren zag!"" 



Digitized by 



Google 



BOENDALE'S LEKENSPIEGEL. 399 

>Bij m*n ziel, ik kan *t niet geloven voor ik het zelf onder- 
zocht hebl" Ze ging dus naar Maria, maar toen ze haar 
hand uitstak, om haar aan te raken, verdorden haar hand en 
haar arm, en voelde ze 'n pijn, alsof ze dadelik zou moeten 
sterven. »Here God," riep ze uit, »gij weet, dat ik voor m'n 
werk nooit loon heb gevraagd van degenen die ik met m*n 
hulp heb gediend. En nu. Heer, ben ik ongelukkig geworden 
door m*n ongeloof, omdat ik het waagde Uw heilige maag- 
delikheid aaa te raken." — Plotseling bewoog zich daar de 
witte jongeling, die zeide: » Kniel neer, en aanbid terstond 
het kind, dat daar ligt, en raak z'n gewaad aan. Het zal 
u dadelik raad schaffen. Want hij is de Verlosser der wereld, 
en ieder, die in hem gelooft, zal door hem behouden worden." 
De vrouw deed dit en genas. Toen ging ze heen, en getuigde 
openlik van de wonderen, die ze gehoord en gezien had, en 
van haar straf en haar genezing. En velen hoorden het, en 
geloofden, en dankten God" i). 

Aan *t bovenstaand verhaal kent men het kader, waarin de 
mirakelen uit het leven van Maria en van Jezus passen. De 
realisering van de omgeving, met behulp van dagelikse ge- 
sprekken en het betrekken van doodgewone dingen, maken 
de legenden rondom het Godswonder, dat er de kern van 
uitmaakt, buitengewoon schilderachtig. Het naïeve maakt z'n 
effekt. Jozef, die timmermansbaas is, maakt van alles; als 
hij aan 'n bedstee bezig is, moet Jezus hem helpen en 'n 
plank afzagen 2). Voor z*n moeder haalt hij water in 'n kruik 3). 
Met z'n makkers gaat hij school, en in z'n vrije tijd speelt 
hij er mee op 'n huiszolder hier of daar, of aan de oevers 
van de Jordaan 4). Toch blijft hij in alles de meerdere. 
Dicht bij Jericho, maakt 'n leeuwin met haar welpen de omtrek 
onveilig; Jezus, ofschoon maar 8 jaar oud« waagt zich in 't 
hol, en de wilde dieren buigen het hoofd 5). Een kind breekt 
z'n kruik; Jezus brengt de inhoud, zonder een drop te ver- 
liezen, thuis 6). Een ander kind breekt bij 't spelen de hals ; 



I) II, c. 9. 2) II, c. 29. 3) n, c. 26. 4) 11, c. 25, 20. 5) II, c. 28. 6) n, c. 26. 



Digitized by 



Google 



40O BOKNDALË'S LEKENSPIEGEL. 

Jezus roept hem in *t leven terug^ i). Ook stoort k% zich aan 
niemand. Op Sabbat maakt hij van slijk, ttnaM^ aanlem 

vogeltjes, en laat ze vliegen 2). Dit wordt bekend en wdct 
gemor ; z'n ouders maken zich ongerust. Wat hun noch meer 
last aanbrengt is dat hij de jongens die hem in z'n spel 
storen, verwenst, zodat ze onmiddellik doodgaan, en de ver- 
toornde ouders bij Jozef en Maria aankomen, ja, de hoge- 
priester zich met de zaak bemoeit 3); Als 't zo ver is, dat 
de hele wereld op stelten komt, laat de wonderknaap zich 
verbidden, en wekt de schuldigen weer op. Soms doet hij 
dit, zonder z'n eerste oordeel behoeven te herroepen 4). Het 
heidendom wijkt voor hem ; in Egypte betrekken Jozef en 
Maria ergens 'n >Capitoleum"; dadelik vallen er 365 afgods- 
beelden omver 5). Ook in huis is hij 't wonderkind. Een 
lat, die hij met de zaag te kort nam, rekt hij, tot grote ver- 
wondering van Jozef, zo ver uit tot hij past 6). Z'n stief- 
broer Jakob, die groente plukt, trapt op 'n slang: Jezus ge- 
neest hem van 't gif van de beet 7). Zitten ze samen aan 
tafel, dan wachten allen, tot Jezus gebeden heeft en de spijzen 
heeft gezegend; en in z'n slaap zien de verbaasde huisge- 
noten 'n lichtkrans om z'n hoofd 8). 

Natuurlik is Jezus wijs. Van de drie personen die in God 
één zijn, komt de Zoon de Wijsheid toe, net zo goed als de 
Macht aan God en de Barmhartigheid aan de Heilige Geest. 9) 
En omdat de Wijsheid van de Zoon alle dingen vooruitziet, 
en het dus met verlof van die Wijsheid zo geschiedde, dat 
de mensheid door Eva verloren ging, zo komt het ook eer 
aan de Zoon dan aan de Vader of de H.-Geest toe, om het 
Verlossingswerk te volvoeren. 10) En ook omdat de Godheid 
wou, dat de wereld niet door de overweldigende Kracht, 
maar door de overtuigende Wijsheid beheerd zou worden, 
werd de Zoon gekozen, om in z'n Wijsheid de dingen zo te 
beleiden, dat niemand op z'n leer en leven af kon doen, of 
er de onpeilbare diepte van kon vatten. 11) 



i) II, c. 25. 2) lï, c 21. 3) II, c. 22. 4) II, c. 20. 5) n, c. 19. 6) II c. 29. 
7) II, c. 33. 8) n, c. 34. 9) II, c. 6. 10) ald. 11) ald. 



Digitized by 



Google f 



BOKNDALES LEKENSPIEGEL. 401 

Maar op de wijsheid van Jezus gaan de ME. volksschrijvers 
nooit diep in. Spreken ze over zware kwesties, zoals over 
de Drieëenheid, dan blijven ze bij de definitie, maar maken 
zich van 'n verklaring af. tEen mens kent zich zelf niet eens, 
hoe zou hij dan God doorgronden.** i) Daarmee is *t uit 
Van Jezus geldt dit ai genoeg, dat hij de geleerdste wijzen 
van z'n volk verbluft. lUustrasies geeft men genoeg. De 
priesterscholen hebben van de 5 i 6-jarige wonderknaap 
gehoord, maar zien hem voor *n wijsneus aan, die kans 
loopt over 't paard getild te worden ; 'n zekere Zacharias zal 
er Jozef eens op aanspreken; wie z*n kinderen hoger stelt, 
zegt hij, dan de Wet der ouders, laat ze onwetend; wie de 
Wet der ouders voortrekt, laat ze schoolgaan ; de priesterschap 
leren hoogachten, en met z'n makkers eendrachtig leven, dit 
alleen voert tot wijsheid; de wet loopt door 't onderwijs en 
de tucht. 2) — Jozef, die in de legenden 'n halfslachtige rol 
speelt, weet er niet veel anders op te zeggen, dan dat men 
't dan maar eens probeeren moet; hij Jozef, heeft er niets 
op tegen. Maar nu neemt Jezus, om wie het eigenlik te doen 
is, het woord : »Jij, man van de Wet, wat je daar zegt, is 
misschien goed voor jou en je-gelijken, maar niet voor mij. 
Ik tel op deze wereld niet mee, sta buiten je Wet en je 
recht. Mijn vader is God zelf. Je Wet en je wetenschap is 
uit de boeken; maar ik was er al vóór je Wet. Je meent 
in je onovertrefbaarheid heel de mensheid te kunnen leren; 
maar ik zeg je, dat je zult leren van mij, die maar 'n kind 
ben. Ik weet wanneer jij geboren bent, en wanneer je 
sterven zult, en dat weet je niet eens van mij. Na m'n 
verheffing en m'n wegvoering van deze wereld, zal ik je en 
je geslacht verderven, zodat men nooit meer, als tot nu toe 
geschied is, je geboorten zal tellen." 3) — Zonder iets terug 
te zeggen, maakt Zacharias dat hij wegkomt. 

Het raadsel van Jezus' wijsheid is met z*n goddelikheid 
opgelost God is eeuwig en alwetend, en z'n voorbestaan 
en voorzienigheid doden elk tegen-argument. Waar zulke 



1) I5 c. 2. 2) II, c. 23. 3) Aid. 



Digitized by 



Google 



402 BOENDALE'S LEKENSPIEGEL. 

hoge troeven worden gespeeld, is de kennismaking met de 
op zoveel mensenkunde en mensenliefde gebouwde leer uit 
de Evangelieën niet meer noodig- De kracht van Christus 
ligt in z'n Verlosserschap. 

De priesters geven het niet op; Zacharias komt zo waar 
terug, i) Duidelik wil het de Middeleeuwer noch eens 
laten uitkomen, dat de menselike wijsheid bij God van 
generlei waarde is. De ware wijsheid zit in de boeken, zegt 
Zacharias. Niemand zal in de knaap geloven. — Er komt 
dan van, dat Jezus de letters zal leren. Een zekere Levi 
houdt het kind op school de A voor. »Zeg A," zegt de 
meester. — Maar Jezus zegt niets, en noch eens niets, en 
krijgt om z'n oren. Nu is 't de beurt aan de andere partij. 
>Zeg eens, wat moet dat?" roept de knaap, >Wie is hier 
de meester? Leer jij maar van mij. Al die mensen, die niets 
weten te vertellen dan wat ze te voren van anderen hoorden, 
zijn kortweg blinden. Hun woorden zijn klinkklank. Maar 
wat ik te zeggen heb, heb ik niet uit *n boek of uit 'n 
andermans mond, maar uit me zelf..... Zeg maar eens, wat 
beduidt T? 2) Weet je 't niet? En wat A? Vanwaar die drie 
hoeken, die gedeelde zijden en de open basis 1 Als je dat 
zegt, zal ik zeggen, wat B isl — Maar geen een meester, 
die het wist; allen werden ontzet en ontzind, uitroepende, 
dat deze knaap geen mens was, en er alleen in God zulk ^n 
wijsheid kon zijn. 3) — Ook lezen we dat de kastijdende meester 
dood neervalt ; 4) dat de knaap 'n andere nu wat zachtzin- 
niger leraar het boek uit de handen neemt, en zulk een 
wijsheid uit de diepste en overvloedigste bron laat vloeien, 
dat de meester aanbiddend op de knieën zinkt. 5) — De priesters 
en 't volk beginnen nu Jezus te haten, en de verontruste 
ouders brengen hem eerst naar Kapemaïim en vervolgens 
weer naar Betlehem. 6) 

Epiese breedte krijgt het verhaal als de aarde de Godszoon 



i) n, c. 24. 2) De symboliek in de T en de A is duidelik I Maar de B? 

3) Aid, 4) n, c. 30. 5) n, c. 31. 6) n, c. 31, 32. 



Digitized by 



Google 



BOENDALE'S LEKENSPIEGEL 403 



staat te ontvangen en als hij door de dood van de wereld 
gescheiden wordt. Als Christus komen zal, houdt heel de 
natuur z*n adem in. Geen blad beweegt zich. De rivieren 
vergeten te vloeien ; de vogels, de dieren, de mensen zwijgen ; 
niets heerst er dan rust. i) Daar grijpt plotseling de Hemelse 
macht met wonderen in. Over Betlehem zing z*n engelen- 
zang het Gloria in exeelsis, 2) Een nieuwe ster, 1000 jaar 
geleden door Bileam voorspeld, verrijst in 't O. en wijst de 
drie koningen de weg; de zon omringt zich met 'n schone 
purperen krans. 3). Te Rome opent zich een welriekende 
bron, en stort 'n duizendjarig gebouw ineen. Augustus, de 
eerste de beste en de roemvolste keizer, aan wie de Senatoren 
goddelike eer willen geven, wordt geprofeteerd door *n sybille, — 
ook hij zelf krijgt *n visioen, — waarbij hem de wkre God 
wordt getoond. 4) — Maar geweldig gaat de wereld te keer, 
als Christus z'n taak op aarde is afgelopen. Als de Verlosser 
zal komen, zitten iu 't rijk der Duisternis de zielen te wachten. 5) 
Plotseling verrijst er *n licht, schoner en heller dan de zon. 
Adam is de eerste die 't licht herkent. Daarop profeteert 
Jesaja, Simeon volgt, dan de Doper. Allen, vaderen en profeten, 
verblijden zich. Adam laat Seth de tocht naar 't Paradijs 
verhalen, en Gods belofte van de olie der Barmhartigheid. En 
allen wachten op hoop van z'n komst. 

Onderwijl spreekt de Satan z'n scharen toe, opdat ze zich 
gereed houden tegen hem, die zich de Godszoon heeft ge- 
noemd. 6) > Vrees niet," zegt hij, »hij is 'n mens, want ik 
»heb hem hooren zeggen: M'n ziel is bedroefd tot den doodi 
>En de dood vrezen, doet alleen de mens." — >Maar hij 
> maakt gezond, wat wij verderven," weerleggen de demonen. 
»Dat deed nooit 'n mens. Zo hij eens 'n God wasl" — »Wat 
»dood gaat, komt hier, en wat hier komt is voor ons," zegt 
Lucifer. >En om hem te leveren aan de dood, zette ik heel 
»'t Jodendom tegen hem op." — »Maar hij roept de zielen 
»terug/* roepen de duivelen. Was hij 't niet, die Lazarus 
» opriep zeggende: » Lazarus kom uit," en 't was zo? Voor- 



I) II, CU. 2) ald. 3) ald. 4) ald. c. 15. 5) II, c. 36. 6) ald. 

27 



Digitized by 



Google 



404 BOENDALE'S LEKENSPIEGEL. 

>waar, hij is 'n God en voert al de door ons geroofde zielen 
>uit naar de eeuwige zaligheid T' 

Eensklaps rolt er 'n donderslag, en 'n stem roept: » Opent 
uw poorten, o vorsten. De Koning des Roems verschijnt l" 
En de demonen sidderen. Maar uit de zielenkerker roepen 
de vaderen, profeten en heiligen terug: » Opent uw koperen 
poorten. De Koning des Roems verschijnt.'* Toen zeiden 
de helse scharen: »Ga nu uit Satan, die uw moed zo hoog 
draagt, en waag de strijd tegen de Koning!" Maar aan de 
wachters gelastte de Satan, de poorten te sluiten en te gren- 
delen, zoodat er niemand binnen kon gaan. 

In 't zielenrijk groeide de vreugde. Koning David zei: 
» Voorspelde ik niet, dat God de koperen poorten zou breken, 
en de ijzeren grendelen verbrijzelen tot hulp der zijnen?*' En 
Jesaja herhaalde: »Zei ik niet, dat de doden zullen opstaan 
en de levenden zich verblijden?" — »Dood, waar is uw 
prikkel, hel, waar is uw zegel" — En de heiligen juichten: 
»Gij ligt verwonnen, o heli" En 'n tweede donderslag klonk, 
en weer riep de stem: »Doe open, o vorsten, uw poorten." 
En ze verblijdden zich noch meer, elkander troostende met 
hun profetieën. 

Ineens verscheen 'n groot licht: de Koning kwam binnen, 
scheurende de banden, die noch niet waren verbroken. De 
helse wachters vluchtten. En al de legioenen van duivelen 
vluchtten. Maar de Satan greep hij, en wierp hem in de 
diepste duisternis, hem voor eeuwig vervloekende. — »En 
gij Adam," zei hij, »wees gij en Uw geslacht voor eeuwig 
verlost. Komt, heiligen geheeld naar mijn beeld." — En 
de Heer ging naar Adam, nam hem bij de hand en zei 
tot hem: > Eeuwige vrede zij met u allen l" — En Adam 
viel neer voor z'n voeten, en alle heiligen vielen neer, 
en allen zeiden: » Verlosser, die zijt gekomen, zooals ge 
voorspelde l Door 't Kruis hebt ge ons bevrijd. Zet dit 
kruis, o heer, op aarde als 'n teken van uw viktorie." — 
En zo deed de Heer. En hij leidde ze uit, Adam en de 
zijnen, en Michaël bracht ze naar 't Paradijs, waar Elia en 
Henoch toefden ... En in de diepte der hel werd Satan 



Digitized by 



Google 



B0ENÏ3ALE'S LEKENSPIEGEL 405 

bespot, omdat hij iemand zonder zonde had willen verderven, i) 

In het evangelie van Nicodemus, waaruit het bovenstaande 
getrokken is, zijn meer gedeelten, waarin de groepering van 
de handelende personen en de levendigheid van de voorstelling 
aan de aksie 'n kleur bijzetten, welke 't ons begrijpelik maakt, 
hoe men met dergelijke gegevens de behoefte gevoeld heeft, 
deze aantrekkelike stof voor 't publiek in passie-spelen te 
dramatiseren 2). Zo in 't begin : 

lAnna, Senna, Dathan, Kaïfas, Gamaliël, Levi, Judas, 
Alexander, Cyrus, enz., enz., allemaal Joden, kwamen vreselik 
verontwaardigd bij Pilatus om Christus te beschuldigen. »We 
»weten met zekerheid, dat hij de zoon van Jozef en Maria is", 
riepen ze. >En nochtans zegt hij dat hij Gods zoon is, en 
> daarbij noch, dat hij koning is. De Wet der Vaderen acht 
»hij niet, en de Sabbat viert hij niet. Integendeel, hij doet 
>al z'n genezingen en wonderen op Sabbat, en dat is 'n grote 
»zonde*\ — > Waarom is dat zonde?'* zei Pilatus, — > Omdat 
>hij net is als Belzebub en baas over de duivels, want hij werpt 
>ze zo maar uit". — Moet je daar 'n boze geest voor wezen ! 
»Ik dacht dat die duivelen juist uitvaren door de kracht GodsT' 
> — Nu goed", riepen de Joden, >laat hem maar is voor- 
tkomen". — En de rechter zei tot 'n bode: >Vraag eens 
»aan Jezus, of hij hier komt. Maar met beleefdheid hoorl" 
— De bode af, en naar Jezus toe, met 'n bos stroo of riet 
bij hem, spreidt dat voor Jezus z'n voeten uit en zegt: >Heer, 



i) II, c. 36. Uit het verhaal van Canons en Lucius in *t evangelie van 
Nicodemus. 

2) Nicodemus, zegt Boendale, was *n vriend van Christus, en nooit uit z'n 
nabijheid Hij was machtig en onafhankelik, en maalde niet om de Joden. De 
andere jongeren vluchtten, toen Jezus gearresteerd werd; hij bleef, en woonde 
't hele verhoor, enz. bij. Dat alles schreef hij op. (Later, in c. 38, zegt B., dat 
Nicodemus niet spreekt van Judas' verraad, Gethsemané, Petrus' verzaking, de 
nacht, de tocht naar Annas, Kaïfas, de beledigingen, enz. Wellicht deed hij dit 
niet, omdat hij er niet bij was. Wat *n eerlike man dus, die Nicodemus, wat 
kon je op zo iemand aan! zegt B.) 

Deze »jeest van Onze Behouder" had, volgens de legende, keizer Theodosius 
te Jeruzalem in Pilatus rechtsarchieven gevonden. Zo had men (en heeft men) 
ook de brieven van Pilatus aan keizer Claudius! 



Digitized by 



Google 



4o6 BOENDALE'S LEKENSPIEGEL. 

»wil asjeblieft hier overheen naar de rechter gaan, want die 
»wou u spreken". — Dat zagen de Joden, en ze vroegen 
Pilatus: »Is dat nu 'n manier om 'n schuldige op te eisen! 
»Die bode weet niet hoe 't hoort T' — Pilatus op de bode af, 
om te vragen of dat nu zó moest en of *t niet anders kon. 
>Wel heer", sprak de dienaar, >toen ik op straat kwam, zag 
»ik Jezus op 'n ezel zitten, de Jodekindertjes liepen er om heen 
»met takjes en groen in de hand, al maar kleden voor hem 
» uitspreidende en zonder ophouden roepende : hosanna, hoogste 
» koning, gezegend hij die komt in de naam des Heren 1 En 
>toen ik allen hem die eer zag aandoen, deed ik ook m*n 
>best..." — »Maar jij bent 'n Griek", riepen de Joden, >en de 
>Jodekinderen spreken Hebreeuws. Hoe zou jij *t dan ver- 
>staan?" — »Wel ik vroeg 'n Jood, en die lei *t me uit". — »Wat 
>riepen ze?" vroeg Pilatus. — > Allemaal hosanna, heer!" — 
>Wat is dat?" — »Dat is zooveel als: maak me zalig 1" — »Hoor 
»nu eens aan", zei Pilatus, »dat riepen jullie eigen kinderen. 
» Wat wou je nu zeggen, en hem misdadig noemen 1" — Toen 
wisten ze niet wat ze zeggen moesten" i). 

» Onderwijl komt Jezus, die door de bode geroepen was. 
Nu stel ik me voor dat er in de zaal waar Pilatus rechtsprak, 
lui stonden met banieren, en in die banieren 'n beeld of fie- 
guur. En dat toen die banieren voor Jezus bogen. En toen 
zei Pilatus: Zie je nu niet, dat zelfs die tekens hem eren?" 
— >Nee", riepen de Joden >dat doen niet de tekens, maar 
>dat doen de mensen die de banieren dragen". — Maar de 
banierdragers zeiden dat de tekens 't zelf hadden gedaan, en 
dat zij er geen schuld aan hadden. — »Goed", zei Pilatus, >breng 
»dadelik twaalf sterke kerels voor, en geef die de banieren 
»in de hand. De kop er af, als ze de banieren strijken". — Jezus 
moest nu opnieuw binnenkomen, en wederom gingen de ba- 
nieren naar de laagte. »Zie je wel", zei Pilatus, »dat het de 
» tekens wel waren, die eer aan Jezus gaven?" — En de Joden 
wisten wederom niet wat ze moesten zeggen" 2). 

Ten slotte komt er bij 'n verandering van groepering door 



I) II, c 36. 2) Aid. 



Digitized by 



Google 



BOENDALE'S LEKENSPIEGEL. 407 

de actie *n drang als van opstormende en neerzijgende zeeën. 
Daartussen wordt geslingerd Pilatus, die goedig is, omdat hij 
geen Jood is, en zwak is, omdat Christus, die als ofTer van 
de Jodenhaat moet vallen, niet door hem gered mag worden. 
Verhoor en wederhoor vormen 'n kruisvuur i) : >Hij is van 
» onwettige afkomst", roepen de Joden. — Maar anderen be- 
wijzen het tegendeel. — >Bezweer uw aanklacht**, eist Pilatus. 
— Maar ze zweren niet, wel staan ze met hun leven voor 
de waarheid in. — >Hij schendt de Sabbat**, roepen ze. — 
>Neen heer, hij geneest", zeggen anderen. — >Ik zie geen 
schuld in goede werken. > Vonnis hem zelf l*' zegt Pilatus ver- 
toornd. — Maar de Joden willen het niet. — >Hij noemt zich 
koning 1" roepen ze uit. — »Maar niet van deze aarde!*' 
zegt Christus. — >Hij wil de tempel afbreken**, dringen ze 
aan. >Over óns kome z*n bloed. Hij kwetst niet óns, hij 
kwetst Godl** — Veroordeel hem dan**, zegt Pilatus. — 
> Oordeel gij, en kruisig heml*' — Maar velen weenden, en 
Pilatus die geen schuld in hem zag, kon maar niet besluiten." 
»Toen kwam Nicodemus, en zei: >Als z*n werken die hij 
»deed, uit God zijn, dan zullen ze blijven. Zijn ze niet uit 
»God, dan zullen ze vergaan. Mozes deed tekenen voor Pharao, 
»en z'n werken hielden stand. De Egyptiese wijzen deden 
> tekenen, en hun werk hield geen stand, omdat het niet uit 
»God was. Laat daarom deze man met rust!** — > Oordeel 
»ook hèm,** riepen de Joden, »hij was mèt hem!** — Maar 
toen vroeg *n ander het woord en zei: >Zie heer, 38 jaar 
>lag ik ziek, en hij genas me.'* — >0p Sabbat I** riepen de Joden. 
En 'n ander die blind was geweest, zei ook zo. En noch 
een, die melaats was. En Veronica, die de bloedzucht gehad 
had. — >Een vrouw mag niet getuigen!" riepen de Joden. — 
Maar Pilatus werd toornig, en voer uit tegen de Joden, en 
wilde heengaan. Nu drongen ze nochmaals op, en zeiden: 
»Zie heer, wij zijn trouwe, want we willen de Keizer en niet 
i>deze tot koning. Deze is *t, die Herodes zocht; deze is 't 
»om wie hij te Betlehem moordde. Deze is 't die z*n moeder 



I) Aid. 



Digitized by 



Google 



4o8 BOENDALK'S LEKENSPIEGKL. 

^ontvoerde.*' — »Is dat waar?" vroeg Pilatus bevreesd. — »Ja 
»heer!" riepen ze. Toen werd Pilatus noch meer bevreesd, 
wies z'n handen, en zei: »Ik wil geen schuld hebben aan 't 
»bloed van deze rechtvaardige l** — Maar de Joden riepen: 
>Laat z'n bloed over óns en onze kinderen komen. Kruisig 
>hemr' i) 

In de ME. is de Kerk nummer één; al 't andere is haar 
ondergeschikt. Heel de natuur, heel de oudheid wordt voor- 
gesteld zich te groeperen óm Christus, te wijzen óp Christus. 
In hèm eindigen alle dingen. Ook wat na hem komt, strekt 
noch altijd tot de verhoging van zijn eer. Maria's hemel- 
vaart, 2) de uitzending der Apostelen, 3) de pauselike regee- 
ring, door Boendale beschreven tot Karel, de Godsheid, en 
eerste keizer van Rome ni Konstantijn, 4) — al wat de 
historie geeft, draait om dit ene: de toenemende heerlikheid 
van de Kerk, de moeder van alle kinderen in Christus. Op 
elke bladzij groeit ze in haar martelaren, haar instellingen, 
haar dienst; zoals van de oude eenvoudige kern de mis 
aangroeit tot de allesomvattende vereringshymne van later. 5) 
Heel het eerste deel van deze spiegel, — de profeetsieën 
uit *t voor-Christelike tijdperk, — heel het twede, als ook 't 
vierde, — beschrijvende het Einde der dagen, — heeft tot 
onderwerp: de verlossing van 't mensdom. De wereldse 
feiten, zo ze het noemen waard zijn, staan achteraf in de 
schaduw; alleen de Kerk heeft haar historie, en de mijlpalen 
en de merktekens zijn de regeringsjaren der pausen, *t zij ze 
martelaren zijn of rechthebbende meesters. 

Tegenover de heerlikheid, die aan ieder Christen in de 
Godsheid voor oogen wordt gesteld, en die met gehoorzaam- 
heid en goede werken te winnen is, stelde de Middeneeuwer 
in z'n sombere opvatting van het zondige aarde bestaan, een 
droevig einde, en verschrikkelike doodstrijd. 6) Het uur van 
scheiding uit het dal van vervloeking, moest alle leed dragen 



i) IIj c. 36. 2) II, c. 55-58; zie ook c. 59, 60, 61. 3) II, c. 39. 4) II, c. 
44-50. 5) II, c. 52 (bediedenis van de mis); c. 51 (keik en priestergewaad); c. 
53 (de horae); c. 54 (de 7 eeuwen). 6) I, c. 19. 



Digitized by 



Google 



BOENDALES LEKENSPIEGEL 409 

dat het lichaam en de ziel van de mens kon folteren. Dit 
uur zou z'n kruis zijn. Ze werden geteld en genoemd, de 
vier zwaarste dingen, die de aarde kon denken. Daar zou 
bij de stervende mens *n onuitsprekelike angst zijn, voor God 
te verschijnen, en 'n pijn van de ziel om van *t zolang ver- 
bonden lijf te scheiden, noch veel groter dan de smart van 
'n moeder, die haar kinderen ziet doden; dan 'n foltering 
van 't lichaam, tienmaal zo groot, dan wanneer 't met hameren 
plat werd gesmeed, en 'n jammer er in en 'n wee, omdat het 
edelste wat er was, verloren moest gaan: de ziel. i) 

Maar juist omdat de scheiding van de Goddelike kiem, de 
dood met zoveel jammer deed vrezen, daarom ook was ze 
in dit ellendig leven van zo hoge waarde, als 't kostbaar 
kleinood, waarmee zich de mens aan God verwant gevoelt 2). 
Het was de adem, die de Schepper inblies; het was het 
leven van God. En omdat ze goddelik was, kon ze ook 
niet anders dan rechtvaardig voelen. 3) Voor 't ongeluk, b.v. 'n 
nabestaande te hebben, die ter helle was verwezen, had ze 
geen droefheid. 4) En de verdoemden zelve, die wisten dat 
ze op de plaats des Oordeels moesten komen en het lichaam 
naar de hel moesten terugvoeren om er de eeuwige pijnen 
te verduren, ook zij beklaagden zich zelf niet eens 4) Want ook 
in de ziel der zondaars, hoe ontaard ze mocht zijn, blijft in 
de onuitblusbare Godsvonk noch altijd het besef van Recht. 



I) Aid. 2) I, c. I, 15, 18. 3) I5 c. 18. 4) Aid. 



Digitized by 



Google 



HOOGESCHOLEN EN 
GEESTELIJKE BEWEGINGEN 



DOOR 



ALBERT VERWEY. 



Wij weten dat de akademische geleerdheid 
nooit tot roeping gehad heeft om datgene te 
vertegenwoordigen wat nog niet als de over- 
heerschende meening is aangenomen. 
J. P. N. Land: De wijsbegeerte in de Nede^ temden, 

I. 

Leven en Werken van Jonker Jan van der Noot is de 
titel van een boek waarmee Aug. Vermeylen een doktoraat 
van de Vrije Hoogeschool van Brussel verworven heeft. Dit 
werk is van beteekenis omdat het onmiddelijk voortkomt uit 
die geestelijke beweging die in Nederland eerst de poëzie 
hervormde en daarna ook op de beschrijving van de poëzie 
invloed kreeg; en de hoogeschool eerde zichzelve die als 
proefschrift dit geschrift aanvaardde ofschoon het onafhanke- 
lijk van haar was ontstaan. 

Nu ik, hoewel hoofdzakelijk de bespreking van enkele 
pasverschenen geschriften bedoelende, de denkbeelden Hooge- 
school en Geestelijke Beweging opzettelijk te zamen breng 
en er dit schrijven den naam van geef, stel ik er prijs op te 
verklaren dat ik het doe in dezelfde verzoenings-volle gezind- 
heid die door die aanvaarding werd geuit. 

* 



Digitized by 



Google 



HOOGESCHOLEN EN GEESTELIJKE BEWEGINGEN. 411 

Holland, in zijn krachtigsten tijd, had ook groote dichters ; 
die door zeer enkelen onmiddelijk als zoodanig erkend wer- 
den. Langzamerhand ziet men in de geschriften van dichters 
en geletterden zich die erkentenis bevestigen: Vondel en 
Hooft worden sints de tweede helft van de 1 7^^ eeuw almeer 
genoemd als de twee grootsten; en de door Hooft als leer- 
meester geprezen Spiegel wordt, uit een vroeger geslacht, 
aan hen toegevoegd. Dit is, zoolang het oorspronkelijke Hol- 
land standhoudt, de standhoudende overlevering omtrent de 
oorsprongen van de hoUandsche literatuur. 

Feitelijk ging, met dat Holland, in de tweede helft van 
de i8<ie die overlevering onder. Niet dat men een andere 
meening ervoor zou hebben in de plaats gesteld; maar men 
hield op haar gezag van invloed te doen zijn op eigen voort- 
brenging en oordeelen. Men vond dat niet langer Vondel en 
Hooft moesten nagevolgd worden, en men vond dat er schoons 
was in dichters op wie men sints of na hen niet had gelet. 

Toen nu, na 181 5, de volkskracht herleefde, gebeurde er 
tweeërlei. In de eerste plaats hadden de algemeenheids- 
neigingen van de verloopen jaren mensch en natuur, ras en 
ver\vantschap ontdekt achter de afzonderlijke volks-openbarin- 
gen. De middeleeuwsche literaturen, uitingen van europeesche 
volken-famih'es, werden elders, en toen ook hier, nagespeurd ; 
en er was geen denken aan dat deze beweging die de onder- 
strooming van den nieuweren tijd was, verloopen zou. Maar 
in de tweede plaats herleefde, hier zoowel als elders, met de 
volkskracht het volks-ideaal. 

Gevolg was dat de geschiedenis van de middelnederlandsche 
letteren aan die van de latere werd toegevoegd op hetzelfde 
oogenblik dat voor die latere de oude overtuiging weer 
gelden ging. 

Dit laatste evenwel niet zonder voorbehoud. De Republiek 
van de Zeven Provinciën had als Renaissance-staat den engen 
blik gehad die al wat tot de Renaissance niet hoorde, buiten- 
sloot. Geheel in overeenstemming met de erkenning van 
voorafgegane literaturen was het dat het nieuwe koninkrijk 
zijn zeventiende-eeuwsche zich ging voorstellen naar algemee- 



Digitized by 



Google 



412 HOOGESCHOLEN EN GEESTELIJKE BEWEGINGEN. 

ner, naar negentiende-eeuwsche zienswijzen. De lijn Spiegel — 
Hooft- Vondel mocht behouden blijven: veel dat den gelet- 
terde van de Republiek onbelangrijk gebleven was bewoog 
zich, in al kleuriger lichamelijkheid, eromheen. Zie ik juist 
dan hebben, b.v. Coornhert, Brederoo, Huygens, in de oogen 
van onze tijdgenooten een belangrijkheid genoten, die ze 
voor de waardeering van de Renaissance-geletterden, onze voor- 
gangers, niet hebben gehad. 

Het spreekt vanzelf dat ook deze bespiegeling binnen haar 
tijd en haar grenzen bleef. Evenmin als voor een schrijver 
van de i y^^ was voor een van onze eeuw in Noord-Nederland 
Van der Noot een dichter aan wien men aandacht schonk. 
Kleinere dichters in het noorden konden opnieuw worden 
genoemd en uitgegeven: hun zaak zat vast aan het volks- 
ideaal dat wij bewonderden; van Van der Noot kon noode 
een landgenoot, vanuit het in België benarde Brabant, den 
noordelijken broeders een kleine keus van gedichten doen 
toekomen, met een glossarium ter vleiing van hun europeeschen 
studie-ijver en een kreet van bewondering dien hun vader- 
landsche smaak niet verstond. 

Van der Noot*s tijd kwam toen het volks-ideaal, nu ver- 
groeid met algemeener denkbeelden, ophield zich in het 
verleden te spiegelen, en met eigen karakter in de europeesche 
gemeenschap trad. Het karakter van het laatste eeuwkwartaal 
is dat de volken zich die eigenschappen bewustmaken waar- 
door zij aan het wereldverkeer kunnen deelnemen. Juist als 
elk mensch hebben zij in zich hun geschiedenis, vast ver- 
zekerd dat haar richting hun doel bepaalt; maar zij zijn óók 
vast overtuigd dat wie gestadig vóór zich ziet niet zooveel 
kracht verspilt als wie beurtelings vooruit naar zijn doel moet 
zien en achteruit naar zijn ideaal. Deze gezindheid is sints 
verscheiden jaren ook in Nederland in de poëzie te vinden, 
die, voor het eerst, het bizonder-vaderlandsche alleen in zoo- 
verre wenschte uit te spreken als het in de wereld-literatuur 
belangrijk leek. 

Dit is die geestelijke beweging waarvan ik in mijn aanhef 
schreef. In poëzie en smaak vertoonde zij zich en verder 



Digitized by 



Google 



HOOGKSCHOLEN EN GEESTELIJKE BEWEGINGEN. 413 

verkreeg zij naar alle zijden zulk een uitbreiding, dat ik 
nergens meer treden kan zonder dat ik haar ontmoet. 

Door een verandering van den smaak, die ontdaan werd 
voornamelijk van vaderlandsche troebleeringen, werd het 
mogelijk Van der Noot, den zuiveren kunstenaar naar het type 
van de Renaissance, te verstaan. Gevolg daarvan was het in- 
zicht, dat een zuid-nederlandsch dichter aan Hooft en Vondel 
was voorafgegaan. Belangwekkende studiën kwamen aan de 
orde naar deze wijziging van de eeuwen-oude voorstelling. 

* * 
* 

Toen Guicciardini in 1566 de laatste hand legde aan zijn 
beschrijving van de Nederlanden, besloot hij zijn lof van 
Antwerpen met deze woorden: »et pareillement ha plusieurs 
ieusnes hommes doctes, et studieux, lesquels bien tost et avec 
grand louange (si ie ne me degoy) se feront celebrer.** 

Niet onwaarschijnlijk is het dat hij onder die jonge mannen 
ook Jan van der Noot begrepen heeft. 

En er waren er dan ook weinig van wie men zooveel ver- 
wachten kon als van dien jongen patricischen dichter, vriend 
en beschermer van kunst en wetenschap, die, sedert een paar 
jaar getrouwd, in zijn rijke en smaakvolle woning ongetwijfeld 
de edelste geesten van zijn leeftijd vereenigde, en zelf onder hen 
niet schromen hoefde te verklaren dat hij voor Brabant doen zou 
wat Ronsard voor Frankrijk, Petrarca voor Italië had gedaan. 

Maar nevens deze had Jonker Jan meer wereldsche eerzuchten. 
Voor de eerste maal schepen in 1562 al, en in 1565 her- 
kozen, had hij, toen de troebelen kwamen, het zoete van de 
heerschappij genoten, en als een naar den spaanschen koning 
gezonden aanteekening waar spreekt, hoopte hij in Antwerpen 
markgraaf te zullen zijn. Een fel ketter toonde hij zich, die 
de psalmen van Datheen zong en verbeterde. Toen dan ook 
den 13^11 Maart 1567 de Calvinisten zich op de Meir op- 
stelden was Van der Noot, lid van het Consistorie en mark- 
graaf in hope, een van hun aanvoerders. Den 14^1^ werd hij 
genoemd bij degenen die men in den Raad wenschte. Den 



Digitized by 



Google 



414 HOOGESCHOLEN EN GEESTELIJKE BEWEGINGEN. 

I5en reden hij en Fernando Bernollie »in *t harnasch met 
hellebarden en sinckroers op alle hoecken van de straten" om 
de Geuzen op te roepen tot beslissing door de wapenen. Dit 
openlijk optreden tegen de pogingen van Willem van Oranje, 
die diezelfde dagen de stad trachtte te bevredigen, is het 
hoogtepunt van Van der Noots streven naar wereldsche 
heerlijkheid. Als jeugdig schepen had hij in de vierschaar 
gezeten naast meester Jan Rubens, die later overspel dreef 
met Anna van Saksen: op andere wijs dan deze kwam ook 
hij — geheimzinnig gesternte dat die levens samenbracht 1 — 
kwam ook hij, haast ten top van zijn eerzucht, in botsing met dien 
onverbrijzelbaren Oranje, die in zijn voorbestemdheid tot den 
strijd tegen Spanje vaster stond en veiliger door gevaren ging 
dan zij die de vaders van vlaamsche schilders of van brabantsche 
gedichten zouden zijn. De Prins volvoerde de opdracht die 
de Landvoogdes hem gegeven had ; en Van der Noot vlood. 
Dit was de gebeurtenis tengevolge waarvan Van der Noot 
»styf elf jaer" in den vreemde doolde en daarna als een 
behoeftig man terugkeerde. In 1581 bood de schrijver van 
het bovengenoemde boek over de Nederlanden aan den Raad 
van Antwerpen dat werk nog eens ten geschenke aan. Messire 
Lodovico Guicciardini was een aanzienlijk man gebleven die 
door > mijne Heeren de Wethouderen ende de Goede Mannen 
van den Maendaegschen Raedt" in raadkamer ontvangen, en 
wien besloten werd »mede regard nemende op andere syne 
vorige diensten der stadt in meer deelen bewesen" een gouden 
keten van tweehonderd gulden te vereeren. Dit was in Maart ; 
en in Juli bericht Van der Noot den Raad dat ook hij aan 
een werk >grootelijcks tenderende tot eer ende nut deser 
stadt" bezig is, en vraagt honderd gulden te leen ervoor. 
De helft van die som werd, en in hoffelijke bewoordingen, 
toegestaan. Maar het duurt niet lang of de laatste schijn 
van eervol leenen is weggevallen. De Heeren van de stad 
vinden goed den gewezen schepen >tot onderstant van syne 
behoefflyckheyt te gheven vyftich guldens eens". Nog iets 
later zijn het er vijfentwintig. Ook de gewezen schepen doet 
niet langer opgeld. De aalmoes wordt verstrekt aan Heer 



Digitized by 



Google 



HOOGESCHOLEN EN GEESTELIJKE BEWEGINGEN. 415 

Jan van der Noot »tot syn onderhoudt ende nootelyckheyt**. 
Belangwekkend zou het geweest zijn in die jaren een gesprek 
bij te wonen tusschen Burgemeester Mamix en den schamelen 
dichter die straks voor eenige eeuwen stond verbannen te 
worden uit de geschiedenis van de nederlandsche literatuur. 

Aug. Vermeylen die met smaak vernuft en ijver het leven 
en de werken van dezen miskenden dichter naar alle kanten 
onderzocht en beschreven heeft, maakt de opmerking dat eene 
Olympia als verpersoonlijking van de hemelsche liefde niet 
alleen bij Van der Noot maar bij tal van dichters der Renais- 
sance voorkomt, doch alleen bij hem eene Kosmica, verper- 
soonlijking van de wereldsche. Na vergelijking van verschil- 
lende plaatsen acht hij het niet onwaarschijnlijk dat Van der Noot 
met die Kosmica zijn vrouw bedoelde van wie men na een 
aanteekening omtrent hun huwelijk niets meer hoort Mij komt 
het voor dat deze bedoeling nog waarschijnlijker is dan Ver- 
meylen heeft aangenomen. In den Lofsang van Brabant 
namelijk leest men: 

ick ben gheweest ghebannen, om myn deughdt, 
Wt u schoon edel landt, en daertoe med cleyn vreughdt 
Beroofdt van staet en goedt, en Kosmica misdadigh 
Die myn welvaerdt en deughdt seer benydt ongenadigh : 
Soo dat ick was benoodt te dolen, styf elf jaer . . . 

Vermeylen, van deze verzen sprekende, zegt: Van der Noot 
vertelt hoe hij gebannen werd en » beroofdt van staet en 
goedt,'' en toen veel te lijden had van >Kosmica misdadigh." 
Maar dit toen veel te lijden had, men ziet wel dat het in die 
verzen niet staat. Hoe vreemd het ook klinke dat hij zich 
beklaagt van een misdadige beroofd te zijn, dat hij van haar 
beroofd werd staat er letterlijk. En inderdaad, aannemende 
dat hij met Kosmica zijn vrouw bedoelde, is er in dat beklag 
niets vreemds. Het leert ons, naar het mij voorkomt met 



Digitized by 



Google 



4i6 HOOGESCHOLEN EN GEESTELIJKE BEWEGINGEN. 

vrij groote zekerheid, juist wat wij uit belangstelling in zijn 
lotgevallen en zieleleven wenschen te weten: Van der Noot 
verloor toen hij vluchten moest zijn vrouw, die hij hierom 
misdadig achtte omdat zij het met zijn opvatting omtrent 
deugd en welbevinden niet bleek eens te zijn. 

D(is Buch Extasisy die kostbaarste van Vermey lens vondsten, 
bevat verscheiden plaatsen die, als we dit aannemen, een 
btzonderen zin krijgen. » Voller Unmuts ist auch stetz der 
Ehfistand" beet het op de eene plaats. »Kein Lieb ohn 
Argwoha findet man auff Erden*' leest men op de andere. Een 
persoonlijken klank krijgen de verzen waar van zijn »falsches 
Weib*' gesproken wordt; ook deze: 

du wirst von thoren 
Dich einen losen fantast nennen horen 
Und für einen unlieben man veracht 

en de volgende : 

man kan nicht genugsam haben lieb 
Noch schetzen wie man solt ein frommes Weib 
So man die böse vor nit hat versocht 
Die übermutig stetz scheltet und fluchet 
Ich meyn die ungetrewe Cosmicam. 

Wij kunnen ons Van der Noots gemoedservariugen nu zeer 
goed denken. De jonge vrouw die hem uit Leuven gevolgd 
was had in den schoonen patriciër, schepen van zijn stad, 
dichter en gevierd beschermer van kunsten — een Leuvensch 
student was het die hem als zoodanig bezongen heeft — niet 
voornamelijk den ketter en zeer zeker niet den man die al 
zijn hebben en houden op een omwenteling stelde liefgehad. 
Losse fantasterij vond zij dat bouwen op het niet-aanwezige ; 
een onlieven man vond zij hem die om zulk een roem haar 
geluk in de waagschaal stelde; zij had hem niet vertrouwd, 
zij had op hem geknord, gevloekt, gescholden ; toen hij vluchten 
moest en huis en goederen prijsgeven had zij geweigerd van 
de partij te zijn. 



Digitized by 



Google 



HOOGESCHOLEN EN GEESTELIJKE BEWEGINGEN. 417 

Alleen (of moeten de verzen: »Grott bat von dir den Bock 
genommen hin, Das ist dein weltlich Lust» md Fkischlich 
sin, und hat Isaac dein Son dir lassen Ueiben" ook letter- 
lijk verstaan worden?) alleen, laat ons aannemen, ging Van 
der Noot naar Londen, en door deze bitterste ervaring werd 
in de nu volgende jaren de bouw van zijn geestesarbeid bepaald. 

Niet enkel dat Kosmica erkend wordt als werkelijk; maar 
in tegenstelling tot haar ontstaat de Olympia die hem troosten 
moet, en begrijpelijk door haar worden die allerzonderlingste 
figuren van Chrysea en Argyrea (goud-en-zilver in één woord) 
die hem ten dubbelen troost door Olympia moeten worden 
toegevoerd. 

Men ziet hoezeer een werkelijk gegeven hier de basis van 
een verbeelding geworden is. Met dit aan te toonen wordt 
die verbeelding niet verklaard; verklaard wordt alleen het 
minst eigenaardige; maar belangwekkend is het aantezien 
hoe een werkelijke toestand aan een ver boven en buiten die 
werkelijkheid reikende aandoening en bedoeling zijn vormen 
en tegenstellingen leent. Kosmica is de werkelijkheid, bij 
Van der Noot hoofdzakelijk dienstig om in hem de verbeel- 
ding te ontwikkelen, de eenige die zijn leven zou verheer- 
lijken : van Olympia. Maar de eigenaardige verhouding waar 
die werkelijkheid hem in bracht tot zichzelf, die namelijk van 
volkomen onvermogen tot verschaffing van de noodigste mid- 
delen, kan hem Olympia niet doen aanvaarden zonder voor- 
behoud. Chrysea en Argyrea zijn de nymfen die zij hem 
moge nabij brengen. Levenslang blijft hem Olympia: ik 
geloof graag dat hij, oud al, haar nog bezongen heeft. Kos- 
mica, zoowel als Chrysea en Argyrea, verliezen hun lichame- 
lijkheid ; maar zijn wereldsche toestand niet veranderend blijft 
het mokken tegen die wereld en het wenschen naar zilver en 
goud voortduren. De éene menschelijke ervaring van zijn 
leven die in enkele jaren de verbeeldingen van Van der Noot 
hun vasten vorm zou geven, heeft al de verdere jaren van 
dat leven vervuld. 



4e 



Digitized by 



Google 



4i8 HÜOGESCHOLEN EN GEESTELIJKE BEWEGINGEN. 

Naar het mij voorkomt zal Das Buch Extasis dat de duitsche 
bewerking is van Van der Noots Olympiados die in het 
vlaamsch zoover we weten alleen besnoeid verscheen, — 
naar het mij voorkomt zal dit boek nog lang van groote be- 
teekenis blijven voor de studie van Van der Noots leven en 
van voorstellingen die het eigendom zijn van zijn tijd. Wat 
de laatste betreft — mijn indruk van de lezing komt geheel 
overeen met wat Vermeylen zegt : dat men lastig een tweede 
voorbeeld van zulk onbekommerd en vermetel samengaan van 
christelijke romantiek met classische mythologie zal aantreffen. 
En de eerste — behalve wat er omtrent het gemoedsleven 
van Van der Noot uit blijkt, bevat het in een Inleiding van 
Dr. Hermannus Grenerus een reeks van belangwekkende 
bizonderheden die door Vermeylen uitvoerig beschreven zijn. 
Eene daarvan, te belangrijker omdat zij in de latere gedichten 
van andere zijde bevestigd wordt, is de mededeeling dat Van 
der Noot in de eerste jaren van zijn ballingschap Bücher der 
Liebden, Ecclesiastica en Satyras geschreven heeft. Vooral 
aan de eerste hecht ik, in het ideeënverband van Van der 
Noot, beteekenis. »Nach die Bossagien folgen die Bucher 
seiner liebdten auch drey oder vier: darinnen Er beschreibt 
denn lob, vnnd naturliche schonheit, die gute gratie, die gute 
sitten, die Erbarkeit, weiszheit, belebtheit, vnnd tugent seiner 
alderliebsten welche er Olimpia nennet, vnnd was Er wegen 
jrer liebden musz leiden, sein hoffen, sein duchten, sein klagen, 
sein suchten, sein leiden, sein freud, sein singen, vnnd forthalles 
daó ein Ehrlicher, gelehrter, vund verstendiger mann, wegen 
der liebden einer Erbaren vnnd verstendiger dochter solt 
mogen leyden, vnnd das alles in Oden vnnd Sonetten, so 
Gottlich, so ehrlich, vnnd meisterlich beschrieben, das ich 
mein tag niemals dergleichen weder gesehen noch gehort 
habe." Wat mij hierin treft is dat het zeer goed alles gezegd 
kan worden van de veel later uitgegeven gedichten die hetzij 
de naam er al of niet in voorkomt ter verheerlijking van 
Olympia geschreven zijn. Is het zoo zeker dat, zooals Ver- 
meylen schijnt aantenemen, later uitgegeven verzen ook later 
geworden zijn? Ik ben aan de gedachte niet vreemd dat 



Digitized by 



Google 



HOOGESCHOLEN EN GEESTELIJKE BEWEGINGEN. 419 

in die hartstochtlijkste jaren van de engelsche ballingschap 
tegelijk met het ontstaan van de geheele Olympia-verbeelding 
ook die later gedrukte Oden en Sonnetten te harer eer zijn 
gedicht. 

Niet dat ik hier die stelling onbepaald wil uitspreken. Ik 
wijs alleen in een richting waarin naar mijn meening 
kan gezocht worden. Maar wanneer men bedenkt van 
hoeveel uitmuntende gedichten, zoo ook van de Ode aan 
Van Wonsel o. a., het duidelijk is dat ze ten tijde van de 
uitgaaf door een aangehangen strofe voor de opdracht zijn klaar- 
gemaakt, dan wordt een vroeger ontstaan al waarschijnlijker. 

Wie weet of men, op deze wijs zoekende, ook de verloren 
Ealesiastica en Satyras niet in de bekende werken her- 
vinden zal. 

De Ode aan Van Wonsel. Niet anders dan de Olympia- 
gedichten op den top staan van Van der Noots zichzelf ver- 
getende neigingen, staat deze Ode saam met enkele andere 
verzen op den top van zijn zelf-gevoel. Verheerlijking van 
zichzelf en verheerlijking van een buiten hem geschouwde 
schoonheid zijn de elkaar in evenwicht houdende krachten 
waarin deze dichtergeest zich verdeelt. Het heele verschijnsel 
dat de Renaissance is draait om deze tegenstelling. Zich zijn 
koningschap bewust te zijn in een schoone wereld. Wie van 
de Renaissance dat besef wist te handhaven beleefde er de 
grootheid van. Van der Noots droevige zijde was dat de 
wereld rondom hem hem dwong zich te vernederen. Niet 
groot genoeg was hij, niet sterk genoeg. Zelfgevoel dat bluf 
werd : een kunst die zich nederliet tot bedelen. Wien zou het 
verbazen zoo het blijken mocht dat in deze machteloosheid de 
dichter in hem zijn jeugd niet heeft overleefd 1 

Dit is het leven dat Vermeylen ons ontsloten heeft. Nie- 
mand meer dan ik verheugt zich over de deugdelijkheid van 

28 



Digitized by 



Google 



420 HOOGESCHOLEN EN GEESTELIJKE BEWEGINGEN. 

zijn onderzoek, rijk beloond door menige vondst en wetens- 
waardigheid, over de scherpte van zijn vernuft in het verge- 
lijken en vaststellen, over de zuiverheid van zijn smaak in 
het opvatten en voordragen. Zoo alleen door de werkzaamheid 
van een voortgekomene uit de dichterlijke beweging van '80 
deze verrijking van onze literatuur-beschrijving mogelijk leek, 
die beschrijving scheen nog te zeer het erfdeel van hooge- 
scholen dan dat ik ze van deze zijde had verwacht. 

Maar het schijnt wel dat prof. Land gelijk had: dat de 
akademische geleerdheid alleen weet van gevestigde meeningen. 
Zij zoekt haar waarheid, zooals prof. Bolland zegt, voornamelijk 
daar waar die niet wordt aangevallen, dat wil zeggen daar 
waar ze buiten ons leven staat. Niemand beter dan de ver- 
tegenwoordigers van de literatuur-beschrijving aan onze hooge- 
scholen kan weten dat geen arbeid op dit oogenblik zoo 
noodzakelijk en zoo doenlijk was als dit onderzoek. Maar het 
noodzakelijke is niet het gangbare. Zij missen den drang die 
doet gaan, het inzicht dat vinden doet. Zij missen de gemeen- 
schap en het een-zijn met de hartstochten en behoeften van 
hun tijd. Dat een dichter te vinden was: zij zagen het niet 
toen ze Van der Noot vonden. Dat een leven te ontblooten 
viel: zij voelden het niet toen de dichter hun was getoond. 
Welnu, wij klagen niet om die tekortkoming. Meer dan wij 
vroeger ooit gewenscht hebben gebeurt er door. Het feit dat de 
letterkundige fakulteiten van onze hoogescholen achtergebleven 
zijn bij het leven, is er voor dit onderdeel door aangetoond. 

II. 

Of ik even moedeloos als prof. Land ben en meen dat het 
ten eeuwigen dage zoo moet zijn? Toch niet. Al weet ik 
wel dat de beste woordvoerders van Nederland geen plaats 
aan de hoogescholen gehad hebben, toch heb ik te veel 
eerbied voor vroegere en huidige akademische krachten, dan 
dat ik van de toekomst niet nog iets hopen zou. 

Verscheidene geschriften die ik wenschte te bespreken doen 
mijn gedachten zich verdringen om dit onderwerp. 



Digitized by 



Google 



HOOGESCHOLEN EN GEESTELIJKE BEWEGINGEN. 421 

En dan eerst het nagelaten werk van Land: De Wijsbe- 
geerte in de Nederlanden. Zeker is dit van Lands arbeid 
geen goed staal. Het is onvoltooid; er zijn bladzijden in op- 
genomen met in oogenblikken van geestesafwezigheid dwalerig 
beschreven volzinnen. Maar behalve dit verbrokkelde: ook 
het samenstel en het weefsel van het boek komen aan het 
eigenlijke talent van zijn schrijver niet gelijk. Het samen- 
stel : wonderlijk dat bij dezen omtrent de hoogere waarde van 
hoogescholen mismoedigen geest, de Hoogeschool zulk een 
groote plaats inneemt. Is hij mismoedig geworden door het 
opsommen van zooveel suffe hoogeschool-helden als hier in 
Nederland aan wijsbegeerte gedaan hebben? Of heeft hij 
omgekeerd uit tureluurschheid over ons zóó gezegend vader- 
land zich willen wreken door het wereldkundig maken van 
hun voorkeuren? Mij dunkt er is iets als een droevige en 
welbewuste ironie in de nauwgezetheid waarmee deze man 
als laatste taak een gedenkteeken metselde voor wie hem 
voorkwamen altegoed dood te zijn. Hij had niet gehéél ge- 
lijk : zijn geest die met een bevriezende nuchterheid de vloeiende 
verschijnselen tot het krakende rijmkristal verdorren deed van 
een zeer veel spiegelende waarneming, boette bij dit voor- 
recht wel grootheid in. Het bevatten van een verschijnsel 
en zijn ontroering erover verbergen en het vermeesteren in 
een vorm waaraan het niet vreemd en die toch ons eigen is, 
is te dikwijls alleen door geringheid van ontroering mogelijk. 
En zoo geloof ik dat er ook wel eenige zelf-marteling geweest 
zal zijn in de zorg waarmee hij zooveel kleine uitingen van 
vaderlandsche bespiegeling bijeen stelde . . . Maar gelijk in de 
hoofdzaak, in het besef van den benauwenden omvang, en 
de wanhopige middelmatigheid van akademische wijsgeerig- 
heid, had hij toch wel. 

Een enkele plaats in het overigens te eentonig stramien 
van het boek herinnert mij aan een Land dien ik vroeger 
wel mocht bewonderen. Het is deze waar hij zegt dat even- 
als er «zekere processen in het laboratorium zich alleen kunnen 
voordoen zoolang de stof in een bizonderen toestand van ver- 
broken evenwicht verkeert, die, eens voorbij, misschien nooit 



Digitized by 



Google 



422 HOOGESCHOLEN EN GEESTELIJKE BEWEGINGEN. 

terug zal komen, er (zoo), naar het voorkomt, gewichtige 
veranderingen in den geest van een volk (zijn), die in tijden 
van gisting gemakkelijk genoeg zijn teweeg te brengen en 
nagenoeg onmogelijk wanneer het gunstige tijdstip eenmaal 
is vervlogen." De uitspraak herinnert me aan een andere 
die ik jaren geleden in zijn Inleiding tot de Wijsbegeerte %^- 
lezen heb, en waarvan de zin deze was dat de grootste en 
klaarste bewustzijnsverschijnselen de uitingen van de grootste 
geesten zijn. Dat wanneer Shakespere in de diepten van zijn 
wezen de hoogten en laagten blauwen zag van een nieuwe 
bewustwording, al helderder zich klarend tot landschappen en 
steden vol levende, handelende menschen, dat dan werkelijk 
een bewustzijns-verschijnsel voorhanden was en zich open- 
baarde waarvoor het de moeite loonde stil te staan. Als zulk 
een man eens spreken kon! Als hij de werkingen van zijn 
geestesleven eens wou blootleggen! — Ik herinner mij geen 
woorden meer, maar ik weet dat ik tien jaar geleden, toen ik 
ze gelezen heb, naar huis ben gegaan met het gevoel dat Land 
bij ervaring iets van de diepere lagen van ons bewustzijn wist. 

Het is zoo makkelijk te spreken over het Bewustzijn, maar 
wie voor de landschappen ervan gedroomd en voor zijn af- 
gronden heeft stilgestaan bewaart in zijn spreken iets van 
dien droom en die huivering. 

Indien het waar is dat ook voor Nederland in die jaren 
iets is gaan ritselen uit ongekende diepten, indien wij toen, 
voor het eerst sints hoe lang! meer verwant zijn geworden 
aan het leven van andere volken, dan hebben wij het recht 
te verwachten dat daarvan ook bij wetenschappelijke beoefe- 
naars van geestes- en ziels-verschijnselen iets blijken zal. 

Heeft de heer Jelgersma van hier bedoelde uitingen zoo 
ver gestaan dat hij voor de verplichting erdoor ontroerd te 
zijn, niets voelt? 

Inderdaad, de heer Jelgersma die een professoraat in ziel- 
kunde aan de Leidsche Hoogeschool aanvaard heeft deed dat 
met een rede die zeer zeker gevoel voor ziels- en geestes- 
verschijnselen in de geringste mate niet toont. 

Kent de lezer Dr. G. Jelgersma? Ik geloof dat hij de be- 



Digitized by 



Google 



HOOGESCHOLEN EN GEESTELIJKE BEWEGINGEN. 423 

scheidenheid zelf is. Plato, Descartes, Spinoza, Kant, >om 
geen minderen te noemen,** schat hij dan ook niet gering, 
maar hij ziet op hen neer. Als > natuurwetenschappelijk ge- 
schoolde mensch** doet hij dat, als een professoraat aanvaar- 
dend leeraar in de > pathologische psychologie.** Mag ik, om 
u niet te beleedigen, Hooggeleerde, de schim van professor 
Land oproepen opdat die over u het hoofd schudde? 

Ziet ge, de heer Jelgersma onderwijst ziels- en geestesver- 
schijnselen. Maar dat Kant het zoozeer boven alle andere 
uitmuntende werk over den menschelijken geest geschreven 
heeft, zoozeer dat de gedachten van gansch Europa hun archi- 
tektuur ontvingen van zijn grondslagen, — hij schat het niet 
gering, maar hij ziet er toch op neer. Dat Plato daarom 
ontvankelijke gemoederen schreien doet van bewondering en 
dankbaarheid omdat van dien menschelijken geest de be- 
wegingen zoo fijn en zoo heerlijk kristalliseerden in zijn saam- 
spraken, — het is hem niet opgegaan. Dat alleen aan Des- 
cartes, alleen aan Spinoza al wonderen van ziels- en geestes- 
leven geopenbaard werden, zoodat hen te kennen ook voor 
den leeraar in van dat leven de verschijnselen wonderen van 
bewustwording en wetenschap zal dagen doen, — neen, 
daaraan heeft déze leeraar niet gedacht. 

Welk een onnoozelheid I Welk een afwijzing van materiaal 
dat onschatbaar is. En welk een minachtende afwijzing. 

Meent Dr. Jelgersma dat hij gekomen is tot het leeren van 
waarnemingen en proeven naar hersen- en zenuw-leven? Mij 
is het wel. Ook tot het waarnemen en systematiseeren van 
waarnemingen omtrent wat wij ziel en geest noemen? Ik zal 
niet met hem twisten over de vraag of dit naar maat noch 
gewicht meetbare, of dit onderzoek naar wat als iets onstof- 
felijks benoemd en dus ook begrepen wordt, zich als natuur- 
wetenschap bevatten laat. Ik twist daarover niet: al wat hij 
waarneemt, al wat hij probeert, moge hij vaststellen en voor- 
dragen: maar deze nuttige en schoolsche werkzaamheid had 
kunnen aanvaard worden zonder dat hij met zulke gevoel- 
looze onwaardigheid zich tegenover dat ontzettende verschijnsel, 
het menschelijk Bewustzijn had gesteld. 



Digitized by 



Google 



424 HOOGESCHOLEN EN GEESTELIJKE BEWEGINGEN. 

Zeg niet, minder dichterlijk aangelegden die mijn veront- 
waardiging niet deelen kunt, dat de spreker op dien aan- 
vaardings-dag behoefte aan een oratorische houding had en 
daarom die van dat > neerzien*' koos. De heer Bolland zal 
het u wel anders bevestigen. Die dag was nauw voorbijge- 
gaan toen die vertegenwoordiger van de wijsbegeerte een 
debat vroeg over een soort-gelijke veronachtzaming. Niet over 
uw wetenschap hebt gij gesproken, zei hij, maar over al dat 
wat in het menschelijk bewustzijn nooit met waar- en proef- 
neming te bereiken valt, over ziel en geest niet alleen in 
hun waarneembare wisseling, maar in hun eeuwig Bestaan. 

Het valt niet te ontkennen dat Dr. G. Jelgersma met wijs- 
geerige begrippen zeer slecht beslagen is. Men rilt als men 
leest van de gewaarwordingen waaruit de geest is opgebouwd, 
alsof ooit zoo iets bizonders als een gewaarwording het deel 
kon zijn van iets zoo algemeens als een wetenden geest. 
Neen, eerst als al het bizondere van de gewaarwording is 
afgestroopt, levert zij dat algemeene waaruit de geest zijn 
weten bouwt. En bouwt naar welke regelen? Met welke 
vastheid 1 Hoe onfeilbaar trekt ons hier weer dat innerlijk 
zonder dat voor ons weten geen gewaarwording baat. 

De heer Jelgersma hééft geen innerlijk. En hopeloos snuft 
hij van buiten af aan de geheimzinnige wereld van den door 
hem te kwader uur benaderden menschegeest. 

Onverstaanbaar is het dat iemand die juist dit eene mist 
zich genoopt voelt het bij anderen waar te nemen. Hij valt 
dan ook voortdurend in de zonderlingste verbazingen. Er is 
een patiënt die slapelooze nachten heeft. Hem plaagt een ge- 
dachte die hij niet kwijt kan raken, hij spint haar uit, over- 
weegt voor en tegen, raakt ten slotte innerlijk of met anderen 
in twistgesprek. > Eigenaardig!" roept, volstrekt verbaasd, 
onze innerlijk-looze waarnemer. Toch zou men zeggen dat 
het natuurlijk is. Plato en Shakespere, ge ziet op hen neer, 
maar ik geloof wel dat ook zij op hun wijs het dwangdenken 
van uw patiënt hebben afgebeeld. 

>Dwangdenken? Zij deden het toch in volkomen vrijheid I" 
Het veronderstelde antwoord herinnert me nog een punt 



Digitized by 



Google 



HOOGESCHOLEN EN GEESTELIJKE BEWEGINGEN. 425 

waarop zijn innerlijk-loosheid onzen waarnemer parten speelt. 
>Het gevoel van vrijheid is een illusie T' roept hij. Ja, waarde 
vriend, en dat van onvrijheid ook. Het eerste een van den 
geest op zich zelf, het tweede een van den geest in de ver- 
schijnselen. Eveneens de ondeelbaarheid van den geest, zegt 
ge. Zeer zeker, maar niet minder uw besef van deelbaarheid. 
Of dacht ge dat ge van een Dubbel-Ik spreken zoudt als ge 
achter die dubbelheid u niet ook weer een eenheid dacht 
die maakt dat gij en ik ons over die dubbelheid verstaan? 

Ik geloof dat ik te ver zou gaan indien ik deed wat de taak 
van den heer Bolland was. Hoe ondoordacht dr. Jelgersma 
zich uit den kring van zijn onderzoek gewaagd heeft aan 
algemeenere uitingen, zal hieruit duidelijk zijn. Ik wou dat ik 
zeggen kon dat hij door voorbeelden van zijn onderzoek 
grooteren indruk had gemaakt. 

Want laat ons nu werkelijk voor een oogenblik alle geleerd- 
heid op zij zetten en erkennen dat elk van ons met de klaar- 
heden van zijn Bewustheid en de duisternissen van zijn Onbe- 
wuste dagelijks levend, in dit vak mede een arbeider kan 
zijn. Wat, als dat zoo is, wat beduidt dan een verklaring als 
deze : dat indrukken omdat zij ons niet bewust worden daarom 
nog niet waardeloos zijn ? Ja, wij weten het nu ex cathedra ; 
maar is er een hooggeleerde die meent dat déze waarheden 
niet het zonder moeite verworven eigendom zijn van iedereen ? 
Het is weer een van die allerkomiekste naiefheden waarmee 
alleen iemand uit den hoek kan komen die zelf geen innerlijk 
heeft, die de grommingen en schemeringen van het Onbewuste 
niet gedurig in zijn binnenste waarneemt of vermoedt. Weet 
gij niet dat in Europa, sints het eind van de iS^e eeuw al, 
oneindig veel literatuur en kunst alleen aan de diepste en 
fijnste erkentenis van dat waardevol Onbewuste haar ontstaan 
en beteekenis ontleent? 

Niet aan de ervaringen van uw geringe praktijk en de 
proeven in uw schamele laboratoria, geloof mij, dankt de 
menschheid haar kennis omtrent déze verschijnselen. 

* 



Digitized by 



Google 



426 HOOGESCHOLEN EN GEESTELIJKE BEWEGINGEN. 

Naar aanleiding van dr. Jelgersma's rede heb ik ook van 
prof. Bolland gesproken. Het is hier de plaats (waartoe mij 
ook het verschijnen van zijn Roomsche Historie gelegenheid 
geeft) iets meer te zeggen over zijn werkzaamheid. 

Toen Bolland professor werd was dat voor mij een hoop- 
volle gebeurtenis. Een hoogleeraar die niet enkel invloed 
zou oefenen door een doceerend optreden was sints lang een 
wensch van me. Het doet mij genoegen te zien dat zelfs 
prof. Spruyt, tegenover wiens doceerenden professor ik toen 
den geestdriftigen schetste, nu onlangs in zijn rede over Land 
de meening uitsprak dat men over de vraag of een van de 
laatste soort misschien niet de beste was, tenminste disputeeren 
kan. Zij hebben zijn voorkeur niet, maar Scholten, Fichte, 
Schelling en Hegel zijn ook z\x\\iQ profeterende leeraren geweest. 

Mag ik hopen dat deze toeschietelijker houding voor een 
deel aan het optreden van Bolland te danken is? 

Velen zullen misschien, als zij alleen mochten zien naar zijn 
onderwijs, willen toegeven dat Bolland nieuw leven in Leiden 
ontstoken heeft. Voor een groot aantal studenten, een grooter 
dan vroeger in zulke zaken belangstelde, is hij een levende 
verpersoonlijking van de wijsbegeerte. Maar hoe nu, vragen 
ze, nu Bolland op twee ongewone wijzen van den professoralen 
zetel het woord voert : ten eerste : in twistschriften tegen onze 
roomsche landgenooten, ten tweede: in openlijk debat tegen 
een nieuwbenoemden ambtgenoot? 

Mij komt het voor dat deze nieuwigheden niets verdienen 
dan toejuiching. 

Zeker is het een rustig denkbeeld dat, zooals Land zegt, 
de hoogescholen alleen zouden ten doel hebben: >dat wat 
men als de wetenschap van zijn tijdvak beschouwt, conclusies 
en problemen, verwijzingen en methoden, zóo over te leveren 
dat de nieuweling het werk zijner vaderen met verstand leert 
voortzetten." Maar ik geloof dat ik al in die verstandige voort- 
zetting Lands sarkasme proef. Stellig verschijnt die als hij 
van >den grootst denkbaren zegen" spreekt die onder de 
romeinsche heerschappij de hoogescholen moesten aanbrengen 
door > staatsambtenaren opteleiden en ordelievende leden der 



Digitized by 



Google 



HOOGESCHOLEN EN GEESTELIJKE BEWEGINGEN. 427 

hoogere standen, die aan het rijk bestendigheid zouden ver- 
zekeren.** Of de spot ook tegen onze hoUandsche universi- 
teiten ging? 

Al te zeer toch is het denkbeeld dat de Hoogeschool niets 
is dan een verzameling van vakscholen al doorgedrongen. 
Letterkunde, geschiedenis, wijsbegeerte worden er onderwezen 
in die doode nuttigheids-gedachte die voor die vakken onge- 
twijfeld noodlottig gebleken is. Is dit voorkeur? Of gelooft 
niet menigeen met mij dat het machteloosheid is ? — Of is het 
niet waar dat de hevigste voorstanders van de vakscholen- 
inrichting — wij zagen het pas aan Dr. Jelgersma — dat die 
ook en die het meest in plechtige oogenblikken het parade- 
paard van de Wetenschap optuigen en orakelen voor de 
menigte over de hoogheid en heerlijkheid van hun ambt? 
Mij dunkt ook bij hen is onbewust de meening aanwezig 
dat de hoogeschool wel degelijk de burcht moest zijn waar 
wapenen van beschaving bewaard, het tournooi-veld waar ze 
beproefd, de toren vanwaar ze geworpen worden. Ook zij 
zouden niet durven verklaren dat alleen de gangbaarheid 
beslissen moet welke munt van waarheid men er zal stempelen. 
Ook zij zouden de geschiedenis niet durven oproepen om te 
getuigen dat de hoogescholen altijd van zulke tamheid 
zijn geweest. Land — in het motto dat ik aan hem ont- 
leende — heeft te veel beweerd. Of hij het deed om te 
prikkelen tot tegenspraak? — Want wat is het werkelijk dat 
Bolland, zijn opvolger, heeft ingevoerd? Wat anders dan het 
historisch bekende gegeven dat debatten weerklonken door 
de gehoorzalen, dat Europa daverde van professorale twist- 
schriften. Vrees niet, dit hoorende, dat Leiden aan het zinken 
is. Het levens-teeken van Leiden is daar. 

Prof. Bolland — in zijn Roomsche Historie — roept ook 
zijn collega's op schatten van geestelijke winst te verdedigen 
waar ze belaagd worden. Ik geloof niet dat velen zullen 
gehoor geven. Maar dat hoeft ook niet. Ieder heeft zijn 
eigen strijd, en Bolland staat voor den zijnen. Als men dan 
ook maar den strijd in zijn nabijheid niet vreest. Wat Bolland 
wenscht dat de Hoogeschool zijn zal, een parlement van 



Digitized by 



Google 



428 HOOGESCHOLEN EN GEESTELIJKE BEWEGINGEN. 

wetenschap, een kansel van overtuigingen, dat zal niet de 
dood van de hoogescholen maar de voorwaarde van hun 
leven in dezen tijd van strijd zijn, en geen wijs hoogleeraar zal 
deze openheid van spraak en .weerspraak voorbedachtelijk 
tegenstaan. 

* 

Een laatste verschijnsel dat ik in dit verband tenminste 
noemen wil is Dr. Kuyper's boek over het Calvinisme. Het 
is of in de gedachte daaraan al mijn gedachten samenkomen. 
Hier is een hoogleeraar, die zelf zijn hoogeschool is, en 
tegelijk de vertegenwoordiger van een geestelijke beweging. 
Tevens zie ik dat wat hier zoo volkomen optreedt het merkteeken 
heeft van het voorafgaand geslacht. Een wijdvertakt historisch 
gebeuren is hier saamgevat en verstelseld en tot voorbeeld 
gesteld ter bereiking. Deze geestelijke arbeid, laatste krachts- 
inspanning van het Calvinisme na een bestaan van eeuwen, 
werd het levenswerk van Dr. Kuyper. Beheerder en regelaar 
van geestelijke en maatschappelijke krachten, eer dan vrome 
of geloovige, schiep hij midden in de wereld zich een eenheid, 
waarin hij geloofde en waarbij hij vrede vond. Zwaar zou 
het zijn de tallooze elementen van innerlijk en uiterlijk leven 
te wegen die hij beproefd heeft, die hij ontleende aan het heele 
moderne europeesche gedachteleven om ze te doen voegen 
in het Calvinistische. Het eigenaardige is dat deze man van 
nieuwerwetsche staatkunde en wetenschap — deze man van de 
wereld zei ik haast — niet rusten kon voor hij een Calvinisme 
geschapen had dat als gelijke staan kon naast de groote 
geestelijke machten van zijn tijd. Het is een schepping die 
tot de bewonderenswaardigste van haar tijd en land zal gere- 
kend worden. Een schepping evenwel die, naar het mij 
voorkomt, in dien tijd haar grens gevonden heeft. 

Hier is het niet de plaats die grens aan te wijzen. Aan te 
toonen namelijk hoe het geheele aandoeningsleven dat door 
het geestelijk stelsel van het Calvinisme gedekt kon worden, 
zich in nieuwe levende vormen is beginnen uit te spreken. 



Digitized by 



Google 



HOOGESCHOLEN EN GEESTELIJKE BEWEGINGEN. 429 

Met het omslaan van dezelfde gevoelssoort naar nieuwe be- 
lichaming ontgaat iedere tijdelijke schepping, of ze staat, 
stelsel of kerk is, haar bestaan. 

Niemand intusschen die dit beter zal gevoeld hebben dan 
dr. Kuyper zelf. Het Calvinisme nu het in zijn schepping 
vast bestand gekregen heeft stelt hij niet alleen tegen de nieuwe 
machten die het leven vervormen, maar naast zijn ouden 
vijand de Katholieke Kerk. Tegen de nieuwe — dit was van 
nature zoo ; en hoe ook vertrouwd met nieuwere denkbeelden : 
evenmin als in Bilderdijk, in velen deele zijn voorganger, kan 
in Kuyper het gevoel aanwezig zijn dat in de middelaar- 
looze liefde tot het leven — en dit is die hoogere levens- 
drang uit het Calvinisme voortgekomen en de plaats van het 
Calvinisme innemend — een heiligheid en heerlijkheid besloten 
zijn, krachtiger dan ooit door het Calvinisme werden geopen- 
baard. Tegen het nieuwe dus : maar ook naast de Katholieke 
Kerk. Van Kuyper was het woord dat Leiden aan het 
zinken is, naar aanleiding van BoUands strijd tegen Schaep- 
man. Naast de Katholieke Kerk, hoe vreemd en onwaardig 
dit een strijder als Bolland schijnen mag. Naast het Roma- 
nisme het Calvinisme, niet uit innerlijke verwantschap maar 
als samen de vertegenwoordigers van het doorleefde Euro- 
peesche Christendom. 

Andere toestanden, andere graden van ontwikkeling. In de 
Transvaal moge een volk, dat geheel ons hopen heeft, ook 
nu nog een kracht van Calvinisme zijn, in Europa is zijn 
ontwikkeling voltooid. Wat het ons nalaat is die volkomen- 
heid. Wij, van den nieuwen tijd, die voor onze overtuigingen 
de toekomst verwachten van Europa, zien in de geslotenheid 
van zijn historische, religieuse, wijsgeerige, estetische en etische 
denkbeelden, in geheel die Geestelijke Beweging die in een 
Hoogeschool te zamen komt, een voorbeeld van hoe het 
verbond tusschen die beiden moet zijn. 

Oktober '99. 



Digitized by 



Google 



Bewustzijn, Onbewustheid en Subjekt. 

Een filosofische studie ^ ter inleiding tot het onderzoek der 
verschijnselen van het zieleleven i) 

DOOR 

Dr, P. BIERENS DE HAAN. 



I. 

Het bewustzijn. 
Het kennen. Alle kennen heeft naar den aard van het kennen zelf een 
inhoud en aan dien inhoud beantwoordend een objekt, aldus, 
dat direkt gegeven slechts is het in zijn inhoud bepaalde 
kennen, niet het objekt: de kennis is geenszins afbeelding 
van haar objekt, integendeel het objekt is sekundair ten 
opzichte van het kennen : het bestaat als gekend, van een 
bestaan er van buiten het kennen om kan geen sprake wezen ; 
al zal later ook blijken, dat het denken hier met zich zelf in 
konflikt geraakt, het is niet in te zien wat bestaan van het 
objekt beteekent dan bestaan als gekend. 

Wanneer wij dus zeggen, dat het kennen volkomen be- 
trouwbaar is, zoo kan dit niet beteekenen dat zijn inhoud 
een getrouwe afbeelding van het objekt is, het kan slechts 
dezen zin hebben: dat het objekt volkomen beantwoordt aan 
den inhoud; aangaande zulke betrouwbaarheid nu komt twijfel 
niet in aanmerking. 



i) Genomen uit een om- en uitwerking van het eerste hoofdstuk eener studie 
verleden jaar door mij gepubliceerd {Hoofdlijnen eener psychologie met metafysischen 
grondslag, Amsterdam van Looy 1898). Hoewel de leidende gedachten dezer 
paragraaf dezelfde zijn gebleven, is haar inhoud zoo zeer gewijzigd en uitge- 
breid, dat ik er prijs op stel haar nog eens te publiceeren. 



Digitized by 



Google 



BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 431 

Naar den inhoud zijn twee soorten van kennis te onder- Voorstellenen 
scheiden, want er bestaat een kennen van de materieele ^^^stzijn. 
dingen en hun verschijnselen en daarnaast een kennen van 
dat kennen en, als gelijksoortig daarmede, van de verdere 
psychische toestanden, het Ik, enz.: al wat voor ons bestaat 
afgezien van de materieele dingen (waartoe van zelf ook het 
eigen-lichaam behoort); want dat dat alles voor ons bestaat, 
sluit in dat wij het kennen. Het kennen waarvan de mate- 
rieele dingen en hun verschijnselen inhoud, resp. objektzijn, 
is het voorstellen, het andere kennen is het bewustzijn ; intro- 
spektief doen deze twee zich zeer onderscheiden voor. 

De materieele dingen bestaan alzoo slechts als objekt van 
het voorstellen, en alle verdere toestanden, verschijnselen, 
grootheden, die voor ons bestaan, die wij kennen, als objekt 
van het bewustzijn, óok het voorstellen der materieele dingen 
zelf. Zoo omvat dan het bewustzijn het gansche voor ons 
bestaande Zijn, dit bestaat als inhoud, resp. objekt van het 
bewustzijn; indien het bewustzijn er niet was, zoo zou dit 
gansche Zijn niet wezen: een bestaan buiten het bewustzijn 
om is onbenaderbaar. — 

Behalve in voorstellen en bewustzijn is het kennen ook in Ervaren en 
ervaren en denken te onderscheiden; het denken doet zich *^«°^^^- 
daarbij voor als sekundair ten opzichte van het ervaren: het 
analyseert en vergelijkt en kombineert de ervarings-data en 
brengt zoo tegelijk ook nieuwe feiten voort, die met de ervarene 
op één lijn staan. Doch nu bestaat het uitsluitend als vorm van 
voorstellen: het voorstellen doet zich voor als ervaren (in 
waarnemen en herinneren) èn als denken (in al de verstande- 
lijke operaties), maar dergelijke onderscheiding kan ten opzichte 
van het bewustzijn niet gemaakt worden, dit bestaat slechts 
in den vorm van ervaren i). Evenwel, psychologisch onderzoek 
leert dit gewichtige feit, dat wij ons van den inhoud van het 
bewustzijn telkens een voorstellings-beeld vermogen te vormen, 



i) Men onderscheidt de twee alzoo bestaande soorten van ervaren wel als 
zinnelijke en innerlijke ervaring; wij willen in het volgende van deze termino- 
logie ook gebruik maken. 



Digitized by 



Google 



432 BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 

dat als zoodanig voor het denken ter bewerking ligt. Zoo 
komt het denken, hoewel een vorm van voorstellen, ook de 
bewustzijns-data te overspannen : bij onze tot dusverre gevoerde 
overwegingen hebben wij hiervan ook reeds ruimschoots ge- 
bruik gemaakt. Het vermag aldus ook zich zelf te omvatten 
(: men kan denken over het denken), en ten slotte ook het 
feit van bewustzijn, daar het uit een reeks van bewustzijns- 
inhouden het in die alle zich zelf gelijk blijvende feit van 
bewustzijn abstraheert. Maar ten opzichte van het bewustzijn 
heeft het met dit te konstateeren zijn grens ook bereikt, 
verder te gaan is het denken onmogelijk, daar de ervarings- 
data ontbreken waarop het zou moeten verder bouwen. Zoo 
kan het denken bijv. uit het door het denken zelf geabstra- 
heerde feit van het bewustzijn niet afleiden of dit al dan niet 
op zijn beurt een voorwaarde heeft. 

Het denken is van zelf even zeer en in denzelfden zin als 
het ervaren betrouwbaar; in verband echter met zijn verhou- 
ding tot de ervaring heeft het niet de direkte intuitieve 
zekerheid dezer; de zekerheid der ervaring is materieel, die 
van het denken formeel : alleen indien bepaalde feiten werke- 
lijk als ervarings-data bestaan, heeft het denken volkomen 
zekerheid. Er is geen zoo groote zekerheid als die der 
ervaring. 
De metafysi- Het denken stelt de metafysische werkelijkheid, dat is het 
sche werkelijk- bestaan onafhankelijk van het gekend zijn. Er moet voor 
het denken iets wezen, dat in metafysische werkelijkheid 
bestaat : indien van alle psychische en fysische verschijnselen 
en materieele dingen er niet een is, dat metafysische waarde 
heeft, zoo kan dit alleen zoo zijn, indien er iets anders is dat 
zulke waarde wèl bezit: de metafysische werkelijkheid bestaat 
denknoodwendig. 

Daar nu het bewustzijn het al-omvattende kennen is, niet 
op zijn beurt door een ander kennen omvat, zoo moet het, 
met zijn inhoud, waarvan het alleen kunstmatig te scheiden 
is, behooren tot datgene dat in metafysische werkelijkheid 
bestaat; het is ook hèt absoluut zijnde, tenzij de ervaring 
leeren mocht — hoe onmogelijk dit het denken a priori ook 



Digitized by 



Google 



BEWUSTZIJN. ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 433 

toeschijnt — dat het een voorwaarde heeft, waaraan dan 
evenzeer metafysische werkelijkheid toegekend zou moeten 
worden. 

Dit staat althans vast, dat indien ik konstateer bewustzijn 
van behagen of van de voorstelling eener rivier, dat dan dat 
bewustzijn van behagen of van de voorstelling eener rivier 
in metafysische werkelijkheid bestaat, maar niet het behagen 
of de voorstelling der rivier zelf, en nog minder de rivier. 

Maar hierbij overwege men wèl, dat de metafysische wer- 
kelijkheid gesteld wordt door het denken, dat zelf als inhoud, 
resp. als objekt van het bewustzijn bestaat : het is onmogelijk 
buiten het bewustzijn te treden ; wij kunnen slechts getuigen : 
er is bewustzijn van een bestaan en ons bij wijlen daarover 
verbazen, verder komen kunnen wij niet. In het bewustzijn 
bestaat het oer-probleem, wij kunnen er niet verder over 
denken, want hier is van alle denken het uitgangspunt. Wij 
kunnen slechts zeggen: het doet zich voor als een intuitief 
ervaren en is te vergelijken met het voorstellen, maar overi- 
gens is het wezen er van onbenaderbaar. 

Daar nu het Zijn bestaat als inhoud, resp. objekt van het 
bewustzijn, zoo is het van fundamenteele waarde voor ons 
denken, dat wij ons van dien inhoud rekenschap geven. Wij 
willen daarom, inkeerend tot eigen bewustzijn, de analyse van 
zijn inhoud ondernemen. 

Vooraf dient nog betoogd, dat werkelijk inhoud van be- Betrouwbaar- 
wustzijn is, wat zich ons als zoodanig voordoet. Want onze i^^^ ervw?M 
wetenschap aangaande de onbetrouwbaarheid, in dit opzicht, 
der zinnelijke ervaring kan hier aanvankelijk twijfel wettigen. 
Echter, het bewustzijn is hierin van deze onderscheiden; de 
waarneming en herinnering modificeeren wij terstond bij haar 
ontstaan, en zonder dat wij het bemerken, door velerlei ge- 
dachte- werk, men kan zeggen: de zuivere waarneming en 
herinnering bestaan praktisch niet, aanstonds verrijken wij hen 
door tal van logische operaties, de kwaliteiten vergelijken wij 
met andere kwaliteiten, de intensiteit met een andere inten- 
siteit, en onze perceptie laten wij door al die bewerkingen 



Digitized by 



Google 



434 BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 

beïnvloeden : op grond van een bepaalde gezichtswaarneming 
besluiten wij naar analogie tot het voorhanden zijn van be- 
paalde tastbare eigenschappen, andere zichtbare eigenschappen 
enz., die alle met de waargenomene vaak samengingen, en 
meenen dan een boom waar te nemen: wat geenszins het 
geval is, zooals blijkt, wanneer we voor een kunstig vervaar- 
digde nabootsing komen te staan. Vandaar ook, dat optisch 
bedrog mogelijk is : een ongeoorloofde induktie brengt er ons 
toe in een bepaald geval feitelijk als parallel waargenomen 
lijnen voor konvergeerend te houden. Zoo is het ook door een 
vergelijking, dat wij een beschaduwd sneeuwvlak, dat we aan- 
vankelijk voor wit hielden, als blauw-wit percipieeren, zoodra 
een er naast liggend sneeuwvlak door de zon beschenen wordt. 

De zinnelijke ervaring is dus, daar zij zuiver niet voorkomt, 
als zoodanig onbetrouwbaar, want we kunnen ons ook niet 
van deze bewerkingen bevrijden: de onoverwinnelijkheid van 
een optisch bedrog, bij verbeterd inzicht, leert het. Maar 
dit alles geldt niet voor het bewustzijn, immers deze vorm 
van kennen is van gansch andere orde dan het denken en 
vergelijken, beide evenzeer als het waarnemen zelf door het 
bewustzijn gedragen: ook te denken en te vergelijken zijn 
wij ons bewust ; de innerlijke ervaring kan daarom niet door 
indukties of vergelijkingen gemodifieerd worden. Wèl ligt 
het voorstelHngsbeeld, dat we ons van den bewustzijns-inhoud 
vermogen te ontwerpen als zoodanig voor het denken ter 
bewerking, maar de inhoud van het denken en die van het 
bewustzijn doen zich geheel verschillend Voor, zoodat zij niet 
verward kunnen worden, en allerminst een synthese van een 
bewustzijns- en een denk-inhoud mogelijk is. 

Wij konstateeren alzoo dit voor onze gansche levensbe- 
schouwing, voor ons nu volgend onderzoek ook, en zeker 
ook voor de psychologfie belangrijke feit, dat al wat wij voor 
bewustzijns-data houden, dat met volkomen zekerheid ook is. 

Analyse van De inhoud van het bewustzijn blijkt aanvankelijk in twee 
den inhoud van dcelen te spHtsen te zijn. 

ewus ijn. j^ ^^ eerste plaats bestaat er bewustzijn van iets voor te 



Digitized by 



Google 



BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 435 

stellen, te voelen i), een doel te stellen. De inhoud van het 
voorstellen en zoo ook het voelen, en de inhoud van het doel- 
stellen zijn van oogenblik tot oogenblik veranderend, voor- 
stellen, voelen en doelstellen (het specifieke moment in het 
willen) zijn alzoo niet meer dan begripmatige types van uitin- 
gen van psychisch leven. 

Wie van voorstellen, voelen, doelstellen spreekt, vat deze 
momenten van den bewustzijns-inhoud op als werkingen, van 
de ziel bijv. Bij ter-zijde-stelling echter van alle spekulatie 
doen ze zich voor als verschijnselen : psychische verschijnselen, 
dus als voorstellingen, gevoelens, doelstellingen. Onder ander 
aspekt, gezien van uit het bewustzijn, dat daarbij blijkt van 
oogenblik tot oogenblik in inhoud veranderend te zijn, zijn ze 
bewustzijns-toestanden, bewustzijns-verschijnselen. 

In de tweede plaats bestaat er bewustzijn van een Subjekt, 
een Ik 2). Er bestaat bewustzijn van een Subjekt, dat is van 
een grootheid, die aktief is en individueel, die verder voor- 
waarde (drager) is van het bewustzijn, en als tegengestelde 
en tegenovergestelde heeft het Objekt (de Objektiviteit), dat 
is een grootheid niet bepaald door de Subjekts-kenmerken, 
bepaald alleen in haar verhouding tot het Subjekt. 

Het bewustzijn is dus volgens het bewustzijn zelf vkn het 
Subjekt, volgens de innerlijke ervaring is er een Subjekt, dat 
te gelijk voorwaarde en objekt van het bewustzijn is: een 
grootheid, die gekend wordt, is te gelijk voorwaarde van het 
kennen: voor dit mysterie staat het denken stil. 

Want niet in aanmerking komt dit ervarings-feit te loochenen, 
immers de ervaring is vóór het denken ; het denken verbindt 
en analyseert ervarings-data en vervangt de ervaring waar 
zij ontbreekt, maar kan geenszins een ervarings-feit te niet doen. 

Het bewustzijn heeft dus volgens de innerlijke ervaring een 
voorwaarde; als voorwaarde van het bewustzijn bestaat het 
Subjekt voor het denken in metafysische werkelijkheid. Hier 



i) Psychologisch onderzoek leert, dat in het voelen als zelfstandig moment 
het waardeeren te onderscheiden is. 

2) Tusschen »Ik" en ». Subjekt" maak ik geen onderscheid. 

29 



Digitized by 



Google 



436 BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 

is dus het denk-konflikt, waarvan wij reeds gewaagden: wij 
moeten aanvaarden, dat het Subjekt, hoewel bestaande als 
objekt van het kennen, toch ook bestaat buiten het kennen om. 

Dat het Subjekt als voorwaarde van het bewustzijn in 
metafysische werkelijkheid bestaat, kan intusschen niet te 
niet doen, dat het bewustzijn zelf van gelijke werkelijkheid is, 
want het blijft het al-omvattende kennen, niet op zijn beurt 
inhoud van een nog omvattender kennen. 

Volgens het bewustzijn bestaat er dus een Subjekt, dat 
zich bewust is, een zelf-bewust Subjekt alzoo. De innerlijke 
ervaring leert : ik (dat is : het Subjekt) heb bewustzijn, het is 
mijn (dat is: des Subjekts) bewustzijn. Dat bewustzijn een 
intuitief kennen is beteekent mede, dat het een drager heeft : 
het intuitief kennende, het bewuste Subjekt, dat onontkoom- 
baar is de vraag: van wien is het bewustzijn? (wie is bewust?) 
welke vraag — wederom voor het bewustzijn — slechts te 
beantwoorden is met: van het Subjekt (het Subjekt). Het 
bewustzijn is allereerst reflexief i) : bewustzijn is zich-bewust- 
zijn, bewustheid is zelf-bewustheid. Wij postuleeren het Sub- 
jekt dus niet door het denken daartoe gedrongen, maar : zijn 
bestaan ligt voor ons opgesloten in de ervaren beteekenis 
van het kennen. — 

Wij hebben het tweede deel van den bewustzijns-inhoud 
nog niet volledig aangegeven, nog verschillende momenten 
lieten wij tot dusverre onvermeld. 

In de eerste plaats bestaat er nog een intuitieve kennis 
van de natuur van het Subjekt, afgezien van zijn Subjekt 
zijn. Het Subjekt heeft namelijk volgens zijn bewustzijn hoe- 
danigheden, die in zijn Subjekt zijn niet opgesloten liggen. 
Ter uitdrukking van den drager dezer èn der Subjekts-ken- 
merken te zamen bestaat de term Geest. De Geest is ident 
met het metafysische Subjekt, hij heet Subjekt voor zoo verre 
hij in zijn hoedanigheid van kennend wezen beschouwd wordt 2) 



1) Zie hierover ook Hamerling, die Atomistik des Willens, ister Bd., daarin 
het opstel over »das Ich," in het bijzonder blz. 223. 

2) Dr. J. D. Bierens de Haan: de Norm der Waarheid is in ons zelf (Utrecht 
1897); zie aanteek. II. 



Digitized by 



Google 



BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 437 

De intuïtieve kennis, die de Geest heeft aangaande de 
natuur van zijn wezen bestaat neergelegd in beseffen i); 
slechts drie dezer mogen hier bedacht worden. 

De Geest is zich bewust van de volstrekte realiteit van 
zijn wezen: wij ervaren de volstrekte realiteit van onzen 
wezensgrond; zoo leidt dus het denken» waar het de meta- 
fysische werkelijkheid des Geestes stelt tot een inzicht, dat 
de innerlijke ervaring zelve ook voortbrengt. 

Een ander besef is dat van het norm-stellend karakter des 
Geestes: wij zijn ons telkens bewust te waardeeren volgens 
een algemeengeldig waardeerings-principe, dat we in ons 
zelven vinden. De beteekenis van dit besef voor de psycho- 
logie blijkt ruimschoots in het hoofdstuk der gevoelens. 

Het laatste besef, dat we hier gedenken willen, is dat van 
de onvergankelijkheid van den Geest. Tegenover de voort- 
durende wisseling der bewustzijns-toestanden (de voorstellingen 
etc.) staat de Geest onvergankelijk : alle verandering is in den 
tijd, en de tijd bestaat als aanschouwings-vorm van het Sub- 
jekt ; zoo beseft dan de Geest zijn onvergankelijkheid (onster- 
felijkheid). — 

Wanneer wij nu de betrekking opsporen der momenten van 
den bewustzijns-inhoud tot dusverre gevonden, zoo blijkt, dat 
we die kunstmatig geïsoleerd hebben ; in werkelijkheid bestaan 
zij als één geheel, en dat wel aldus, dat er bewustzijn is van 
een voorstelling, een gevoel, een doelstelling en die bestaande 
voor het individueele Subjekt: in iedere voorstelling, ieder 
gevoel, iedere doelstelling is het Subjekt (de Geest) zich zelf 
bewust als individueele, aktieve, onvergankelijke (en nog 
verder bepaalde) grootheid. 



i) Onder beseffen of intuïties versta ik begripmatige types van momenten 
van den bewustzijns-inhoud; wij kunnen dus van het besef van voor te stellen, 
te voelen, te willen spreken; meer bepaaldelijk echter reserveer ik den term 
♦besef" (of »intuitie^*) voor de intuitieve kennis zoowel van hoedanigheden van 
het wezen des Geestes als van die van betrekkingen tusschen verschijnselen 
der fenomenale wereld en ook van het psychische leven, als van gelijkheid en 
veroorzaking; zoo blijkt het besef van gelijkheid in het bewustzijn van voor te 
stellen: het ding A gelijk aan het ding B. Tusschen beseffen als verbum en 
bewustzijn maak ik geen onderscheid. 



Digitized by 



Google 



438 BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 

De verhouding van bewustzijn en voorstellen kunnen we 
nu ook nog nader bepalen dan vroeger mogelijk was, en wel 
aldus: de voorstelling heeft tot inhoud het materieele ding, 
het bewustzijn de voorstelling van het ding en die bestaande 
voor het Subjekti): ik ben mij niet een boom bewust, maar 
wel dat ik een boom voorstel: scio me scire, dat is: ik ben 
mij bewust [het ding] voor te stellen. — 

De analyse van den bewustzijns-inhoud vervolgende vinden 
wij het bewustzijn van het bestaan van mede-Subjekten, gelijk 
aan het Subjekt (den Geest) zelf, en voor het denken van zelf 
evenzeer als dit bestaande in metafysische werkelijkheid. 
Tegenover alle Subjekten staat hetzelfde objekt, de Objekti- 
viteit. 

In deze intuitie is het solipsisme, dat met verstandsgronden 
niet af te weren is, absurd verklaard. De intuitie van het 
bestaan van mede-Subjekten uit zich hierin, dat ik sommige 
der door mij voorgestelde dingen houd voor empirische ma- 
nifestaties van mede-Subjekten, voor levensvormen m. a. w. 
Nader erkennen wij drie soorten van levensvormen : menschen, 
dieren en planten. Het zij echter wèl bedacht, dat het 
wel is waar onbetwijfelbare zekerheid voor ieder Ik is, dat 
hij mede-Subjekten heeft, maar niet dat een bepaald voor- 
gesteld ding, dat hij op grond van analogie voor de verschij- 
ning van een mede-Subjekt meent te moeten houden, dat 
werkelijk ook is; dienaangaande is niet meer dan hooge 
waarschijnlijkheid bereikbaar. Wij besluiten tot het voorhanden 
zijn van een levensvorm op grond van verschijnselen die zich 
ons voordoen als doelwerkingen of van bepaalde eigenschap- 
pen, in het bijzonder ruimtelijke, die we bij andere levens- 
vormen opgemerkt hebben; maar nu kan een wassen beeld 
het uiterlijk van een mensch zoo getrouw nabootsen, dat wij 
misleid worden; indien het daarenboven kunstig nog zoo 
gekonstrueerd was, dat het automatisch zich als een mensch 
bewoog of menschelijke spraakgeluiden voortbracht, zoo zouden 



i) De bewustzijns-inhouden, waarvan andere psychische verschijnselen dan 
voorstellingen deel uitmaken, blijven hier van zelf buiten beschouwing. 



Digitized by 



Google 



BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 439 

wij naar analogie hier doelwerkingen achten te vinden en nog 
eerder misleid worden. 

Ten opzichte der hoogste levensvormen, onze mede-men- 
schen, kan evenwel de erkenning van zedelijke doelstelling 
intuïtieve zekerheid geven in de plaats der gezochte verstan- 
delijke zekerheid. — 

In de laatste plaats hebben wij nog het bewustzijn van het 
bestaan van God als individualiteit en aller Geesten oorsprong : 
in ons zelven kennen wij God. In God, den Oorsprong van 
hun aller wezensgrond is de mystieke verwantschap van alle 
schepselen gefundeerd. Hij bestaat in metafysische werke- 
lijkheid, in Hem is de opperste realiteit. — 

Resumeerende kunnen we thans den totaal-inhoud van het 
bewustzijn gedeeltelijk schematisch, aldus aangeven : een voor- 
stelling of een gevoel of een doelstelling (of een kombinatie 
van zulke), bestaande voor het individueele, van zelf aktieve 
Subjekt, dat bepaald ook door nog andere hoedanigheden en 
als zoodanig Geest genaamd, zijnde een van een onbepaald 
getal mede-Subjekten, met het Subjekt-Ik allen gefundeerd 
in God. 

De in-tweeën-deeling van den bewustzijns-inhoud, vroeger 
tot stand gebracht, kunnen wij nu aldus handhaven, dat we 
scheiden een metafysisch en een niet-metafysisch deel. De 
eenigszins willekeurige onderscheiding door ons gesteld tusschen 
bewustzijns-inhoud en bewustzijns-toestand, kan daarbij blijkens 
het voorgaande aldus toegelicht worden, dat wij zeggen: de 
bewustzijns-toestanden maken het niet-metafysisch deel van 
lederen bewustzijns-inhoud uit ; ze zijn ident met de psychische 
verschijnselen. 

De Objektiviteit behoort niet tot den bewustzijns-inhoud, 
maar wel het feit van haar bestaan : het Subjekt is zich niet 
de Objektiviteit bewust, maar is zich wel bewust, dat de 
Objektiviteit bestaat als een grootheid tegengesteld en tegen- 
overgesteld aan het Ik. Het niet-Ik, de Objektiviteit, staat 
als niet-intuitief kenbaar tegenover het Subjekt; hij bestaat 
even zeker als het Ik zelf en heeft dezelfde realiteit. Even- 
zeer ak wij aangaande het Subjekt het on-indenkbare erkennen 



Digitized by 



Google 



440 BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 

moeten, n.1. dat het bestaat ook buiten het bewustzijn om, 
zoo ook aangaande de Objektiviteit, ook zij bestaat in meta- 
fysische werkelijkheid. 

II. 

Onbewustheid. 
Tegenover de bewustheid stelt men de onbewustheid, en 
wel op twee wijzen: tegenover de bewuste psychische mo- 
menten stelt men onbewuste psychische momenten, die daarbij 
gedacht worden te bestaan zonder dat het Subjekt ze innerlijk 
ervaart, en tegenover de bewuste Subjekten onbewuste Sub- 
jekten. Het komt mij niet overbodig voor na te gaan of men 
het recht heeft deze onbewustheid aan te nemen (immers zij 
bestaat niet als ervaren maar als verondersteld) en hoe men die 
dan op te vatten heeft, want veelal opereert men lichtvaardig 
met dit begrip zonder vooraf deze vragen wel overwogen te 
hebben. Van zelf zullen wij bij dit onderzoek bouwen op ons 
onderzoek aangaande het bewustzijn. 

Het eerst spreken wij over de onbewuste psychische mo- 
menten ; in verband met de in-tweeën-deeling van den bewust- 
zijns-inhoud vroeger mogelijk gebleken, is hier tweeërlei te 
onderscheiden : onbewustheid van het Subjekt aangaande voor 
hem bestaande psychische verschijnselen en onbewustheid van 
het Subjekt aangaande momenten der metafysische werke- 
lijkheid. 
Onbewuste Wat nu dit eerste aangaat, zoo volgt uit onze vorige 
psychische ver- beschouwingen terstond, dat psychische verschijnselen, niet 
bewLtwoniinc bestaande voor het bewustzijn, onaannemelijk zijn. Voor hem, 
die in het naieve realisme staat, voor wien dus de psychische 
verschijnselen evenzeer als de dingen en verschijnselen der 
materieele wereld metafysische werkelijkheid hebben, is er 
geen bezwaar zulke onbewuste verschijnselen te aanvaarden, 
wel daarentegen voor wie zich bij de subjektiviteits-leer houdt, 
want voor hem bestaan de psychische verschijnselen slechts 
als beantwoordend aan den inhoud van het bewustzijn. 
Er is hier echter onnauwkeurig spraakgebruik in het spel. 



Digitized by 



Google 



BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 441 

Want al zijn ook in den eigenlijken zin onbewuste psychische 
verschijnselen onaannemelijk, zoo zijn er toch omstandigheden 
denkbaar, waaronder bewustzijns-toestanden optreden zonder 
beteekenis als zoodanig voor den drager te hebben. 

De voorstellingen allereerst zijn o.a. gekenmerkt in hun 
duidelijkheid; wij ervaren deze in alle mogelijke graden tus- 
schen zeer groot en zeer gering, er is alzoo een zoo geringe 
duidelijkheid (een zoo groote inhibitie) eener voorstelling 
denkbaar, dat zij » onopgemerkt" voorbijgaat, dat is: voor 
den drager niet de waarde van bewustzijns-toestand heeft, 
dat zij onbewust blijft, kan men dus met een zeker recht 
zeggen. 

Ook een bepaald soort van voorstellingen, de doel-voor- 
stellingen, kunnen zoo geïnhibeerd gedacht worden, dat zij 
geen waarde als bewustzijns-toestand voor den drager hebben, 
ook een onbewuste doelstelling en onbewust willen dus is bij 
goed verstand alzoo denkbaar. 

Voor de gevoelens komt hier de intensiteit in aanmerking ; 
ook deze kan zoo gering gedacht worden, dat het gevoel 
zijn beteekenis als bewustzijns- toestand verliest i). 

En nog op andere wijze zijn zulke ^onbewuste" bewustzijns- 
toestanden denkbaar, in het bijzonder voor de intuitieve waar- 
deeringen is dit van beteekenis. Men heeft namelijk het 
recht aan te nemen, dat een bewustzijns-toestand een minimum 
van duur moet hebben om waarde als zoodanig te hebben, 
en verder dat niet alleen gelijksoortige, maar ook ongelijk- 
soortige bewustzijns-toestanden elkander verdringen kunnen. 
In bepaalde gevallen zal men daarom mogen veronderstellen, 
dat een bewustzijns-toestand terstond bij zijn ontstaan door 
een anderen verdrongen is en zoo te kort bestaan heeft om 
waarde als zoodanig te erlangen ; in het bijzonder zal dit het 



i) De intensiteit der voorstelling komt hier niet in aanmerking, want aan 
haar beantwoordt een objektief moment, de intensiteit van het voorgestelde 
verschijnsel n.1., waaraan wederom beantwoordt en niet nader aan te duiden 
iets in de metafysische Objektiviteit. Aan de duidelijkheid der voorstelling 
daarentegen beantwoordt geen objektief moment, zij is geheel subjektief van 
herkomst, daar ze af hankeljjk is van een wils-akte, de koncentratie der aandacht 



Digitized by 



Google 



442 BEWUSTZrfN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 

geval zijn, indien de tweede bewustzijns-toestand, hoewel met 
den eersten in eenzelfde tijdsmoment vallende, logisch na 
dezen is: dit doet zich voor bij de gevoelens, die fei- 
telijk tegelijkertijd, maar logisch na de intuitieve waar- 
deeringen zijn. 

Zoo zijn er dus voor alle soorten van psychische ver- 
schijnselen omstandigheden denkbaar, waaronder ze, hoewel 
als bewustzijns-toestanden bestaande, geen waarde als zoo- 
danig voor den drager bezitten ; in bepaalde gevallen en met 
goed verstand kan men dus onbewuste psychische verschijn- 
selen aannemen. 

Deze onbewuste psychische verschijnselen blijven vanzelf 
hypothetisch, want zij worden niet ervaren: op verstands- 
gronden wordt tot hen besloten ; voorwaarde daartoe is telkens 
van den eenen kant, dat een opvolging of samengang van 
psychische verschijnselen slechts verklaarbaar is door inlas- 
sching van een niet ervaren bewustzijns-toestand; van den 
anderen kant, dat omstandigheden aan te toonen zijn, waaruit 
de geringheid der klaarheid of intensiteit of van den duur 
begrepen kan worden. Vanzelf moet ook de innerlijke ervaring 
analoga voor het aan te nemen moment bieden. 

In een deel der gevallen blijkt deze onbewustheid het eind- 
stadium te wezen van een hetzij onto-, hetzij fylo-genetisch 
proces van onbewusiwording, aldus dat bij veelvuldige her- 
haling eener voorstelling haar duidelijkheid en daaraan even- 
redig de intensiteit van het haar begeleidende gevoel steeds 
geringer wordt; ten opzichte der doelvoorstelling, het essen- 
tiëele psychische moment in het willen, komt deze veelvuldige 
herhaling onder het aspekt van oefening: onbewust willen is 
in alle gevallen fylo- of onto-genetisch onbewust geworden 
willen. 

De aanvaarding van deze telkens onbewust en nooit (of 
nooit meer) bewust terugkeerende psychische verschijnselen, 
wettigt, bij goed verstand wederom, de gangbare onderschei- 
ding van een »Ober**- en een »Unterbewusstsein" i): wij willen 



I) Een vertaling in het Nederlandsch van deze woorden kan ik niet geven. 



Digitized by 



Google 



BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 443 

deze termen aanvaarden; men overwege echter, hoe onjuiste 
inzichten zij steianen kunnen, i) 

Naast de onbewustheid aangaande psychische verschijnselen Onbewustheid 
bestaat die aangaande momenten der metafysische werke- aa^^aande 

, ^ '' momenten der 

lijkheid. metafysische 

De verhoudingen zijn hier anders : psychische verschijnselen werkelijkheid ; 
zijn niet denkbaar, zonder dat het Subjekt er bewustzijn van ^'^^^^°'^^*"^' 
heeft; maar momenten der metafysische werkelijkheid wel, 
want zij bestaan voor het denken ook zonder dat het Subjekt 
hen innerlijk ervaart. Ook is de aanleiding er deze onbe- 
wustheid te erkennen. 

Want in ons zelven ervaren wij een gestadige verdieping 
van geestelijk leven, dat is van inzicht in de metafysische 
werkelijkheid; gansch nieuwe feiten openbaren zich ons 
daarbij: stijgen op tot onze innerlijke ervaring. Daar dit 
zich in onze gedragingen en uitingen manifesteert, zoo hebben 
wij verder vaak gegevens om deze geestelijke verdieping 
ook bij onze mede-mehschen te erkennen, en dat niet alleen 
bij de individuen van ons geslacht: ook in de stijging der 
kuituur (dit woord hier in zijn hoogsten zin genomen), zooals 
die in de geschiedenis blijkt, vinden wij een gestadige ver- 
dieping van geestelijk leven. 

Zelfs heeft dit proces nog wijder beteekenis, want daar wij 
tegelijk een verwantschap vinden van dier en mensch in 
hun gelijken wezensgrond èn een principieel onderscheid 
tusschen hen stellen moeten daarin (en daarin alleen), dat wij 
het dier het besef van norm, zooals dat in ons is, niet kunnen 
toekennen, zoo moeten wij, nu wij de geestelijke verdieping 
aanvaarden, dit aldus inzien, dat dit proces ook de dieren 
omvat, en dat deze zijn empirische manifestaties van mede- 



i) Zonder hier den aard der betrekking van het psychisch leven en de ver- 
schijnselen van het zenuwstelsel te willen onderzoeken, wil ik er toch op wijzen, 
dat dit onbewust geworden psychisch leven gebonden is aan de subkortikale 
hersenen en het hals- en ruggemerg, en dat dus niet alleen de hersenschors, 
maar het centrale zenuwstelsel in zijn geheel het orgaan is, welks verschijnselen 
met psychische in direkte betrekking staan. 



Digitized by 



Google 



444 BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 

Subjekten verkeerend in een aanvankelijker stadium van gees- 
telijke verdieping dan wij. 

Ten slotte blijkt de geestelijke verdieping het fundamen- 
teele proces te zijn, dat het gansche geslacht der levenden 
omvat. 

Deze geestelijke verdieping nu, die zich voordoet als een 
geestelijke evolutie (een evolutie van gansch andere orde dan 
het overeenkomstige biologische proces, en allerminst een 
onderdeel daarvan) kan niet gedacht worden als treffende 
den Geest zelf, want de Geest, zijnde buiten den tijd, is on- 
veranderlijk. Zij moet gegrond zijn in het bewustzijn en 
bestaan is een bewustwording^ welke is als een open- 
baring aangaande de dingen der eeuwigheid: steeds meer 
open gaan ons de eeuwige waarheden: doch wie zal ver- 
mogen met zijn verstand in het wezen dezer openbaring door 
te dringen? 

De metafysische werkelijkheid openbaart zich; het bewust- 
zijn aangaande de metafysische werkelijkheid is dus van 
anderen aard dan dat aangaande de psychische verschijn- 
selen; het moet zijn sekundair ten opzichte van zijn objekt, 
en een afbeelding daarvan wezen. Het denk-konflikt dat wij 
vonden in het feit, dat het Subjekt (de Greest) hoewel be- 
staande als objekt van kennen toch ook gedacht moet 
worden als zijnde in metafysische werkelijkheid, verkrijgt nu 
een nieuwe formuleering; het onbegrijpelijke in dezen is dit, 
dat wij alle kennen, ook het bewustzijn, moetende houden 
voor primair ten opzichte van zijn objekt, toch ook meenen 
moeten, dat het bewustzijn voor een deel is afbeelding van 
zijn objekt. 

Wij kunnen slechts inzien, dat de bewustwording het 
gansche geslacht der levenden omvat en dat zij gedacht 
moet worden als betreffende de metafysische werkelijkheid 
en als gaande van de geheele onbewustheid tot de vol- 
komen bewustheid, die in de eeuwigheid is; het is ook 
een feit van diepzinnige beteekenis, dat in dezen be- 
staansvorm de Geest zich zelven geopenbaard wordt, maar 
zich zelven nog slechts ten deele kent, en dat ook 



Digitized by 



Google 



BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 445 

overigens de metafysische werkelijkheid ons slechts begint 
open te gaan i). 

In ieder stadium dezer bewustwording nu is er van zelf 
een deel bewustheid en een deel onbewustheid. Tot de aan- 
vaarding dezer onbewustheid dringt ons alzoo de innerlijke 
ervaring : waar wij in ons zelf stijging der bewustheid vinden, 
erkennen wij tijdperken, waarin ons nog niet bewust was, wat 
wij thans als ervaringsfeit bezitten; ook kunnen wij niet 
nalaten te meenen, dat dit bewustwordings proces voortduurt, 
en dat nog steeds momenten der metafysische werkelijkheid 
ons ongeopenbaard blijven. Zoo ook moeten we onzen mede- 
Subjekten een gelijke of geringere of meerdere geestelijke 
kennis en dus een gelijke of meerdere of geringere onbewust- 
heid in vergelijking met ons zelven toekennen. 

De erkenning dezer bewustwording leidt ook tot een nadere 
bepaling van het begrip transscendent. Transscendcnt is nu 
niet meer wat de g^ens der ervaring overschrijdt, maar: wat 
buiten het gebied der ervaring ligt tenzij het in het proces der 
bewustwording geopenbaard is ; zoo blijft de Geest transscen- 
dent, hoewel innerlijk ervaren. 

Al wat bestaat in metafysische werkelijkheid is wel trans- 
scendent, maiar is daarom niet onkenbaar: in het proces der 
bewustwording wordt het ons geopenbaard, steeds meer. 

In de tweede plaats spreekt men van onbewuste Subjekten, 
ook hier hebben wij tweeërlei afzonderlijk te beschouwen : men 
kan het bestaan veronderstellen (van meer dan veronderstellen 
kan hier geen sprake zijn) van Subjekten, die tijdens den 
ganschen duur van hun empirische leven onbewust zijn, en 
van menschen of dieren, die in een voorbijgaanden toestand 
van bewusteloosheid verkeeren. 

Wat de eerste veronderstelling aangaat, men denkt zich Psychisch le- 

ven der planten 

, , , , , , . , . . . i en lagere dieren, 

i) Hier ware het de plaats om de beteekenis te overwegen der geinitieerden : 

de stichters der wereldgodsdiensten, de »zieners", zij, die de menschheid voor- 
aangaan in haar gang naar de volkomen bewustheid, en om over de waar- 
achtigheid der dichterlijke verbeelding te spreken : echter zou ons dit onderzoek 
te zeer uit de baan van ons betoog voeren. 



Digitized by 



Google 



446 BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 

hierbij blijkbaar Subjekten, die zich wel manifesteeren ineen 
organisch leven, maar zonder dat men hun een psychisch 
leven of meer dan een, in den eigenlijken zin onbewust, 
psychisch leven kan toekennen. Het zijn bepaaldelijk de 
planten en de laagste diervormen, die men aldus opvat; het 
is voor velen een dogma geworden, dat deze levensvormen 
geen ziele-leven hebben. 

Nu is, zooals wij reeds betoogden, een in den eigenlijken 
zin onbewust psychisch leven onaannemelijk ; voor het denken 
wel mogelijk daarentegen is een Subjekt zonder psychisch 
leven, want de mede-Subjekten bestaan niet naar getuigenis 
van hun, maar van mijn bewustzijn (en wie zal ook uitmaken 
of de Geest voor zijn intreden in dezen bestaansvorm bewust- 
zijn heeft?); evenwel, het is niet in te zien hoe een zoodanig 
Subjekt zich in een organisch leven openbaren zou, want 
kenmerkend voor het organische tegenover het anorganische 
bestaan is de doelwerking, en deze bestaat als beantwoording 
aan het psychologisch moment der doelstelling en is zonder 
die beantwoording niet denkbaar; verder is de doelstelling 
niet anders te denken dan als terugslag op een gevoel en 
een gevoel niet anders dan als terugslag op een voorstelling : 
zoo postuleert dus de doelwerking een, is het ook weinig 
ontwikkeld, dan toch in zijn geringe ontwikkeling volledig, 
psychisch leven. 

Deze overwegingen brengen er mij toe ieder organisch 
leven door een psychisch leven gedragen te achten. Dit 
inzicht is in strijd met de opvatting, waarvoor de planten 
slechts onbezielde dingen zijn, geenszins lagere manifestaties 
van mede-Subjekten met een psychisch leven in hoofdzaak 
aan het onze gelijk : een opvatting, die wel daardoor ontstaan 
is, dat men terecht doelwerkingen voor manifestaties van een 
Subjekt houdend, ten onrechte in het plantenleven geen doel- 
werkingen erkent ; de fout lig^ hierbij in de te enge bepaling 
van het begrip doelwerking: als zoodanig gelden hier alleen 
zulke verschijnselen als men bij zich zelf van bewuste doel- 
stelling afhankelijk kent, bij uitsluiting dus bewegingen van 
lichaamsdeelen ; waar deze nu ontbreken, zooals bij de laagste 



Digitized by 



Google 



BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 447 

levensvormen en in het algemeen bij de planten het ge- 
val is, daar zijn met dit kriterium geen doelwerkingen te 
vinden. Maar nu leert eenige verdere overweging, dat 
alle organische levensverschijnselen doelwerkingen zijn, daar 
in alle een doel kenbaar is, n.1. het behoud van indi- 
vidu en soort; zij postuleeren daarom alle een hetzij be- 
wuste, hetzij 1 onbewuste" doelstelling en dus een doelstellend 
Subjekt. 

Daar nu verder alle onbewuste doelstellingen oorspronkelijk 
bewust geweest zijn en daarna langzamerhand hetzij in het 
leven van den individu of in dat der soort, onbewust zijn 
geworden, zoo moet men aannemen, dat in de oorspronkelijkste 
organismen, de eencellige wezens, althans aanvankelijk alle 
doektellingen als bewuste verschijnselen bestaan hebben, en 
dat bij de verdere voortschrijding van het leven en de toe- 
nemende komplikatie van lichaamsbouw naast elkaar bewuste 
en onbewuste doelstellingen zijn komen te bestaan, want 
steeds zullen er nieuwe doelwerkingen zijn, die bij gebrek 
aan voldoende oefening nog niet automatisch tot stand 
komen. 

Het zij echter opgemerkt, dat over den graad van duide- 
lijkheid der voorstellingen en den graad van gekompliceerd- 
heid van het ziele-leven der laagste wezens en de planten 
hiermede nog niets gepostuleerd is: het is zelfs aannemelijk, 
dat hun duidelijkste voorstellingen lang niet de gemiddelde 
duidelijkheid onzer voorstellingen bereiken, aannemelijk ook, 
dat hun ziele-leven in gekompliceerdheid bij het onze verre 
ten achter staat, afgezien nog daarvan, dat een hooger 
gevoelsleven hier ontbreekt; in algemeenen aanleg moet het 
echter met het onze overeenstemmen. 

Alleen bij het postulaat van de mechanische interpre- 
tatie der levensverschijnselen is een organisch leven zonder 
psychisch leven aannemelijk; dit postulaat nu hebben wij 
hier ter plaatse niet nader te bestrijden: uit onze tot 
dusverre gevoerde overwegingen heeft ons anders gezind 
inzicht reeds voldoende kunnen blijken. Maar ik meen, dat 
de aanvaarding van de teleologische verklaring der levens- 



Digitized by 



Google 



448 BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 

verschijnselen als konsekwentie de erkenning van het bewuste 
ziele-leven aller organismen met zich voert i). 

Toestanden Ten slotte hebben we nog te onderzoeken, wat men te 

van bewuste- denken heeft van de voorbijgaande toestanden van bewuste- 
loosheid (slaap 1 1 . , 
en syncope), loosheid. 

We nemen aan dat een mede-mensch of een dier in zulk 
een toestand verkeert, wanneer we bij hem konstateeren het 
ontbreken van zulke verschijnselen als we in ons zelf van 
bewuste doelstelling afhankelijk kennen, te gelijk met het 
voortduren der overige levensverschijnselen; na afloop blijkt 
nog bij den mensch bij wien alleen dit na te gaan is, een 
herinnerings-defekt te bestaan, dat zich uitbreidt over het tijd- 
perk der bewusteloosheid. 

Er moet hier een onderscheiding gemaakt worden tusschen 
de toestanden van slaap (en wat daaraan verwant is) en die 
van syncope: want deze verschillen zoowel in ontstaans-voor- 
waarde als in konstitueerende verschijnselen: het zou ons 
echter te ver voeren zoo wij al deze verschillen gingen opsporen. 

In verband met de uitkomsten van ons vorig onderzoek 
ligt het voor de hand de toestanden van slaap op te vatten 
als in het leven geroepen door een algemeene inhibitie der 
gewoonlijk duidelijke voorstellingen en een daarmede even- 
redige vermindering van intensiteit der begeleidende gevoelens ; 
het is daarmede ook goed te vereenigen, dat wij geen her- 
inneringen bezitten beantwoordende aan waarnemingen tijdens 
den slaap, of zoo we er zulke bezitten, dat deze dan geheel 



i) Er zij hier nog gewezen op de merkwaardige verdediging van Th. Fechner 
van het bestaan der planteziel (zie in het bijzonder: Ueber die Seelenfrage, 
Leipzig i86i); ook zij zijn overweging gememoreerd, dat uit het feit, dat wij 
een zenuwstelsel behoeven om waar te nemen, nog in het geheel niet volgt, 
dat die levensvormen, die geen zenuwstelsel bezitten, niet kuDnen waarnemen 
(l.c. blz. 27 V.V.). Overigens is bij Mimosa pudica een weefsel aangetoond dat 
den prikkel voortgeleidt: zie Schultze, Vergleichende Seelenkunde, istcr Bd., 
2de Abth., blz. 165 (Leipzig 1897). Ook op Schultze's verdediging (l.c.) van het 
bestaan der planteziel zij hier de aandacht gevestigd, in het bijzonder ook op 
zijn betoog, dat een kenmerk ter principieele onderscheiding van plant en dier 
als organismen niet te geven is. 



Digitized by 



Google 



BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 449 

geïnhibeerd (» onbewust*') blijven en slechts In zeer bijzondere 
omstandigheden, als diepe hypnose, waarde als bewustzijns- 
toestanden verkrijgen. 

In toestanden van syncope vallen de bewuste voorstellingen, 
gevoelens en doelstellingen weg, waaraan beantwoordt een 
niet-funktioneeren der hersenschors (die tijdens den slaap 
slechts anders dan bij waken funktioneert) ; het psychische 
leven blijft in zulke periodes — min of meer althans — be- 
paald tot de lUnterbewusstseinerscheinungen." 

A posteriori zijn beide soorten van toestanden van onbewust- 
heid subjektief niet te onderscheiden van periodes waaromtrent 
een herinnerings-defekt bestaat. Wij besluiten tot een verleden 
toestand van zelf doorleefde onbewustheid op grond van mede- 
deelingen van anderen of naar analogie van wat we eertijds 
bij anderen waargenomen hebben. Zonder mede-menschen 
zouden wij het voorkomen van deze toestanden hoogstens 
veronderstellen kunnen. 

III. 

Het Subjekt (Het Ik). 

Pe woorden »Ik*' en » Subjekt*', die, zooals reeds opgemerkt, 
voor ons hetzelfde begrip uitdrukken, hebben drie beteekenissen : 
zoo is bijv. het Ik, dat zich te slapen legt een ander dan het 
Ik, waarvan wij zeggen, dat het bewustzijn heeft ; alleen van dit 
laatste Subjekt was tot dusverre sprake : het is het metafysische, 
transscendente Subjekt. Het is zeer noodig deze drie Subjekten 
scherp te onderscheiden en in hun betrekking te bepalen. 

Het hiertoe leidende onderzoek willen wij thans opnemen; 
daar alleen de kennisleer tot een juist begrip in dezen voeren 
kan, zoo zullen wij bij dit onderzoek haar licht vrijelijk over 
deze problemen doen schijnen. En wel beroepen we ons 
hier op de resultaten van de kennisleer der kritische filosofie, 
die we zonder nadere verdediging willen aanvaarden: we 
nemen alzoo aan zonder nadere bewijsvoering (die ons op te 
verre wegen zou brengen), dat de zintuigelijke kennis produkt 
is van twee faktoren: de gewaarwordingen, die de waarde 



Digitized by 



Google 



4SO BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 

hebben van voor het Subjekt teekens te zijn der onkenbare 
Objektiviteit (de gewaarwordingen maken het subjektief aspekt 
der Objektiviteit uit) en van apriorische elementen. We 
nemen dus aan, dat de leer van vele tegenwoordige natura- 
listen (Spencer e.a.) volgens wie de ken-vormen hereditair 
door de ervaring van het voorgeslacht in ons ontstaan zijn, 
dus niet vóór alle ervaring zijn, maar in de ervaring fyloge- 
netisch verworven worden, verwerpelijk is, evenzeer als de 
oude nu vrij wel verzaakte leer der tabula rasa zelf. We 
nemen aan, dat ervaring zonder die apriorische ken-vormen 
niet bestaan kan, noch bij ons, noch bij het voorgeslacht. 

Voor hem die zich op dit standpunt stelt èn het metafy- 
sische Subjekt erkent, kan er geen twijfel bestaan of de apri- 
orische elementen der kennis zijn op te vatten als in dat 
Subjekt, en niet als in het bewustzijn gegrond, want in deze 
apriorische voorstellings-elementen doet zich een aktiviteits- 
manifestatie voor en indien nu bewustzijn niet meer is dan 
een intuitief kennen van het metafysische Subjekt (o.a. van de 
voorstellingen), zoo is onmogelijk, dat het de oorsprong dezer 
aktiviteit is, dat het ken- (dat is : voorstel-) funkties heeft ; de 
eenige grootheid, die hiertoe in aanmerking komt, is dit van 

zelf aktieve Subjekt i). 

* -je- 



i) In een uitvoerige bespreking, die de Redakteur der Wetenschappelijke 
Bladen (April '99) wel heeft willen wijden aan mijn reeds geciteerd werk, vind 
ik tot mijn verwondering de opmerking, dat »de aktiviteit van den Geest [door 
mij] louter als een mysterieuse zedelijke verdieping gekenmerkt wordt" (blz. 138). 
Het bovenstaande, op eenige uitweiding na onveranderd uit mijn boek (blz. 13) 
overgenomen, moge hem van de onjuistheid zijner opvatting overtuigen; een der 
principieele vragen, die het gansche boek beheerschen, is toch ook juist welk deel 
der verschijnselen van het empirisch-psychische leven moet opgevat worden als 
voortkomende door aktiviteit van het Subjekt, en welk deel als kauzaal bepaald. — 
Uit het bovenstaande betoog moge den geachten recensent ook blijken, dat ik het 
metafysische Subjekt geenszins houd voor synoniem met de Godheid (zie Wetensch. 
BI. l.c. blz. 142) : ik herinner mij geen plaats uit mijn boek, die van deze opvatting 
getuigt. — Tegen zijn bezwaar, dat ik de noodzakelijkheid niet aangetoond heb van 
het aannemen van het transscendente Subjekt voor een vruchtbare studie der psy- 
chologie, maar dat ik alleen mijn geloof belijd in het bestaan van zulk een Subjekt 
(blz. 141) zou ik willen aanvoeren, dat ik, het bestaan van het Subjekt voor een 
onafwijsbaar ervarings-feit houdend, zulk een betoog toch niet verschuldigd was ? 



Digitized by 



Google 



BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 4S1 

Over het eerste der drie Subjekten hebben wij reeds ge- Het metafy- 
handeld ; het is het metafysische, transscendente Subjekt, ident ^*^^^® Subjekt. 
met den Geest: op dit had ook betrekking alles wat wij in 
het voorafgaande over het Subjekt gezegd hebben. 

Het metafysische Subjekt, de Geest, is onze wezensgrond ; 
zijn bestaan ervaren wij, wordt ons geopenbaard, in het be- 
wustzijn ; het denken leidt tot de erkenning zijner metafysische 
natuur. 

Daar wij tijd en ruimte opvatten' als zijn aanschouwings- 
vormen, zoo zeggen wij : de Geest is buiten den tijd en buiten 
de ruimte; hij is zonder begin en zonder eind, hij is niet 
hier, hij is niet daar, hij is. En als voorstellend Subjekt komt 
hij te staan tegenover de Objektiviteit, die voor hem onken- 
baar, voor het bewustzijn bestaat krachtens het Subjekt zelf: 
het Ik wijst direkt op een niet-Ik even zeker bestaande als 
het Ik zelf. 

De Geest staat geheel buiten het empirisch-psychische leven ; 
dit wordt opgebouwd uit drie soorten van bewustzijns-toe- 
standen: voorstellingen, gevoelens en toestanden van wilsbe- 
wustheid: achter ieder dezer staat gelijkelijk het bewustzijn 
en achter dit het transscendente Subjekt. 

Uit de metafysische werkelijkheid, waarin tegenover elkaar 
staan het metafysische transscendente Subjekt en de metafysi- 
sche, transscendente Objektiviteit zal nu voortkomen de empi- 
rische werkelijkheid, waarin bestaan het empirische Subjekt, 
resp. als psychologisch en als psycho-fysiologisch Subjekt, en 
de empirische Objektiviteit i). 

Dit geschiedt in het voorstellen. In het voorstellen wordt Hetpsycholo- 
een vorm van Subjekts-aktiviteit openbaar naar aanleiding der gische Subjekt; 
gewaarwordingen, die voor het Subjekt bestaan als teekens 



i) Het is misschien niet ondienstig er op te wijzen, dat wij hier ten bate 
der demonstratie als een in den tijd vallend proces voorstellen, wat in werke- 
lijkheid een logische opvolging van stadia is. Wèl bestaat het proces in om- 
gekeerde volgorde in zoo verre, dat de denkende mensch in den loop van zijn 
leven van de laatste fase, die wij onderscheiden zullen, voortschrijdt tot de 
tweede, en van daar tot de eerste. Hierover nader in den tekst. 

30 



Digitized by 



Google 



452 BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 

der in zich zelf onkenbare metafysische Objektiviteit : naar 
aanleiding en met gebruikmaking dezer bouwt zich het voor- 
stellende Subjekt óp de metafysische de empirische werkelijk- 
heid op. 

De aktiviteit van het voorstellende Subjekt openbaart zich 
daarbij aldus, dat het, op die Objektiveit leggende zijn tijd- en 
ruimte-aanschouwing en ding-opvatting, zich zelf een nieuwe 
Objektiviteit opbouwt, bestaande uit ruimtelijke dingen, en 
waarin een gebeuren is, dat in den tijd is. Deze Objektiviteit 
is als voorgesteld empirisch. 

Het Subjekt wordt zich nu bewust in zijn voorstellen van 
de empirische Objektiviteit: de intellektueele bewustzijns- 
inhoud i) is dus geboren. 

Zoo is dan in plaats der onkenbare Objektiviteit gekomen 
de empirische Objektiviteit en daar tegenover in plaats van 
het transscendente Subjekt: de voorstelling der empirische 
Objektiviteit. Met het voorgestelde komt nu vervolgens de 
voorstelling in den tijd : de tijd-aanschouwing straalt terug op 
het voorstellen; direkt geldt dit slechts voor de elementen 
van objektieve herkomst, de gewaarwordingen, van wier 
wisseling de wijzigingen in den intellektueelen bewustzijns- 
inhoud afhankelijk zijn; zij komen nu in tijds-opvolg^ng, 
waardoor er feitelijk eerst van veranderingen in dien bewust- 
zijns-inhoud en in het voorstellen sprake kan wezen. Deze 
veranderingen, opgevat als verschijnselen zijn de voorstel- 
lingen, die elkander in den tijd opvolgen. 

De fundamenteele splitsing van het Zijn in twee tegen- 
gestelden, oorspronkelijk in de metafysische werkelijkheid 
bestaande, blijft dus in de empirische werkelijkheid gehand- 
haafd; zij beheerscht het geheele voorstellings-leven. Nu 
staan niet meer tegenover elkaar transscendent Subjekt en 
transscendente Objektiviteit, maar voorstelling en voorgestelde. 

De voorstelling en het voorgestelde staan tot elkander in 
dubbele betrekking: eerstens zijn ze tegengestelden en als 



i) De intellektueele bewustzijns-inhoud : dit zijn alle voorstellingen te zamen 
en die gedragen door het Subjekt 



Digitized by 



Google 



BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 453 

zoodanig absoluut ongelijksoortig; hierin onderscheidt zich 
hun verhouding niet van die van transscendent Subjekt en 
transscendente Objektiviteit ; tweedens — en hierin onder- 
scheidt zich hun verhouding wel van die der juist genoemden 
— beantwoorden ze aan elkaar en hebben als zoodanig een 
overeenkomst. De voorstelling van een boom en de boom 
zelf zijn absoluut ongelijksoortig, maar staan met elkander in 
betrekking als in verschillende sferen aan elkander beant- 
woordende grootheden. 

In verband met de herkomst der tegenstelling wordt verder 
de voorstelling : het alleen voor dit Subjekt bestaande en het 
voorgestelde: het voor alle Subjekten bestaande i). 

Het voorgestelde wordt daarenboven krachtens zijn objek- 
tief karakter deel van een onafhankelijk van het Subjekt 
bestaand systeem, waarvan het aanvankelijk slechts onsamen- 
hangende momenten kent; in den loop van het empirische 
leven ontwikkelt zich nu aldus een kennis van dat systeem, 
dat niet alleen de schat van zinnelijke voorstellingen steeds 
toeneemt, maar daarenboven in logische arbeid tusschen de 
voorgestelde momenten betrekkingen, in het bijzonder kauzale 
betrekkingen gelegd worden. Opgemerkt zij hierbij het ver- 
band tusschen deze twee feiten : dat de empirische Objektivi- 
teit voor ons een zelfstandig systeem is en dat we de ver- 
schijnselen van dat systeem opvatten als in kauzaal verband 
staande. 

De voorstellingen-komplex nu van de empirische Objektivi- 
teit, getreden in de plaats van het transscendente Subjekt en 
in den tijd gekomen, is de eerste aanleg van dat empirische 
Ik, dat men nader kan aanduiden als het psychologische Ik, 
niet dat Ik zelf. Want wel heeft deze voorstellingen-komplex 



i) De woorden »subjektief" en »objektief*' hebben twee beteekenissen : 
10. subjektief = wat uit het Sabjekt is (de apriorismen bijv.), waar tegenover 
staat objektief =: wat niet uit het Subjekt is (de gewaarwordingen) en 20. sub- 
jektief z= wat alleen voor het Subjekt bestaat (een gevoel, een waarneming), 
en objektief = wat voor alle Subjekten bestaat (het waargenomene: de dingen, 
bewegingen). De gewaarwordingen, die in den eersten zin objektief zijn, zijn 
in den tweeden subjektief. 



Digitized by 



Google 



454 BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 

een objekt tegenover zich, aan hem tegengesteld, maar de 
twee andere Subjekts-kenmerken ontbreken nog: hij is niet 
individueel en niet aktief. 

De associatie-psychologen, die dezen voorstellings-komplex 
voor het eenige Ik, hèt Ik houden, dwalen dus op twee 
wijzen : eerstens en vooral daarin, dat ze voorbijzien, dat ook 
deze voorstellingen-komplex een drager noodig heeft; deze 
nu kan niet anders zijn dan het in zijn apriorismen aktieve, 
transscendente Subjekt, de voorwaarde tot alle voorstellen, 
de Geest, die zich behalve in het voorstellen ook in het 
voelen en willen openbaart; tweedens daarin, dat ze niet 
opmerken, dat een Ik een eenheid is, niet een komplex, en 
daarenboven een aktieve grootheid. 

Het psychologische Subjekt is de ZieL De ziel is daarbij 
de substantie, die te denken is achter de psychische ver- 
schijnselen als akcidenties. 

Het ontstaan van het begrip ziel is aldus: volgens onzen 
voorstellings-aanleg vatten wij het direkt gewaargewordene 
op als akcidentie (eigenschap, toestand, verschijnsel) van een 
ding als substantie, en daarna zijn wij geneigd in analogie 
de psychische verschijnselen: voorstellingen, gevoelens enz., 
die we in innerlijke ervaring kennen, eveneens op te vatten 
als gedragen door een substantie, hier van zelf immaterieel, in 
welke de eenheid van het psychisch verschijnende is. De ziel 
is in dezen gedachtenkring dus een immateriaal ding, zij onder- 
scheidt zich van het materieele ding daarin, dat zij niet ervaren, 
maar door het denken gesteld wordt: zij is hypothetisch; 
verder ook daarin, dat zij als niet te ervaren transscendent is. 

Ziel en Geest zijn wel te onderscheiden : de ziel is substantie 
van, de Geest voorwaarde tot de psychische verschijnselen ; de 
ziel wordt ook door het denken gesteld maar de Geest innerlijk 
ervaren. Deze twee grootheden staan overigens in verschil- 
lende gedachten-kringen en kunnen nimmer in éen beschou- 
wing te zamen voorkomen, i) 



i) Aan het woord »ziel" zijn overigens zoo vele beteekenissen gehecht, de 
ziel is ook in populaire besprekingen een zoo onnauwkeurig omschreven begrip, 



Digitized by 



Google 



BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 455 

Als substantie is de ziel een eenheid. Om nu echter als 
Subjekt te fungeeren, moet de ziel behalve individueel ook 
nog aktief zijn : deze aktiviteit nu openbaart zich in de macht, 
haar toegekend over het lichaam. 

Hierin is een onderscheid tusschen de ziel en het materiëele 
ding, dat de ziel wel, maar het materiëele ding niet aktief 
is; tevens blijkt hieruit, dat de ziel in deze beteekenis geen 
wèl doordacht filosofisch begrip is, want tegelijk is zij aktief 
en toch als substantie niet aktief. In verband hiermede is 
het ook van belang op te merken, dat zoowel de ziel als het 
objekt, dat er als korrelaat tegenover staat, ten onrechte ge- 
dacht worden te bestaan in metafysische werkelijkheid : het 
wordt zoo duidelijk, dat de ziel bestaat in den gedachtenkring 
van het naieve realisme. 

Het objekt der ziel is niet de empirische Objektiviteit in 
haar geheel, maar bij uitsluiting het lichaam. Het lichaam 
staat onder de dingen n.1. op twee wijzen tot de ziel in 
bijzondere betrekking; aan beide beantwoorden feiten van 
kennis-theoretische beteekenis, waardoor het lichaam ook in 
de kennisleer in twee opzichten een bijzonder ding is. 

Het lichaam gesteld tegenover de ziel is het ding, dat 
voorwaarde is tot haar waarnemen, en dat tegelijk aan haar 
macht onderworpen is: in deze laatste betrekking bestaat, 
naar wij reeds opmerkten, de aktiviteit der ziel. 

Van uit de kennisleer beschouwd (in den gedachtenkring 
dus, waar niet de ziel, maar het voorstellende Subjekt erkend 
wordt), is het lichaam tegelijk het eenig direkt waargenomen 
ding èn het ding, dat voorgesteld wordt als in stand ge- 



dat het gebruik maken van dezen term in de psychologie in het algemeen geen 
aanbeveling verdient; voor zoo verre haar niet de beteekenis gegeven wordt, waarin 
ze hier voorkomt of zij meer of minder ident is met wat wij den Geest noemen, strekt 
ze nu eens ter aanduiding van den emotioneelen aanleg des menschen — en als 
zoodanig is zij voor de litteratuur, voor de lyriek het bijzonder, een begrip van 
groote waarde — een ander maal is zij ident met de bewustheid. In al deze 
beteekenissen is de ziel een voor de psychologie waardeloos begrip. Er zij ook 
op gewezen, dat zij als emotioneele aanleg of als ident met de bewustheid — 
zooals ook de bewustheid zelf — niet een konkreete grootheid is, maar een begrip, 
een gedachten-produkt naar aanleiding van verschijnselen door abstraktie gevormd. 



Digitized by 



Google 



456 BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 

houden door de doelstelling, die evenals de voorstelling ge- 
dragen wordt door het metafysische Subjekt. 

Terwijl nu het feit, dat het lichaam voorgesteld wordt als 
in stand gehouden door de doelstelling van het Subjekt, (wat, 
in den anderen kring overgebracht, wordt: het feit, dat het 
lichaam onderworpen is aan de wilskracht der ziel) hier ter 
plaatse geen nadere uiteenzetting behoeft, vereischt wel eenige 
explikatie eerstens onze bewering, dat gezien van uit de 
kennisleer het lichaam het ding is, dat alleen direkt waar- 
genomen wordt; en tweedens, hoe dit feit in verband te 
brengen is met de opvatting van het lichaam als voorwaarde 
tot het waarnemen der ziel. 

Om in te zien, dat het lichaam het eenige direkt waarge- 
nomen ding is, moet men bedenken, dat, naar de embryologie 
leert, ook het hoogst ontwikkelde organisme fylo- en onto" 
genetisch zich uit een één-cellig lichaam ontwikkeld heeft; 
met de beschouwing van drie stadia uit zijn ontwikkelingsgang 
is onze toelichting dan te geven. Men neme daarbij in aan- 
merking ons betoog, dat alle levensvormen een ziele-leven 
hebben. 

In het eerste ontwikkelings-stadium vinden wij het individu 
verschijnend als één-cellig organisme; voor hem bestaat als 
eenig waarnemings-objekt het lichaam : alle voorstellingen zijn 
hier voorstellingen van verschijnselen in het inwendige en op 
het oppervlak van het lichaam. 

Het is aannemelijk, dat de oorspronkelijkste levensvor- 
men, zij dus, wier lichaam zich niet verder dan tot een 
één-cellig organisme ontwikkelt, van alle verschijnselen van 
hun organisch leven voorstellingen hebben, want alle 
levensverschijnselen beantwoorden aan oorspronkelijk be- 
wuste doelstellingen en een bewuste doelstelling stelt voorop 
de duidelijke (niet geïnhibeerde) voorstelling van het tot doel 
gestelde ; daarbij zal — gegeven de ruimte-aanschouwing — een 
onderscheiding van verschijnselen aan het oppervlak en in het 
inwendige van het lichaam mogelijk wezen door de omstan- 
digheid, dat de eerste niet, de tweede wel aan een doel- 
stelling beantwoorden. In de rij der geslachten worden nu 



Digitized by 



Google 



BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 457 

wel de voorstellingen der inwendige verschijnselen voor een 
groot deel onbewust, voor zoo verre zij bewust blijven echter 
(ten slotte zijn dit alleen de voorstellingen van een deel der 
aktieve bewegingen) blijft deze aanvankelijke lokalisatie be- 
staan i). 

De verschijnselen aan het oppervlak zullen nu verder op- 
gevat worden als veroorzaakt door prikkels van buiten op 
het lichaam inwerkende ; zoo zullen dus te gelijk het lichaam 
en de in hun inwerking op het lichaam onderling onder- 
scheiden prikkels voorgesteld worden ; daarmede is een begin 
van kennis van het niet-lichaam gegeven; de buitenwereld 
wordt daarbij echter slechts middellijk waargenomen: onmid- 
dellijk voorgesteld wordt alleen het lichaam. 

In het tweede stadium, dat wij in beschouwing nemen, 
bestaat er een organisme met organen en een zenuwstelsel, 
maar nog geen gehoors- en gezichts-apparaat. Toen zich 
organen differentieerden, was een centraal-orgaan noodig om 
de eenheid van het organisme te bestendigen en een doel- 
matig werken zijner organen mogelijk te doen zijn; als zoo- 
danig fungeert nu het zenuwstelsel, dat op zijn beurt bestaat 
uit een centraal gedeelte, hersenen en ruggemerg, het eigen- 
lijke lichaams-centrum, en een perifeer gedeelte, het systeem 
van zenuwbanen, dat als intermediair tusschen de organen 
en het centrale zenuwstelsel dienst doet: langs de zenuw- 
banen worden de verschijnselen op het oppervlak en in de 
organen centrifugaal nakr, en de reakties, de eigenlijke levens- 
verschijnselen, centrifugaal van de hersenen en het ruggemerg 
voortgeleid. 

In verband met de beteekenis van het zenuwstelsel wordt 
het waargenomen verschijnsel gelokaliseerd op de plaats van 
zijn ontstaan en niet ergens in het zenuwstelsel: dit strekt 
slechts ter verbinding der overige organen, waarmede het, 
hoewel zelf een orgaan, niet gelijkwaardig is. Het voor de 



l) De lokalisatie in het inwendige, eo niet op het oppervlak van het lichaam, 
van verschijnselen en toestanden, die toch niet levensverschijnselen zyn (zoo 
bijv. overvulling van de maag), is sekandair: deze kunnen we hier buiten be- 
schouwing lateo. 



Digitized by 



Google 



458 BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 

zenuw-fysiologie gewichtige feit der projektie van het waar- 
genomene is dus alleen uit de ontwikkeling en biologische be- 
teekenis van het zenuwstelsel te verstaan ; daaruit ook alleen 
is in te zien, dat een inwerking op eenige plaats der zenuw 
waargenomen wordt als een verschijnsel in haar eindpunt 

Ook in deze periode nu wordt alleen het lichaam direkt 
waargenomen en bestaat verder de mogelijkheid de buiten- 
wereld middellijk te leeren kennen. In onze beschouwing 
kan men dit stadium ook aangeven als dat, waarop de on- 
derscheiding van substraat en voorgestelde ontstaat: het 
substraat is het verschijnsel in het centraal-zenuwstelsel, het 
voorgestelde het verschijnsel in het bijzondere orgaan (resp. 
de huid) ter plaatse waar het met de zenuwbaan in kon- 
takt staat. 

In het laatste (derde) stadium heeft de ontwikkeling van 
het organisme haar (tegenwoordig) eindpunt bereikt ; hier doet 
zich voor het vol ontwikkelde organisme met zenuwstelsel en 
organen en, als nieuw moment, een gezichts- en gehoors- 
apparaat. 

De gezichts- en gehoors-voorstellingen vertoonen de merk- 
waardige bijzonderheid, dat ze geacht worden tot beantwoor- 
ding te hebben een verschijnsel niet op het oppervlak van het 
lichaam, maar ergens in de ruimte op een afstand er van 
daan, welk verschijnsel door voortgeleiding door de ruimte 
een prikkel op het lichaams-oppervlak te weeg brengt. Men 
moet zich voorstellen, dat deze tweede projektie, die van de 
grootste beteekenis is voor de vorming van ons wereldbeeld, 
niet onmiddellijk tot stand gekomen is, maar geleerd is in de 
ervaring, en wel voornamelijk de ervaring van het voorge- 
slacht. Wanneer oog en oor zich ontwikkelen, bestaat het 
in- en uitwendige tast-apparaat reeds geruimen tijd; de loka- 
lisatie op het lichaams-oppervlak en de kennis der lichaams- 
bewegingen heeft zich dus reeds kunnen ontwikkelen i); er 
is daarom een kontrole door tastwaarnemingen mogelijk, 
waaruit telkens blijken zal, dat het geziene en gehoorde niet 



I) Het is hier de plaats niet dit oader te demonstreeren. 



Digitized by 



Google 



BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 459 



direkt op het lichaam inwerkt, maar op een afstand er 
vandaan ontstaat. Door deze kontrole zal het objekt der 
gezichts- en gehoors-voorstellingen, dat aanvankelijk opgevat 
werd als een prikkel inwerkend op het lichaam, langzamer- 
hand gepercipieerd worden als een ding of een dings-ver- 
schijnsel ergens in de ruimte. 

En zoo hebben zich dan uit de oorspronkelijke lichaams- 
voorstellingen drie soorten van voorstellingen ontwikkeld: 
voorstellingen van verschijnselen in het inwendige van het 
lichaam, van inwerkingen op het lichaam en van dingen of 
verschijnselen in de ruimte. Als feit blijft echter bestaan, dat 
het lichaam het eenige direkt voorgestelde ding is. — 

Het is nu niet moeilijk meer dit feit van kennis-theoretische 
beteekenis in verband te brengen met de opvatting van de 
ziel als voorwaarde tot het waarnemen. Men heeft daartoe slechts 
te bedenken, dat de ziel (in den hier bedoelden zin) voorkomt in 
een beschouwing, die wel is waar niet wijsgeerig is, maar toch 
zich reeds ontwikkeld heeft uit een lagere, waarover spoedig 
nader, in welke het lichaam deel uitmaakt van het Subjekt en 
ak zoodanig tegenover de buitenwereld gesteld wordt. Deze 
opvatting doet zich in den gedachten-kring, die ons thans bezig- 
houdt, nog daarin gelden, dat hier den eigenlijken lichaams- 
voorstellingen tegenover <}e gezichts- en gehoors-voorstellingen 
een subjektief karakter toegekend wordt, en dat zij als 
gevoelens i) van de waarnemingen der dingen en geluiden 
der buitenwereld onderscheiden worden. De voorstellingen 
van een ding inwerkend op het lichaams-oppervlak komen 
daarbij tusschen beide in te staan: men houdt het er voor, 
dat een lichaams-i gevoel" samengaat met de waarneming der 
inwerking van een ding. Het gebied der waarneming wordt 
zoo aanzienlijk beperkt; bij de vooropstelling dat lichaams- 
verschijnselen niet waargenomen worden (dan langs een omweg 
door den gezichtszin) kan dan het feit van het naast elkaar 
bestaan van substraat en voorgestelde aldus in woorden 



i) Men verwarre deze gevoelens niet met wat in de psychologie alleen als 
zoodanig geldt: de toestanden van behagen en onbehagen. 



Digitized by 



Google 



46o BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 

worden gebracht : het lichaam is de voorwaarde tot het waar- 
nemen. 

Uit de beteekenis van het lichaam volgt bij de erkenning 
van mede-Subjekten, dat alle dingen voor alle menschen in 
principe waarneembaar zijn, d. w. z. dat ze op ieders lichaam 
inwerken, maar dat de inwerking zelf op het lichaam en de 
toestanden (afwijkingen) en verschijnselen van het eigen- 
lichaam — direkt althans — slechts door den drager er van 
kunnen worden waargenomen. 

Het psycho- Er is nu echter nog een tweede empirisch Ik, een derde 
Suïlkt''''^^ Subjekt dus, het psycho- fysiologische Subjekt; we hebben er 
in het voorafgaande reeds melding van moeten maken ; evenals 
het psychologische Ik bestaat dit in de werkelijkheid waarin 
wij leven in onze dagelijksche bezigheden, de werkelijkheid 
van het naieve realisme, waarin het voorgestelde geacht wordt 
te bestaan onafhankelijk van den voorsteller, waar uit de 
lichaamsvoorstelling besloten wordt tot de werkelijkheid van 
het lichaam en uit de voorstelling der dingen tot de werke- 
lijkheid van hun bestaan buiten het voorstellen om. De 
dingen en het lichaam zijn hier primair en de voorstellingen 
er van sekundair. 

Het ontstaan van dit psycho-fysiologische Subjekt is nu 
verder aldus, dat het psychologische Subjekt het lichaam, zijn 
objekt, als bestanddeel in zich opneemt en daarmede te zamen 
zich stelt tegenover de verdere wereld der dingen, die dan 
wordt de buitenwereld; daarbij fungeert de ziel als levens- 
principe van het op zich zelf levenlooze lichaam. Beide dit 
Subjekt en dit objekt zijn in tijd en ruimte. 

Dit psycho-fysiologische Ik is het belichaamde Ik, het 
bezielde lichaam, dat loopt en eet, zich te slapen legt en zich 
baadt, dat een kind baart, dat zich onhandig voelt, dat waar- 
neemt, denkt, voelt en wil: de mensch omringd door de 
dingen der buitenwereld: het Subjekt nedergedaald in de 
wereld der dingen. ' Ook dit Subjekt is individueel en aktief, 
zijn aktiviteit openbaart zich in zijn ingrijpen in de buitenwereld. 

* 



Digitized by 



Google 



BEWUSTZIJN, ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 461 



Zoo heeft dus het woord »Ik** drieërlei beteekenis. De niet 
wijsgeerige mensch staat in het naieve realisme en erkent 
slechts het psycho-fysiologische Subjekt en daartegenover als 
objekt de buitenwereld. 

Eerst op een hooger vlak van intellektualiteit, niet voor 
alle menschen bereikbaar: heden reeds voor veel meerderen 
dan in verleden tijden, komt men tot het inzicht, dat het 
ziele-leven een afzonderlijke sfeer is van andere orde dan het 
organische leven, en daarmede tot de erkenning van het 
psychologische Subjekt, de ziel, waar tegenover als objekt 
staat het lichaam. 

Uit dit inzicht komt de wijsgeerige erkenning voort van het 
metafysische Subjekt, den Geest, de transscendente realiteit 
van ons wezen, waar tegenover als objekt staat de metafy- 
sische Objektiviteit. 

Het psycho-fysiologische Ik is in den tijd en in de ruimte, 
het psychologische Ik is in den tijd, het metafysische Ik is 
buiten tijd en ruimte beide. Zoo is dan ook het empirische 
Subjekt, daar het in den tijd bestaat, in zijn beide vormen, in 
zijn toestanden gestadig veranderend, maar de Geest, buiten den 
tijd zijnde (want de tijd is zijn eigen schepping) is onveranderlijk. 

Het psycho-fysiologische Subjekt wordt geboren, door zijn 
ouders verwekt, en sterft na eenige tientallen van jaren; het 
psychologische Subjekt komt te bestaan te gelijk met zijn 
lichaam, maar niet door zijn ouders verwekt : het sterft in der 
eeuwigheid niet ; voor den Geest bestaat noch geboorte, noch 
verwekking, noch dood : hij is in de eeuwigheid, dat is in het 
tijdlooze. 

Wij leven in den tijd, maar het innerlijkste van ons wezen 
staat buiten den tijd : het metafysische wezen zelf buiten den 
tijd openbaart zich in tijdsvorm. 

Wat dat nu is, dat de Geest zich komt te openbaren in den 
tijd: dit is niet te zeggen. Hoe is dat moment, waarop het 
geschiedt? En, staande in de empirische werkelijkheid, zullen 
wij zeggen, dat het is bij de kopulatie? Het is een ondoor- 
grondelijk feit, evenzeer als het uittreden uit dezen bestaans- 
vorm bij den dood. Dit alleen kunnen wij zeggen: bij het 



Digitized by 



Google 



402 BEWUSTZIJN. ONBEWUSTHEID EN SUBJEKT. 

begin en bij het eind van het empirische leven moet de Geest, 
aktief, een verandering ondergaan, waardoor de eene maal 
hij komt in dien bestaansvorm en waardoor de andere maal 
die betrekking opgeheven wordt. 

Ons onderzoek, dat was ter inleiding in de studie van 
het ziele-leven moest noodzakelijk de twee groote problemen 
van het bewustzijn en het Ik aanvatten. Maar deze zelfde 
problemen doen zich voor aan een ieder, die zoekt te 
komen tot een levensleer, want hij wiens denken daarop ge- 
richt is, komt te staan voor het mysterie van het Ik, en 
inkeerend tot zich zelf vindt hij de erkenning van God, het 
besef van goed en kwaad, van de realiteit der schoonheid, 
maar dit alles blijft voor hem waardeloos, zoolang hij het 
verband er van niet gevonden heeft. Zoo heeft dan het klare 
inzicht in deze dingen, waarnaar wij zochten, niet alleen be- 
teekenis voor vakkennis, het vertegenwoordigt, daar het leidt 
tot een levensleer, ook hooger geestelijke waarde. 



Digitized by 



Google 



DE ZAAK HOGERHUIS 



F. VAN DER GOES. 



P. A. PyNAPPEL, De zaak Hogerhuis, 
Amsterdam, Scheltema & Holkema's 
Boekhandel. \Prijs: /0.25.] 



De Leldsche hoogleeraar Van der Vlugt is een van het 
zestal Westerlingen geweest, die op reis waren gegaan om 
den Keizer van Rusland tot andere gedachten te brengen, 
nopens de behandeling van zijne Finsche onderdanen; maar 
die niet zoo ver konden komen van Zijne Majesteit hunne 
gewichtige schriftstukken in handen te stellen of tot een 
mondgesprek met Hoogstdenzelven te worden toegelaten. 

Daarentegen beschrijft de heer Van der Vlugt het weder- 
varen van hem en zijne tochtgenooten in een bijzondere 
korrespondentie aan het Handelsblad; zoodat, indien niet de 
bewoners van Finland in hunnen strijd om vrijheid, althans 
de lezers in Holland worden gesterkt in hunne liefde voor 
belangwekkende reisverhalen, gelijk de bladen er in dezen 
tijd des jaars plegen mee te deelen. Niemand minder dan 
de bejaarde Noordpoolreiziger Nordenskiöld was van de partij ; 
en het verhaal zijner avonturen met Eskimo's en Lappen, 
zijne >lektuur-herinneringen uit het leven van zijn lievelings- 
held Napoléon**, vormden, naar de figuurlijke lofspraak van 
den heer Van der Vlugt, »het zout (hunner) gemeenschappelijke . 
maaltijden.'* Onderstellen wij uit vaderlandsch zwak, dat de 
schrijver in het Handelsblad er wederkeerig de suiker van 



Digitized by 



Google 



464 DE ZAAK HOGERHUIS. 

representeerde, en de Heer Nordenskiöld reden heeft gehad 
met ééne naamsverandering deze woorden van den Leidschen 
professor tot de zijne te maken: »Een man als mr. Van der 
Vlugt te ontmoeten is een schat die blijft, een voorrecht, dat 
al had de reis naar Petersburg niets anders opgeleverd, hare 
moeiten ruimschoots zou hebben geloond.** 

Voor het overige bevatten deze brieven een zeer open- 
hartig relaas van de wijze, waarop eenige ministers van den 
Tsar met de vreemdelingen een loopje namen. Om dit recht 
duidelijk te maken, plaatst de schrijver als motto boven zijn 
tweede epistel het antwoord van een dier hoogwaardigheids- 
bekleeders: >De Keizer, mijn doorluchtige meester, is volkomen 
toegankelijk voor iedereen.** De geestigheid van de brieven 
is, dat de schrijver zeer wel gevoelt, dat de diplomaat te 
beleefd was om er bij te voegen : behalve voor u. Doch deze 
overmaat van gemoedelijkheid veroordeelt tevens den tocht. 
Ten minste bij den Nederlandschen kruisvaarder heeft het 
besef van de realiteit der Russische toestanden ontbroken. 
Redeneeringen als mr. Van der Vlugt zou aanbieden, kent 
de keizer op zijn duimpje. Meent men dat het onbekendheid 
met den inhoud van de liberale levensbeschouwing is, in het 
bijzonder eenige achterlijkheid op het stuk van vrijzinnig 
staatsrecht, die de rol bepaalt van den Oosterschen heerscher ? 
Van de ontwikkeling van twee machtsmiddelen kan het aan- 
breken van een beteren tijd voor Rusland worden verwacht; 
van de kracht der vooruitstrevende burgerij, van de kracht 
der opkomende arbeidersklasse, — maatschappelijke groepen, 
die beiden hun weg vinden met de uitbreiding van de moderne 
sociale verhoudingen. Zoolang aan het Tsarendom door geene 
revolutionnaire invloeden in het eigen land voldoende weer- 
stand wordt geboden, is alle buitenlandsche inmenging te 
vergeefs. En slechts is voor later van die buitenlandsche 
inmenging iets te hopen, welke komt in de gedaante van 
eene triomfeerende arbeidersklasse uit het Westen, die na de 
overwinning op de reaktie tehuis, het evangelie van de vrijheid 
in den mond van het kanon en op de spits van de bajonetten 
draagt, draagt over de vlakten van het zuchtende Tsarenrijk — 



Digitized by 



Google 



DE ZAAK HOGERHUIS. 465 

welkom geheeten gelijk voor nu honderd jaar de Fransche 
legers over den Rijn en de Alpen. — Doch ligt misschien in 
de uiterste machteloosheid van eene demonstratie als die van 
de heeren Van der Vlugt c.s., die alleen hunne kracht zoeken 
in een woord, in een woord waarvan zij vooraf niet zeker 
wisten of het hun vergund zou worden te spreken, — de 
bekoring van het geloof aan eene idee, sterker dan het geweld 
van bajonetten of kanonnen? De heer Van der Vlugt is daar- 
voor te zeer een tourist, meer dan een kruisvaarder. Hij laat 
te spoedig zich troosten door het charmante gezelschap, en 
glimlacht te dikwijls over zijn eigen figuur als die van het 
verlakte haasje in het groote Petersburg. 

De grapjes over de agenten, die de heeren in hun hotel 
vergezelden, zijn eenigermate een affront voor de lieden, die 
in ernst met de Russische politie te maken hebben gehad. 
De schoonheid van den dweeper, die politie en ministers 
nadert, niet met den hoed in de hand maar met een dolk in 
de vuist, vertoont de speciale korrespondent van het Han- 
delsblad ons niet of nauwelijks; en wij wilden zeggen dat, 
indien de schoonheid ontbreekt, er weinig anders overblijft 
dan de lafheid. 

Eéne plaats, intusschen, is er in den genoemden tweeden 
brief, die de verhouding van de vertegenwoordigers van het 
burgerlijk liberalisme tegenover de Russische bureaukratie met 
eenige zuiverheid aanduidt. Van een der ministers heet het, 
dat hij het >doel van de tusschenkomst" — een tusschen- 
komst, die niet meer dan een overkomst heeft kunnen zijn 

— niet begreep. >Noch onze bekommering om Finland's 
wille". »Noch ook de onpersoonlijke vanzelfheid der betoo- 
ging'' — een betooging, die slechts een betuiging is geweest, 

— »wier vertolkers hij voor zich zag.** — > Wie hadden ons 
toch wel eigenlijk naar St. Petersburg gebracht? Wie zaten 
er eigenlijk achter? Ziedaar *s ministers eerste vraag.** En 
de heer Van der Vlugt gaat voort met te verzekeren, dat 
van de daad van den keizer ten opzichte van Finland, »deze 
trouwe en eerlijke dienaar des Tsaren zich evenmin een 
voorstelling (vormde) als van dit andere dat, op het verne- 



Digitized by 



Google 



466 DE ZAAK HOGERHUIS. 

men eener dergelijke daad, het rechtsgevoel van West- en 
Midden-Europa vanzelf zich uitte in protest op protest, al 
liet kwalijk iemand zich aanwijzen als de belhamel of de rad- 
draaier". 

Wat de deputatie van de liberale bourgeoisie ondervond 
bij de handlangers van den alleenheerscher in de zaak van 
Finland, ondervinden de vertegenwoordigers van de georga- 
niseerde arbeidersklasse bij de regeerende dienaren van de 
bourgeoisie in de zaak van de broeders Hogerhuis. 

Wie hunner, mag men vragen, wie hunner heeft ge- 
toond onze tusschenkomst en onze bekommering om der 
onschuld wille te begrijpen? Wie: het onpersoonlijke, de 
vanzelf heid der betooging f Het socialisme, meenden ze, zat 
er achter: haat tegen het gezag, afkeer van de justitie. Wat 
zij eigenlijk misdreven had, gevoelde men niet. Noch, dat op 
het vernemen van een zoodanig misdrijf, het rechtsgevoel 
van de arbeidende massa zich uitte in protesten zonder eind, 
die geenszins waren toe te schrijven aan het stoken van 
eenige raddraaiers of belhamels. — Kortom, de heer Van 
der Vlugt vindt bij de hooge Petersburgsche bureaukratie 
niet zoozeer opzettelijken onwil en direkte tegenwerking, als 
wel de klaarblijkelijke afwezigheid van het inzicht in de zaak, 
dat aan goeden wil tot medewerking vooraf moet gaan. En 
zoo ook vinden wij bij de standgenooten van Van der Vlugt, 
niet het uitdrukkelijke voornemen om onschuldigen in de 
gevangenis te houden, maar een hooge mate van ongeschikt- 
heid om de gronden te beoordeelen waarop hunne onschuld 
wordt betoogd, en te begrijpen de motieven van de beweging 
te hunnen gunste. 

Het beste bewijs geeft de heer Van der Vlugt zelf. Gele- 
genheid tot interventie ten behoeve van het recht, behoefde hij 
toch waarlijk niet eerst in Rusland te gaan zoeken. Immers 
het onrecht dat een paar personen is aangedaan, roept niet 
minder luide om herstel dan het onrecht dat een natie lijdt 

Althans een hoogleeraar in de rechtswetenschap, veronder- 
stellen wij, telt niet de offers maar weegt het leed: want 
niet het beschadigde belang van personen treft den wijsgeer 



Digitized by 



Google 



DE ZAAK HOGERHUIS. 467 

maar de krenking van een idee. Waarom dan zwijgend toe- 
gezien in de zaak van onze onschuldige landgenooten, mis- 
schien haar zelfs onverschillig gadegeslagen? Bovendien, 
als voor het ideëele besef de drie Friezen opwegen tegen de 
drie millioen Finnen, zou uit een oogpunt van praktisch nut 
een demonstratie voor laatstbedoelden verreweg verkieslijk 
zijn geweest. Terwijl prof. Van der Vlugt kon verwachten, 
dat de ministers van den Tsar hem bij den neus zouden nemen, 
mocht hij rekenen op de ernstigste aandacht van het geheele 
volk zijner medeburgers. Doch hij leeft in een vreemde, 
onwerkelijke wereld, gelijk de burgerlijke idealisten plegen, 
wier invloed ten goede daardoor zoo bitter klein is. Iets als 
het avontuurlijke, extraordinaire van een persoonlijk beroep 
op den keizer van Rusland kan nog hun verbeelding prikke. 
len, die ongeroerd blijft bij de vraag of drie boerenknechts 
al dan niet hebben ingebroken. 

Verbijsterend, zelfs, moet voor iemand die op de oorzaken 
van het verschijnsel geen acht heeft geslagen, de gedachte 
zijn, dat, indien op dit oogenblik het uur van de bevrijding 
der onschuldig veroordeelden schijnt te naderen, men zoo ver 
gekomen is bijna zonder steun van de gansche rechtsgeleerde 
wereld. Er zijn in ons land niet minder dan vijf hooge- 
scholen, waar de rechtswetenschap in al haren omvang wordt 
onderwezen. Er verschijnen rechtsgeleerde tijdschriften, rechts- 
geleerde dissertaties zonder tal. En al de intellektueele kracht, 
welke eene zoo uitgebreide en vlijtige beoefening van het 
vak onderstelt en opwekt, is, wij zeggen niet onvoldoende 
geweest om drie onschuldigen uit de gevangenis te bevrijden, 
maar zoo goed als ongebruikt gebleven in de beweging voor 
hunne zaak. Hadden wij in een land geleefd zonder univer- 
siteiten met juridische fakulteiten, zonder juristenvergaderingen, 
zonder rechtslitteratuur, — het zou voor de zaak van het 
geschonden recht hetzelfde zijn geweest. Tenzij wij moeten 
zeggen • beter. Want het weinige dat uit deze wereld mocht 
worden vernomen ten gunste, komt niet in aanmerking bij 
het vele dat ten ongunste werd gehoord. Nu ruim een jaar 
geleden richtte de redaktie van het Volksdagblad vragen tot 

31 



Digitized by 



Google 



468 DE ZAAK HOGERHUIS. 

eenige personen betreffende het proces Hogerhuis. Antwoor- 
den kwamen er van onderscheidene bekende rechtsgeleerden. 
Wij noemen Mr. H. Th. de Kanter (Haarlem), H. S. Veldman 
(Delft), J. W. Mollerus (kantonrechter te Apeldoorn), Rud S. 
Benjamins, Th. Heemskerk, prof. Treub, W. Heineken, N. 
A. Calisch, J. A. Levy : — en niet een van hen heeft met 
het gezag dat het publiek aan zijn naam te hechten gewoon 
is, de reeds geruimen tijd gevestigde volksovertuiging willen 
steunen met de verklaring, welke thans op weg is officieel 
als waarheid te worden erkend, dat de Hogerhuizen ten 
onrechte waren veroordeeld. — Het lid van de fakulteit dat 
een uitzondering heeft gemaakt, behoeven wij niet te noemen. 
De student die de tweede uitzondering maakte, is de heer 
P. A. Pijnappel, schrijver van de brochure, aan het hoofd 
dezes vermeld. 



II. 



In het Handelsblad zijn de hoofdstukken van de brochure 
het eerst verschenen; en in het artikel door den redakteur 
Boissevain bij wijze van aankondiging van de feuilletons ge- 
schreven, vinden wij reden om op het bovenstaande terug 
te komen. 

De Heer van der Vlugt legde den nadruk op het niet-begrijpen 
van de west-Europeesche agitatie ten behoeve van Finland. 
Hierin ligt zijnerzijds de erkenning dat het russificeeren van 
het gewest, daarginds in het licht verschijnt van een ekono- 
mische en politieke noodzakelijkheid. Wij willen, bij alle 
verschil, hetzelfde toepassen op de houding van de bourgeoisie 
in de beweging voor, in de zaak van de Hogerhuizen. Even- 
min als de Nederlandsche autoriteiten met plezier de waarheid 
en het recht verkrachten, heeft er een samenspanning plaats 
gehad van voorname publicisten en juristen om haar bij dit 
werk der duisternis de hand te leenen. Wie juist wil oordeelen, 
moet onderscheid maken tusschen opzettelijk misdoen en het 
gebrek aan inzicht. Maar wij vragen: heeft dit onderscheid 
hoe juist het zijn moge, meer dan een theoretische waarde? 



Digitized by 



Google 



DE ZAAK HOGERHUIS. 469 

Wat baat het den Finlanders in hun aan russifikatie over- 
geleverd hertogdom — of wat baat het den broeders Hoger- 
huis in hunne cel te Leeuwarden? Het inzicht moge mankeeren, 
en daarmee het opzet zijn buitengesloten, het toegebrachte 
leed is er niet minder pijnlijk om. Bovendien, maakt de 
erkenning van deze waarheid onze voorstelling van den klassen- 
strijd, in het bijzonder onze meening omtrent de klasse- 
justitie tot een onwaarheid? Integendeel, zij bevestigt haar. 

De twijfel aan de schuld van de veroordeelden is, sedert 
de uitspraak van de Haagsche rechtbank in het proces Troelstra, 
bij velen aanmerkelijk sterker geworden, bij anderen voor 
het eerst opgekomen. Wij meenen, op den uitslag van het 
door dit geding ingeleide revisie-proces vooruitloopende, ter 
wille van de argumentatie de in rechten gebleken onjuistheid 
van het Leeuwarder arrest voor het oogenblik te mogen aan- 
nemen. — Welnu, hadden wij vastgehouden aan de plattere 
opvatting van het wezen der klassenjustitie, en ooit beweerd 
dat de Leeuwarder rechters en raadsheeren tegen beter weten 
in de Hogerhuizen hadden gevonnisd, dan zouden wij thans 
uitgepraat zijn. Met de wetenschap, dat Rechtbank en Hof 
samengesteld waren uit gewetenlooze lieden, en de voldoening 
dit althans in één geval te hebben aangetoond, konden 
wij ons tevreden stellen — de Hogerhuizen eenmaal in vrijheid. 

Het is intusschen duidelijk dat wij, die om dit theoretisch nie- 
tige gevolg nimmer een zoo uitgebreide en bezwaarlijke bewe- 
ging zouden hebben opgezet, een beweging waarmee onze partij 
zich heeft vereenzelvigd, van dit engere gezichtspunt niet zijn 
uitgegaan. Het kwaad dat de eene mensch over den anderen 
brengt uit louter boosheid, is niet het onrecht waartegen een 
staatkundige partij zich kant. Wij bestrijden het onrecht dat 
door ambtenaren wordt bedreven; door ambtenaren, niet 
buiten hunne funktie en tegen de reglementen ; maar bedreven 
overeenkomstig de bepalingen, in de uitoefening van hun 
ambt; bedreven, derhalve, volgens hunne overtuiging gelijk 
de wet gebiedt. Reeds ons partijbelang zou meebrengen dat 
wij de zaak zóó beschouwden, wijl alleen zoo beschouwd de 
zaak voor een principieële kritiek vatbaar is. Het bedenkelijke 



Digitized by 



Google 



470 DE ZAAK HOGERHUIS. 

is niet, dat eenige leden van de rechterlijke macht den schurk 
zouden hebben gespeeld, en daarbij instemming en steun 
gevonden bij eenige dagbladschrijvers en advokaten — maar 
het bedenkelijke is, dat wij in omstandigheden ons bevinden 
welke bekwame en eerlijke rechters, nauwgezette journalisten 
en rechtschapen rechtsgeleerden, verhinderen te zien wat eene 
ongeletterde volksmenigte, voorgelicht door een handvol 
leeken, aanstonds heeft opgemerkt. En deze omstandigheden, 
die de justitie en hare standgenooten belemmeren bij de 
verrichtingen welke zij met ijver en goede trouw waarnemen, 
moeten een algemeene oorzaak hebben, die omdat zij 
algemeen is, wel niet anders dan maatschappelijk kan zijn. 
Deze maatschappelijke oorzaak, dus, doet de burgerlijke 
justitie, de burgerlijke overheid, de burgerlijke pers, de 
organen in één woord, van burgerlijke beschaving en macht, 
voor wit houden wat blijkbaar zwart is, den leugen verwis- 
selen met de waarheid, onrecht plegen als zij meenen recht 
te doen. Wij, nu, hebben met een kritiek van de Jdassejustitie 
nooit iets anders bedoeld dan dit; en wij zouden waarlijk 
niet weten wat wij ooit meer hadden kunnen bedoelen. Is 
dit zoo, en in de zaak Hogerhuis hebben wij een dier zeld- 
zame gevallen dat de vertegenwoordigers der bourgeoisie 
gedwongen worden het feitelijk te erkennen, dan is de strijd 
tegen de klasse die regeert, maar met den besten wil hare 
taak niet meer kan vervullen, een even eenvoudige als 
dringende eisch van den vooruitgang. 

Aan den anderen kant zouden wij aan de zaak welke wij 
voorstaan, te kort doen, door aanspraak te maken op den 
lof van scherpzinnigheid en edelmoedigheid voor de personen. 
Niet enkel eene natuurlijke diskretie vordert dat wij onze 
minderheid erkennen; erkennen, dat, zoo wij aan de zaak 
van het recht eenige diensten konden bewijzen, het meer 
geluk was dan wijsheid. Wij zijn waarlijk door het lot bijzonder 
begunstigde lieden ! Wij spelen met de schatten van waarheid 
en rechtvaardigheid, die onze tegenstanders door geen 
inspanning of toewijding kunnen meester worden. Wat noemen 
wij de bourgeoisie een geprivelegeerde klasse ? De genietingen 



Digitized by 



Google 



DE ZAAK HOGERHUIS. 471 

van een hoogere orde zijn voor haar niet weggelegd, de 
uitdrukking slaat blijkbaar alleen op het stoffelijke. Vraagt 
het overal waar onrecht wordt geleden of tirannie en reaktie 
dreigen; waar kwaad hersteld wordt, of erger voorkomen, 
daar is het voor een deel of geheel te danken aan het 
socialisme. In de zaak Hogerhuis zijn volksvergaderingen 
gehouden, zijn redevoeringen uitgesproken, artikelen en bro- 
chures geschreven, op een of twee uitzonderingen na, door 
onbevoegden. Maar dit is de beteekenis van de zaak Hoger- 
huis, en in dit opzicht hebben de dragers van dien naam 
niet te vergeefs geleden, een beteekenis die de zaak voor 
altijd verbindt aan de geschiedenis van de arbeidersbeweging 
in ons land, dat zij de partij van de arbeiders voor vriend 
en vijand heeft gekenmerkt als de partij van het recht. Gelijk 
er eene algemeene maatschappelijke oorzaak is, die de goede 
bedoelingen van de bourgeoisie machteloos maakt ; zoo is er 
een algemeene maatschappelijke oorzaak, die aan de simpele 
plichtsbetrachting van het proletariaat de glorie bijzet van 
een hoog en edel streven. Zoo weinig wij aan de organen 
van de bourgeoisie de opzettelijke vervalsching toedichten 
van het recht, zoo weinig zullen wij voor ons zelven een 
persoonlijk monopolie vragen van waarheidszin. Wij kunnen 
volkomen tevreden zijn nu de historie van de zaak Hogerhuis 
gekomen is in een stadium, dat de grondwaarheid van de 
socialistische beschouwing in eene eenvoudige gedaante wereld- 
kundig maakt, aannemelijker voor de massa dan door eenig 
voorval hier te lande gebeurd. De waarheid, dat de gesteld- 
heden des geestes welke eerst tot veroordeeling van onschul- 
digen leidden, vervolgens tot onverschilligheid en afkeer ten 
opzichte van de beweging; aan den anderen kant tot twijfel 
aan de juistheid van het arrest, spoedig aangewend als motief 
tot een omvattende en langdurige demonstratie; dat dit 
geestelijk onderscheid bij burgerij en bij arbeiders, de in de 
gevoels- en ideeënwereld werkzame tegenstelling is van beider 
ekonomische en politieke verhoudingen. 

Het is hier de plaats niet in bijzonderheden te spreken 
over den maatschappelijken achtergrond van de zaak, die in 



Digitized by 



Google 



472 DE ZAAK HOGERHUIS. 

dit tijdschrift nu niet voor de eerste maal wordt behandeld. 
Alleen als bevestiging van onze bij eene vroegere gelegenheid 
gegeven voorstellingen ; voorstellingen, overigens, door de feiten 
waar gemaakt meer dan door eenige redeneering mogelijk 
zou zijn; heeft het reeds genoemde artikel van den Heer 
Boissevain voor ons zijne waarde. 

Reeds de aanhef. De schrijver heeft een lange wandeling 
gemaakt met Pijnappel, en »met spanning en diepe belang- 
stelling geluisterd naar het verhaal van zijne ervaringen in 
Friesland*'. Maar ervaringen in Friesland hadden ook Valk, 
de auteur der eerste brochures; Troelstra; Van der Heide, 
predikant te Engelum ; Middelkoop, ontvanger te Leeuwarden 
en de redaktie van het Friesch Volksblad, De onderzoekingen 
van den Heer Pijnappel zijn op die van de anderen gevolgd, 
hem is door de anderen de weg gewezen. Maar de redakteur 
van het Handelsblad spreekt van een bezwaar dat tegen de 
kritiek ook van zijn vriend moest gelden. Hij hield nl. een 
besliste overtuiging voor » ongeveer onmogelijk" indien men 
de > terechtzitting niet bijgewoond en de getuigen niet gehoord 
had". Ware deze beschouwing, zouden wij zeggen, ook maar 
ongeveer redelijk, dan zou het er voor de Hogerhuizen inder- 
daad slecht uitzien. Intusschen, de schrijver zegt vervolgens, 
dat de » diepe overtuiging" van vele mannen >die blijkbaar 
te goeder trouw zijn", grooten indruk op hem hadden gemaakt. 
En wij die waarlijk niet alleen uit beleefdheid, onzerzijds de 
goede trouw van den Heer Charles Boissevain in deze zaak 
evenzeer aannemen, en slechts wilden toonen dat lieden 
in zijne positie door hunne beste eigenschappen en achtens- 
waardigste neigingen kwalijk worden gediend ; wij mogen als 
bewijs aanvoeren dat de hoofdredakteur van het in liberale 
kringen wellicht meest gezaghebbende orgaan, door een voor 
de zaak der waarheid hoogst verderfelijk aanzien des persoons 
geleid wordt. De beweringen van lieden die hem vreemd, 
of wel onsympathiek, vgandig waren, hielp hij dood zwijgen; 
en eerst het woord van een bekend en bevriend persoon 
vestigde bij hem het geloof aan de oprechtheid van anderen, 
die lang vóór zijn zegsman hetzelfde hadden gezegd. Dit is 



Digitized by 



Google 



DE ZAAK HOGERHUIS. 473 

vooral, wij zeggen niet : onvergeeflijk, wijl bij deze beschou- 
wing van te voren het denkbeeld van alle subjektieve schuld 
is buitengesloten; maar dit is vooral daarom ten hoogste 
opmerkelijk, wijl de beweringen van anderen welke de Heer 
Pijnappel later niets anders deed en niets anders doen kan 
dan op zijne wijze herhalen, uit louter zeer eenvoudige zakelijke 
mededeelingen bestonden: het betoog van de zwakheid van 
de gronden in het arrest genoemd, het betoog van de bezwaren 
tegen de bekende daders. Wat heeft de Heer Pijnappel voor 
treffende, nieuwe psychologische beschouwingen of wat voor 
nieuwe, overtuigende feitelijke gegevens den Heer Boissevain 
hunnen meedeelen ? — vraagt men zich af. Maar hij heeft 
hem, behalve het voor de hand liggende in het sociale milieuy 
over niets behoeven, over niets kunnen spreken dan over de 
houding van de hoofdgetuigen, over het raam, het lantarentje, 
over de misleidende procedure, over de onverantwoordelijke 
instruktie, over de oawaarheden in de beschikking — en 
over het verpletterende van de omstandigheden waaronder de 
buitenrechtelijke bekentenissen zijn afgelegd. Wij gelooven den 
Heer Boissevain op zijn woord dat hij te voren geen besliste 
overtuiging had : dat pleit, zeiden we, zeer tegen hem als 
toongevend leider van de publieke opinie ; maar waarlyk 
vreeselijk is het te bedenken en zonder eenige ironie ons 
medelijden waard, dat de maatschappelijke redenen, hier 
werkzaam, zoo zeer dezen woordvoerder der regeerende klasse 
(en bijna al zijne kollega's) tegen de waarheid verharden en 
voor haar verblinden, dat stelselmatig van zijn kant het be- 
kend maken van de stukken waarop de overtuiging van anderen 
rustte, verzuimd is. Wat moet er omgaan in het hoofd van 
den journalist, die, als hij in de brochures van Valk, in de 
kolommen van Sociaaldemokraat, Volksdagblad of Friesch 
Volksblad de reeksen van feitelijke gegevens welke over deze 
zaak openbaar zijn geworden, onder de oogen krijgt, niet 
enkel geen besliste overtuiging voelt ontstaan, maar zelfs niet 
het besef dat zijn plicht als bestuurder van een blad dat 
groote publiciteit geeft, voorschrijft het opnemen van althans 
het voornaamste van het overvloedige materiaal ? 



Digitized by 



Google 



474 DE ZAAK HOGERHUIS 

Wat er bij hem is omgegaan, zal de Heer Boissevain u 
zeggen: >Het heeft, schrijft hij, aan de Hogerhuiszaak veel 
kwaad gedaan, dat zij door te vurige aanhangers is verdedigd. 
De vurigste strijders er voor zijn zeker de Sociaal-democraten 
geweest, wat velen in de beweging alleen een middel om de 
justitie aan te vallen deed zien." 

Deze velen, antwoorden wij, te goeder trouw in de onder- 
stelling, dat wij, buiten de zaak om > alleen'* de justitie wilden 
aanvallen, hebben dus, evenzeer buiten de zaak om, alleen 
de justitie willen verdedigen. Zie hier een voorstelling van 
een der aspekten van den klassenstrijd, waarin althans de rol 
van de bourgeoisie aangeduid is met grootere openhartigheid 
dan wij meestal gewoon zijn. Doch waarom zou Boissevain 
niet openhartig wezen ? Het verdedigen van de justitie rekent 
hij zich tot een eer. Men zou intusschen nu mogen opmerken, 
dat het al te groote vertrouwen gevaarlijk kan zijn. Het is 
redelijk niet vol te houden, dat de justitie in zich zelve de 
waarborgen zou bevatten, om bejegend te worden met een 
eerbied die alle kritiek uitsluit. Niet de logika, maar een 
maatschappelijk motief, schrijft een zoodanigen eerbied voor. 
Eerbied voor de justitie, als maatschappelijke deugd, is de 
ideologische vorm van het belang dat, voor de regeerende 
klasse, bij een sterke justitie betrokken is . . . Dat wisten we. 
Doch dit motief, zien wij nu en zien ook anderen die het 
niet wisten, dit motief werkt schadelijk, werkt ten nadeele 
van het recht. Alle twijfel wordt onderdrukt — bij zichzelf 
en zoo mogelijk bij anderen. Ja, zoo krachtig is de werking 
ten kwade, dat zij den twijfel van anderen tracht verdacht te 
maken. Wij hebben de bekentenis dat velen van de beweging 
voor de broeders Hogerhuis af keerig waren, omdat zij tegen de 
justitie scheen gericht te zijn. Maar deze schijn lag enkel bij hen, 
was de weerschijn van hun angst. Ten eerste ligt het bewijs in 
de uitkomst, die ons en niet hun gelijk geeft. Zoolang een socia- 
listische beweging hier te lande bestaat, heeft zij nog nimmer 
met een gewone strafzaak zich ingelaten. Mag men dan zeggen, 
dat onze tusschenkomst in deze enkele, die blijkt een dwaling 
te zijn, van een vooringenomenheid tegen de justitie getuigt? 



Digitized by 



Google 



DE ZAAK HOGERHUIS. 475 

Neen, wij zien de justitie zooals zij is, zonder vooringe- 
nomenheid: een machtsmiddel van de regeerende klasse die- 
nende tot handhaving van hare sociale orde — welke ook 
eenigpzins die van de arbeiders is, omdat in deze maatschappij 
aan de arbeiders eenig recht en eenige rechtszekerheid toe- 
komt. In geschillen onderling, zelfs in oneenigheid met patroons 
of anderen van de regeerende klasse, maken zij van de justitie 
en veelal met voldoening gebruik. Wij konstateeren het zon- 
der spijt. Welke, overigens, de kenmerken zijn van de klasse- 
justitie en hoe zij in de zaak Hogerhuis aan het licht komen, 
is reeds in den vorigen jaargang van dit tijdschrift aangeduid. 
Genoeg, de geheele procedure in twee instanties, de voor- 
bereiding door de politie niet het minst, dragen rijkelijk de 
kenmerken van het bestaan der maatschappelijke scheiding 
tusschen rechters en beklaagden. De klassejustitie zal eerst 
een einde nemen met de justitie zelve, die alleen in eene 
klassen-maatschappij denkbaar is. Doch het gebrek aan objek- 
tiviteit in het geïnteresseerde oordeel over de justitie, waarvan 
ook de redakteur van het Handelsblad blijk geeft, belet hem 
ons oordeel met eenige aandacht te wegen. Hij is in de 
burgerlijke ideologie zoozeer bevangen, dat hij aan de eer- 
lijkheid van een vrijmoedige kritiek niet kan gelooven. De 
klank alleen van het woord klassejustitie brengt hem van de 
wijs, en het is niet meer dan de klank van het woord waar- 
tegen hij zich wendt. »Van klassen-justitie in deze te spreken 
schijnt ons al zeer kinderachtig,** Al waren, gaat hij voort, 
^hooggeachte magistraten misdadig genoeg geweest om lieden 
schuldig te verklaren omdat zij sociaal-democraten waren, dan 
zou er nog geen reden zijn geweest waarom ze liever de 
Hogcrhuizen dan de drie mannen, die door de openbare 
meening als de schuldigen worden aangewezen, vervolgd 
zouden hebben.** Geen wonder, inderdaad, dat de Heer 
Boissevain van de socialistische meening over de taak van 
de rechterlijke macht in deze maatschappij geen hoogte kan 
krijgen. Wij mogen het geen bewuste onwaarheid noemen 
als de Heer Boissevain hier spreekt van >hooggeachte 
magistraten**; doch, zoolang ons niet gezegd is waarom de 



Digitized by 



Google 



476 DE ZAAK HOGERHUIS. 

Leeuwarder rechters en raadsheeren in het bijzonder op de 
onderscheidende aanduiding aanspraak kunnen maken, moeten 
wij gelooven dat de schrijver in het algemeen alle leden van 
rechtbanken en hoven op deze wijze pleegt te betitelen ; zoo- 
danig, dat bij hem onwillekeurig en direkt het begrip van 
magistratuur aan het begrip van in hooge mate achtens- 
waardig te zijn, is vastgeknoopt. Nog eens, deze vooringeno- 
menheid is, gelet op de rol van de justitie in onze samen- 
leving, volkomen begrijpelijk; zij maakt evenwel onvatbaar 
voor eene onpartijdige en wetenschappelijke voorstelling van 
de justitie — terwijl de broeders Hogerhuis kunnen getuigen 
hoe verderfelijk het is voor de justitiabelen. 

Wij willen, ten slotte, aan de gezelschappen, waarvan wij 
een woordvoeder hebben gehoord, het verwijt niet doen, dat 
zij van dit geval een partijzaak hebben gemaakt. Zoodanige 
verwijten geven te kennen, dat men van de manier, waarop 
openbare meeningen tot stand komen, een zeer onzuiver denk- 
beeld heeft Neen, de verdediging van de justitie en de bij 
de verdediging gevolgde taktiek, van aan den eenen kant 
het gevoelen der voorstanders van de gebroeders verdacht te 
maken als een uiting van haat tegen de rechterlijke macht, 
en aan den anderen kant de feitelijke gegevens niet of niet 
uitvoerig te vermelden, waaruit het gevoelen van de voor- 
standers is afgeleid . . . ; het is, naar beginsel en naar methode, 
de zaak van eene partij, welker methode en beginsel niet 
bepaald worden naar persoonlijke voorkeur, maar haar zijn 
opgelegd door het noodlot der historie. 

III. 

Zeiden wij dat Pijnappels brochure geen nieuws bevat, dan 
had het niet de bedoeling den schrijver in het geringste on- 
aangenaam te zijn. Zij bevat geen nieuws in den zin van 
eene onthulling te zijn van feiten, nieuw gevonden, of van 
voorstellingen, nieuw gedacht ; zoodanig, dat met eenig recht 
de kouranten kunnen beweren, thans eerst overtuigd te zijn 
of althans sterk aan het twijfelen geraakt. Maar de brochure 



Digitized by 



Google 



DE ZAAK HOGERHUIS. 477 

geeft nieuws in zooverre, als zij een oorspronkelijke bewerking 
is van het voorhanden materiaal, de uitkomst meedeelt van 
eigen plaatselijk onderzoek. Nog onbekend waren ecnige aan- 
halingen uit de instruktie, den Heer Pijnappel overgebracht 
door den advokaat der veroordeelden in tweede instantie, 
mr. Kloekers, te Assen. En nieuw waren de artikelen voor 
verreweg het grootste gedeelte van de geabonneerdcn van 
het Handelsblad, Zijn schuld is het niet, dat in Mei 1899 
het nog mogelijk was voor een kring van lezers, aan wie 
het geringste detail van de zaak Dreyfus breedvoerig was 
bericht, de zaak Hogerhuis te behandelen alsof zij gasteren 
had plaats gevonden. Zijne brochure moest zijn een zoo 
uitvoerig en volledig mogelijk overzicht — bestemd voor 
lezers, die de bijzonderheden nog zeer weinig kenden, en 
iedere opmerking ten nadeele van de rechtspraak hunner 
standgenooten, zoo niet weigerden aan te hooren, dan toch 
van te voren wantrouwden. Zijne verdienste is, dat hij aan 
den eisch van de omstandigheden waaronder hij schreef, op 
de juiste wijze heeft weten te voldoen. 

Zij, die de zaak Hogerhuis kennen, zijn door Pijnappel in 
hunne voorstellingen van alle hoofdpunten bevestigd. Een 
persoonlijke voldoening, gering te achten bij de principiëele. 
Hoe meer stukken aan het licht komen, hoe meer personen 
zich met het geval gaan bezig houden, des te duidelijker blijkt 
dat de eerste indruk de juiste was; des te overtuigender wordt 
bewezen, dat de onbevoegden en de ongeletterden, dank zij 
hunne maatschappelijke positie, welke een onbevangen kritiek 
van de justitie toelaat, de omstandigheden van het proces 
beter hebben begrepen dan de wetenschappelijke mannen en 
de aangewezen deskundigen. 

Het eerste hoofdstuk van de brochure behandelt het ge- 
beurde vóór de terechtzitting. De gewichtige vraag: hoe 
zijn de getuigen Haitsma c.s. er toe gekomen, Wiebren 
Hogerhuis en zijne broeders tegen alle rede en waarschijn- 
lijkheid van de inbraak te beschuldigen ? — wordt beantwoord 
juist zooals anderen vóór dezen schrijver deden. Wij zelf 
schreven in dit tijdschrift : niet de getuigen hebben de politie. 



Digitized by 



Google 



478 DE ZAAK HOGERHUIS. 

maar de politie heeft de getuigen op het spoor, het verkeerde, 
gebracht. De Heer Pijnappel, uit kracht van zijn onderzoek, 
waarbij gesprekken met marechaussees en veldwachters, zegt 
hetzelfde: > Onophoudelijk werd hun aandacht op de Hoger- 

huizen gericht. Nu zij hen steeds als de schuldigen 

hoorden noemen, dachten zij : — ja, het was toch niet geheel 
onmogelijk." De citaten uit verhooren bevestigen de opvatting, 
verkregen vóór het dossier publiek werd. Wij vinden o. a. 
deze treffende verklaring van Sieds Jansma, dat hij •bij na- 
denken de meening van den Comm. van Politie min of 

meer wordt toegedaan; de witte moet dan zijn Wiebren en 
de man, waarmede hij geworsteld heeft, Marten, en de man 
buiten, Keimpe.'* Eene verklaring, die, met vele andere, ook 
dit tweede zeer gewichtige feit doet uitkomen, dat de latere 
bewering van de getuigen, volgens welke zij de Hogerhuizen 
onmiddellijk hadden herkend, een groote leugen is. Of Haitsma 
CS. de Hogerhuizen al verdachten — daaraan had de politie 
niets: zij moesten zeggen dat zij het wisten. Hoe ook op 
de terechtzitting de getuigen verleid, ja, gedwongen werden 
tot dezen leugen, kunnen de lezers zich wellicht herinneren. 

De Heer Pijnappel reproduceert de bekende stukken ten 
bewijze dat de politie, om het door haar gewenschte verband 
tnsschen de verdachten en het overtuigingsstuk, het lantarentje 
door de inbrekers achtergelaten, vasttestellen, »met beloften en 
bedreigingen werkte**. Deze onthullingen evenaren het erger- 
lijkste wat in de Dreyfuszaak aangaande laagheden van amb- 
tenaren, militaire of civiele, is gebleken. Een der brieven van 
de betrokken personen heeft schrijver dezes indertijd in deze 
bladzijden doen afdrukken. Een van de andere bij Pijnappel 
te vinden is van eene Dirkje Bosma, wie de Leeuwarder 
inspekteur Bemmelink moet hebben beloofd, >dat haar man 
vrij zou raken van het zaakje van aardappelstelen'*, als hij 
•maar zeide van de lantaarn**. 

Het tweede hoofdstuk van de brochure loopt over de terecht- 
zitting. De schrijver begeeft zich in een uitvoerige en nauw- 
gezette kritiek van het bewijsmateriaal, beperkt tot de ver- 
klaringen der drie bekende getuigen en enkele aanwijzingen 



Digitized by 



Google 



DE ZAAK HOGERHUIS. 479 

— aanwijzingen en verklaringen thans voor de zooveelste 
maal onder handen genomen en wederom, zooals prof. Simons 
zeide, blootgelegd als een samenstel van onwaarschijnlijkheden. 
Deze passages behooren tot de beste van het geschrift. — 
Om deze reden zijn de argumenten tegen het vonnis vooral 
in het thans ingetreden stadium der zaak van belang, wijl er 
beginselen van een legende te bespeuren zijn welke door die 
argumenten wordt weersproken. De legende, namelijk, als 
zouden in beide instanties de Hogerhuizen op schijnbaar goede 
gronden veroordeeld zijn, gronden waarvan de innerlijke zwak- 
heid eerst door het bekend worden van de uitlatingen van 
Van Dijk, Dijkstra en Alberda na het onherroepelijk worden 
van de veroordeeling, aangetoond zou zijn geworden. Sedert 
de indiening van het voorstel der Heeren Harte c. s. is aller 
attentie op het thans noodige nieuwe feit, de aanwezigheid 
dier bekentenissen, gevestigd. Na de aanneming van het 
voorstel is dit nieuwe feit, verg^issen wij ons niet, ook juridisch 
de hoofdzaak. En dit zijn redenen die allicht er toe leiden, 
dat men de bezwaren tegen het vonnis een weinig zou gaan 
vergeten. Doch voor ons blijven zij een gedenkteeken van 
de mogelijkheden bij de rechtsbedeeling in een provincie, 
welke reeds lang den naam had van voortegaan in de 
scheiding tusschen arm en rijk. 

Zeer lezenswaard is verder § III bij Pijnappel. De auteur 
heeft een eigen meening over de herkomst van het bekende 
anonieme briefje aan Mr. Kloekers, nog vóór de uitspraak 
van het Hof door hem ontvangen en getoond aan den heer 
Noyon, advokaat-generaal. Het briefje is de eerste aanwijzing 
van de daders >die niet op vermoedens rustte, maar op van 
de daders zelven afkomstige mededeelingen". >Maar de tijd 
— voegt de Heer Pijnappel er bij — is nog niet gekomen 
voor de publicatie van het bewijs hiervan'*. »Komt het revisie- 
proces, dan zal ook over deze vraag het licht schijnen". 

In het vervolg van schrijvers verhaal over de wijze waarop 
de daders bekend zijn geworden, komen voor de verklaringen 
van Klaas Stienstra en Eeltje Ringia, gelijk beiden haar 
onlangs voor de Haagsche rechtbank onder eede hebben 



Digitized by 



Google 



48o DE ZAAK HOGERHUIS. 

herhaald. Vergissen wij ons niet, dan is de publikatie van 
deze stukken in de feuilletons van den Heer Pijnappel, Mei 
1899, de eerste keer dat in een groot blad anders dan ter- 
loops deze stukken zijn meegedeeld. — Voor de leus heeft 
een nieuwe instruktie plaats gehad, maar — zegt Pijnappel — 
»in hun zucht de eenmaal aangenomen schuld der Hogerhuizen 
te blijven verdedigen, vonden de rechterlijke ambtenaren steun.'* 
Hoofdstuk VII handelt over het derde justitieele onderzoek, 
de instruktie van de klacht wegens meineed tegen Gatze 
Haitsma, namens de vrouwen Hogerhuis door mr. Troelstra 
ingediend — een der middelen tot revisie van het proces 
volgens art. 375 van het Wetb. v. Strafvord., toen het 
andere middel, vervolging der nieuw aangewezen daders, 
te vergeefs was beproefd. De Heer Pijnappel herinnert aan 
de onware woorden van minister Cort van der Linden, in 
zijn memorie van antwoord bij de begrooting van Justitie neer- 
geschreven: dat door het nieuwe onderzoek het bewijs van 
de schuld der gebroeders door nieuwe feiten was versterkt. 
De waarheid is, dat ook de minister in de vulgaire vooroor- 
deelen zijner klasgenooten geheel en al bevangen is, en de 
zaak de moeite van een zelfstandige beschouwing niet heeft 
waard geacht. Van zijne bewering, die hij jammerlijk moest 
opgeven toen het noodzakelijk werd haar tegenover Troelstra 
in de Kamer te verdedigen, zegt Pijnappel met reden: > alleen 
wie in de zaak thuis waren en de onwaarde van het vroegere 
»bewijs*' kenden, konden begrijpen van welken aard deze 
nieuwe versterkingen zouden zijn." De beschikking van Mr. 
Schimmelpenninck d.d. 6 Juni 1898 besprekende, gaat hij 
de nieuwe bewijzen kortelijk na, om te komen tot het reeds 
vele malen bereikte resultaat: >het fiasco der »nieuwe bewij- 
zen** was absoluut.** De houding van Minister en Kamer bij 
de interpellatie van Troelstra over deze beschikking, kritiseert 
de Heer Pijnappel ten slotte in de opmerking, dat de 14 
Juni voor de eer der Nederlandsche natie (lees: van de 
regeerende klasse) geen gelukkige dag is geweest. En 
terecht zegt hij dat, na dit kamerdebat, de in kracht toene- 
mende agitatie voornamelijk gegrond was op de beschikking. 



Digitized by 



Google 



DE ZAAK HOGERHUIS. 481 

welke de zwakheid van het bewijs tegen de Hogerhuizen 
eerst recht deed uitkomen. 

Aan de motieven waarop de gratie is afgewezen, wijdt de 
schrijver eenige uitmuntende bladzijden. Al het waarde- 
looze van de beweringen der >hooggeachte magistraten", die 
het Gerechtshof van Leeuwarden vormen, stelt hij in het 
scherpste licht. Ware het maar zoo ... 1 — als hier omge- 
kochte of op welke andere manier tot het misdrijf van opzet- 
telijke vervalsching der waarheid gebrachte lieden hadden 
gesproken, zou zelfs in onze maatschappij deze overmaat van 
monsterachtigheid niet ongestraft gebleven zijn. Maar een 
veel vreeselijker gedachte is, dat wij in deze adviezen een 
maatstaf hebben van goede trouw, ernst en scherpzinnigheid. 
De raadsheeren en de advokaat-generaal, verre van nu als 
ontmaskerde bedriegers tot ontslag gedwongen of tot straf 
veroordeeld te zijn, gaan voort met de uitoefening van hun 
ambt, blijven over het lot van hunne medemenschen beschik- 
ken en zijn in hoogheid gezeten als te voren — ja, door een 
akte van solidariteit, welke bewijst, dat de deugd der kleinen 
de ondeugd der grooten kan zijn, is de advokaat-generaal. 
Mr. Noyon, sedert bevorderd, en neemt hij het openbaar 
ministerie waar aan het opperste rechtskoUege, dat over de 
aanvrage tot revisie te beslissen zal hebben I 

De schrijver besluit met een woord over de houding van 
de groote kouranten i) en de agitatie door de socialisten onder- 



i) De brochure noemt de Nieuwe Rott. Courant en de Amsterdamsche, Niet 
minder kenmerkend was de houding van het Nieuws van den Dag^ dat op 
een in het oog loopende manier het gewijsde tegen de waarheid heeft helpen 
verdedigen. Het machtigste wapen van de pers, tevens het harerzijds grofste 
plichtverzuim, is het verzwijgen. Spaarzame berichten, korte mededeeUngen 
over de zaak Hogerhuis — naast de volle kolommen dagelijks maanden lang 
over de zaak Dreyfus — of wel een volkomen stille. Somtijds sprekende, waar 
het eenigszins mogelijk was, ten bate van het onrecht. Hiervan twee voor- 
beelden. In zijn geheel reproduceert de redaktie, nummer van 8 Augustus 1898, 
(derde blad) de ongunstige meening van de Amsterdamscke Courant over den 
uitslag van de enquête door het Volksdagblad, De geestrijke konklusie van de 
Amst. Ct., dat alleen juristen mogen oordeelen, acht het orgaan van Dr. Ritter 
de moeite van het overnemen ten volle waard. 



Digitized by 



Google 



482 DE ZAAK HOGERHUIS. 

nomen. Juist wijl de Heer Pijnappel in deze kwestie den 
dieperen grond onaangeroerd laat, en zich alleen bemoeit 
met de voor ieder onbevangen waarnemer zichtbare feiten — 
gevolgen van een oorzaak welke hij niet noemt — is zijn 
getuigenis, ook voor ons, van waarde. Hij spreekt niet 
over de maatschappelijke noodzakelijkheid welke de rol be- 
paalt van bourgeoisie en van proletariaat: het is de bevesti- 
ging van ons gevoelen omtrent deze noodzakelijkheid, vindt 
een nauwgezet onderzoeker het optreden aan beide kanten 
met haar in overeenstemming. Niet derhalve, als een streeling 
van onze ijdelheid, zelfs niet als de waardeering van ver- 
richten arbeid, maar als de versterking in het geloof aan de 
kracht waarmee wij van groote maatschappelijke plichten ons 
hebben te kwijten, aanvaarden wij het woord van dezen 
jongen schrijver: 

»Het is dan ook een armzalige beschimping te zeggen, dat 
het zooveel beter zou zijn gegaan, wanneer de socialisten 



Direkt tendentieus in ongunstigen zin is het overzicht, voorkomende in het 
nummer van i6 Juli 1898, van prof. Simon's bekende artikelen in het Paleis 
van Justitie, geschreven na de beschikking van Mr. Schimmelpenninck. Men 
weet dat deze artikelen een diepen indruk hebben gemaakt; ondanks alle in 
de positie van den hoogleeraar dubbel begrijpelijke reserve, was zijne kritiek, 
zoowel van het arrest, van de terechtzitting en van de beschikking, vormelijk 
minder dan wezenlijk, dermate scherp dat het verschijnen van zijne artikelen 
een zeer belangrijk incident uitmaakt in de geschiedenis van de agitatie. Wij 
vragen of iemand van dit resumee, bestend om aan den uitgebreiden lezerskring 
van het Nieuws het gezaghebbend oordeel van Mr. Simons te doen kennen, 
ook maar half deztn indruk krijgt: 

„De hoogleeraar verklaart zich buiten staat eene welgevestigde overtuiging 
voor te dragen. Hij heeft niet de overtuiging dat de veroordeelden onschuldig 
zijn gevonnisd, en ook is niet elke twijfel aan hunne schuld bij hem ver- 
dwenen. 

Deze meeningen licht hij toe door de behandeling van de zaak op den voet 
te volgen. 

Hij stelt de vraag of de bestaande twijfel door een nieuwe behandeling zou 
kunnen worden opgeheven en of zulk een nieuwe behandeling reeds daardoor 
gerechtvaardigd zou zijn. 

Het eerste is mogelijk, maar acht hij vooralsnog niet waarschijnlijk. 

Grond voor een nieuwe behandeling bestaat er, volgens onze wet, stellig 
niet; de vermoedens van meineed tegen Hailsma zijn niet beslissend en zullen 



Digitized by 



Google 



DE ZAAK HOGERHUIS. 483 

er zich niet mee bemoeid hadden. Integendeel zal het de 
eer der socialisten blijven de eenige politieke partij te zijn, 
die in haar geheel de keuze gedaan heeft: voor het niet 
vormelijke, maar werkelijke rechte — Hoe kan het anders? 
Wij hebben ons niet de zaak, de zaak heeft ons aangetrokken. 
En immers is uit de noodzakelijkheid van zoodanig verzet 
het socialisme geboren. — 

9 Augustus. 



geen rechter licht bewegen een verwijzing te bevelen; eene vcroordeeling is 
nog minder waarschijnlijk, en toch eerst die veroordeeling zou ten slotte leiden 
tot een nieuwe behandeling. 

Toch — zegt hij — staat een weg open, waardoor de rechter, die het vonnis 
wees, geroepen kan worden in het licht der thans bekende feiten een nieuw 
oordeel te geven. Indien een request tot gratie wordt ingediend, zal het Hof 
te Leeuwarden daarover zijn advies hebben te geven. Het Hof zal zich dan 
opnieuw de vraag moeten voorleggen of 't nog altijd van de schuld der ver- 
oordeelden overtuigd is; is die overtuiging verzwakt, *tzal daarvan in zijn 
advies kunnen doen blijken, en de Minister van Justitie, in zijne voordracht 
aan de Kroon, zal zeker aan een dusdanig advies hooge waarde hechten. 
Blijft het Hof daarentegen ook nu nog bij zijne vroeger gebleken opvatting, 
men zal dit kunnen betreuren, maar men zal die opvatting, op een eerlijke 
overtuiging steunend, hebben te eerbiedigen en zich moeten neerleggen bij het 
onvermijdelijke." 

Eindelijk verscheen in het nummer van 28 Juni 1899 eene korte aankondiging 
van Pijnappels brochure. E^nigszins kritisch, is de aankondiging in het alge- 
meen gunstig. Men gevoelt dat de redaktie op een bevestiging van de volks- 
opinie van dien kant niet verdacht was. Nu het blijkt dat «betrouwbare en 
deskundige personen, gelijk de Utrechtsche hoogleeraar Simons," eeoigszins 
denken als de groote menigte, (aan prof. Simons schrijft de redaktie thans 
»emstigen twijfel" toe) verheugt zij zich over de mogelijkheid eener revisie, 
welke zij direkt en indirekt zoolang zij kon met alle macht heeft tegengewerkt. 



32 



Digitized by 



Google 



DE STAM VAN T VOLK... 



De stam van 't volk doet nu zijn loten beven 
Omdat een twijg herplant in vreemde streek 
Gewond beweegt: geheimnisvol geleek 
Eén leven nog door stam en twijg te streven. 

Verwantschap trilt in *t bloed, en luide spreek* 
Ze in eendre taal en dring de hand tot geven, — 
Want krachtloos zijn we en ons is niets gebleven 
Van hulp die steunde en macht die niemand week. 

De stam van 't volk doet nu zijn blaad'ren ruischen, 
En vreugd voor 't minst is 't ritslen all' te saam; 
Te lang in stilt hing elk voor zich alleen. 

Eén bloed is 't al, hier kronklend, daar aan 't bruisen, 
Eén taal is de onze en de onze eenzelfde naam: 
Eén is ons voelen, zij 't ook in geween. 

Albert Verwey. 
23 Okt. '99. 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google